Ds. H. Hofman sr. - Openbaring 3 : 20

De klop op de deur van de gemeente van Laodicea

Wie er klopt
Waar Hij klopt
Waartoe Hij klopt
Deze preek is eerder gepubliceerd door de redactie van het blad ‘Con Amore’ van de Gereformeerde Gemeente te Almelo (1978).

Openbaring 3 : 20

Openbaring 3
20
Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 108: 1, 2
Lezen : Openbaring 3
Zingen : Psalm 118: 1, 2
Zingen : Psalm 145: 1, 2
Zingen : Psalm 87: 4, 5

Gemeente, het Woord des Heeren dat wij wensen te overdenken, vindt u in het voorgelezen hoofdstuk, Openbaring 3, en daarvan het 20e vers, waar we lezen:

 

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.

 

Dit Schriftgedeelte bepaalt ons bij: De klop op de deur van de gemeente van Laodicea.

 

Wij overdenken:

1. Wie er klopt

2. Waar Hij klopt

3. Waartoe Hij klopt

 

1. Wie er klopt

 

Gemeente, Johannes die verbannen is op het eiland Patmos, heeft een wonderlijke openbaring ontvangen aangaande de dingen die haast geschieden moeten. Hem is verschenen de verhoogde Christus; Degene Die gezegd heeft: En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth. 28:20).

Jezus Christus, Die in het midden van de zeven gouden kandelaren wandelt, heeft aan de zeven gemeenten in Klein Azië een boodschap gezonden. De boodschap luidt aan het eind altijd weer: Die oren heeft om te horen, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.

Zo worden wij ook steeds in Gods huis vermaand en geroepen te luisteren naar wat de Heere ons te boodschappen heeft.

Niet alleen dat deze boodschap gebracht wordt aan de engel – dat is de voorganger – der gemeente, maar de engel der gemeente, die immers ook één met de gemeente is, zal ook die boodschap moeten doorgeven aan allen die tot die gemeente behoren.

 

De laatste brief die de verhoogde Christus vanuit de hemel zendt, is aan de gemeente te Laodicea. Laodicea was een rijke handelsstad, niet ver van Kolosse. Nabij Laodicea waren warmwaterbronnen. En wanneer er dan handelsreizigers langs die steden trokken en zich wilden verfrissen, of hun dorst wilden lessen uit deze bronnen, dan bemerkten zij dat dit warm water was. Dan konden zij daarin en daarmee geen verkwikking krijgen; zij spuwden dat weer uit. Lauw water is walgelijk.

Zo gebruikt ook de verhoogde Christus het beeld, dat de gemeente van Laodicea lauw is. Zij zijn niet koud en niet heet. Hij zal ze, als ze zich niet bekeren, uit Zijn mond spuwen.

Hoe het dus in die gemeente gesteld is, wordt ons in het verband voorgehouden. In vorige brieven worden namelijk allerlei ketterijen veroordeeld en wordt er tegen gewaarschuwd, maar dat is niet het geval bij de gemeente te Laodicea. Ik weet uw werken, zegt de Heere Christus. Niet dat gij de leer van Balaäm navolgt, of dat er anderen zijn die weer andere ketterijen aanhangen, maar: Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. En dan zegt de Heere Jezus erbij: Och of gij koud waart of heet.

In die gemeente van Laodicea is rust. Zij zijn voldaan met hun leven en daar beroemen zij zich op. De Heere Jezus zegt in vers 17: Want gij zegt: Ik ben rijk en verrijkt geworden en heb geen dings gebrek. Zij beroemen zich erop dat er onder hen geen ketterijen, geen dwalingen worden gekoesterd of gevoed, maar dat ze in zelfgenoegzaamheid en rust hun godsdienstig leven voorzetten.

Naar eigen oordeel, zo zeggen ze, hebben ze nergens gebrek aan. Ze hebben genoeg. Ze kunnen zingen op z’n tijd; ze kunnen bidden op z’n tijd; ze kunnen naar de kerk gaan op z’n tijd; ze hebben alles. Daar is een gezapige rust en geen gedurig zelfonderzoek. Ze hebben het. En ze hebben nergens gebrek aan. Zo leven ze voort, zonder dat de gedachte zelfs opkomt dat ze nog wel eens tekort zouden kunnen komen…

 

Zo zijn er nu nog veel mensen met dezelfde geest van zelfgenoegzaamheid bezet. We leven netjes, we doen niemand tekort, we leven niet in brasserijen en dronkenschap. En bekeren kunnen we onszelf toch niet. Zo hebben we van onze onmacht een rustbank gemaakt. Of we hebben onze zaligheid buiten Christus gevonden in onze deugden en plichten. Van een nauwkeurig onderzoek wil men dan ook niet weten. Zij zeggen dat ze klaar zijn. Zij hebben nergens gebrek aan.

 

Zegt Christus dat ook? Luister eens wat Christus zegt:  En gij weet niet dat gij zijt ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt. O gemeente, het is zo geheel anders wat de Heere Jezus van die gemeente zegt als wat zij van zichzelf zeggen. O, bedenk het toch met het oog op uw eeuwig welzijn: niet ons oordeel, maar Christus’ oordeel geeft de doorslag! Ik weet uw werken.

De Heere gebruikt daarom dat beeld dat voor de Laodicenzen zo duidelijk is. Ze zijn niet koud en ze zijn niet heet.

Wie is er koud? Wat wordt daarmee bedoeld? Koud, dat is een heiden die maar raak leeft. Dat is een bruut, dat is een goddeloze, zoals een ieder die in de wereld en in de zonde leeft, die van de dienst des Heeren niet wil weten. Koud, dat zijn zij die leven naar de wens van het vlees. Zij die met God en godsdienst spotten en in en voor de wereld leven.

Nou, zo zijn ze niet! Ze zijn niet koud, ze leven niet heidens, ze leven uitermate godsdienstig. En toch zegt de Heere: niet heet.

Wie zijn dat dan die heet zijn? Wel, dat zijn mensen die de Heere vrezen en liefhebben met een heilige ijver, met een vurig hart. Mensen die de Heere dienen met hun hele leven, die met al hun krachten God liefhebben boven alles. Dat zijn zij die met David zingen: ‘Hoe branden mijn genegenheên om ’s Heeren voorhof in te treên.’ Zij die met Asaf zingen: ‘Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde nevens U toch lusten?’

Zo zijn de Laodicenzen ook niet. Ze zijn niet koud en ze zijn niet heet. Ze dienen de wereld niet en ze dienen niet in oprechtheid de Heere. Ze zijn lauw.

 

En wat lauw is hebben we al met een klein voorbeeld genoemd. We weten het ook uit het dagelijks leven: lauw is iets walgelijks. Denk bijvoorbeeld aan een vader of moeder die in het gezin niet ijverig zijn en hun werk maar half doen. Of aan jongens en meisjes op school die hun best niet doen, die wel zullen zien wat er van terechtkomt. Of aan mensen die in het kerkelijk leven altijd maar weer aan de kant staan, die nergens warm voor zijn te krijgen, altijd alles op een ander aan laten komen. Met hun kerkgaan houdt alles op. Elia zegt tot het volk van Israël in 1 Koningen 18: Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Ze staan tussen de Baäl en de Heere in. Ze zijn niet van de Heere en niet van de Baäl. Dus zijn ze niet koud en niet heet, ze zijn lauw.

Voor Laodicea wil dat zeggen dat er geen wenende Maria’s zijn, geen vurige Petrussen. Daar zijn geen Davids die hun zonden hartelijk voor de Heere belijden. Daar zijn geen mensen die hun schuld bewenen voor Gods aangezicht. Daar zijn geen mensen die de keuze weer eens vernieuwen en uitroepen: Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte! (Ps. 18:2).

Daar in Laodicea verkwikken de zegeningen niet en de oordelen verschrikken niet. Als er op de fluit wordt gespeeld, dan wordt er in Laodicea niet gedanst. Als er klaagliederen worden gezongen, wordt er niet geweend. Dan mag er op de bazuin worden geblazen, maar niemand komt tot de strijd. Ze hebben genoeg aan de vorm, aan de rust. Ze zijn lauw in het bidden, ze zijn lauw in het belijden van schuld en zonde. Ze zijn lauw in het strijden, ze zijn lauw onder de prediking. Lauw in de liefde, lauw in het geloof, lauw in de hoop. De Heere zegt: Ik weet uw werken. De Heere ziet het, de Heere verstaat van verre al onze gedachten en Hij proeft de nieren.

 

Hoe is het met ons, gemeente? Hebben wij geweend als er klaagliederen zijn gezongen? Als het oordeel Gods over de zonde gepredikt wordt? Als onze verlorenheid ons wordt aangezegd en de duisternis der zonde en der ongerechtigheid, dat als een kleed over ons uitgespreid ligt? Als ons gepredikt wordt dat we in de zonden en misdaden dood zijn, hebt u dan geweend? Kent u die droefheid naar God, dat wenen, gelijk David, toen Nathan hem aanwees als een man des bloeds? Als er anderzijds op de fluit van het evangelie wordt gespeeld, als Gods genade in Jezus Christus gepredikt wordt, dat Hij gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren is, hebt u dan gedanst? Is dan die heilige vreugde in uw hart geweest, dat zo een als u nog zalig kan worden?

 

Het is met die gemeente te Laodicea niet zo goed gesteld. Het is er droevig gesteld. En toch krijgt deze gemeente een brief, een brief uit de hemel: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods.

Dit zegt de Amen, Hij Die waarachtig is in Zijn spreken; Hij Die de prediking doet horen; Hij Die de verhoogde Middelaar is. Die niet bedriegt. Die niet overdrijft. Die Zich niet vergist. Uit Wiens mond enkel waarheid komt. Die dwars door de vorm heen ziet naar het hart. Die niet gekomen is om de zielen der mensen te verderven, maar om te behouden.

De eeuwige Zoon van God stuurt een brief aan de engel der gemeente te Laodicea en Hij klopt daar op de deur en Hij zegt het: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Hij, voor Wie alle dingen naakt en geopend zijn, de waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods. Het is voor Laodicea nog niet te laat. Het is Gods goedertierenheid dat Hij die gemeente nog waarschuwt, dat Hij ze nog tegemoet treedt om nogmaals op de fluit van het evangelie te spelen. Het is Gods goedheid dat Hij nog geen voleinding maakt, dat Hij ze nog niet uit Zijn mond uitspuwt als geheel walgelijk en overgeeft in het duistere oordeel. Rechtvaardig had Hij dat kunnen doen. Maar Hij heeft geen lust in de dood van de goddelozen, maar daarin dat zij leven en zich bekeren.

 

Gemeente, het is voor ons ook nog niet te laat. De Heere kent uw hart en Hij weet uw gedachten en Hij verstaat ze van verre. De Heere klopt ook op de deur van óns hart, nu! Hij wil in grote goedertierenheid raad geven aan zulken die menen rijk en verrijkt te zijn en aan geen ding gebrek te hebben. Hij nadert tot een zondig geslacht en Hij zegt: Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen opdat gij moogt bekleed worden en de schande van uw naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt. Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig en bekeer u!

De Heere Christus nadert niet in de eerste plaats met de volheid van Zijn genade en alles wat Hij verworven en verdiend heeft, maar met de heerlijkheid van Zijn persoon.

 

Hij is nog Dezelfde, ook vandaag nog. Hij zegt: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige. Deze benaming is ook voor ons als een ‘voorwaar, voorwaar’, waarmee de Heere Jezus, toen Hij op aarde was, zo vaak Zijn rede aanving. Hij gebruikte dat wanneer hetgeen Hij zei, tegen het spreken en denken van Zijn hoorders inging. Door zo te spreken wil Hij voor verwerping behoeden en tot aanneming van Zijn woorden aandringen.

Immers, wat wij van onszelf denken is geheel anders dan wat Hij zegt. Wat u zegt en wat Hij zegt staat tegenover elkaar. Door deze zelfbenoeming schokt de Heere Christus onze inbeelding en ons zelfvertrouwen. Hij zegt met deze namen als het ware: U oordeelt fout, u vergist zich; u laat u misleiden. Het is niet goed met u. Luister naar Mij, Die de waarheid spreek, de Waarheid ben en doe. Neem Mijn woord aan, want niet bij Mij, maar bij u is de dwaling. Ik ben de Amen, en daarom is wat Ik spreek de waarheid!

 

O, gemeente, daar is zoveel dat de waarheid weerspreekt. Daar is de schijn die anders is. Daar is de duivel, die de waarheid omkeert; denk maar aan de verleiding in het paradijs: Gij zult de dood niet sterven. Daar is de wereld, daar is ons boze hart, dat vaak het tegenovergestelde spreekt en leert van wat Christus spreekt. Alles komt tegen het Woord van Christus in verzet. We willen zalig gesproken worden zonder Christus. We willen behouden worden, omhangen met de lauwerkransen van een wettisch leven.

Zo zijn er talloze stemmen die ons wat willen aanpraten. En we luisteren. We maken de rekening op en we komen er uit, de balans klopt. Geen ding gebrek. Rijk en verrijkt.

Hier is dan de Amen. Hij spreekt. Hij alleen moet gehoord worden. Hij alleen moet in het geloof aanvaard worden. Alles wat Hij zegt, zegt Hij als de Amen. Wat Hij spreekt is getrouw en waarachtig. Hij geeft de waarheid getuigenis.

Hij is het Begin der schepping Gods. Hij is de Oorsprong van de schepping, de Fontein waaruit ze opwelt, en daarom haar Hoofd. Door Hem schiep de Vader. Zonder Hem is geen ding gemaakt. En als Begin der schepping Gods zal Hij ook eenmaal over alles rechtspreken. Ook over de gemeente van Laodicea.

Ook over u, ouderen en jongeren. Wij allen zullen geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus. Daarom hebben wij allen op Zijn getuigenis acht te geven. Alleen met wat Hij zegt moet gerekend worden.

Hoor dan nu, o Laodicea, hoor dan nu, allen die hier zijn, het oordeel van deze getrouwe Getuige Gods. Zijn mond brengt niets dan waarheid voort. O gemeente, mocht het thans in uw hart zijn: ‘Ik neig het oor, daar ik op Gods inspraak wacht.’ Weet het toch: zonder Christus is het niet goed met u. Alleen die in Christus is, is een nieuw schepsel. Christus moet in ons hart de hoogste plaats en de enige plaats hebben. En dat is mogelijk! Daar staan we in de tweede plaats bij stil:

 

2. Waar Hij klopt

 

Laat ons eens overdenken waar deze Amen Zich bevindt. Hij staat aan de deur en Hij klopt. Dat wil zeggen dat Hij buiten staat! Niet zoals iemand die de deur achter zich heeft dichtgetrokken en zich heeft verwijderd. Het zou geen wonder zijn als de Heere Jezus voorgoed wegging, dat Hij met zulke mensen niet meer te maken wilde hebben. Ja, dat hebben we ons allen waardig gemaakt. Maar dat lezen we nu niet.

O, wonder van Gods genade: Hij is wel buiten, maar Hij wil naar binnen! Hij staat en Hij klopt. Hij wacht! Hij luistert aandachtig en geduldig af of er iemand is die de deur zal opendoen.

In de Griekse taal betekent dit staan en kloppen: het oor tegen de deur aandrukken en luisteren of er van binnen ‘ja’ geroepen wordt.

 

Zo staat de Heere Jezus Christus aan de deur van ons leven, gemeente. Hij klopt; Hij wil er in. Hij staat daar zoals Hij is: groot van goedertierenheid. Hij ontdekt niet alleen aan onze nood, Hij spreekt niet alleen van Zijn recht, Hij legt niet alleen de kwaal bloot, maar Hij zegt ook: Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt. Zo staat Christus aan de deur van uw leven.

Is het wel eens tot u doorgedrongen dat deze volheerlijke en volzalige Christus, de Knecht des Heeren, aan uw deur staat? Hij staat er buiten. Bij u allen, zonder onderscheid. Krachtens onze geboorte uit Adam zijn wij allen buiten het rijk van God. Hoor toch, gemeente, wij allen zijn kinderen des toorns. Ook uw baby in de wieg, ouders. Ook uw kleine kleuter waar u zoveel van houdt. Ook jullie, jonge mensen. Ons allen gaat deze boodschap aan. Nu kunnen we alleen van dat oordeel worden bevrijd, als Christus in ons hart komt. Nee, dat kan niet door onze geboorte uit christelijke ouders, niet door onze doop of belijdenis. Nee, alleen door het waarachtige geloof, alleen door waarachtige wedergeboorte zal de deur van ons hart geopend worden.

Van nature leven we als vijanden van deze rijkdommen. We zijn verrijkt met onze goede werken, met onze deugden en plichten, met ons godsdienstig leven. We hebben het, we weten het, we kunnen het. En ondertussen staat Christus buiten.

 

Gemeente, is u dat nooit tot een last geweest, dat Hij aan de deur staat? Al is die deur dan nog zo dun, al is Christus nog zo dichtbij, toch staat Hij buiten! O jonge mensen, konden we de ernst van ons leven op je hart binden. Konden we je laten gevoelen de vreselijke toestand waarin we leven, als Christus buiten staat. En dat is de werkelijkheid!

 

Hoor maar, de Waarachtige zegt: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Hij wil binnenkomen! Hij staat er niet met de grimmigheid in Zijn hart. Hij staat er niet met vlammende, toornige ogen. Hij staat er niet met een tong vol addervergif om ons te doden. Nee, Hij staat daar, wachtend en luisterend of er een stem zal zijn aan de andere kant van de deur. O, Hij klopt. Dat wil zeggen: Hij maakt Zijn aanwezigheid kenbaar door te spreken. Hoort en uw ziel zal leven! (Jes. 55:3).

Wat doet Hij dan horen? Hij zal vorstelijke dingen spreken. Het zijn wijze woorden: ‘Zijn mond brengt niets dan loutere wijsheid voort.’ Het zijn waarachtige woorden, want Hij is de waarachtige Getuige; alles wat Hij zegt is waar.

Ik sta aan de deur en Ik klop. Het zijn wenende woorden: Och, of gij ook bekende, ook nog in deze uw dag, wat tot uw vrede dient (Luk. 19:42). Het zijn nodigende woorden: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren (Jes. 55:1). Het zijn dringende woorden: Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart (Spr. 23:26). Het zijn belovende woorden: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth. 11:28). Het zijn welmenende woorden: Komt dan, en laat ons tezamen rechten, zegt de Heere, al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1:18).

Zo welmenend en zo nodigend staat en wacht Hij daar aan de deur. Hij zegt: Ik raad u… En onderwijl valt die klopper op de deur. O Laodicea, o lauwe zondaar en zondares, Ik raad u. Ik wil u een goede raad geven: Dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur.

 

Gemeente, wat dunkt u? Zie en hoor toch deze hemelse Koning, Die daar met al de schatten van Zijn genade en ontferming aan de deur staat. Is dat niet beschamend? Is het niet om u weg te schamen vanwege uw dwaasheid, dat wij Hem er zelf buiten gesloten hebben?

Het is onze eigen schuld dat nu al die goederen, die Hij hier aanbiedt in het heilig evangelie, ons niet eigen zijn. We hebben die adelbrief verscheurd. We hebben Hem eruit geworpen. Maar, gemeente, nochtans klopt Hij! Doordringend en aanhoudend klopt Hij op de deur van uw hart.

 

Dat doet Hij op velerlei manieren. Hij klopt als Hij ons de spiegel van Zijn wet voorhoudt, om ons te overtuigen hoe groot onze zonden en ellenden zijn. Gods wet eist immers volkomen gehoorzaamheid? Hij houdt ons die spiegel voor, opdat we zouden zien wie we zijn geworden door de zonde. In een spiegel ziet u immers uzelf? Hoe vaak staat u voor een spiegel? Eén keer, of mogelijk wel tien keer per dag?  Om te zien hoe netjes u er wel uitziet.

Gemeente, hanteer de spiegel van de wet meer dan uw schoonheidsspiegel. Zo zult u van uzelf schrikken. Hier staat de Amen, de waarachtige Getuige. Hij laat de klopper op de deur van uw hart vallen als Hij de spiegel van de wet u voorhoudt. En Hij laat u zien dat er niet in het minste overeenstemming is tussen ons leven en Zijn heilige wil. Wat moeten we beschaamd zijn dat ons leven zo duister, zo zondig en zo onrein is.

 

Ook klopt Hij met het evangelie. Elke zondag behaagt het de Heere ons onder Zijn Woord samen te brengen. Is dat geen klop op de deur van ons hart? Hoe velen zijn er in de eeuwige nacht, zonder dat ooit de klopper op de deur van hun leven viel? Over ons mag nog het kostelijk heden der genade lichten. Hoe groot is Gods barmhartigheid, dat Hij er ook vandaag nog weer staat en ons Zijn stem doet horen. Vriendelijk, nodigend, wenend, welmenend en belovend wacht Hij, opdat die deur zal opengaan.

 

Hij klopt met Zijn stem, maar Hij klopt ook met Zijn daden. Hebt u het geklop al gehoord, gemeente? De prediking in Gods huis? De leidingen van Gods voorzienigheid? Ernstige ziekte, sterfgevallen? Tegenspoeden of voorspoed in het leven?

 

O, hoe lang heeft Hij zo al geklopt? Misschien al zestig jaar, zeventig of tachtig jaar is de klopper op de deur van uw leven gevallen: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Is het misschien al achttien jaar dat Hij staat te kloppen, jongens en meisjes? En is die deur van jullie hart nog dicht, staat Hij er nog buiten? Klopt Hij dan nog steeds weer op jullie hart: Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur?

O, kinderen en jonge mensen, staat Hij er nog? Kinderen, hoe lang heeft Hij ook op jullie levensdeur geklopt? Zeven jaar? Of acht of tien jaar? Hij staat er nog, als Hij Zijn sparende en dragende hand over je uitstrekte. Als Hij je bewaarde in allerlei gevaar. Dat zijn kloppingen op de deur van je hart. Paulus zegt: Of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid (…), niet wetende dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt? (Rom. 2:4). O, geef toch acht op die stem!

 

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Hoe lang heeft Hij al geklopt? En hoe lang zal Hij nog kloppen? Hoe lang zal Hij daar nog staan, gemeente? O zeker, Hij is groot van goedertierenheid. Zeker, Hij is lankmoedig. Hij handelt nooit met ons naar onze zonden. Maar kunt u ervan op aan dat Hij nog eens klopt? Dat Hij niet zal weggaan? Dat u nog gewaarschuwd wordt? Dat er weer geklopt wordt?

Met deze prediking van het Woord van God kan de laatste klopper op de deur van uw leven vallen. Het kan vandaag de laatste boodschap zijn die u ontvangt. Het heden is maar zo kort. De dag der zaligheid zal niet altijd duren. O, luister toch, voor het te laat is. In het graf is er geen bezinning meer. Zo kan en zo mag het toch niet blijven! Straks is het voor eeuwig te laat. Waartoe wacht Hij dan nog? Wel, daar staat: Indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen… Hij vertoeft nog om te zien of er aan die andere zijde van de deur een is, die Zijn stem zal horen en de deur zal opendoen. Dat is onze derde gedachte:

 

 

3. Waartoe Hij klopt

 

Indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen…

We zijn altijd weer geneigd om aan dit woord van Christus voorbij te gaan. We vragen: Wie kan de deur dan opendoen? Is dat niet het werk van God? Kan er dan iemand die dood is in zonden en misdaden, en onbekwaam tot enig goed, iets aan zijn zaligheid af of toe doen? Kan dan een Moorman zijn huid veranderen of een luipaard zijn vlekken? Kan er dan iemand tot Christus komen, tenzij de Vader hem trekke?

Gemeente, het gaat er niet over wat wij kunnen, maar wat de Heere eist! Laten we nu maar geen beperkingen aanleggen. De Heere Christus zegt het Zelf, en wat Hij zegt is waar: Indien iemand… O, wat buigt Hij diep. Indien iemand… wie dat dan ook is, hoe jong dan ook, hoe oud dan ook, hoe vaak hij dan ook geweigerd heeft, hoe dan ook die woorden en die nodigingen versmaad en veracht zijn geworden. Hoe vaak dan ook de oren zijn dichtgestopt. Voor Christus is er niemand te slecht.

 

Indien er iemand is.… Ach, gemeente, wat zou het een voorrecht zijn als u nu die ‘iemand’ eens zou zijn. Als u thans diegene zou zijn die Zijn stem eens zou horen, dat u zou zeggen: ‘Dat is nu precies een preek voor mij. Ik heb niet gedanst als er op de fluit van het evangelie werd gespeeld. Ik ben die dwaas die niet geweend heeft als er klaagliederen werden gezongen.’

Indien er iemand is… wie dat dan ook is, hoe zwaar u dan ook Zijn wet geschonden hebt, hoe lang u Hem dan ook hebt laten kloppen, hoe lang u die stem dan ook gesmoord, veracht en versmaad hebt, indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen… Wat een wonder, gemeente! Wie zo zijn nood klaagt, zal de gemeenschap met Christus ervaren.

 

Is dat nu niet te dwaas gesproken? Het ligt toch niet in het vermogen van de mens om zalig te worden? Wie zal er nu ooit zichzelf een nieuw hart kunnen geven? Wie zal nu ooit de Heere kunnen binnenlaten? Gemeente, Christus vergist Zich niet! Het is geen gelijkenis, het is het woord, rechtstreeks uit de hemel aan de engel der gemeente te Laodicea: Indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen…

En zijn wij nu altijd maar weer geneigd om te zeggen: ‘Dat kan ik toch niet?’ Zijn we nu altijd maar weer geneigd om onze verantwoordelijkheid niet te aanvaarden? Hoe komt het dat we die deur niet kunnen openen? Waar komt onze onmacht vandaan? Onze onmacht is schuld voor God. Onze onmacht is het gevolg van onze onwil. De Heere laat echter van Zijn eis niets vallen. De Heere zegt het Zelf: de deur moet open, of het is voor eeuwig te laat. Zoekt toch niet uzelf te verontschuldigen. Zolang we leven zonder Christus staan we nog voor eigen rekening.

Wat zijn toch uw overwegingen? Er zijn mensen die zeggen: ‘Ik wil niet.’ Zij geven hun hart aan de wereld. Ook bij Gods kinderen komt het voor dat Christus weer buiten staat! Denk maar aan de bruid uit het Hooglied. Haar Liefste stond buiten. Zijn hoofd was nat van de dauw. En op Zijn vriendelijk kloppen deed ze niet open. O, wat hebben we toch allen toe te zien!

 

Wat is dan het ‘openen’ van de deur? Dat is niet te verklaren, want dat is geen vermogen van de mens, maar het verborgen werk van de Geest. Zoals we dat lezen van Lydia, dat haar hart werd geopend, zodat ze acht gaf op wat door Paulus werd gezegd. Dan krijgt het Woord des Heeren heerschappij in onze harten. Dan horen we als Hij zegt: Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur. O, dan gaan we onze armoede kennen, dan gaan we onze verlorenheid beseffen. Als we horen van dat kleed dat Hij geweven heeft, dan gaan we zien dat onze klederen, onze deugden en plichten, onze gerechtigheid voor God niet kunnen zijn. Als we die stem horen, dan gaan we ook onze blindheid kennen. Waar Hij spreekt van die ogenzalf, wordt er een gebed in het hart geboren: Heere, dat ik ziende mag worden (Luk. 18:41).

Als we de stem van de kloppende Christus horen, dan gaat onze ziel uit vanwege Zijn spreken. Is dat nooit gebeurd, gemeente, dat u onder de prediking, of onder het lezen van het Woord van God gezegd hebt: ‘Heere, dat ik ziende mag worden! Heere, wil toch ook mij dat kleed van Uw gerechtigheid schenken. Wil toch al mijn zonden genadig verzoenen’?

Zijn stem horen, dat is de prediking van Gods wet toestemmen. Zijn stem horen, dat is onszelf in die spiegel veroordelen en met schaamte en schrik bekennen en belijden dat we gezondigd hebben en dat we voor Zijn heilig aangezicht niet kunnen bestaan. Zijn stem horen, dat is dat we dat Woord niet meer kwijt kunnen.

 

Wat zou het een voorrecht zijn als dit woord u uitdreef tot de Heere. Dat u als een ongelukkige, arme, blinde, naakte zondaar vandaag uw knieën eens zou buigen en zeggen: ‘O God, bekeer me toch! Wil de hardheid van mijn hart verbreken. Heere, ik kan zonder U niet leven en ik kan tot U niet komen!’

Dat is reeds een teken dat de deur open is, gemeente. Dan smeken we onze Rechter om genade. Dan bekennen we onze zonden en ongerechtigheden. O, dan staat die deur als het ware al op een kier. Als we zonder de Heere niet kunnen leven, zonder de Heere niet dúrven leven en zonder de Heere niet wíllen leven.

Dat is nu Goddelijke liefde, die de gesloten deur open doet. Dat is nu dat wondere werk van God. Dat is het werk van Zijn Geest, dat Hij wil openbaren dat wat bij de mens onmogelijk is, mogelijk is bij Hem. Het is dat smeken om ogenzalf, om het goud van Zijn verdienste; het verlangen om met die klederen des heils te worden overkleed en bedekt te worden voor Gods heilig aangezicht.

 

Het kan zijn dat hier vandaag iemand is die zegt: ‘Ik kan het niet; ik durf die deur niet te openen, want, Heere, het is daar zo’n duistere moordspelonk van binnen.’ Maar er staat van Zacheüs geschreven dat hij een tollenaar was, zelfs een overste der tollenaren. Zou Zacheüs niet geschrokken zijn toen de Heere Jezus zei: Ik moet heden in uw huis blijven (Luk. 19:5)?

De heiligheid van God werpt de zondaar neer. Misschien durft u de deur niet te openen. Misschien dat u zich veel te zondig, veel te onrein kent, dat u niet durft. Dat u zegt: ‘Ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak inkomt. Hij zo heilig, en ik zo onrein.’ Gemeente, dan mocht de nodiging om tot Hem de toevlucht te nemen, maar uitdrijven, want Hij zegt het: Indien iemand… Al waren dan uw zonden als scharlaken en al waren ze rood als karmozijn, Ik zal ze maken als witte wol.

Dan wil Hij daar toch inkomen; dan wil Hij Zelf de deur openen. Dan is het alsof er aan de binnenkant een krachteloze, een lamme hand op de deurknop ligt, maar aan de buitenkant wordt die opengetrokken. De liefde van Christus, de genade van Christus trekt de deur open en de zondaar geeft zich over aan Hem. Dat is dat ‘opendoen’. Dat is: niets voor Hem willen verbergen, maar onszelf met al onze zonden aan Hem overgeven, opdat Hij ons reinigen zal. Dan zal Hij in dat onreine, goddeloze hart inkomen en daar alles wegnemen wat er niet in thuis hoort. En dan zal Hij Zijn verdiensten aan ons toepassen.

 

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot Hem inkomen. Hoor toch, en uw ziel zal leven, gemeente! Hij wil binnen! Hij komt juist bij diegene binnen die niet kan en niet durft. Hij komt juist bij diegene die door Zijn hoogheid wordt neergeworpen en die Zijn oordeel aanvaardt. Daar zal Hij Zijn gemeenschap openbaren en Zich in Zijn grondeloze barmhartigheid wegschenken.

 

Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij. Daarover ten slotte nog iets, maar we zingen eerst uit Psalm 145, het eerste en tweede vers:

 

O God, mijn God, Gij aller vorsten Heer’,

Ik zing, verheugd, Uw grote Naam ter eer.

Ik zal de roem van Uwe majesteit

Verhogen tot in d’ eind’looz’ eeuwigheid.

’k Zal dag aan dag U eer en dank bewijzen.

De Heer’ is groot; al ’t schepsel moet Hem prijzen;

Zijn grootheid streeft het kloekst begrip te boven;

Laat elk geslacht Zijn werk en almacht loven.

 

Ik zal, o Heer’, Dien ik mijn Koning noem,

De luister van Uw majesteit en roem

Verbreiden, en Uw wonderlijke daân

Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.

Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,

De grote kracht van Uwen arm verhogen;

Ik zal mijn stem met aller lofzang paren,

En overal Uw grootheid openbaren.

 

Gemeente, de Heere Christus geeft er acht op of er zich een schreeuwend hart achter een gesloten deur bevindt. Het zuchten der gevangenen is in de hemel bekend en Hij zal Zich wenden tot het gebed van degene die gans ontbloot is.

Ik zal tot hem inkomen. Al denkt u dan bij uzelf dat u dat onwaardig bent, al acht u dat dan ook totaal onmogelijk, dat zulk een heerlijk Persoon in zulk een nederig, onwaardig, onbewoonbaar verklaarde woning intrek zal nemen, Ik zal – staat er – Ik zál tot hem inkomen, en Ik zál avondmaal met hem houden, en hij met mij.

‘Avondmaal’ heeft hier niet de betekenis van het sacrament van het Heilig Avondmaal, maar het heeft hier de betekenis van maaltijd. Zoals dat in het oosten te doen gebruikelijk was, was de avondmaaltijd de gezinsmaaltijd. Dan was het werk gedaan, het zwoegen en het slaven van de dag was ten einde en ’s avonds verenigde men zich met elkaar aan de maaltijd. Men gebruikte de spijs en men genoot er de rust en de gemeenschap met elkaar.

Zo zegt de Heere Christus: Ik zal inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden. Dan zal Hij de hemelse Gastheer zijn; dan zal Hij het kleed van Zijn gerechtigheid wegschenken. Dan zal Hij die naakte zondaar, die zijn ogen niet durft op te heffen van schaamte, die daar naakt en schuldig aan al Gods geboden voor Hem staat, die daar als een melaatse uitroept: ‘Onrein, onrein’, dan zal Hij die zondaar het kleed van Zijn gerechtigheid omhangen. Dan zal Hij die mantel over alle zonden en alle ongerechtigheden werpen. Dan zal Hij alle zonden en alle ongerechtigheid genadig verzoenen.

Dan zal Hij als eerste spreken: ‘Ik delg uw overtredingen uit en uw zonden gedenk Ik niet!’ Dan zal Hij die bedelarme zondaar, die niets meer heeft, die alles heeft doorgebracht, het goud van Zijn verdiensten uit genade schenken. Hij zal zeggen: ‘Al het Mijne is het uwe.’ Hij zal ze ogenzalf geven, zodat ze Zijn heerlijkheid, Zijn genade, Zijn barmhartigheid, Zijn liefde en Zijn vrede aanschouwen. Zodat ze die gezegende Persoon niet alleen horen spreken, maar dat ze met hun ogen Hem zien. Dat ze met de bruid uitroepen: Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl. 5:10). Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl. 5:16).

 

Ik zal met hem avondmaal houden. Dan komt Hij binnen, gemeente, dan schenkt Hij weg alles wat Hij verworven, alles wat Hij verdiend heeft. Hij geeft het weg, want al wat hen ontbreekt schenkt Hij, mild en overvloedig.

Maar dan zegt Christus ook nog: En hij met Mij. Dan zal het niet alleen zijn een prediking, of een doen aanschouwen van al die heerlijkheid die Hij verdiend heeft. Dan zal er ook de geloofsvrijmoedigheid zijn om het te aanvaarden! Dan zal er ook, na al dat werken, na al die strijd, na al die moeite, na al die omzwervingen, na al dat wenen en schreien voor Zijn aangezicht, die kinderlijke vrijmoedigheid zijn om dat aangeboden kleed en dat aangeboden goud te aanvaarden! Om het uit Hem, uit Zijn hand, te ontvangen en niet alleen uit Zijn mond te horen, dat Hij het zegt: ‘Dat alles is voor u!’ Dan mag in het geloof beleden worden: ‘Het is alles van mij, want Hij is de mijne!’

Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met mij. Wat een wonder, gemeente! Hij met mij! Hij zo oneindig groot en goed, en ik alles verbeurd en duizendmaal onwaardig. Onverdiend en toch gekregen!

 

Misschien zijn er vandaag hier mensen die zijn stem hebben gehoord, maar die de deur niet open kunnen krijgen, die gebonden zijn als met zeven verse zelen. Misschien zijn er van die doodongelukkigen, in wier hart het leeft: ‘Geef me Jezus, of ik sterf!’ Mensen van wie de deur zo dik is en zo moeilijk te openen is. Maar dan zegt Hij: ‘Doe Mij uw stem horen!’ Stort dan voor Hem uit uw ganse hart. Leg dan al uw tranen en al uw verzuchtingen maar aan Zijn voeten neer. Smeek Hem, dat Hij opent. Hoor, gij door onweder voortgedrevenen, gij ongetroosten, wat Christus zegt: Ik zal tot hem inkomen. Dan zal het niet lang meer duren, gemeente, of Hij Zelf zal die deur opendoen en zeggen: ‘Ziet, hier ben Ik; ziet hier ben Ik. Genade is op Mijn lippen uitgestort.’

 

Maar misschien durft u Hem niet toe te laten, dat u zegt: ‘O, ik zal Hem zo tegenvallen. Hoe menigmaal heeft Hij geroepen, hoe menigmaal heeft Hij geklopt. Ik schaam me zo voor Hem. Ik durf de ogen niet op te slaan naar Hem.’

Maar Hij zegt het: ‘Ik zal tot u inkomen.’ En dan zal Hij Zijn gemeenschap, Zijn gunst en Zijn liefde wegschenken. Hij zal al uw nooddruft genadig en in heerlijkheid vervullen.

 

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Zijn er dan vandaag nog mensen in ons midden, die zeggen: ‘Ik wil niet opendoen’? Mensen die altijd maar weer met de vuist, met alle macht de deur vasthouden? Die vandaag wel in de kerk zijn, maar Zijn kloppingen niet willen horen, Zijn roepstemmen niet willen beluisteren? Uw hart grijpt naar de dingen van deze wereld, zodat u zegt: ‘Hij mag er niet in; ik wil Hem er niet in hebben.’ Dat kan ook in ons jonge leven zijn. Wel overtuigd zijn van de noodzakelijkheid om bekeerd te worden, maar zeggen: ‘Nu nog niet, ik ben nog te jong. Eerst wil ik nog wat genieten van de wereld. Nee, nu nog niet, straks wel, later als ik getrouwd ben, of nog later, als ik vijfenzestig ben, dan heb ik nog tijd genoeg.’ O, wat ik je raden mag: Stel het niet uit! Heden, nu staat Hij kloppend aan je deur. En zul je dan deze hemelse, waarachtige Getuige daar laten staan? Nee, het kan geen uitstel lijden.

Gemeente, stel u het lijden van die rijke man eens voor, als hij in de eeuwige pijn is. Hij heeft de genadetijd voorbij laten gaan. Toen het te laat was begeerde hij één druppel water, maar het was er niet voor hem.

 

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Hij heeft ogenzalf, opdat gij zien moogt. Hij draagt het kleed om de schande van uw naaktheid te bedekken. En nog staat Hij er, gemeente. Nog klopt Hij, nog roept Hij, nog nodigt Hij. En Hij luistert met het oor aan de deur of er vandaag een is, die Zijn stem wel hoort, die zijn knieën buigt en zegt: ‘Heere Jezus, doe nu toch die deur open. Heere, bekeer me toch! Neem dat stenen hart eens weg en wil die koperen deur en die ijzeren grendelen eens in stukken slaan. O, Heere, ik kan het zelf niet, doet U het eens!’

Het is hoog tijd! En heilige ernst. De deur moet open! Want wat zal er anders gebeuren? Dit zegt de Amen: Ik zal u uit Mijn mond spuwen! Dat wil zeggen: dan gaat Hij voor altijd weg; dan zal eeuwig de schande van uw naaktheid gezien worden en u zult eeuwig arm zijn en blind.

O, dat de schrik des Heeren u toch eens zou bewegen, dat Zijn Woord, nu nog vriendelijk nodigend, u zou dringen om Zijn hulp in te roepen, dat Hij die koperen deur en die ijzeren grendelen in stukken slaat. U hebt er niets mee te verliezen, u kunt er alles mee winnen!

 

En is uw hart al geopend, heeft Hij reeds woning in uw ziel gemaakt, Hij zal er nooit meer uit gaan. Hij zegt tot Zacheüs: Ik moet heden in uw huis blijven. Dan kunt u door uw zonden Hem bedroeven en ontrouw zijn tegenover Zijn liefde, zodat Hij Zijn aangezicht verbergt, maar toch zult u nooit uit Zijn hart zijn. Hij is de Eerste en de Laatste. En nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven. Hij zal weer inkomen, weer met al Zijn verdiensten het hart verblijden.

 

Straks zal er geen scheiding meer zijn. Dan zal het eeuwig avondmaal gevierd worden. Hij met al Zijn kinderen. En al Zijn kinderen met Hem. Dan zal het vrome volk, in Hem verheugd, huppelen van zielenvreugd. Hij en zij hebben dan hun wens verkregen. Dan zullen daar de blijde zangers staan. Dan geen lauwheid meer, geen machteloosheid, geen koude, geen verdriet. Eeuwig Hij met mij! En ik met Hem! Hem al de lof, eer en dankzegging eeuwig toebrengen.

 

Gemeente, ouderen en jongeren, dit zegt de Amen, de waarachtige, de getrouwe Getuige: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 87: 4 en 5

 

God zal ze Zelf bevestigen en schragen,

En op Zijn rol, waar Hij de volken schrijft,

Hen tellen, als in Isrel ingelijfd,

En doen de naam van Sions kind’ren dragen.

 

Dan wordt mijn naam met lofgejuich geprezen;

Dan zullen daar de blijde zangers staan,

De speelliên op de harp en cimbel slaan,

En binnen u al mijn fonteinen wezen.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd door de redactie van het blad ‘Con Amore’ van de Gereformeerde Gemeente te Almelo (1978).