Ds. H. Paul - Jeremia 31 : 33 - 34

De schatkamer van het nieuwe verbond

Jeremia 31
Een rijke zegen
Een herstelde gemeenschap
Een volkomen vergeving

Jeremia 31 : 33 - 34

Jeremia 31
33
Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
34
En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 111: 3, 5
Lezen : Deuteronomium 30: 1-8
Lezen : Jeremia 31: 27-36
Zingen : Psalm 81: 13, 15, 18
Zingen : Psalm 68: 6
Zingen : Psalm 103: 9

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in het gedeelte van het Woord van God u voorgelezen, Jeremia 31, en daarvan de verzen 33 en 34:

 

Maar dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis Israëls maken zal, spreekt de Heere: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent de Heere; want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hunner zonde niet meer gedenken.

 

Deze tekst spreekt ons van: De schatkamer van het nieuwe verbond.

Deze bevat in de eerste plaats een rijke zegen, namelijk dat de Heere een wet geven zal in het binnenste van Israël en ook Zijn wet in hun hart zal inschrijven.

In de tweede plaats: een herstelde gemeenschap. Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent de Heere; want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere.

In de derde plaats: een volkomen vergeving. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.

 

Dus onze tekst spreekt ons van: De schatkamer van het nieuwe verbond.

 

En die bevat:

1. Een rijke zegen

2. Een herstelde gemeenschap

3. Een volkomen vergeving

 

1. Een rijke zegen

 

Gemeente, wanneer ik u zou vragen: Waar vinden we in het boek Jesaja ‘het troostboek’, dan zult u ongetwijfeld wel weten dat vanaf Jesaja 40 tot het einde troostrijke woorden door Jesaja gesproken worden, waardoor we dat boek het troostboek van Jesaja noemen.

Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden (Jes. 40:1-2).

Daar spreekt de profeet Jesaja troostrijke woorden. Daar mag hij het volk waarvan hij de voorzegging heeft gedaan dat ze naar Babel weggevoerd zullen worden, ook de terugkeer uit Babel verkondigen en ook dat de Heere herscheppend en vernieuwend in dat volk zal werken. Dat straks de nieuwe tijd zal aanbreken. De Messias zal komen en een toekomst zal voor Israël aanbreken.

 

Maar niet alleen Jesaja, ook Jeremia heeft zijn troostboek geschreven. We kennen Jeremia meer van de Klaagliederen en de oproepen tot bekering. Maar ook in de hoofdstukken 30 tot en met 33 spreekt de profeet Jeremia zeer troostrijke woorden. Door de Heilige Geest hem ingegeven, spreekt hij van de ballingschap. Maar ook van de terugkeer uit de ballingschap, en de tijd die de Heere geven zal, van de Zaligmaker Die komen zal en de uiteindelijke heerlijke toekomst die het volk Israël tegemoet gaat. Dat de Heere trouw gezworen heeft aan Zijn volk en dat Hij het niet zal vergeten.

 

Israël had zich dat niet waardig gemaakt. We weten van het verbond der genade dat gesloten is met het volk aan de Sinaï, waarin de Heere hun toezegde dat Hij hun God zal zijn: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb (Ex. 20:2). ‘Houd Mijn geboden!’ En het volk heeft gezegd: ‘Al de woorden die de Heere gesproken heeft, zullen we doen. Wij zullen trouw zijn in het verbond.’

Wat een voornemen! Maar wat is er van terechtgekomen? Denk aan de tijd van de richters, de tijd van de koningen, de tijd van Achaz bijvoorbeeld. Dan heeft dat volk het verbond verbroken. Ze hebben andere goden nagewandeld. En dat zegt de Heere ook in Jeremia 31 vers 32: Welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Heere.

Het was dus een nauwe band met de Heere. Hij noemt het een trouwverbond. Net als een bruid en een bruidegom elkaar beloven trouw te zijn, zo hebben de Heere en Israël dat verbond gesloten. Het was een trouwverbond. Maar Israël heeft dat verbroken. Als een overspelige vrouw was ze weggegaan. En de Heere had ook met recht kunnen zeggen: ‘Ik geef je aan je eigen goeddunken over. Dien de afgoden maar, Ik wil niet meer met je te maken hebben!’

 

En toch, gemeente, de Heere vraagt naar Israël. Hij kan het volk niet vergeten. Hij heeft van Zíjn kant een verbond gesloten. En het was weliswaar met een wederzijdse bewilliging. Maar de Heere neemt dat woord niet terug. De Heere blijft de God van dat verbond, al heeft Hij ze zwaar gekastijd. Toch belooft Hij dan weer opnieuw een verbond te maken; dat weliswaar gestalte krijgt onder het Nieuwe Testament, en straks aan het eind van de tijden in het bijzonder gestalte krijgen zal.

Dat nieuwe verbond heeft Hij hun in het vooruitzicht gesteld. Dat is een verbond, anders dan het oude, waar de beloften, de toezeggingen, het aanvaarden zo’n centrale plaats innemen. Als Israël dat deed, ontving het ook de zegen van het verbond. Maar hier in het nieuwe verbond zal de Heere alles voor Zijn rekening nemen. Dat is een nieuw verbond, dat onder het Nieuwe Testament ook wel ‘testament’ genoemd wordt. U weet, een testament is een beschikking. Daar hoeft degene die daarin staat niet aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Althans, in de regel is dat een beschikking waarin de erfgenaam dus ontvangt wat de erflater heeft bepaald. Zo is dat nieuwe verbond dus een verbond waarvan vooral het genadekarakter wordt benadrukt.

Dat kan alleen, dat begrijpt u, om het werk van de Heere Jezus Christus. Dat is ook het gemeenschappelijke van beide verbonden, dat het gaat om Christus, Die de Middelaar is, het Hoofd van het genadeverbond. Alleen, onder het Oude Testament was alles nog meer vervat in de bolster van de wet.

Augustinus zegt ergens: Het is net als met een bloem. Als een bloem nog in de knop zit, dan zie je de bloem nog niet in zijn schoonheid. Dan zijn de kelkbladeren nog rondom die bloem en die bloem is nog niet zo te zien. Maar als hij opbloeit, dan zie je de mooie bloem, de roos. En zo, zegt hij, is het Nieuwe Testament eigenlijk de open gekomen bloem in zijn schoonheid. Dan komt het genadekarakter des temeer openbaar.

Dan zien we echt dat de Heere dat verbond gesloten heeft naar Zijn vrijmacht en alleen om de verdiensten van Christus, en dat Hij ook alles op Zich genomen heeft. Daardoor kan het verbond ook uitgevoerd worden en zal het gestalte krijgen. Dan worden zondaren gewillig gemaakt om zich daaraan over te geven en in de weg van dat verbond ook verlangen behouden te worden.

 

Er is dus wel overeenstemming tussen het verbond van het Oude Testament, zoals Israël daaronder leefde, en het Nieuwe, maar er is ook onderscheid. De bediening van de Geest is nu rijker en ruimer. De eisen van het werkverbond waren onder het Oude Testament er meer in opgenomen. Maar onder het Nieuwe Testament heeft de Heere alles in Christus gevonden wat tot voldoening aan de eisen nodig is.

U zult misschien vragen: ‘Waarom heeft de Heere dat onder het Oude Testament niet gelijk in al zijn ruimte en heerlijkheid geopenbaard?’ Wel, gemeente, Israël moest onderwijs ontvangen. Het moest uitzien en hijgen naar de komst van de Zaligmaker. Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt (Jes. 64:1).

Eerst moest aan het recht van God volkomen voldaan worden, zal ook de Heilige Geest weer kunnen neerdalen op deze aarde en al de schatten die Christus verworven heeft ook meedelen. Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen (Joh. 16:14).

Wij mogen leven onder de bediening van het nieuwe verbond, dat onderscheiden is van het oude; niet géscheiden, maar wel ónderscheiden. De Heilige Geest zal rijker werken en alles aanbrengen wat tot vervulling van de eisen nodig is. We hoeven het nooit te verdienen. Maar natuurlijk zal uit liefde gedaan worden wat de Heere vraagt.

 

Onze tekst spreekt ervan wat de Heere onder de bediening van het Nieuwe Testament doen zal, om Zijn Kerk, die Hij op de aarde heeft, en ook Israël, zoals het straks verspreid zal zijn onder alle volken te verlossen. Want deze tekst staat in de context van de beloften aan Israël, wat de Heere na die dagen doen zal. Dat lezen we heel duidelijk in vers 35 en 36: Zo zegt de Heere, Die de zon ten licht geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten licht des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, Heere der heirscharen is Zijn Naam: Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de Heere, zo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.

 

Het is toch een wonder, gemeente, dat het volk der Joden nog bestaat! Zoek maar eens naar Moabieten, zoek maar eens naar Filistijnen, zoek maar eens naar Ammonieten; die zijn niet meer te vinden. Maar dat het volk Israël nog bestaat is een bewijs dat God leeft en dat de Heere nog bemoeienissen met het volk maken zal, dat Hij eenmaal zal toepassen wat hier geschreven staat.

Ook Hosea heeft er al van gesproken. Want we lezen: Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren en zoeken de Heere, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot denHeere en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen (Hos. 3:5).

Zij zullen komen tot David, hun Koning. Nu, ze hebben nooit meer een koning gehad na de ballingschap. En de enige koning die in het vooruitzicht gesteld wordt is de Heere Jezus Christus. Die zullen ze erkennen als hun God, als hun Zaligmaker, als hun Heere.

Op verschillende plaatsen wordt dat in Gods Woord voorgehouden. Denk ook aan de brief aan de Romeinen, waarin de Heere bij monde van Paulus zulke rijke beloften voor het volk van Israël gegeven heeft.

 

Het kenmerkende is dus dat de Heere Zelf Zijn heilige wet in het hart zal schrijven, in hun binnenste zal geven. Dat doet ons weer denken aan het Oude Testament waar de Heere de wet in stenen tafelen geschreven heeft. Maar nu zal de Heere dat niet doen in stenen tafelen, maar in het hart.

Dan bedoelt de Heere natuurlijk niet de hartspier die wij allemaal hebben. Maar het hart heeft in Gods Woord de betekenis van het centrum van ons leven. De Heere Jezus zegt: Want uit het hart komen voort boze bedenkingen (Matth. 15:19).

Dus het gebeurt in ons gemoed; dat zal vernieuwd worden. Als de Heere daarin Zijn heilige wet gaat schrijven, dan vernieuwt Hij het ook, dan geeft Hij ook liefde tot de heilige wet. Dan geeft Hij de heilige wet tot ontdekking en als een leidraad voor het leven.

 

De Heere stelt Zijn wet niet opzij. De Heere Jezus heeft de wet wel vervuld, maar niet opzij gezet. Ik sprak eens een man die op zondag met het vliegtuig op vakantie ging. Ik had daar bezwaar tegen. Ik zei: ‘Ik vind dat niet goed dat je dat doet.’ Hij was van de Vergadering der gelovigen. Hij zei: ‘Christus heeft alles volbracht, dus wij zijn vrij om dat te doen.’

Nee, dat is niet juist! Christus heeft inderdaad voor de Zijnen alles volbracht. Hij heeft de wet vervuld, maar niet opzij gezet. Anders zou je alle geboden zo op deze wijze opzij kunnen zetten, ook het sabbatsgebod, al is het dan onder de nieuwe bedeling de zondagsviering. Dat is toch wat God geboden heeft om daarnaar te leven, en onze handel en wandel daarnaar te richten. Om op zondag bezig te zijn met de dingen van het Koninkrijk Gods, met ons zielenheil. Bijzonder heeft de Heere een dag van afzondering gegeven om samen te komen in Gods huis en onder Zijn Woord ons te stellen en te vragen: ‘Wat wilt Gij, Heere, dat ik doen zal?’

Dus het is niet zo dat je zegt: ‘Nu ja, ik ben nu van die wet af.’ Nee, juist als de liefde ons hart vervult is er het diepe verlangen om te doen wat de Heere vraagt. ‘Och, of wij Uw geboôn volbrachten! Genâ, o hoogste Majesteit. Gun door het geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid.’ Dan verlang je dus naar Gods Woord te leven. Dan stel je Gods wet niet opzíj, maar verlang je die te onderhouden. Niet om er iets mee te verdienen, maar omdat de Heere het waard is.

 

Jongens en meisjes, is dat ook jullie verlangen? Ken je dat verlangen om de Heere lief te hebben en Hem te vrezen? Dan zul je het ook nauw nemen met Zijn geboden. Want het is Gods gebod. En waar de liefde in het hart is ontvangen, dan verlang je daarnaar te leven. Dan zal Hij de wet van God in het binnenste geven, in ons gemoed. Dat is een nieuw hart, dat is wat de Heere werkt door Zijn Heilige Geest.

We lezen ervan in Ezechiël 36: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten zult bewaren en doen (Ezech. 36:26-27).

 

Gemeente, is dat al het verlangen van uw hart, om de Heere te vrezen? Hebt u last van dat stenen hart? Dat kan soms weer zo hard zijn. Leg het maar voor de Heere neer, en wijs er maar op wat Hij gezegd heeft en beloofd heeft. Dat je daar je vinger bij mag houden en zeggen: ‘Heere, vervul dat ook in mijn leven, vervul die toezegging. Vervul ook wat U heeft beloofd.’

Dan is er een verlangen te gehoorzamen en te vragen naar de wil van God. Dan zegt een zekere verklaarder: ‘Waar voorheen de oproerigheid en weerspannigheid de boventoon voerde, begeert de oprechte gehoorzaamheid te tonen.’

Dat hebben we niet zo van onszelf. Er mag een zekere uitwendige onderworpenheid zijn aan Gods heilige wet, maar dat verlangen, uit liefde, om de Heere te vrezen, om de Heere lief te hebben, is vrucht van herschepping en vernieuwing.

Al kan de Heere rijke bemoeienissen met ons maken, dan leeft toch van onszelf het verlangen om ons eigen leven te leiden.

 

We zien het bij de kinderen Israëls. Ze waren, met grote tekenen en wonderen, verlost uit Egypte. Ze waren door de Rode Zee geleid. Wat een macht had de Heere daarin betoond, wat een trouw. En wat lezen we dan als Mozes veertig dagen op de berg is? Dan maken ze een gouden kalf en ze dansen om dat kalf. Je zou zeggen: Zoveel bemoeienissen en zulke rijke zegeningen… Dat volk moet met eerbied vervuld zijn en met het verlangen om de Heere te dienen. En ze overtreden na enkele weken al dat gebod van God om geen gelijkenis van de Heere te maken. Dan maken ze een kalf als een toonbeeld van kracht, en dan willen ze daar God in dienen, tegen Zijn Woord in en tegen Zijn wil in.

 

Ik zal u Mijn heilige wet in het binnenste van u geven, en Ik zal hem inschrijven in uw harten. Eerst tot ontdekking. Want eertijds, zegt ook Paulus, leefde ik zonder de wet, zonder de ontdekkende werking van de wet.

De wet ontdekt ons aan schuld en zonde. Dan leer je verstaan wie je bent tegenover de Heere. ‘Waaruit kent gij uw ellende? Uit de wet Gods.’ Gehanteerd in de hand van Christus door de Heilige Geest, maakt het tot zonde wat tegen Gods Woord ingaat. Maar in die weg trekt de Heere ons naar Zich toe. Want Hij trekt door de ontdekking naar Zich toe om aan Zijn voeten te belijden wie je bent voor God.

 

U kent waarschijnlijk wel het bekende gedicht van McCheyne: Eens was ik een vreemdeling voor God en mijn hart. Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart.

Ik had er helemaal geen last van dat ik overtreder was van de wet. Ik stond blind en van verre, in mijzelven zo rijk. Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt, toen zag ik wat God eiste voor het onderhouden van Zijn heilige wet.

Dan wordt boetvaardigheid gewerkt en wordt genade gezocht en de vreze Gods beoefend. Dat is de rijke belofte van het Nieuwe Testament, de belofte van het nieuwe verbond.

 

Oudtestamentisch was dus het ontvangen van Gods beloften nog meer verbonden aan het ‘doe dat en gij zult leven’. Maar onder het Nieuwe Testament heeft de Heere alles voor Zijn rekening genomen, heeft de Heilige Geest ook op Zich genomen dit alles uit te werken. Dan komt het genadekarakter van het Nieuwe Testament te rijker openbaar .

 

De vraag is, gemeente: Is dat ook uw verlangen? Dat komt dus niet uit onszelf. Het is geen goede keus die je daarin maakt. Maar het komt voort uit Christus. Hij is het Die alles volbracht heeft en ook Zijn Geest geeft om mee te delen wat Hij verworven heeft. Hij is gegeven tot wijsheid van God, tot rechtvaardigheid, en heiligmaking en tot een volkomen verlossing. Dan ligt alles in Hem.

Als ik maar iets moest bijdragen als grond voor de Heere om me te gedenken; als mijn wetsonderhouding de basis moest zijn waarop de Heere zou werken, gemeente, dan was het een verloren zaak. Maar in Christus is Hij een ontfermend God, Die barmhartigheid bewijst, genade schenkt en naar Zijn beeld vernieuwt. Die het leven richting geeft om de Heere te vrezen met een kinderlijke vreze. En Hij zal dat ook doen. Het is een belofte. David mag er al van spreken in Psalm 23: Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil (Ps. 23:2). Daar mag David al, begiftigd met de Heilige Geest, iets zien van wat in het Nieuwe Testament rijker en volmaakter gestalte krijgen zal.

Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid. Hij doet dat om Zijns Naams wil. Dan krijgt in mijn leven gestalte wat de Heere van me vraagt. Dan is het de Geest Die ons drijft en leidt. Alle diepere ontdekking ons gegeven, doet ons temeer verstaan wat Paulus ook uitroept in Romeinen 7: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Het goede wat ik wil, dat doe ik niet, en het kwade wat ik niet wil, dat doe ik. Ik zie een wet die mij gevangen neemt.’ Dat was toch ook onder het Nieuwe Testament.

Maar de Heere laat ons wel eens zien wie wij zijn en blijven van onszelf. Dat alles van Hem wordt verwacht en gezocht bij de Levensbron, Die alles heeft wat tot zaligheid nodig is.

 

Dat zal de Heere doen. En wees er maar om verlegen. Zoek het maar niet in een levenshouding van: raak niet en smaak niet en roer niet aan, en denken dat je daarmee heiliger bent dan een ander. Maar zoek het in Christus. Zoek het bij Hem.

Geef de Heere de hand, neem de toevlucht tot de Heere, om van Hem te ontvangen wat tot uw zaligheid dient. Paulus heeft het ook mogen uitroepen: Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere (Rom.7:25). Van zichzelf was geen goeds te verwachten. Maar dan heeft hij de Heere nodig. Dan heb je die belofte nodig. Dan kun je niet missen wat de Heere geeft. En wat is dat een rijke genade, de schatkamer van het Nieuwe Testament, het nieuwe verbond.

 

2. Een herstelde gemeenschap

 

Maar het bevat nog meer gemeente. Want er staat ook: En Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent de Heere; want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere.

Twee zaken worden hier voorgesteld en toegezegd. In de eerste plaats: Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Ze zullen ook meerdere kennis ontvangen. Ze zullen Mij meer kennen dan ze ooit gekend hebben. Ik zal hun tot een God zijn, zij zullen Mij tot een volk zijn. Wat is dat een rijke genade. De Heere heeft het Israël ook toegezegd: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. Maar die belofte moest worden vervuld in de weg van bekering, in de weg van gehoorzaamheid, in de weg van geloof.

Maar nu zegt de Heere: Nu zal Ik dat bevestigen in uw hart, zodat u dat mag weten. Niet dat het onder het Oude Testament helemaal onbekend was. Denk ook aan Psalm 48. We kennen toch allemaal dat vers: ‘Want deze God is onze God, Hij is ons deel, ons zalig lot,

door tijd noch eeuwigheid te scheiden; ter dood toe zal Hij ons geleiden.’ Dat mag David hier toch ook zeggen? Dat is toch óók die kennis? Jawel, gemeente, maar besef wel dat David een profeet was. Dat onder het Oude Testament de profeten bijzonder begiftigd waren met de Heilige Geest, en dat dat niet hoorde bij de kinderstand van het volk van Israël, van de bekeerden, van degenen die de Heere vreesden. Die leefden meer bij het uitzien, wachten, hopen, zoeken. Er was veel minder bevestiging van wat God voor hen inhield. En daarom, David heeft het mogen zeggen en het was waar: de Heere was zijn God. Dat had de Heere ook door de Heilige Geest in zijn hart verzekerd. Maar het hoorde toch niet zozeer tot de kinderstand van het Oude Testament.

De profeten waren er ook mee begiftigd. Maar de Kerk werd dus meer gehouden in de banden van de wet, opdat ze zouden hijgen en uitzien naar de komst van de Zaligmaker, Die Immanuël heten zal, God met ons. Daarom is het hier ook alleen maar door Christus dat dit gestalte krijgt: Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Ik neem ze voor Mijn rekening.

 

Gemeente, wat is dat het verlangen van hen die de Heere vrezen, om daar bewustheid van te hebben, om die waarheid ook aan uw hart verzegeld te krijgen, dat de Heere niet meer op u toornen, noch schelden zal. Dat, zoals ook in Jesaja 54 staat, de Heere de Getrouwe is in Zijn verbond: Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer (Jes. 54:10).

Jesaja de profeet mag dat zo in de zekerheid van het geloof uitspreken. Wat een rijke genade! Deze God is onze God. Daar moeten we toch niet buiten kunnen. Eenmaal waren we van God. In het paradijs was de mens Gods kroon van de schepping en verlustigde Hij Zich in het werk van Zijn handen. En de mens loofde God, in de wetenschap: die God is mijn God.

Maar we zijn gevallen, we hebben die band verbroken en nu staan we buiten God. Weliswaar heeft de Heere ons binnen de kring van het verbond opgenomen, maar om wezenlijk in het verbond in te gaan is bekering, wedergeboorte en waar geloof nodig om dat te kunnen zeggen.

Philpot zegt ergens: ‘Het is één van de moeilijkst te verkrijgen genaden, maar de meest profijtelijke, om dat met bewustheid te kennen, dat de Heere onze zonden vergeven heeft.’ Want dat hoort er toch bij, dat zullen we in het laatste gedeelte van onze tekst ook zien, dat dat eigenlijk de grondslag is, op grond waarvan de Heere de Zijnen aanneemt, en dat zij mogen roemen in vrije genade alleen, als er wetenschap is van de vergeving van zonden.

Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Zij zullen door de bediening van de Geest het geloof beoefenen. Dat geloof dat ‘mijnend’ van karakter is. Dat geldt niet alleen anderen, dat geldt ook mij.

 

Bent u erom verlegen, gemeente? Jongens en meisjes, zoek je dat ook? Zeg je: ‘Die mensen zijn gelukkig, die God tot hun God hebben; die hebben een toekomst, een toekomst die vastligt’? Wat zegt onze toekomst ons? Onzekerheid. Wij weten niet wat vandaag of morgen nog gebeuren zal. Maar als je voor Zijn rekening ligt, als je die woorden mag uitspreken door het geloof, dat geeft vrede, dat geeft vastigheid, dat geeft toekomst in ons leven. Wat er ook gebeuren zal, we weten het niet. Maar ik hoef het ook niet te weten, want de Heere weet het.

Abram ging gerust uit Ur der Chaldeeën, naar het land dat de Heere hem wijzen zou, niet wetende waar hij komen zou. Maar het was genoeg dat de Heere het wist. Wat is dat een troost, wat is dat een vrede. En zo wordt dat geloof gekend en beoefend.

 

Maar ook de kennis van God. Onze tekst spreekt niet alleen van herstelde gemeenschap, maar ook van vermeerderde kennis. En zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent de Heere; want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere.

Nu zijn we die kennis kwijtgeraakt. Wij hebben onze voorstellingen en gedachten van Wie God is. Maar de persoonlijke kennis is ontmoetingskennis.

Er is veel kennis nodig in deze wereld. Jongens en meisjes, wat wordt er niet van je gevraagd; veel kennis op school. En hoe meer je studeert, hoe meer van je wordt verwacht dat je kennis vergadert. Maar dat is intellectuele kennis, dat is kennis met ons verstand alleen. Die is noodzakelijk in het maatschappelijke leven, en ook kennis van Gods Woord. Maar het is niet genoeg. Zij zullen Míj kennen met de kennis van het geloof, met de kennis van de liefde, met de kennis van het hart, uit betrokkenheid, uit ervaring, uit omgang, uit bevinding.

Dat is kennis. Met verstandelijke kennis alleen gaan we verloren. Maar met bevindelijke kennis – dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt – worden we alleen behouden.

Een moeder en een vader kennen hun kinderen door ervaring, door ermee om te gaan, maar van het buurjongetje weten ze misschien wel wie hij is, of hij verderop in de straat woont, dat is een kind van díe… maar meer ook niet. Maar een eigen kind kennen ze. En zo is het ook in het geloof, gemeente. Dat is een geloofskennis, dat is omgangskennis.

 

Dan heb je ook met al Gods deugden te doen. Dat is geen eenzijdige kennis. Er zijn mensen die alleen maar spreken van de heilige God en van de rechtvaardige God, die bang zijn voor God. En dat is wel enige kennis, maar niet alles, niet wat nodig is tot zaligheid.

Er zijn ook mensen die alleen spreken van God als Liefde. God is Liefde. Dus geen gericht, geen hel, geen oordeel. Dat is ook niet de volle kennis.

De kennis van God is de kennis die verkregen wordt uit het Woord, door de bediening van de Geest, door het geloof. Geloven is kennen en vertrouwen. En nu is de kennis onder het Nieuwe Testament rijker en voller dan onder het Oude Testament. Er was zeker kennis, maar toch kennis van een volk dat nog in de banden van de wet zat. Paulus spreekt er ook van, die noemt dat de kinderstand van de kerk.

Net zo goed als een klein kind nog niet precies weet wie de ouders zijn, en wat het betekent dat het tot dat gezin behoort, dat die ouders de ouders zijn. Het mag hen dan papa en mama noemen, maar het weet nog niet wat dat betekent. Maar een kind dat tot volwassenheid gekomen is, althans tot onderscheid van kennis gekomen is, die weet dat, die heeft het ondervonden, die heeft het ervaren. Die kent ook de eigenschappen van vader en moeder. Dat is omgangskennis.

En zo is de ware kennis van God ook omgangskennis, ontmoetingskennis. En daar zegt onze tekst van: Want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere.

 

Zij zullen de Heere kennen tot hun zaligheid. En daarom is de kennis van Hem zo noodzakelijk. David zegt tot zijn zoon Salomo: Ken de God uws vaders en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel (1 Kron. 28:9). Dat is dat kennen, dat is ook gelijktijdig een erkennen Wie de Heere is.

Dat zullen allen kennen, die in waarheid in dat verbond zijn begrepen. Die zullen meer kennen dan onder het Oude Testament gekend werd. Omdat Christus Zich rijker geopenbaard heeft, omdat de Heilige Geest is neergedaald. Van die toekomst spreekt Jesaja de woorden: Deze zal zeggen: Ik ben des Heeren; en die zal zich noemen met de naam van Jakob; en gene zal met zijn hand schrijven: Ik ben des Heeren, en zich toenoemen met de naam van Israël (Jes. 44:5). Dat hoort allemaal bij die toekomst die hier vermeld wordt.

 

We mogen geloven, gemeente, dat de Heere ook onder Israël die kennis nog eenmaal zal werken. Heel duidelijk zijn de beloften. Ik hoef het u ook maar even voor te lezen. Ik lees daarvan bijvoorbeeld in Jeremia 33, het 25e en het 26e vers: Zo zegt de Heere: Indien Mijn verbond niet is van dag en nacht; indien Ik de ordeningen des hemels en der aarde niet gesteld heb, zo zal Ik ook het zaad van Jakob en van Mijn knecht David verwerpen, dat Ik van zijn zaad niet neme, die daar heersen over het zaad van Abraham, Izak en Jakob; want Ik zal hun gevangenis wenden en Mij hunner ontfermen.

Een belofte die de Heere gegeven heeft. Dag en nacht houden niet op, totdat Christus komt. Zo zeker ook zal de Heere Zich over het volk van Israël ontfermen. Hij zal vervullen wat Hij heeft toegezegd en waarmaken wat Hij heeft beloofd. Die ordeningen blijven staan. Zo zeker zal ook God dat volk gedenken, zo zeker zal Hij Zich over hen ontfermen.

Dat doet de Heere dus niet om hen, maar om Zijns Naams wil. Om Zijns verbonds wil zal Hij vervullen wat Hij heeft toegezegd.

Laten we daar eerst van zingen uit Psalm 68, daarvan het zesde vers.

 

De koningen, hoezeer geducht,

Zijn met hun heiren weggevlucht;

Zij vloden voor Uw ogen.

De buit van ’t overwonnen land

Viel zelfs de vrouwen in de hand,

Schoon niet mee uitgetogen.

Al laagt g’, o Isrel, als weleer,

Gebukt bij tichelstenen neer,

Toen gij uw juk moest dragen,

En zwart waart door uw dienstbaarheid,

U is een beter lot bereid;

Uw heilzon is aan ’t dagen.

 

3. Een volkomen vergeving

 

In de derde plaats staan we nog een ogenblik stil bij de inhoud van het genadeverbond, de schatkamer ervan. Het laatste gedeelte van vers 34: Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hunner zonde niet meer gedenken. Er behoort dus ook bij de bewustheid van de vergeving der zonden, dat de Heere de ongerechtigheid vergeeft en de zonde niet toerekent.

De zonden brengen scheiding tussen God en ons. Dat gebeurde in het paradijs. Dat gebeurt in ieders leven. Wij zijn van onszelf van God gescheiden. Hebt u dat wel eens gevoeld, gemeente, wat dat betekent, dat de Heere mijn God niet zijn kan, omdat ik heb gezondigd?

De schuld drukt, als u de schuldbrief thuis gekregen hebt. Laten we de Heere daarin geen weg voorschrijven. Er zijn mensen die Hij door dieper ontdekkende werkingen van Gods Geest als langs de hel voert. Anderen worden meer bedroefd over het feit dat ze tegen de Heere hebben gezondigd. Die hebben niet zoveel, zegt Brakel, met veel benauwdheid en angsten op hun zonden te zien. Die worden meer verslonden door de liefde van God.

Denk aan het onderscheid dat er is tussen de bekering van Paulus en van Timotheüs bijvoorbeeld. Daar is beslist onderscheid, het zijn onderscheiden wegen, maar die wegen hebben wel kruispunten waar je elkaar ontmoet. Daarom konden Paulus en Timotheüs het ook zo heel goed vinden. Ze vonden elkaar bij het kruispunt Christus. Zijn noodzakelijkheid, en ook Zijn onmisbaarheid en ook Zijn dierbaarheid hadden beiden leren kennen. Dat in Christus alles voor hen was wat tot de zaligheid diende. Daar kunnen we in de brief aan Timotheüs ook wel van lezen.

 

Ik, zegt de Heere, Ik zal hun ongerechtigheid vergeven. Die worden wel met name genoemd. Ongerechtigheid, dat betekent: kromme wegen. Dat betekent: wat verdraaid is, wat van Gods rechte weg afwijkt. Ze hebben ongerechtigheid, tot aan de hemel toe. Daar wordt ook in die mate kennis van verkregen, die de Heere nuttig en nodig oordeelt, om in boetvaardigheid te belijden: ‘Ik heb gezondigd.’

 

Die ongerechtigheid stond de tollenaar voor ogen, toen hij in de tempel zijn ogen niet durfde opheffen. Dat was vanwege zijn ongerechtigheid, vanwege zijn schuld, dat hij het er zo slecht afgebracht had. Hij schaamde zich weg voor God en mensen.

Maar in die weg mocht hij ook zien op de weg der zaligheid, oudtestamentisch in de ceremoniën geopenbaard, dat er in de weg van plaatsbekleding vergeving is. Een heenwijzing naar het werk van Christus. Dat verzoening van zonden te verkrijgen is. Dat er bij God vergeving van zonden te verkrijgen is voor de voornaamste van de zondaren.

 

Onze zonden houden ons niet uit de hemel, maar wel ons ongeloof. Laten we dat niet vergeten. Niet dat het onverschillig is of van geen belang hoe ons leven is. Een sierlijk leven, dat zien we bij de rijke jongeling, dat ‘bemint’ de Heere Jezus. Daar was hij om te prijzen. Maar hij moest de grond van de zaligheid er niet in zoeken. Want het was alleen maar eigenbelang. Hij wilde naar de hemel toe.

Maar de oprechte zoekt vereniging met God, zoekt dat wordt weggenomen wat scheiding brengt: mijn schuld, mijn zonden. Daar klaagt een ontdekte over, en die zoekt genade bij God en zoekt de vergeving te verkrijgen die er bij de Heere is. Niet om de belijdenis, maar om de verdienste van de Heere Jezus Christus, Die de zonden der Zijnen gedragen heeft aan het hout, zegt Petrus.

Wat is dat een wonder, ongerechtigheden vergeven. Wij kunnen niet zo lang gezondigd hebben en niet zo zwaar, of er is vergeving te verkrijgen. Ik, zegt de Heere, Ik doe dat vrijmachtig door de gave van dat genadeverbond. Dan vergeef ik de ongerechtigheid en reken Ik ze niet toe. Hij zal de zonden niet meer gedenken.

 

De Heere vergeeft niet alleen, maar Hij vergeet ook. Dat wil zeggen: Hij wil er niet meer aan denken, komt er niet meer op terug. Hij heeft ze achter Zijn rug geworpen, om er niet meer op terug te komen. Er wordt wel eens gezegd: God rekent met Zijn volk af in dit leven. Wel, gemeente, dat lees ik nergens in Gods Woord. Hij heeft afgerekend met Christus. Die is tot zonde gemaakt. Hij heeft aan het hout gehangen te midden van de moordenaars. Hem is alles toegerekend.

Op grond van Zijn verdiensten rekent God de zonden niet toe aan de Zijnen. Allen die in Christus Jezus zijn, mogen vrijuit gaan. En de geloofszekerheid ervan mag sterker of zwakker zijn, maar de Heere komt er niet meer op terug. Die zal Ik niet meer gedenken.

 

Wij mensen kunnen wel zeggen dat we iets vergeven, als iemand ons iets gedaan heeft. Maar vergeten doen we niet zo makkelijk, dat het uit je geheugen weg is. Je kijkt er, veelal, de mens altijd nog een beetje op aan. Maar de Heere doet dat niet. Hij doet delen in Zijn gunst, in Zijn gemeenschap. Dat is ook de zegen van het nieuwe verbond.

 

De vraag is, gemeente: Hebben we er ook deel aan? Is het ook ons hoogste verlangen om daar deel aan te hebben? Misschien zegt u: ‘Ja, dat moet je gegeven worden.’ Ja, inderdaad dat kun je niet pakken in eigen kracht. De schuldenaar kan niet zeggen: ‘Ik heb geen schuld, ik verscheur die schuldbrief.’ Dat moet degene doen die de schuldeiser is.

Uit Zijn mond, uit Zijn Woord, daaruit wordt de vergeving der zonden gehoord. Alleen vanwege het werk van Christus dat volbracht is. Hij heeft volkomen genoeg gedaan aan Gods recht. En nu verleent God genade op grond van recht. De Heere komt er niets aan tekort als Hij de zonden vergeeft. Integendeel, daar worden al Gods deugden, al Zijn eigenschappen, in verheerlijkt: Zijn rechtvaardigheid, Zijn liefde, Zijn ontferming.

Daarom leert de Heere ook Hem kennen, zoals Hij gekend wordt tot zaligheid, in al Zijn deugden, tot verheerlijking van Zijn Naam.

 

Ongerechtigheid, dat is de moedwillige overtreding. Gemeente, ons hart gaat uit naar de dingen van deze tijd. Maar waarom zouden we dat grote goed dat te verkrijgen is om niet, toch aan ons voorbij laten gaan? Zouden we daar niet om verlegen zijn? Zouden we aan de wereld genoeg hebben? Dan komen we om met de wereld, dan is er geen toekomst. We leven in het heden der genade. Maar wie weet hoe spoedig de eeuwigheid kan aanbreken. Dan moet er toch iets gekend worden van die genade waar het Woord van spreekt.

De Heere nodigt nog daartoe. Niet alleen wijst Hij op de noodzakelijkheid daarvan, maar ook op de mogelijkheid om die te verkrijgen. Ja, Hij Zelf nodigt daartoe.

 

Brakel schrijft: ‘U wordt door God Zelf aangezegd: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God, en niemand meer. Hij zond Zijn eigen Zoon en door Hem spreekt Hij tot u. Geef dan Zijn stem gehoor! Zult u zich afkeren van Die Die van de hemel is? En de Heere zendt ook Zijn dienaren die u lokken tot Zijn verbond: Geef de Heere de hand. De Heere zal niemand verstoten die maar in waarheid door Christus tot Hem komt. Hoe groot zondaar u geweest bent en zijn mag, Hij heeft gezegd: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.’

Dat geldt ieder van de gemeente, dat geldt jou, jongen en meisje, dat geldt ú. Daar is niemand te oud voor, voor wie dat niet meer van toepassing zou zijn. Wat hebben we een grote verantwoordelijkheid voor onze zaligheid. Daarom, gun uzelf geen rust voordat u dat grote goed hebt gevonden. Val de Heere maar heilig lastig. Laat Hem niet gaan, totdat Hij u zegent.

 

Laten zij die de Heere kennen verlangen om daar dieper in ingeleid te worden, die waarheid meer als grondslag, als vast fundament voor onze hoop te mogen kennen.

Dominee Kersten zegt ergens: ‘Er zijn zoveel schatten van het genadeverbond die ongebruikt blijven liggen, omdat er geen geloofskennis van is.’ Ongebruikt omdat men de waarde, de noodzakelijkheid, maar ook de rijke inhoud ervan, niet heeft geleerd. De schatten van het genadeverbond blijven ongebruikt liggen, terwijl juist de geloofsoefeningen daarmee en de geloofsgemeenschap met God en de geloofsuitgangen naar die goederen in die rijke genade doen delen, en een onuitsprekelijke vrede geven in het hart.

 

We leven toch onder de bediening van dat verbond, dat God in Christus heeft opgericht. Waartoe we ook behoren, hetzij in- of uitwendig, waar te verkrijgen is wat tot zaligheid dient. En dat valt zo mee. Dan zou je ook dat goed nooit willen ruilen met al het goed van deze wereld. Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten.

Daarom, er gaat niets boven, het geeft toekomst, het geeft uitzicht, het geeft ook een verlangen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103:9

 

Maar ’s Heeren gunst zal, over die Hem vrezen,

In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;

Zijn trouw rust zelfs op ’t late nageslacht,

Dat Zijn verbond niet trouweloos wil schenden,

Noch van Zijn wet afkerig d’ oren wenden,

Maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.