Ds. J.J. van Eckeveld - Johannes 20 : 22

Christus blies op hen

Hij herstel wat verwoest is
Hij doet leven wat dood is
Hij opent wat gesloten is

Johannes 20 : 22

Johannes 20
22
En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 88
Lezen : Johannes 20: 11-23
Zingen : Psalm 21: 4, 5, 6
Zingen : Psalm 42: 5
Zingen : Psalm 22: 16

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in Johannes 20 en daarvan vers 22. Daar lezen wij:

 

En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest.

 

Het thema van de preek is: Christus blies op hen.

 

Als wij dit overdenken, willen wij op drie dingen letten:

1. Hij herstelt wat verwoest is

2. Hij doet leven wat dood is

3. Hij opent wat gesloten is

 

1. Hij herstelt wat verwoest is

 

Gemeente, daar zitten de discipelen dan op de eerste dag van de week, in de avond. De berichten van de opstanding van Christus hebben hen bereikt van de vrouwen, Petrus en Johannes. Zij zitten bij elkaar, vol gedachten. De Emmaüsgangers zijn teruggekeerd naar Jeruzalem.

Dan lezen wij dat er een wonder gebeurd is. Als de Emmaüsgangers terugkomen, hebben zij het gehoord: En is van Simon gezien (Luk. 24:34), maar dan komt Jezus Zélf in het midden van Zijn discipelen op de eerste dag van de week, op de zondag.

Hij komt als de deuren, vanwege de vrees voor de Joden, gesloten zijn. Maar ook dit is de prediking van Pasen: Gesloten deuren staan Koning Jezus niet in de weg!

 

We lezen dat Hij in het midden van Zijn discipelen kwam en tot hen gezegd heeft: Vrede zij ulieden! Hij kwam in het midden. Even ver van ieder van de discipelen. Hij is ze niet vergeten.

Ach, was Thomas er ook maar bij geweest! Dan had hij die week vol duisternis en donkerheid niet mee hoeven te maken. Was hij toch ook maar in het midden van de discipelen geweest!

Dan brengt Jezus Zijn discipelen Zijn vredegroet: Shalom! Vrede zij ulieden. De Koning van Pasen brengt leven mee, midden in de dood. Waar Hij komt, brengt Hij vrede mee. Vrede met God, omdat Hij op Goede Vrijdag de schuld heeft betaald, de zonde heeft verzoend en het recht van God volkomen heeft genoeg gedaan. De Heere Jezus heeft de kloof tussen God en zondaren overbrugd. Daarom brengt Hij, als de Koning van Pasen, vrede met Zich mee.

 

We lezen dat Hij aan Zijn discipelen Zijn handen en zijde toont: ‘Kijk eens, zie eens, de tekenen van Mijn liefde. Ik heb u tot in de dood en de hel liefgehad.’ De discipelen dan werden verblijd als zij de Heere zagen. Zou er geen blijdschap in het hart zijn, als er uitzicht komt? Geloofsuitzicht op koning Jezus? Dan zegt Jezus opnieuw tegen Zijn discipelen: Vrede zij ulieden.  

Ze krijgen ook een opdracht: Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden. De Vader heeft Hem gezonden in een wereld, gezonken, verdronken in zonde en schuld, en daarin zendt Hij Zijn discipelen uit. Straks zullen zij de opdracht horen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie alle creaturen. (Mark. 16:15).

Hoe moet dat? Hoe zullen zij daartoe in staat zijn? Wel, dat brengt ons bij onze tekst: En als Hij dit gezegd had (toen Hij die opdracht gegeven had), blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest.

Dat is toch wonderlijk? Jezus, Die blaast op Zijn discipelen? Wat heeft dit blazen toch voor een betekenis? Wel, gemeente, dat willen wij met elkaar overdenken. Ik hoop dat het u aan het eind van de preek duidelijk mag zijn, welke diepe lijnen getrokken mogen worden vanuit de Schrift naar het gebeuren waar onze tekst van spreekt.

 

Wij gaan terug in de Bijbel, en dan allereerst naar het boek Genesis, het eerste en het tweede hoofdstuk, waar de schepping van hemel en aarde wordt meegedeeld, maar ook over de schepping van de mens wordt gesproken. In Genesis 2 vers 7 lezen wij: En de Heere God had de mens geformeerd uit het stof der aarde, en in Zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.

Daar lezen wij voor het eerst in de Bijbel dat God blaast op de mens die Hij geformeerd heeft uit het stof der aarde.

 

Dit is het bijzondere van de mens. Je kunt zeggen: de mens is verwant aan de aarde en aan de hemel. Verwant aan de aarde, omdat de Heere de mens formeert, vormt uit het stof der aarde. De mens is echter ook verwant aan de hemel. De God van de hemel blaast in de neusgaten van de door Hem gevormde mens. Die mens gaat leven. Wij mogen de mens het pronkstuk, het hoogtepunt van de schepping noemen. Je leest alleen bij de schepping van de mens dat er binnen het goddelijke Wezen beraad is: Laat Ons mensen maken (Gen. 1:26).

Als ik nieuwtestamentisch licht laat vallen over deze tekst, mag ik zeggen: er is beraad tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest: Laat Ons – meervoud! – mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis. Alleen dit goddelijke beraad laat ons al zien dat de mens in de schepping een bijzondere positie heeft: geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. De mens wordt in het paradijs geplaatst als het beeld van God. In die mens straalde iets uit van God, van Gods heerlijkheid en van Gods beeld. De Heere heeft de mens geschapen, zodat die Hem zou grootmaken, zoals geen ander schepsel zou kunnen.

Het is een wonderlijk gebeuren, hoe de Heere de mens gevormd heeft: uit het stof der aarde. Adam – hetzelfde grondwoord kom je ook tegen in Edom – betekent: rood. Wij mogen aannemen dat het, zoals je vaak ziet in de tropen of subtropen, rode aarde betrof.

Maar… de mens was dood. Het was alleen rode aarde in de vorm van een mens. God blaast in de neusgaten van deze mens. Dan wordt deze mens, zo zegt Genesis, tot een levende ziel.

Gemeente, dat is leven geweest zoals God dit bedoeld heeft. Leven, volmaakt, tot eer en verheerlijking van de Schepper. De mens had alle gaven en kwaliteiten ontvangen om tot eer van God te leven.

 

In onze tekst wordt gesproken over dit blazen; Jezus blies op hen. Maar ook over de Heilige Geest. Want Jezus zei tot hen: Ontvangt de Heilige Geest.

Precies hetzelfde vinden wij in de geschiedenis van de schepping. God blaast in de mens. Wij lezen ook al over de Heilige Geest in het begin van Genesis: De Geest Gods zweefde op de wateren (Gen. 1:2). Dit woord zweven (de kanttekeningen wijzen daar ook op) heeft ook de betekenis van broeden. Dat wijst op vogels, broedend op eieren. Als een vogel een ei uitbroedt, dan komt er leven voor de dag. Wanneer je zo’n ei ziet, zeg je misschien: ‘Het is een dood ding.’ Maar dit broeden wekt het leven op; er komt een klein vogeltje uit.

Gemeente, dat is het werk van de Heilige Geest in de schepping. De Heilige Geest is in de schepping levenwekkend bezig. Nu nog steeds, ook na de zondeval. We gaan het voorjaar weer in. Dan moet ik altijd denken aan Psalm 104, waar staat dat als God Zijn Geest uitzendt, het ganse gelaat van het aardrijk vernieuwd wordt. Als je nu naar de bomen kijkt, zie je de knoppen dikker worden, maar ze lijken nog dood en kaal. U moet echter over vier, vijf weken nog eens kijken naar die bomen: één en al leven! Waar komt dat vandaan? Dat staat ook in deze psalm: God zendt Zijn Geest uit! Door de Heilige Geest is er leven in de schepping!

 

Dat geldt echter vooral voor het geestelijke leven. Zo vinden wij in de schepping het blazen van God en het werk van de Heilige Geest. We vinden dit ook in onze tekst terug: het blazen van Christus en het werk van de Heilige Geest. Ik heb het eerste punt van de preek genoemd: Hij herstelt wat verwoest is. Hoe heerlijk is de schepping uit Gods hand voortgekomen! Hoe buitengewoon was de positie van de mens als het hoogtepunt. Maar wat is ervan terechtgekomen? De mens is van de top van eer in een peilloze verwoesting neergestort.

Wij kennen de geschiedenis van de zondeval: Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven (Gen. 2:17). De mens heeft gegeten. De mens die leven mocht, door God, kwam in de dood terecht! De mens moet nu sterven, de tijdelijke dood. De mens heeft nu de hel verdiend, de eeuwige dood. De mens is God nu kwijt, de geestelijke dood.

Dat is de verwoesting van de heerlijke schepping en van de mens.

 

Gemeente, wij gaan naar Golgotha, de heuvel buiten Jeruzalem. Daar hangt de mens in de Persoon van Christus, de Zoon van God in de menselijke natuur. Pilatus heeft Hem aan de schare voorgesteld: Ziet, de Mens (Joh. 19:5). Het was een verschrikkelijk gezicht, met al dat bloed, die wonden, de doornenkroon, de rietstok, de purperen mantel en de blauwe plekken van de kinnebakslagen. Het is alsof de Heere Zelf door middel van Pilatus zegt: Kijk nu eens! Dat is nu de mens, zoals deze door de zonde geworden is.

 

God heeft mijn zonde in Zijn Zoon gezocht.

Mag u het verstaan? Die mens, huiveringwekkend om te zien, afschuwelijk om te zien, bent u. Dat ben ik! Zo is het pronkstuk van de schepping geworden: verwoest. Dat is de mens door de zonde. Christus heeft dit overgenomen. Christus heeft mens willen worden: Ik voor u, in uw plaats, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Zo heeft Hij gehangen op Goede Vrijdag aan het kruis van Golgotha. Zo is Hij weggezonken in de hel en in de dood: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest (Luk. 23:46).

Het is Pasen geworden. De Vader heeft gezegd: ‘Zo is het goed, Mijn Zoon. Ik ben volkomen tevreden met Uw volbrachte werk. De hitte van Mijn gramschap is geblust. Mijn recht heeft een volkomen genoegdoening gevonden in Uw offer.’ Daarom kon Jezus in de dood niet blijven. Hij is opgestaan uit de doden. Die huiveringwekkende Mens op Golgotha staat op als een verheerlijkt Mens, om God te verheerlijken.

 

Hij herstelt wat verwoest is. De Mens, de Zoon des mensen, God en mens in één Persoon, Christus Jezus. Het is deze Mens, Die hier in het midden van de discipelen komt om op Zijn discipelen te blazen, Die zegt: Ontvangt de Heilige Geest. Hij heeft de dood overwonnen. Nu mag de mens weer leven door de Heilige Geest, omdat Hij het uit Christus neemt en het om Christus’ wil wegschenkt aan doodschuldige zondaren.

De discipelen mogen verkondigers worden van de genade Gods in Christus. Mensen zijn die in beginsel weer gaan beantwoorden aan het doel van de Schepper.

 

De verwoesting van het paradijs wordt met Pasen in beginsel hersteld. Daarom herhaalt zich hier wat er in het paradijs is gebeurd: God blies in de mens die Hij geformeerd had, en deze mocht toen gaan leven tot eer van God.

Hier is Jezus, de Zoon van God, Die in het midden van de discipelen verschijnt, op grond van Zijn volbrachte werk en Hij blaast op Zijn discipelen. Opdat de discipelen weer mensen zullen zijn die God gaat gebruiken tot Zijn eer en Zijn verheerlijking.

Ziet u de lijn van Genesis, langs de zondeval en Golgotha, naar onze tekst lopen? Wat krijgt onze tekst dan een diepte. Pasen betekent hoop voor mensen met een verwoest leven. Als Hij op u gaat blazen, wordt alles anders. Dan komt er leven door Zijn Geest, Die het uit Christus neemt, ook in uw hart!

 

2. Hij doet leven wat dood is

 

Ik blader verder in de Schrift. Ik heb gezegd: we gaan wat lijnen uit Schriftgedeelten naar onze tekst trekken. Nu ga ik een lijn trekken vanuit Johannes 3. In dit Bijbelgedeelte kom ik Nicodemus tegen, die op de avond van Goede Vrijdag samen met Jozef van Arimathea het lichaam van Jezus verzorgde. Nicodemus, die op de Goede Vrijdagmiddag van nachtdiscipel dagdiscipel werd.

In Johannes 3 komt Nicodemus tot Jezus in de nacht. Dan lezen wij een buitengewoon fundamenteel gesprek. Wij zouden deze perikoop steeds opnieuw moeten lezen. Wij horen de Zaligmaker zeggen: Voorwaar, voorwaar (amen, amen) zeg Ik u, zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan (vers 5). Gijlieden moet wederom geboren worden (vers 7). De Heere Jezus zegt als het ware: Nicodemus, wij moeten wedergeboren worden, want zo alleen kan het goed komen met verloren mensenkinderen. Christus gebruikt uitdrukkelijk een lijdelijke vorm, want de wedergeboorte is niet iets wat ík tot stand breng, maar het is Góds werk. Gelukkig, want daarom kan het.

 

Wat is de wedergeboorte? Nicodemus, al was hij een leraar in Israël (eigenlijk staat er in het oorspronkelijke: dé leraar in Israël. Nicodemus was een vooraanstaand professor in de theologie onder de Joden) begreep helemaal niet wat Jezus bedoelde met wedergeboorte. Wel, dan gaat de Zaligmaker het aan Nicodemus uitleggen en verklaren.

Gemeente, dan zie ik weer hetzelfde als in onze tekst. Ik lees in onze tekst over dat blazen en over de Heilige Geest. In Johannes 3 vers 8 hoor ik Jezus tot Nicodemus zeggen: De wind blaast (hetzelfde woord!) waarheen hij wil en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij heengaat. Alzo is een iegelijk die uit de Geest geboren is.

 

Ziet u de lijn lopen? Ik lees in Genesis en in onze tekst over dat blazen en over de Heilige Geest. Het blazen van God op de mens in het paradijs wekte leven en zo is het ook in Johannes 3. Christus heeft de levendmakende Geest verworven en Hij deelt die Geest uit op grond van Zijn volbrachte werk op Goede Vrijdag.

Leven, zoals God het bedoeld heeft, kan alleen omwille van Goede Vrijdag. Alleen omdat Christus de dood is ingegaan. Zie Hem sterven aan het kruis! Zo heeft Hij het leven en de levendmakende Geest verworven. Zo kan Hij zeggen: Ontvangt de Heilige Geest. Jezus zegt: Nicodemus, het blazen van de wind van de Geest is onnaspeurlijk. Je weet niet vanwaar de wind komt en waar deze heengaat. Dit is vrijmachtig, want het kiest zijn eigen spoor. De Geest kiest niet ons spoor, maar Zijn eigen. Waar Hij komt, waar de Geest blaast, moet de geestelijke dood in ons hart aan de kant en komt het geestelijke leven aan de dag. De kanttekeningen zeggen zo mooi bij Johannes 3 vers 8: ‘De werkingen van de Geest wordt u wel gewaar, maar hoe het toegaat begrijpt u niet.’

 

Kind van God, was het zo niet toen de Geest in uw hart begon te blazen? De werkingen van de Geest werd u gewaar. Er kwam een droefheid in uw hart, die er vroeger niet was. Een hartelijke droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Een droefheid over uw zonde, gemengd met een onuitsprekelijk heimwee naar een onbekende God. Daardoor ging u roepen: ‘Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God!’ De werkingen van Gods Geest werd u gewaar, want u zag de armoede van de wereld die met God niet rekent. U ervaarde de leegte van een leven zonder God en Christus. Het deed u roepen tot de levende God.

U durfde er echter niets van te zeggen. U durfde er niet voor uit te komen. Wat denken de mensen misschien wel van me?

Maar als ze u gevraagd zouden hebben: ‘Hoe komt die droefheid en heimwee nu? Hoe komt het dat je de zonden niet meer kunt liefhebben, dat je niet meer mee kunt doen met de wereld?’, dan zou u gezegd hebben: ‘Ik weet het niet. Ik kan het niet verklaren, maar alles is anders geworden. Het Woord van God is mij zo lief geworden en kan niet meer zonder.’

Was het niet zo in uw leven? Dat bedoelen de kanttekeningen bij Johannes 3. U zegt net als Rebekka: Hoe ben ik aldus? (Gen. 25:22). Later, als de Heere doorwerkt, als het licht steeds meer opgaat, worden de dingen u duidelijk.

 

Wat het is een wonder, gemeente, als de Geest zo begint te blazen: vrijmachtig, onnaspeurlijk en onwederstandelijk. Zo wordt het waar, dat de Heere herstelt wat verwoest is, dat Hij doet leven wat dood is, en dan ook het derde, dat Hij opent wat gesloten is.

 

Dan gaan wij naar onze tekst, maar we zingen eerst met elkaar Psalm 42 vers 5:

 

Maar de Heer’ zal uitkomst geven,

Hij, Die ’s daags Zijn gunst gebiedt;

’k Zal in dit vertrouwen leven,

En dat melden in mijn lied.

’k Zal Zijn lof, zelfs in de nacht,

Zingen, daar ik Hem verwacht,

En mijn hart, wat mij moog’ treffen,

Tot de God mijns levens heffen.

 

3. Hij opent wat gesloten is

 

Wij hebben het blazen van God gezien in Genesis, bij de schepping. Het heeft alles te maken met de levendmakende Geest. De mens werd een levende ziel. Leven zoals God het bedoeld heeft. Het is precies zo in Johannes 3. Daar wordt gesproken over het blazen van de wind, over de Heilige Geest Die leven brengt in de doden. Het gaat over het geestelijke leven van de wedergeboorte. En dat is in de tekst weer precies hetzelfde. Ziet u de lijnen lopen? En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest. Precies hetzelfde.

Gemeente, als u de Bijbel bestudeert, ziet u dat er zoveel wonderlijke en indrukwekkende lijnen vanuit het Oude Testament naar het Nieuwe Testament lopen. Lijnen die spreken van de diepten in het werk van de levende God.

 

Het heeft ook alles te maken – zoals onze tekst daarvan spreekt, zoals Jezus daarvan gesproken heeft tot Nicodemus – met Pasen. Jezus leeft. Hij heeft dood en graf overwonnen. Hij houdt het leven dat Hij verworven heeft niet voor Zichzelf, maar Hij deelt het uit door Zijn Geest. Hij blies op hen en zei: Ontvangt de Heilige Geest.

In de Paaszaal, voor Gethsémané en Golgotha, had Jezus al tot Zijn discipelen gezegd: Want Ik leef en gij zult leven (Joh. 14:19). Dat wordt hier waar. De Koning van Pasen deelt het leven uit.

Daarom kan het, ook voor u. Voor de grootste zondaar in de kerk. Al ligt u midden in de dood. Als Hij op Zijn discipelen blaast, heeft dit alles te maken met Zijn volbrachte werk, waarin hersteld is wat verwoest was. Het heeft alles te maken met Goede Vrijdag en Pasen, aan elkaar verbonden. Als Hij op Zijn discipelen blaast, ontvangen zij de Heilige Geest; de Geest, Die leven meebrengt, midden in de dood.

Zouden wij niet moeten vragen: ‘Heere, wilt U dit Pasen blazen op ons? Wilt U blazen op onze gemeente, opdat zondaren geroepen worden uit de dood tot het leven? Wilt U blazen op onze jonge mensen, die zo getrokken worden door veel dingen buiten U? Wilt U blazen op onze jongeren, die almeer vervreemd dreigen te geraken van de waarheid van Uw Woord en zo opgaan in de dingen van beneden? Wilt U blazen op oude mensen, die in de avond van het leven zijn gekomen en nog altijd onbekeerd zijn? Heere Jezus, wil op ons blazen! Dan zal het leven gezien worden door Uw Geest. Want de zaligmakende werkingen van Uw Geest heeft U verworven.’

 

Dan is er nog iets. Het blazen op de discipelen heeft alles te maken met hun opdracht, want Jezus heeft tegen hen gezegd: Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden. Als Hij dit gezegd had, blies hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest. Zij mogen uitgaan in een wereld vol dood, ellende, zorg en verdriet, met een goddelijk mandaat en gezag. Zo zelfs dat Jezus zeggen kan: Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven. God Zelf handelt in hen: Zo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden. Nog steeds gaat dat werk voort. Tweeduizend jaar later, tot aan de einden van de aarde toe.

 

Maar hoe zullen de discipelen dit kunnen? Zij, die nog maar zo kortgeleden aan Jezus geërgerd werden? Door te blazen op Zijn discipelen. Daarom sprak Jezus, toen Hij op hen blies: Ontvangt de Heilige Geest. Want dan zal God dat Woord weer laten prediken. En Hij zal, wanneer zij de wereld ingaan, die prediking door Zijn Geest gebruiken, om leven te geven in dode zondaarsharten. Hij opent gesloten harten.

Dat begint al op de Pinksterdag, als die verslagen pinksterlingen doorstoken worden in hun hart. Zij hebben uitgeroepen, verslagen van geest: Wat zullen wij doen, mannen broeders? (Hand. 2:37). En drieduizend kwamen er tot bekering. Want Christus deelt dit leven uit door Zijn Woord en Geest.

 

Gemeente, daar hebt u het belang van de prediking. De prediking is niet iets wat mensen bedacht hebben. Het is een instelling van Christus Zelf. Bekering, wedergeboorte, geloofsoefeningen vinden allereerst plaats in de kerk, onder het Woord.

Bij God zijn echter alle dingen mogelijk. Een mens zou zelfs tot bekering kunnen komen in de kroeg, maar dit is niet Gods gewone weg. Dan mag je zeker niet zeggen: ‘Nu, dan kan ik ook wel naar de kroeg gaan.’ Het gebeurt allereerst in de kerk, onder het Woord. Als de wind van de Geest van Christus gaat waaien, wanneer Christus door Zijn Geest gaat blazen onder de prediking, in de gemeente en in de harten, dan gebeurt het.

Het hart wat gesloten is, wordt dan geopend. Gesloten harten, die potdicht zitten voor God en de dingen van de eeuwigheid, gaan open. Hij blies op hen en zei: Ontvangt de Heilige Geest.

 

Ambtsdragers, predikanten, evangelisten, zendelingen, het zijn mensjes uit het stof. Zij zijn niet in staat om ook maar één zondaar te bekeren en tot Christus te brengen. Maar, gemeente, zullen wij vragen: ‘Heere Jezus, wilt u ook deze Paasdagen op hen blazen? Dan zal Uw Woord kracht doen in de gemeente.’

De discipelen zijn na Pasen, Hemelvaart en Pinksteren uitgegaan in de wereld, en nog steeds mag dit Woord verkondigd worden. Zelfs in Syrië, in Irak, in China, in Kenia en noem maar op.

Als de Koning van Pasen door Zijn Geest op predikers, zendelingen en evangelisten blaast, gebeuren er wonderen. Dan zullen doden de stem van de Zoon van God horen, en die ze gehoord hebben zullen leven. Zo zal God in beginsel Zijn schepping weer terugkrijgen. Zo zal God Zijn mens weer terugkrijgen, die straks op de nieuwe aarde en in een nieuwe hemel mag leven zoals God het bedoeld heeft.

 

Ziet u de lijnen lopen uit Genesis, Johannes 3 en uit onze tekst? ‘Heere Jezus, blaas zo op ons!’

 

Als Christus in het graf gebleven was – Paulus zegt het in het machtige opstandingshoofdstuk, 1 Korinthe 15 – dan zou de prediking ijdel zijn. Dan kunnen wij het best alle kerken in Nederland maar zo gauw mogelijk afbreken, want het heeft geen enkele zin meer. Maar de prediking ís niet ijdel, omdat Christus leeft. Het is Pasen geworden!

Gemeente, zouden wij niet smeken: ‘Heere, wilt U in de gemeente blazen, in zondaarsharten blazen?’ Dan wordt de Heilige Geest ontvangen en komt er leven. Dan worden gesloten harten geopend en zondaren toegebracht. Dan wordt de Kerk gebouwd op het enige Fundament, Jezus Christus. Dan zijn er zondaren die in de schuld voor God gebracht worden en hartelijk gaan belijden en bewenen: ‘Heere, tegen U, U alleen heb ik gezondigd.’

Er komen zondaren die de droefheid leren kennen die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Zondaren die God in al Zijn rechten en al Zijn eisen gelijk leren geven. Maar dan zullen deze ook met hun nood, schuld en verlorenheid aan de voeten van Jezus gebracht worden, om tot hun blijdschap te mogen ervaren dat er bij Christus milde handen en vriendelijke ogen zijn. Dat Hij mildelijk schenkt en nooit verwijt.

 

Gemeente, zouden wij niet vragen of de Heere dat hier in ons midden wil werken? In uw hart? In mijn hart? Dit wetend: omdat het Pasen geworden is, omdat Christus overwonnen heeft en de kop van de satan aan stukken geslagen heeft, gaat Zijn werk door tot de jongste dag. Hoe donker het ook op de wereld wordt, hoeveel christenen ook onthoofd worden, Christus blijft blazen en blijft Zijn Geest schenken door middel van de prediking.

 

Laten wij dan, vanuit die lijnen uit de Schrift, onze tekst zo mogen lezen: Hij herstelt wat verwoest is. Hij doet leven wat dood is. Hij opent wat gesloten is.

Daarom zal het waar worden: Zij komen aan, door Godd’lijk licht geleid.

Zij zullen buigen aan Jezus’ voeten.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 22: 16

 

Zij komen aan, door Godd’lijk licht geleid,

Om ’t nakroost, dat de Heer’ wordt toebereid,

Te melden ’t heil van Zijn gerechtigheid

En grote daden.