Ds. D.W. Tuinier - Zondag 4

God handhaaft Zijn recht

God onze Schepper eist
God onze Rechter toornt
God de allerhoogste Majesteit straft

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 90: 4
Lezen : Lukas 23: 33-43
Zingen : Psalm 119: 69
Zingen : Psalm 86: 3
Zingen : Psalm 103: 4

Gemeente, Gods Woord komt in deze dienst tot ons met het onderwijs uit Zondag 4 van de Heidelbergse Catechismus. Ik stel voor dat wij eerst deze Zondag met elkaar gaan lezen:

 

Vraag 9: Doet dan God de mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?

Antwoord: Neen Hij; want God heeft de mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen; maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.

 

Vraag 10: Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?

Antwoord: Neen Hij, geenszins; maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen; gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

 

Vraag 11: Is dan God ook niet barmhartig?

Antwoord: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zo eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste Majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.

 

Wij schrijven boven Zondag 4: God handhaaft Zijn recht.

 

Drie aandachtspunten:

1. God onze Schepper eist (vraag en antwoord 9)

2. God onze Rechter toornt (vraag en antwoord 10)

3. God de allerhoogste Majesteit straft (vraag en antwoord 11)

 

1. God onze Schepper eist

 

Wat vindt u van vraag 9? ‘Doet dan God de mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?’ Mag deze vraag eigenlijk wel worden gesteld? Als u de vraag goed tot u laat doordringen, schrikt u. Tenminste, dat hoop ik. In de achterliggende weken hebben wij beleden wie de mens is geworden in zijn diepe val. Wij kunnen het samenvatten met de woorden: onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Terwijl wij ook hebben gehoord wat God van ons eist: liefde, volmaakte liefde tot Hem en volkomen liefde tot uw naaste.

Deze twee zaken, wat er van ons geworden is en Gods eis, botsen voor ons gevoel. Deze kunnen niet samengaan. Nee, dat klopt. Vandaar de vraag: ‘Doet dan God de mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?’

Eigenlijk probeert een mens onder de schuld uit te komen. Wat zijn wij toch dwaas, blind en ellendig geworden. In plaats van dat u uw hoofd buigt, uw wapens inlevert, voor uw Rechter capituleert en Hem om genade smeekt, doet u er alles aan om uzelf te verontschuldigen. U vraagt: ‘Is het niet onrechtvaardig, dat God dingen van mij eist die ik niet meer kan? Is dat wel eerlijk? Hoe kan God van mij het onmogelijke eisen?’

Hoe durft u? Waar halen wij de moed vandaan? Het is beter om de vraag anders te stellen: ‘Doet u, jij en ik, God geen onrecht, dat wij niet geven waarop Hij recht heeft?’ Kijk, gemeente, dan wordt het anders. Dan past ons zwijgen en moet de hand op onze mond.

 

Antwoord 9 luidt dan ook stellig: ‘Neen Hij.’ U proeft hierin iets van heilige verontwaardiging. God, onze Schepper heeft ons goed en volkomen geschapen. Zó volkomen, dat u het vermogen had om Hem volmaakt lief te hebben en gehoorzaam te zijn. Dus dat u niet meer kunt beantwoorden aan het doel waartoe u uit de hand van uw Schepper bent voortgekomen, is uw eigen schuld. Uw onvermogen om God te dienen, te loven en te prijzen, is schuld. Het is schuldige onmacht.

 

Wij belijden in antwoord 9 dat Adam zichzelf en al zijn nakomelingen heeft beroofd van Gods goede gaven en zegeningen. Wij zijn ongehoorzaam geweest. Wij hebben bij onszelf ingebroken en hebben onszelf beroofd. Hoe dan? De duivel fluisterde ons in en wij hebben naar Hem geluisterd. Wij hebben hem geloofd. Wij hadden alles, maar dat vonden wij niet genoeg. Wij wilden als God zijn. Moedwillig en ervan bewust wat wij deden, hebben wij verricht wat Gods grootste vijand, de duivel, ons influisterde. Het was een gemene list, een sluw plan van hem, en het is gelukt.

Adam en Eva hadden kunnen zeggen: ‘Ga weg, duivel. Wij luisteren niet naar jou. Wij geloven jou niet.’ Dat hebben zij niet gedaan. Hun oren en hart zetten zij open voor zijn hels vergif. In plaats van gevouwen handen gebalde vuisten… Daarom is hun moedwillige ongehoorzaamheid een bewuste misdaad. Daarmee hebben zij zichzelf en hun nageslacht meegenomen in de ellende.

 

Durft u nu nog te vragen of God onrechtvaardig is, als Hij deze rebellie straft? Nee toch? Begrijpt u het, gemeente? Het gaat erom of u er iets van verstaat in uw hart. Of Gods Geest getuigenis geeft in uw ziel dat dit de waarheid is. Dan buigt u het hoofd en belijdt dat God geen onrecht doet, als Hij u van voor Zijn aangezicht wegdoet. Dan wordt het een wonder, dat de Heere u nog draagt en verdraagt.

Nee, deze boodschap is niet aangenaam. Het spaart u niet. Het brengt u in de bank van de schuldigen. Het gaat door de diepten heen. Dominee Kohlbrugge schrijft: ‘De catechismus gunt ons de hemelse zaligheid, maar gij, volwassene, gij, jong kind, voordat wij aan al deze heerlijkheid voor onszelf deelhebben en ervan kunnen genieten, moet de Heilige Geest ons op het kleine kinderbankje, op het arme zondaarsbankje brengen; en dat wel voor ons hele leven, omdat wij alleen van daaruit de heerlijkheid van Christus’ leer kunnen zien en alleen daar recht van kunnen genieten.’

 

Waar u uzelf verootmoedigt voor Gods aangezicht krijgt de tweede Adam, de Heere Jezus Christus, waarde. Tegenover uw moedwillige ongehoorzaamheid schrijft de apostel Paulus in de Romeinenbrief over de gewillige gehoorzaamheid en volkomen liefde van Hem, Jezus Christus, door Wie velen tot rechtvaardigheid gesteld worden (Rom. 5:19). Hij is gekomen om aan al de eisen van Gods recht volkomen genoegdoening te geven. Op grond van Zijn gerechtigheid is er genade bij God, voor een wereld die verloren ligt in zonde en schuld.

Daarom moet antwoord 9 u brengen aan Gods genadetroon. Waar u moet omkomen, mag u horen dat er ontkoming is. Het is de blijde boodschap van het evangelie: er is genade, overvloeiende voor de grootste van de zondaren in het volkomen werk van Christus!

 

Gemeente, wij hebben beleden: God onze Schepper eist.

We gaan nu naar ons tweede punt:

 

2. God onze Rechter toornt

 

Kan God uw zonden niet door de vingers zien? Wil Hij misschien de schuld kwijtschelden? Zal Hij ons gratie verlenen? Dat is de achtergrond van vraag 10. Het valt wellicht nog wel mee. God neemt het misschien toch niet zo nauw. Wij zien soms wat door de vingers, dus de Heere kan dit toch ook wel doen?

Denkt u dat? Als u zo redeneert begrijpt u er niets van. Dan denkt u te gemakkelijk over de zonde. U beseft u niet Wie God is en wat zonde is. U bent nog geestelijk blind. Uw oren zitten dicht en uw hart is nog niet vernieuwd.  Als u zo spreekt, dan bewijst dit uw totale geestelijke blindheid.

 

Weet u wat nodig is? Dat u eerbiedig luistert naar wat Gods Woord zegt. Uw oren moeten opengaan. Uw ogen moeten ontsloten worden. U hebt ogenzalf nodig. Het ontdekkende werk van Gods Geest is onmisbaar, zodat u leert buigen voor de ontzettende waarheid van antwoord 10: God kan onmogelijk uw ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten. Uw zonden zijn verschrikkelijk. Uw schuld is groot. De dichter van Psalm 50 zegt: Gij meent dat Ik ten enenmale ben gelijk gij; Ik zal u straffen en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen (Ps. 50:21).

 

Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten? Geenszins. Het staat er vlijmscherp en ontdekkend. Het is absoluut uitgesloten dat God uw zonden ongestraft laat. Integendeel, God vertoornt Zich schrikkelijk. Het staat er in de tegenwoordige tijd. Gods toorn is Zijn heilige afkeer van alles wat niet is naar Zijn reine wil.

Hij vertoornt Zich over alle aangeboren en werkelijke zonden. De erfzonde, de schuld die wij hebben meegekregen van Adam, maar ook de smet die wij van onze ouders hebben geërfd. Gods heiligheid kan onze zonden, in gedachten, woorden en werken, niet verdragen. Daarom wil en zal Hij de ongehoorzaamheid en afval straffen met een rechtvaardig oordeel, met tijdelijke en eeuwige straffen.

Zijn tijdelijke straffen ziet u om u heen. Wat is er veel verdriet, pijn en moeite. God straft ook met eeuwige straffen. De mens moet, buiten God, leven in de hel.

 

Gemeente, denk toch nooit: Het zal wellicht wel meevallen… Het valt niet mee. Daarom belijden Olevianus en Ursinus ook in antwoord 10: ‘Gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.’

U leest het in Deuteronomium 27 vers 26: Vervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve. En in Galaten 3 vers 10: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. 

 

Dit is geen vleiende boodschap, maar wel eerlijk. God moet de zonden straffen. Anders houdt Hij op om God te zijn. Daarom, bedrieg uzelf niet. Luister niet naar wat andere mensen beweren. U komt er bedrogen mee uit. Velen spreken oppervlakkig over schuldvergeving. U hoort hen nooit over Gods recht. Gods Woord leert ons dat u het rechtvaardige oordeel en de straf hebt verdiend.

Wanneer Gods liefde uw ogen opent, de oren doorboort en het hart verbreekt, wordt deze ontdekkende boodschap voor u dierbaar. U wilt geen andere prediking dan deze. Gods Geest en liefde geeft dat u buigt voor antwoord 10 en er amen op zegt. U wordt er voor ingewonnen. U belijdt: ‘Het is waar dat God zo heilig en rein is en mijn zonden zo erg zijn, dat mijn Schepper mijn Rechter is geworden. Hij toornt over mijn zonden, en deze ongestraft laten is onmogelijk.’

 

In het formulier om het Heilig Avondmaal te bedienen staat dat het nodig is dat ieder mens, ook u, aan uw zonden en vervloeking denkt, zodat u klein wordt voor de Heere en voor Hem buigt.

Onze vaderen belijden: ‘Omdat de toorn van God tegen de zonde zo groot is, heeft Hij ze niet ongestraft gelaten, maar aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke dood van het kruis gestraft.’

Daarom is Jezus Christus de Zaligmaker van zondaren. Hij zoekt verlorenen. Daarom worden Gods kinderen zalig en bent u vandaag nog welkom bij Hem. Wat krijgt Hij alle waarde, als u voor Hem buigt.

Als Gods Geest in uw hart werkt, ervaart u ook hoe erg de zonde is. Wanneer u Hem lief krijgt, hebt u ook Zijn Wezen lief. Daarbij hoort ook Zijn heilig recht.

Verstaat u iets van Gods toorn? Onze toorn is vaak niet meer dan een opkomende driftbui. Gods toorn is zo anders. Het is een voortdurende afkeer tegen de zonden. Waarom? Omdat Hij zo heilig is en vlekkeloos rein. Hij kan met de zonden en de zondaren geen gemeenschap hebben. Dat is onmogelijk.

Mozes, de man Gods, heeft er een indruk van in Psalm 90. In vers 11 zegt hij: Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid naar dat Gij te vrezen zijt? En in vers 7: Want wij vergaan door Uw toorn, en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.

Verstaat u Mozes? Zo ja, dan bent u uitgepraat. De hand gaat op uw mond. U hebt geen uitvluchten meer. U buigt, en zo krijgt u de Borg en Zaligmaker nodig. Hij, Die de vloek en de toorn van God heeft doordragen, heel Zijn leven, maar vooral aan het kruis.

 

Jezus Christus, de Zoon van God, heeft tijdelijke straffen ondergaan in Zijn leven op aarde. De toorn en de vloek van God over de zonden heeft Hij vooral in de hof van Gethsémané en op Golgotha gedragen.

Daarvan belijden onze vaderen in het formulier voor de bediening van het Heilig Avondmaal: ‘Opdat Hij ons met Zijn zegening vervullen zou.’ Horen jullie dat, catechisanten? De Zaligmaker is een vloek geworden, om mensen, jongens en meisjes, die de vloek hebben verdiend, vol te maken met Zijn zegeningen. Weet je hoe Maarten Luther dit noemt? Een zalige ruil. Hij mijn zonden, ik Zijn gerechtigheid voor God. Al is het evangelie van Gods genade niet naar de mens, het is wel vóór u! Het evangelie behandelt u eerlijk. Als het goed is, wilt u eerlijk zalig worden. Wat heb je aan een dokter die je valse hoop geeft, terwijl je erg ziek bent? Het spreekwoord zegt: ‘Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.’

 

God kan en mag de zonde niet ongestraft laten. Buig daarvoor. Kom er mee bij Hem, de enige Arts, Die je helpen kan. Bij Hem kunt u altijd terecht. Hij heeft dag en nacht spreekuur. Belijd: ‘Wee mij, dat ik zo gezondigd heb!’ Stem in met Job: Mijn Rechter zal ik om genade bidden (Job 9:15). Voor God bent u niet te zondig, nooit te slecht. Hij kan u redden. Hij wil het ook. Kom tot Hem, zoals u bent; als een ellendige zondaar. Dan ervaart u: ‘Wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot.’ Dat gaan wij eerst zingen, uit Psalm 86 vers 3:

 

Heer’, door goedheid aangedreven,

Zijt Gij mild in ’t schuldvergeven;

Wie U aanroept in de nood,

Vindt Uw gunst oneindig groot;

Heer’, neem mijn gebed ter ore;

Wil naar mijne smeking horen;

Merk, naar Uw goedgunstigheên,

Op de stem van mijn gebeên.

 

Wij schrijven boven Zondag 4: God handhaaft Zijn recht. Wij hebben gezien: God onze Schepper eist, en God onze Rechter toornt. Nu letten wij nog op:

 

3. God de allerhoogste Majesteit straft

 

In vraag 11 grijpt u zich vast aan de laatste strohalm. Een mens geeft zich niet zomaar gewonnen. U vraagt: ‘Is dan God niet barmhartig? Ik heb zoveel gehoord van Gods heiligheid en rechtvaardigheid. Er is toch ook een andere kant aan Hem? Hij is toch ook een God van liefde? Hij openbaart Zich toch in Zijn Woord als een God Die een brandend hart heeft voor mensen?’

Het antwoord is: ‘Zeker, de Heere is ten hoogste barmhartig.’ Anders bent u nu niet in de kerk. God is elke dag barmhartig voor ons allemaal. U bent er nog. U leeft nog. Het is nog het heden van Gods genade. U bent hopelijk gezond. Het ontbreekt u aan niets. De Heere is goed voor u. Dagelijks overlaadt Hij ons met Zijn zegeningen. Vergeet vooral niet dat wij Zijn Woord hebben, in de kerk, thuis, in uw gezin en de kinderen op school.

Is God barmhartig of niet? Jazeker, dat is Hij. Laten wij daarvan nooit iets afdoen. Maar Hij is ook rechtvaardig. U mag Zijn liefde en recht niet van elkaar losmaken. Deze horen bij elkaar.

 

De Heidelberger belijdt in antwoord 11: ‘Zijn gerechtigheid eist dat de zonde, tegen de allerhoogste Majesteit begaan, ook met de hoogste straf gestraft wordt.’ Als u onze koning beledigt, krijgt u een zwaardere straf dan wanneer u uw buurman uitscheldt. Nog veel erger is de zonde tegen de Koning der koningen, de allerhoogste Majesteit. Als u Hem beledigt en op Zijn hart trapt met uw zonden, ontvangt u de ergste straf; de eeuwige dood. Dat is de hel. Voor eeuwig van God verstoten en verlaten. In die plaats waar wening zal zijn en knersing der tanden. De hoogste is de eeuwige straf aan lichaam en ziel. Wij weten uit Gods Woord dat de rijke man, na zijn sterven, zijn ogen opslaat, zijnde in de pijn. Vreselijk zal dat zijn, onuitsprekelijk erg. Dat wordt hier, in antwoord 11, beleden.

Aangrijpende werkelijkheid! Zie uw leven in dit licht. Zie uw onsterfelijke ziel in het licht van de nooit meer eindigende eeuwigheid. Zoekt (vandaag nog) de Heere, terwijl Hij te vinden is. Roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jes. 55:6-7).

 

Zeker, God is barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Hij kan nooit barmhartig zijn buiten Zijn recht om. De catechismus spreekt met twee woorden. God is niet alleen liefde, maar Hij is ook rechtvaardig.

Als het daarover gaat, moet u naar de kruisheuvel Golgotha. Wij hebben het gelezen uit Gods Woord. Op Golgotha worden twee moordenaars gekruisigd. Gods Zoon, de Zaligmaker van zondaren, hangt tussen hen in. Onschuldig moet Hij lijden en sterven. Het kan niet anders, want dit is noodzakelijk. Op geen andere manier kan Gods recht worden verheerlijkt.

Hoor, de mensen spotten. Dat doen deze moordenaars ook. Vreselijk toch, zo dicht bij de dood en dan nog spotten.

Opeens gebeurt er iets. Een man zwijgt en kijkt naar Jezus. Dan zegt hij tegen zijn vriend: ‘Je moet niet zo spotten. Wij hebben straf verdiend, want wij hebben veel zonden gedaan. Maar Deze – hij bedoelt Jezus – heeft helemaal geen kwaad gedaan.’

Wat is hier aan de hand? Deze man leert met zijn hart, in zeer korte tijd, wat wij in Zondag 4 belijden. Hij krijgt echt berouw over zijn zonden. Hij heeft God lief. Daarom belijdt hij zijn schuld. De straf op de zonde is rechtvaardig. De hoogste straf, de hel, heeft hij verdiend. Maar hij gelooft dat Jezus de Zaligmaker van zondaren is en hem redden kan. Hij ziet op Hem, Die daar hangt, omdat zijn zonden zo erg zijn.

God is rechtvaardig, maar Hij is ook barmhartig, omdat Zijn Zoon hangt aan het kruis. Hij zal sterven en de straf dragen. Dat gelooft de moordenaar. Daarom bidt hij met heel zijn hart: Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn (Luk. 23:42).

Gemeente, zulke bidders bidden niet tevergeefs. Daar klinkt uit Jezus’ mond: Voorwaar zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn (Luk. 23:43). Eeuwig wonder van Goddelijk welbehagen! Eeuwig wonder van borgtochtelijke zondaarsliefde! Eeuwig wonder van toepassende liefde van God de Heilige Geest! Drie-enig God, U zij al de eer!

 

God is rechtvaardig, maar in het offer van Zijn Zoon kan en wil Hij barmhartig zijn. Dat kan ook voor jou, jongens en meisjes. Catechisanten, God is barmhartig, alleen omdat Zijn Zoon aan Zijn recht heeft voldaan. Hij is barmhartig, om Jezus’ wil. Daarom zingen jullie, kinderen, als je gaat slapen:

 

‘t Boze dat ik heb gedaan,

Zie het, Heere, toch niet aan.

Schoon mijn zonden velen zijn,

Maak om Jezus’ wil mij rein.

 

Om Jezus’ wil. Daarom zingen wij straks:

 

Barmhartig is de Heer’ en zeer genadig,

Schoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig;

De Heer’ is groot van goedertierenheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103: 4

 

Hij heeft voorheen aan Mozes Zijne wegen,

Aan Isrels zaad, tot hun behoud genegen,

Zijn daân getoond, en trouw’lijk hen geleid.

Barmhartig is de Heer’ en zeer genadig,

Schoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig;

De Heer’ is groot van goedertierenheid.