Ds. D. Rietdijk - Jesaja 4 : 5

De bewaring van Christus' Kerk

Jesaja 4
De gemeente van Christus
De schepping van Christus
De beschutting door Christus

Jesaja 4 : 5

Jesaja 4
5
En de HEERE zal over alle woning van den berg Sions, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook, en den glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 3: 3
Lezen : 2 Korinthe 4
Zingen : Psalm 74: 2, 12, 18
Zingen : Psalm 91: 5
Zingen : Psalm 34: 4

Gemeente, onze tekstwoorden kunt u vinden in de woorden van de profeet Jesaja, hoofdstuk 4 vers 5:

 

En de Heere zal over alle woning van de berg Sion en over haar vergaderingen scheppen een wolk des daags, en een rook, en de glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over alles wat heerlijk is, zal een beschut­ting wezen.

 

Dit Schriftwoord spreekt ons van: De bewaring van Christus’ Kerk.

 

We letten op drie gedachten:

1. De gemeente van Christus

2. De schepping van Christus

3. De beschutting door Christus

 

1. De gemeente van Christus

 

De Heere bewaart Zijn Kerk. Dat laat Hij niet aan mensen over. Hij wandelt als de grote Koning tussen de zeven gouden kandelaren. Hij bewaakt Zijn gemeente in de strijd op de aarde en Hij bewaart ze door Zijn kracht door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden. Hij houdt Zijn Kerk in stand.

Dat doet Hij met een ieder van Zijn kinde­ren, maar ook met Zijn kerk als geheel. Het is nuttig om te gedenken hoe de Heere de kerk reformeerde in de zestiende eeuw. Het is al ruim vijfhonderd jaar geleden dat Maarten Luther geboren werd. Het is goed om de daden van de Heere te gedenken die Hij toen verricht heeft.

Maar wij mogen daarbij niet vergeten dat de kerk van nu een triest beeld ver­toont. De kerk is ver­brokkeld en gescheurd, en er is bovendien weinig te zien van het werk van God. Het is zo verdeeld en koud. Men leeft liefdeloos en hooghartig aan elkaar voorbij. We zijn zo weinig bezorgd om de eer van God en zoveel bekommerd om eigen naam en eer.

Toch is het ook nu waar dat de Heere Zijn gemeente bewaren zal. Hij zal niet laten varen wat Zijn hand begon. Hij zal hen door alle tijden heen behouden, zoals de goede Herder Zijn kudde behoedt. Het staat in onze tekst: En de Heere zal over alle woningen van de berg Sion en over haar vergaderingen schep­pen een wolk des daags.

Het was niet zo’n blijde tijd waarin Jesaja zijn profetie schreef. Het was een bange tijd, waarin de oordelen van God over Israël gingen. Het volk zou getroffen worden door oorlogshandelingen, zodat de mannen zouden sterven door het zwaard. De slachting zou zo groot zijn – u kunt het lezen in vers 1 van ons teksthoofdstuk – dat zeven vrouwen één man zouden aangrijpen en zeggen: ‘Wij zullen ons eigen brood eten, als wij maar naar uw naam genoemd mogen worden. Neem onze smaadheid weg.’

Gemeente, het is verschrikkelijk wanneer de Heere de zonden van een land bezoekt. In het bijzonder van een land dat Zijn Naam heeft gekend en Zijn Woord heeft gehad, waar de kerk het verzondigt en het Woord veracht of ontkracht. We kunnen dit helaas overal om ons heen waarnemen.

 

Toch zijn er overgeblevenen. Een over­blijfsel waaraan de Heere Zijn genade zal bewijzen. Een iegelijk die geschreven is ten leven te Jeruzalem, staat er in vers 3. Dat wil zeggen dat er een over­blijfsel is naar de verkiezing. Er is in de hemel een boek des levens des Lams. En dat boek wordt afgewerkt, als we het zo mogen zeg­gen. Daar staat het Lam voor in. Dat is vastgelegd in Zijn bloed. Hij zal die overgeblevenen bijeenvergaderen.

Hij wordt genoemd de Spruit, Die zal zijn tot een sieraad en tot heer­lijkheid (vers 2). Voor die overgeblevenen zal dat de genade van Chris­tus zijn, die tot sieraad en tot heerlijkheid is, want zij zullen heilig genoemd worden. Zij zullen in Christus heilig zijn. Want zij zullen gewassen worden in Zijn bloed van de drek van de zonde en van hun eigen­gerechtigheid. Hun bloed­schulden zullen afgewassen worden. Ze worden niet alleen verzoend door het bloed, maar hun schulden worden afgewassen, zoals een kind gewassen wordt.

Ook zal de Geest des oordeels en der uitbranding de zonden weg­doen, zo lezen we in het vierde vers. De Geest des oordeels overtuigt van zonden. Die Geest laat de zonden zien. Maar Hij is ook de Geest der uitbran­ding, Die als een vuur loutert, doorzuivert, en de zonden weg­brandt. Dat is het heilige volk, dat zal wandelen in de wegen van de Heere. Dat zal betonen een heilig volk te zijn, omdat zij hoe langer hoe meer de zonden haten en vlieden. Dat zal Christus doen door Zijn Geest. En daardoor zal er heerlijkheid gelegd worden op die overgeblevenen. Zij vormen de Kerk, de leven­de Kerk van de nieuwe dag, de gemeente van Christus.

 

Over alle woning van de berg Sion en over haar vergaderingen, zegt de tekst. De berg Sion is de tempelberg in Jeruzalem. Het is de berg waarop de tempel was gebouwd. Nadat Christus’ offer is gebracht, heeft die plaats nu geen waarde meer. Sion is de plaats waarvan geprofeteerd is in Psalm 87 vers 4: Zie, de Filistijn en de Tyriër met de Moor, deze is aldaar geboren. Ze zijn binnen die Godsstad voortge­bracht. Zij worden wedergeboren in de ge­meen­te Gods. Uit alle geslachten en naties zullen ze komen in Sion.

Het is de nieuwtestamentische Kerk. Die Kerk heeft woningen en vergaderingen. Het is misschien moeilijk te onderscheiden in het oude verbond, maar toch was toen de woning van God in de tabernakel. De wolk rustte op de taberna­kel, maar was ook in de tabernakel, in het heilige der heili­gen, op het verzoendek­sel tussen de cherubim. Dat gaf heerlijk­heid, de heerlijkheid des Heeren, aan die schone gebouwen. Daar woonde God, daar lag glans op.

Met de komst van des Heeren Spruit was er echter geen tempel­gebouw meer waarop Hij sieraad en heerlijk­heid legt. Nee, daar zijn de woningen van de berg van Sion, de woningen der gehei­ligden, die daar wonen met hun gezin­nen. Daar zal de Heere Zijn sieraad en Zijn heerlijkheid op leggen, op heel dat volk, dat geheiligde volk, voor wie de Spruit tot sieraad en tot heerlijkheid geworden is. De Heere heeft het beloofd en zal het bevestigen. Hij zal Zijn Naam voortplanten van kind tot kind en van ge­slacht tot geslacht. En waar de Heere in de woningen van Sion intrek neemt, daar komt glans te liggen op die woningen, daar worden de bloedschulden afge­wassen en de zonden uitgebrand.

Daar gaat Chris­tus ook ge­stalte krijgen! Daar gaat een vader of moeder spreken van de daden van de Heere. Daar wordt gesproken van Chris­tus en Zijn volheid. Wat een glans legt dat op het leven en op het werk!

 

O gemeente, dan zullen we toch een beginsel hebben van iets dat de wereld niet kent. Een Bron waaruit geleefd wordt, die de wereld mist. Ook de godsdienstige mens en de rechtzin­nige mens missen dat. Zij kennen niet die gemeenschap door het geloof met de Heere Jezus. En dat geeft geen heerlijk­heid. De zonde geeft schaduw over al het onze. De zonde legt een vloek op alles. Maar genade geeft glans op al de woningen van de berg Sion. Niet één wordt er overgeslagen.

Die heerlijkheid wordt ook op haar vergaderingen gelegd. Dat zijn de plaatsen waar ze samenkomen. Waar het oude volk van Israël samenkwam in haar vergaderingen in de tempel, daar lag heerlijkheid op. Dan was dat – door het geloof – de schone dienst van Israëls Opperheer.

In het bijzonder geldt dat voor de vergaderingen van de kerk van het nieuwe verbond. Daar waren immers heerlijker dingen dan onder het oude verbond, waar de bediening des doods was en der letter, zoals Paulus daarvan schrijft. Maar onder het nieuwe verbond is er geen uitwendige heerlijkheid en uitwendige glans. Dat was juist het verval en de deformatie van de kerk. Nu is er echter de bedie­ning des Geestes en des levens. Het is een geestelijke dienst door de bediening van het Evangelie.

En als dan dat oude verbond reeds heerlijkheid had, hoeveel te meer zal dan het nieuwe verbond, de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn? Dan gaat het niet meer om uitwendige vormen en wetten. Het gaat om die heerlijke bediening van de Geest, Die de Kerk verder leidt op de weg. Die enerzijds meerdere kennis geeft van de zonde, maar anderzijds ook meerdere kennis van de genade. Ja, hoe meer des Heeren Spruit zal toenemen in waarde in de ziel, hoe meer de heer­lijk­heid van Hem zal geopenbaard worden, hoe minder en onwaardiger wij in onszelf worden.

 

Over alle vergaderingen zal deze heer­lijk­heid liggen. In hun bidden, in hun zingen, in hun lezen, in hun spreken, op alles ligt de heerlijkheid van Christus. In die vergaderingen komt een volk samen dat behoeftig en dorstig is naar God. In die vergaderingen, bijeenroepingen staat er eigenlijk, trekt de Heere dat volk samen, ja, Hij trekt hen tot Zichzelf, tot de Spruit des Heeren. Heeft Hij het niet beloofd: Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen (Matth. 18:20)? En dat is nu juist de heer­lijkheid van de vergadering, als Jezus daar is! Dat is tot eer van God en tot heil van het volk.

 

We letten in onze tweede gedachte op:

 

2. De schepping van Christus

 

De Heere zal over alle woningen van de berg van Sion en zijn vergaderingen scheppen een wolk des daags, en een rook, en de glans eens vlammenden vuurs des nachts. De beeldspraak is wel duidelijk. Het wijst naar de wolkkolom en de vuurkolom waar­door de Heere Israël uitleidde. U kunt dat lezen in Exodus 13. Het was toen een gids voor het volk door de woestijn. Het was echter ook een bescherming. De wolk was achter het leger toen de troepenmacht van de Farao hen naderde. Israëls zijde echter werd van achteren af verlicht. Het was dus een bescherming tegen de vijanden. En Israël had nogal wat vijanden: eerst Egyptena­ren en Amale­kieten, en later Babyloniërs en Assyriërs. En de Kerk heeft nog steeds vijan­den in overvloed: satan met al zijn tra­wanten. En de verachting van mensen, nee, doorgaans niet van de godde­loze wereld, maar van de kerkmensen zelf. Tegenstan­ders die, als instrumenten van satan, hen verach­telijk en bespotte­lijk zo kunnen benauwen. En dan heeft de Kerk ook zich­zelf nog.

Maar de Heere schept een wolk- en vuurkolom. Hij, Die hemel en aarde schiep, uit niet tevoorschijn riep, schept deze be­scherming. Van achteren stelt de wolk zich tussen de vijand en de gemeente van Christus.

Nee, mensen bewaren de Kerk niet, net zomin als mensen kunnen scheppen. Maar de Heere schept een wolk- en vuurkolom. Des daags kan de vijand het volk niet vinden als de Heere een wolk schept. En ‘s nachts is er de rook die de glans van het vuur voor de vijand verdonkert. Welnu, dan is er een muur rondom degenen die de Heere vrezen.

De Heere schept die bescherming. In die hete woestijn verdampte die wolk gedurende veertig jaren niet. En daar was het vuur veertig jaar lang, zonder dat er iets verbrandde. Des daags was er de schaduw van de wolk, des nachts het licht van de vuurko­lom. Zo kan het volk veilig zijn. Hij is de Behouder van Zijn volk. Rondom Jeruzalem zijn bergen, alzo is de Heere rondom Zijn volk (Ps. 125:2).

 

En als u vraagt: ‘Wat is dan die wolk?’, wel, dat is de Heere Zelf, Die met Zijn tegenwoordigheid woont te midden van Zijn volk. Christus is de wolk- en vuurkolom. Hij wandelt tussen de zeven gouden kandelaren. En die Christus is hen voorgegaan. Christus gaat ook achter hen. De Heere zal voor ulieder aange­zicht gaan en de God van Israël zal uw achter­tocht we­zen, zo lezen we in Jesaja 52 vers 12.

Christus is de Leidsman van Zijn volk. Hij leidt door Zijn Woord en Geest. Zalig die het geleerd heeft om door Hem, die over­ste Leidsman, geleid te worden. Hij verlicht het duister van de nacht. Hij gaat Zijn Kerk voor. Hij is de Eerste, maar Hij is ook de Laatste. Hij zal het afmaken. Hij zal waken dat ook de laatste zal binnen­komen.

 

De Heere zal een wolk en een vuur scheppen over alle woningen van de berg Sion en Zijn vergaderingen. Hij beschermt met Zijn hand. Tel dan maar niet de vijanden. Zie maar niet op de macht van de vijanden. Zie toch veel meer op Hem, Wiens kracht niet vergaat, Die aan het einde van de tocht nog Dezelfde zal zijn. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwig­heid (Hebr. 13:8).

Hij wordt toch uw heerlijkheid, volk des Heeren! Door Zijn lijden wordt Hij uw heerlijkheid. In de nachten van aanvech­tingen, van twijfelingen en van zonden wordt Zijn lijden u dierbaar. Dan is er in Hem de glans der liefde waar te nemen. In Hem is er de glans der hoop. Hij is de wolk- en vuurkolom. En die wolk- en vuurkolom is een schepping, want het is Godde­lijk werk. De Heere zegt in Jesaja 27 vers 3: Ik, de Heere, behoede dien, opdat de vijand hem niet bezoeken zal. Ik zal hen bewaren dag en nacht.

 

Het heet een schepping, want het is een almachtig werk. Er is Goddelijke almacht nodig om een weerloze Kerk in een woeden­de wereld te overdekken en te bewaren. Het is ook nooit te stuiten. Als God werkt, wie zal het dan keren? De Heere doet het doorgaans met heel nietige instrumenten. Zoals in de Richte­rentijd, toen Samgar met een ossenstok de Filistijnen ver­sloeg. De Heere werkt ook onverwacht en onge­dacht. Zo zal de Heere dat doen. Want – en dat beluisteren we in onze derde gedachte – over alles wat heerlijk is zal een beschutting wezen.

 

3. De beschutting door Christus

 

Over alles wat heerlijk is. Dat is nu duidelijk: alles wat heerlijk is, dat is de levende Kerk, de gemeente van Christus. Er zijn vele redenen aan te voeren waarom de gunst­genoten van God ‘de heerlijken die op de aarde zijn’ worden genoemd. Maar laten we nu dit eerst horen: Over alles wat heer­lijk is – dus over hun woningen en hun vergaderingen – zal een beschut­ting zijn. Het is duidelijk dat wat daarnet een wolk en een glans des vuurs genoemd werd, nu een beschutting heet. En zo waren de wolk- en de vuurkolom ook een beschutting over de taber­na­kel, en daarmee over het volk van Israël.

 

Het woord ‘beschutting’ komt nog tweemaal in de Schrift voor, namelijk in Psalm 19 vers 6 en in Joël 2 vers 16. Maar daar wordt het dan ver­taald als ‘slaapkamer’ of een ‘vertrek van een bruide­gom’. Het is dus de plaats van de reine en persoonlijke omgang van de Bruidegom Christus met Zijn gemeente. Het is de ontmoe­ting van de Heere Jezus in hun woningen. Het is de ontmoeting van de Heere Jezus in hun vergaderingen. Daar mogen zij Hem door Zijn Geest aanschouwen met ongedekte aangezich­ten, in Zijn Woord. Zo lezen we het immers in 2 Korinthe 3 vers 18: Wij dan, met ongedekte aangezichten de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aan­schouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veran­derd, van heerlijkheid tot heerlijk­heid, als van des Heeren Geest.

In die omgang met Hem wordt de heerlijkheid van het Hoofd Christus op hen gelegd. Zij zijn daardoor de heerlijken. De vernieuwing naar Zijn beeld maakt hen heerlijk. En over al wat heerlijk is zal een beschutting wezen. Daar stelt de Heere Zijn Kerk ook in de bruidsverhou­ding. O, wonder van genade, wanneer de zwarte bruid vrije toegang heeft tot haar Bruide­gom. Wanneer zij met vrijmoedigheid mag ingaan in het heilig­dom door Zijn bloed en daar schuiling mag zoeken, ook in het groot­ste gevaar. Daar in de binnenkamer bij de Bruidegom is zij veilig. Daar zullen de poorten der hel Zijn gemeente niet overweldi­gen. Nee, Hij zal haar bewaren. Voor alle kwaad zal Hij haar bewaren.

 

En nu gebruikt de Heere daar soms de dienst van mensen voor. Hij verwekt dan mannen om Zijn kerk te verlossen of te be­schermen. Dat kunt u in de grote kerkgeschiedenis lezen. Daar kunt u lezen hoe Hij een beschutting is over al wat heerlijk is. Het is jammer dat men die geschiedenis zo weinig kent en vaak niet van belang acht. De Reformatie heeft er wat van laten zien. De vorsten van Saksen en de Paltz hebben de kerk beschermd. Maar ook in het kleine is er die beschutting. Over al wat heerlijk is zal een beschutting zijn. Daar behoren dus ook de kleinsten bij, degenen die het van zichzelf niet bezien kun­nen; de enkelingen. Raak ze niet aan, tast ze niet aan, want het zijn Zijn oogappels. Denk aan Paulus, hoe de Heere het complot tegen hem verijdelde door een jongeman die ervan hoorde.

De Heere gebruikt daar ook engelen voor. De engel des Heeren legert zich rondom degenen die Hem vrezen, en rukt hen uit, staat er in Psalm 34 vers 8. Hij heeft de soldaten van Sanherib geslagen door een engel.

Bovenal echter is Hijzelf de beschutting. De drie-enige God is de beschutting. De Vader zorgt met Zijn goedheid en almacht voor al Zijn kinderen. De Zoon doet het als Middelaar door koping en lossing, door een voortdurende voorbidding als Hoge­priester. Hij beschermt door Zijn almacht als Koning. En zij worden afgezon­derd door de Heilige Geest, en zij worden ook door Hem geleid en be­waard tot de zaligheid. Welgelukzalig is het volk dat deze Koning toebehoort. Zij hebben in Hem een Beschermer tot in eeuwigheid, zoals we zingen uit Psalm 91 vers 5:

 

Ik steun op God, mijn Toeverlaat;

Dies heb ik niets te vrezen.

Wie God vertrouwt, dien deert geen kwaad;

Uw tent zal veilig wezen;

Hij zal Zijn engelen gebiên,

Dat z’ u op weg bevrijden;

Gij zult hen, in gevaren, zien

Voor uw behoud’nis strijden.

 

Gelukkige gemeente van Gods keurlingen! Zij hebben de Heere tot hun Bewaarder. Wat is het echter nodig dat de kinderen Gods nu ook leren om op dit Woord te betrou­wen! Want al is het dat de Heere deze belofte zeker vervullen zal, toch zal ver­drukking – soms zelfs uiterlijke vervolging – het deel van de Kerk zijn. In de wereld zult gij verdrukking hebben (Joh. 16:33). En zalig zijt gij, als de mensen u smaden en vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Verblijdt en verheugt u, want uw loon zal groot zijn in de hemelen, want alzo hebben zij ook de profeten gedaan die vóór u geweest zijn (Matth. 5:11-12). Ondanks de wolk- en vuurkolom had Israël een moeilijke reis. Nee, de Kerk zal het aan strijd van binnen en van buiten niet ontbreken, maar Hij zal hen bewaren. Hoe de vijand dan ook woeden moge, de Heere zal over al wat heerlijk is een be­schut­ting zijn.

 

De grote vraag waarvoor wij persoonlijk staan, gemeente, jongens en meisjes, is of wij tot die woning van de berg Sion en tot Zijn vergade­ringen behoren. Wij moeten tot Sion beho­ren. Als levende stenen moeten we gelegd zijn op het enige funda­ment Christus, tot een ‘woonstede Gods’ gebouwd zijn. En weet u wat dat betekent? Dat betekent een afbraak van ons­zelf, van onze gerechtig­heden, van ons kunnen en ons kennen, om Christus te gewinnen.

Hoeve­len spreken wel van een afbraak en van ontdekking, maar nimmer kunt u merken dat zij het verloren hebben en het hebben moeten opgeven. Praten is gemak­kelijk genoeg, maar het gaat erom in waarheid verloren voor God te zijn. Dat kunt u wel merken. In eigen kracht wordt elke dag geleefd. Nooit is er het zuchtend ver­bonden zijn aan de troon der genade. Hard is het oordeel over anderen, omdat men nog nooit het eigen hart gezien heeft en de liefde Gods en van Chris­tus. Zonder afbraak van ons levenshuis kunnen we ook niet gelegd worden op dat enige fundament, om door het geloof uit Hem en door Hem te leven.

 

Toch worden zij de ‘heerlijken’ genoemd. Dan is het Woord van het Evangelie ons lief geworden. Dan is er een openbaring van Christus als de Weg in ons leven geweest en zijn we tot Hem gevlucht. In die omgang met Hem worden de zonden hatelijker, en de wandel in Zijn vreze begeerlijker. Dan is de Kerk ver­sierd met het gouden borduursel en de gestikte klederen van ootmoed, van zachtmoe­digheid en van liefde. Dan begeren we in Zijn wegen te wande­len.

Dan is er ook iets van die geloofsom­gang met Hem. En als Hij door het geloof in het hart woont, dan zal er iets van Zijn beeld vertoond worden. Dan is er ook iets van dat ‘heerlijk zijn’. En daarover zal een beschutting wezen. Hoe gering ook alles is, de Heere zal Zijn beloften niet vergeten en niet laten varen.

O, het ongeloof ziet niet die heerlijkheid van Christus. Het ongeloof begeert Hem ook niet. Het ongeloof heeft alleen lust en vermaak in de zonde. Ongelukkig mens, want wie niet gelooft, is alrede veroordeeld.

De Heere roept nog, Hij klopt nog, Hij nodigt nog, vriendelijk en genadig. Het kan zo spoedig te laat zijn. Dit is de weg, om voor de Heere uw knieën te leren buigen en om genade te sme­ken.

 

Maar volk des Heeren, hier zal Hij u bewaren. En straks zal Hij u overbrengen naar het hemelse Sion, tot de algemene vergadering en gemeente der eerstgeborenen die in de hemel zijn opgeschreven. Aldaar zal geen nacht zijn, maar daar zal de Heere ons een eeuwige beschutting zijn.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 34: 4

 

Des Heeren engel schaart

Een onverwinb’re hemelwacht

Rondom hem die Gods wil betracht;

Dus is hij welbewaard.

Komt, smaakt nu en beschouwt

De goedheid van d’ Alzegenaar;

Welzalig hij die, in gevaar,

Alleen op Hem betrouwt!