Ds. A.B. van der Heiden - Mattheüs 28 : 5 - 7a

De Paasprediking van de hemelbode

Een woord vol bemoediging
Een woord vol heil
Een woord vol ontferming

MattheĆ¼s 28 : 5 - 7a

Maar de engel antwoordende zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. En gaat haastelijk heen, en zegt Zijn discipelen dat Hij opgestaan is van de doden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 118: 11, 12
Lezen : Mattheüs 28: 1-15
Zingen : Psalm 89: 9, 10
Zingen : Psalm 85: 1
Zingen : Psalm 150: 3

Dit is de dag, de roem der dagen,

die Israëls God geheiligd heeft;

Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,

Hem roemen Die ons blijdschap geeft.

 

Gemeente, mag dit vandaag eens niet alleen de taal van onze mond zijn. We hebben het met elkaar gezongen, maar mag het door Gods genade eens de taal van ons hart zijn. Want er is immers alle reden om ons in de Heere te verblijden. Want de opstanding van Christus uit de doden is het hart van het Evangelie. Hij is uit het graf opgestaan!

De hof van Jozef van Arimathea waar het graf was waarin Hij gelegd was, is leeg geworden. Hij is opgestaan om de zegeningen en Zijn weldaden, die Hij door Zijn bitter lijden en sterven verdiend had, ook uit te delen aan mensen die in de geestelijke dood verzonken liggen.

Omdat Jezus leeft zullen er ook nu nog, vandaag, jongens en meisjes, mannen en vrouwen leven ontvangen, tot bekering komen. Het vloeit alles voort uit die levende, opgestane Zaligmaker. Hij is opgestaan om het ook vandaag Zijn Kerk toe te roepen: Ik leef en gij zult leven (Joh. 14:19).

 

Bij dat grote wonder van die opstanding willen we, met de onmisbare hulp van de Heere, stilstaan. Het tekstgedeelte kunt u vinden in het voorgelezen Schriftgedeelte, Mattheüs 28 vers 5 tot en met 7a, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

 

Maar de engel antwoordende zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. En gaat haastelijk heen, en zegt Zijn discipelen dat Hij opgestaan is van de doden.

 

Gemeente, deze woorden bepalen ons bij: De Paasprediking van de hemelbode.

 

En die prediking is:

1. Een woord vol bemoediging

2. Een woord vol heil

3. Een woord vol ontferming

 

De Paasprediking van de hemelbode.

In de eerste plaats een woord vol bemoediging - Want we lezen dat Hij spreekt tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.

In de tweede plaats een woord vol heil - Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft.

En tenslotte een woord vol ontferming - En gaat haastelijk heen, en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is van de doden.

 

1. Een woord vol bemoediging

 

Gemeente, de eerste woorden van Mattheüs 28 getuigen van de liefde. De grote liefde van de vrouwen voor de gestorven Jezus. Want we lezen immers in het eerste vers: En laat na de sabbat, als het begon te lichten tegen de eerste dag der week, kwam Maria Magdaléna en de andere Maria, om het graf te bezien.

Waarom doet de evangelist ons daar mededeling van? Wel, om ons de grote liefde van Maria Magdalena en de andere Maria tot de begraven Zaligmaker te laten gevoelen. De vrouwen hebben niets anders gedaan dan de uren geteld van de sabbat en van de nacht na de sabbat. En als ze dan eindelijk aan de oostelijke hemel de eerste lichtstrepen zien die de nieuwe dag aankondigen, dan kan het niet anders, dan kan niets en niemand ze meer tegenhouden. Dan is het de liefde die hen dringt. Die liefde waarvan we in de Schrift lezen: ‘vlammen der liefde’. Niets kan die liefde uitblussen. En daarom kan niets en niemand hen meer tegenhouden, en ze gaan! De sabbat is voorbij en in de vroege ochtendschemering gaan ze beladen met specerijen en met zalf Jeruzalem uit. Want Jezus is immers aan het einde van de Goede Vrijdag met grote haast in het graf gelegd, omdat de sabbat naderde.

Nu gaan deze vrouwen het laatste werk van de liefde verrichten. En al is het dan dat ze menen een dode Jezus aan te treffen, ze zullen de dode Jezus nat maken met de tranen van hun liefde. Dat laatste werk van de liefde zullen zij Hem geven.

 

Wel, gemeente, wat is het in het hart van de vrouwen treurig gesteld. Tijdens de omwandeling van Christus op aarde is Hij voor hen alles geworden. Voor hen was Jezus alles. Zonder Hem konden ze niet meer leven. Hij was voor hen de Schoonste van alle mensenkinderen. En nu is dat ontzettende, dat verschrikkelijke, gebeurd. Hun Jezus is gekruisigd. Hun Jezus is gestorven. Hun Jezus is begraven. Daarmee is al hun hoop vergaan en als het ware de bodem in geslagen.

Ze verstaan de belofte niet die de Heere in het Oude Testament gegeven heeft. Ze verstaan ook de woorden niet die Christus Zelf tijdens Zijn leven gesproken heeft over Zijn sterven en opstanding.

Maar laten we niet op deze vrouwen neerzien, want ook wij verstaan van nature de woorden van het Woord van God niet. Tenzij de Heilige Geest onze ogen daarvoor opent.

 

Deze vrouwen zijn zoveel kwijt. Ze zijn hun Zaligmaker kwijt. Maar één ding is bij deze vrouwen gebleven. De liefde tot Hem zijn ze niet kwijt; de liefde is in hun hart niet gestorven. Ze hebben Hem lief met een hartelijke, met een ongeveinsde liefde. En die liefde is zo groot dat die liefde uitgaat naar een dode Jezus.

 

Daarom gaan ze die vroege morgen naar het graf in de hof van Jozef van Arimathea. Als ze dan onderweg zijn naar dat rotsgraf, dan gebeuren er onverwachts geweldige, machtige dingen. En al die tekenen getuigen van de waarheid dat de Zoon van God is opgestaan. Een engel uit de hemel daalt neer op aarde en de aarde golft als zijn voeten de grond raken; een aardbeving die kilometers ver gevoeld wordt.

Dan gaat de hemelbode naar het graf dat verzegeld was met het keizerlijke zegel. Hij wentelt die zware steen van het graf. Het graf wordt in opdracht van God de Vader geopend. De Zoon is immers door de Vader vrijgesproken op grond van Zijn offer. Daarom laat God de Vader Zijn Zoon nu vrijuit gaan, omdat Zijn toorn is gestild en de hitte van Zijn gramschap is geblust. Nu is Hij in het offer van Christus een God Die milde handen en vriendelijke ogen heeft.

 

En als dan de vrouwen bij het graf komen, dan zit die engel daar vol majesteit op een steen. De aardbeving, het geopende graf, de engel die daar zit in Zijn majesteit, ze roepen allen luid uit dat Jezus leeft.

Maar de vrouwen geloven het niet. O, in hun allesoverheersende verdriet begrijpen ze de machtige tekenen, die in de hof van Jozef openbaar worden, niet. Ze kunnen zelf de banden van het ongeloof niet breken. De banden waarin ze bekneld liggen, de boeien waarvan ze zichzelf niet kunnen verlossen.

Maar het zal Pasen worden. Want hun droefheid zal veranderd worden in blijdschap en hun twijfelmoedigheid zal veranderd worden in geloofszekerheid. De hemelbode is gekomen met de opdracht om aan hen het Paasevangelie te prediken. Nee, God laat Zijn kinderen niet eindeloos in het verdriet. Hij onderwijst, Hij bemoedigt en versterkt hen door Zijn Woord en Geest. Daar gaat de Heere ook vandaag mee door.

 

Zijn er op deze Paasmorgen in de kerk nog mensen gekomen die de Heere missen? Zijn er vanmorgen mensen in de kerk die God kwijt zijn? Mensen die in het donker, in de duisternis zitten? Die geen licht hebben? Die alleen maar de last van hun zonden en schuld en van hun ongerechtigheid gevoelen, en die toch van binnen in hun hart het niet konden laten om naar de kerk te komen? Die er misschien naar uitgekeken hebben dat het Pasen mocht worden, omdat er toch in hun hart, in het diepst van hun hart, een betrekking op de Heere is? Een betrekking op God, die mij vanwege mijn zonden en ongerechtigheid rechtvaardig zou moeten veroordelen. En dat je toch de Heere niet meer kunt missen. Wel, als je zo vanmorgen naar de kerk gekomen bent, net als die vrouwen, houd aan, grijp moed!

 

Hoor wat de Heere, bij monde van deze engel, tot deze vrouwen zegt: Maar vreest gijlieden niet.

Wat zien we in het Paasevangelie geweldige tegenstellingen! Aan de ene kant de Romeinse soldaten en aan de andere kant de vrouwen. De Romeinse soldaten hebben ook de hemelbode in Zijn majesteit gezien. Maar de soldaten zijn getroffen door een ontzettende schrik. Ze beefden over heel hun lichaam en ze vielen als doden achterover.  Die lichtende engel die de majesteit van de opgestane Christus afstraalt, betekent voor de Romeinse soldaten de totale veroordeling van hun goddeloos bestaan. Maar ze willen niet buigen voor de Heere. Ze krabbelen overeind, ze verharden zich en ze vluchten weg, zo hard ze kunnen. Straks gaan ze nog liegen ook. Liegen dat ’s nachts toen zij sliepen, de discipelen zijn gekomen en het lichaam van Christus hebben gestolen.

Voor deze soldaten heeft Gods bode geen woord, maar wel voor de vrouwen. Want Hij ziet hun angst, hun vrees en hun twijfelmoedigheid. En dan spreekt de engel dat heerlijke woord van vertroosting en bemoediging: Vreest gijlieden niet, want ik weet dat gij zoekt Jezus Die gekruisigd was. O, wat een woorden van onuitsprekelijke diepte. Ik weet dat gij zoekt Jezus Die gekruisigd was.

 

Gemeente, misschien zijn er vanmorgen mensen in de kerk die verbaasd zijn als ze horen over de vrees van deze vrouwen. Het waren toch kinderen van God? Ze waren toch wederom geboren tot een levende hoop? Moeten zulke mensen in de hof van Jozef van Arimathea nu nog vrezen bij het zien van de engel?

Ach, welke zondaar zou niet vrezen als we iets zien en gevoelen van de majesteit, de heerlijkheid, de grootheid en de heiligheid van God? Wie zou als een onrein mensenkind niet ineenkrimpen bij het aanschouwen van de hemelse majesteit die van die engel afstraalt?

Er staat niet voor niets in het derde vers:  En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw.

Wie zou niet vrezen, ook na ontvangen genade, als het ontdekkende licht van Gods heiligheid en majesteit ons beschijnt? Wel, dan kan het niet anders dan dat we vrezen.

 

En deze vrouwen? O, ze zijn gevangen in de banden van het ongeloof. Ze hebben wel onderwijs van de Heere ontvangen. Hun Meester heeft herhaalde malen gezegd dat Hij ten derden dage zou opstaan uit de dood. Maar noch het lege graf, noch de heerlijkheid van de verschijning van die hemelse engel, kan de blijdschap, kan de paasjubel in het hart van deze vrouwen doen doorbreken.

Zou het bij Gods kinderen vandaag de dag anders zijn? Als er geen rusten is in Christus, wat is er dan anders dan onrust en angst van binnen? Als we alleen kijken op onszelf, op onze zonden en onze struikelingen die er iedere dag weer opnieuw zijn, dan is er van binnen alleen maar vrees.

Maar de engel die zegt: Vreest gijlieden niet. Waarom niet? De engel noemt onmiddellijk de reden waarom deze vrouwen niet hoeven te vrezen. Hij weet van hun zoeken. Want daar komt het op aan, gemeente. De engel zegt: Ik weet dat gij zoekt Jezus Die gekruisigd was.

God de Vader heeft de hartsgeheimen van de vrouwen aan deze engel bekendgemaakt. In de hemel is bekend hoe het in het hart van deze vrouwen gesteld is. De Vader heeft het geheim van deze vrouwenharten aan deze hemelbode meegedeeld. Ik weet dat gij zoekt Jezus Die gekruisigd was.

 

Van dat Woord gaat zoveel kracht uit. Dat kalmeert onmiddellijk hun vrees. Want wat deze engel zegt, daar moeten deze vrouwen ‘amen’ op zeggen. Ze zoeken Jezus. De vrouwen dwalen wel in de wijze waarop ze Hem zoeken. Ze dwalen omdat ze geen acht gegeven hebben op de woorden die Hij tot hen gesproken had. Daarom zoeken ze de Levende op de verkeerde plaats. Ze zoeken de Levende bij de doden.

Maar ze zoeken wel! Het is hen in hun treurige omstandigheden, in de nood waarin ze verkeren, om Jezus te doen.

 

Nu is het zo opmerkelijk, zo tekenend, dat in de oorspronkelijke taal, de Griekse taal waarin de Heilige Geest dit Woord geïnspireerd heeft, het woord Jezus voorop staat. De engel noemt eerst de Naam van de Zaligmaker. Dat is het allereerste woord dat de vrouwen op deze manier uit de mond van de engel horen. ‘Jezus Die gekruisigd is, zoekt gij’, zo heeft de engel gesproken. En met dat woord worden de allereerste en diepste gevoelens van hun ziel aangeraakt.

Jezus, die Naam is in hun leven alles geworden. Daar hebben ze zo ontzaglijk veel in mogen zien. Jezus is voor hen geworden zoals de bruid er van spreekt: Uw Naam is een olie die uitgestort wordt (Hoogl. 1:3). Geen schoner naam, geen heerlijker naam, geen dierbaarder naam dan die Naam. Dat is de Naam die God de Vader aan Zijn Zoon gegeven heeft: Gij zult Zijn Naam heten Jezus; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Matth. 1:21).

Jezus zoeken ze. Hij heeft hen getrokken met de koorden van Zijn liefde. En ze hebben door Gods genade de keuze gedaan, net als Ruth: Uw volk is mijn volk en uw God mijn God (Ruth 1:16).

 

Gemeente, kent u er ook iets van in uw leven? Is het ook in uw leven al gebeurd dat u een keus mocht maken, dat God die keus in uw ziel gelegd heeft? Is dat een keus geworden in uw nood, in uw schuld, in uw ellende? Dan zult u ook deze vrouwen kunnen begrijpen in hun zoeken van Jezus. Zo werkt de Heere in het leven van Zijn kinderen.

Als Gods kinderen terugdenken aan de tijd van de eerste liefde, wat waren er een aangename ogenblikken als u in de kerk zat en het Woord Gods kwam tot u en u mocht de nabijheid van de Heere ervaren. Wat was er een zoetigheid als u voor Gods aangezicht uw zonden en uw schuld mocht belijden en uw nood voor de Heere mocht uitschreeuwen.

Wat was er een verkwikking als de Heere vanuit het Woord onderwijs gaf. Dan was het voor u een wonder om te ervaren dat de Heere van u afweet. Wat was het een onuitsprekelijk zoet en onvergetelijk ogenblik toen u een gezicht kreeg buiten uzelf.  Dat de Heere tot u sprak: Ik ben de Weg (Joh. 14:6). Toen al uw wegen als het ware vastliepen in de onmogelijkheid. Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven.

 

Maar nu gaat u misschien in uw leven net zo’n gang als deze vrouwen. U bent Hem kwijt, en daarom is het zo donker van binnen. Het is zo anders geworden. U gaat steeds meer zien van uw eigen schuld en verlorenheid. En als ons dan de Heere Jezus gepredikt wordt in de noodzaak van Zijn lijden en sterven, wat is dat ontdekkend, want dan ziet u dat er betaald moet worden. Dat God wil dat aan Zijn gerechtigheid zal genoeg geschieden. Dan hoort u dat uw dienen van de Heere uw zonden niet kan verzoenen en u niet kan behouden. U hoort uit het Woord van God dat ons hartelijk bidden, ons belijden van schuld, ons lezen in de Bijbel en ons zoeken ons niet zalig kunnen maken.

Dan denk ik aan een uitdrukking van Andrew Gray, die zegt: ‘Al zou ik de helft van mijn leven bidden en de andere helft van mijn leven tranen schreien over mijn zonden, en ik moest Jezus missen, ik moest nog voor eeuwig verloren gaan.’

Misschien is het in uw leven precies zoals bij die vrouwen. U bent met alle aangename ondervindingen in de dood terechtgekomen. Het lijkt wel alsof er niets van overgebleven is. Zulke mensen verstaan de vrouwen die naar het graf zijn gegaan. Het is aan hun kant alles verloren.  Is het wel waar dat God dat goede werk in mijn leven begonnen is? U mist de Zaligmaker.

Maar het nieuwe leven kan niet buiten Jezus, ook al is het van binnen nog zo donker. Zie het maar bij deze vrouwen, ze zoeken Jezus zelfs in het graf. Gaat u ook in uw leven door zo’n donkere nacht, door een onbegrepen weg? Is er ook in uw hart die hunkering naar Hem? O, Hij zegt heden tegen u: Vreest gijlieden niet. Hij wil u leren dat achter de dood het leven ligt.

 

Gemeente, die uitdrukking kunnen we soms zo gemakkelijk zeggen: ‘Achter de dood ligt het leven.’ Maar dat kunt u niet beredeneren hoor, dat is niet te bekijken, dat achter de dood het leven ligt. Want voor onze eigen waarneming ligt er alleen maar de dood. Maar toch is het waar: achter de dood ligt het leven. Dat kan alleen maar worden ervaren. Dan moeten uw ogen opengaan voor het wonder, voor het heilgeheim van het Paasfeest.

De zaligheid ligt buiten mijzelf, in de opgestane Levensvorst. Hij heeft alles voldaan, en nu is Hij opgestaan om Zijn gerechtigheid die Hij door Zijn dood verdiend heeft, aan arme, lege zondaren toe te passen. Zoals de apostel het zegt: Welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking (Rom. 4:25). Dan worden daarin al Gods kinderen meegenomen.

 

Hoor dan wat deze engel predikt: Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft.

Dat brengt ons bij de tweede gedachte, als we met u stilstaan bij:

 

2. Een woord vol heil

 

Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. Wat een evangelieboodschap. Hij is opgestaan! De verachte, de versmade, de gekruisigde Christus is uit de dood verrezen.

De meeste mensen hier in de kerk, jullie ook misschien wel, jongens en meisjes, hebben wel eens bij een graf gestaan. En als je bij het graf staat, dan heb je niet zo’n grote mond meer. Dan heb je niet meer zoveel praatjes. Als je bij een graf staat, dan zie je de majesteit van de dood. De ontroerende werkelijkheid van het einde van ons aller leven. En dat door onze eigen schuld, omdat we tegen God zondigen.

Maar wat mensen voor onmogelijk houden, dat is op de Paasmorgen gebeurd. Het graf is leeg, de dood heeft het verloren. De dood heeft een nederlaag geleden. De dood moest het onderspit delven.

Gods Woord zegt het ons, dat de dood het loon op de zonden is. En nu heeft Jezus dat loon, dat al de Zijnen verdiend hadden, overgenomen. Hij heeft door Zijn offer de straf gedragen. Dat offer wat Hij gebracht heeft, wordt op de Paasmorgen door Zijn hemelse Vader aanvaard. Hij is opgewekt door de almacht van Zijn hemelse Vader.

Maar Hij is ook Zelf door Zijn Goddelijke kracht opgestaan uit het graf. Christus is niet door de dood verslonden. Wij worden wel allemaal door de dood verslonden. Ga alle begraafplaatsen maar af. U zult het overal zien, er is niet één leeg graf. Alle graven zijn vol, maar het graf in de hof van Jozef van Arimatea is leeg! Hij heeft de dood overwonnen.

Hij is hier niet, zegt de engel. Hij is als de grote Triomfator opgestaan. Als de Levensvorst verlaat Hij het graf. En Hij kan het zeggen: Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? (1 Kor. 15:55).

Gemeente, wat een woord vol van heil! Hij is opgestaan, Hij leeft! De sleutels van de dood en van de hel liggen in Zijn handen. Want Zijn opstanding is de overwinning over de macht van de zonden. Want Hij heeft de verdoemende kracht van de zonde tenietgedaan.

En in Jezus’ opstanding is Gods volk voor eeuwig vrijgesproken van de schuld en van de straf. In Zijn opstanding hebben ze allemaal een recht ontvangen op het eeuwige leven. Zo is er dan geen verdoemenis voor die in Christus Jezus zijn. Hij is opgestaan!

 

De vrouwen zochten een dode Jezus, maar de levende Jezus wordt hen gepredikt. Straks zullen ze Hem ontmoeten.

Als onze ziel mag neerzinken op dat woord: Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan, dan ligt daarin je zaligheid. In Hem alleen is mijn gerechtigheid voor God. Door Hem alleen is er voor arme, schuldige zondaren, verzoening met God. Zijn opstanding bezegelt alles. Wat is het onuitsprekelijk groot in het geloof zo te mogen zien op de opgestane Zaligmaker. Wat ligt daarin een onuitsprekelijke blijdschap. Dan wordt het echt Paasfeest in je hart. Dan is er stof om te zingen zoals de dichter gezongen heeft, en laten wij het ook doen, uit Psalm 85 vers 1:  


Gij hebt Uw land, o Heer’, die gunst betoond,

Dat Jakobs zaad opnieuw in vrijheid woont;

De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan;

Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan;

Gij vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust;

De hitte van Uw gramschap is geblust.

O heilrijk God, weer verder ons verdriet;

Keer af Uw wraak, en doe Uw toorn teniet.

 

Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft.

In deze woorden ligt een tere bestraffing. De vrouwen hadden het immers kunnen weten: gelijk Hij gezegd heeft. Want Hij heeft het immers gezegd: Breekt deze tempel, en in drie dagen zal Ik dezelve oprichten (Joh. 2:19).

De vrouwen hebben indachtmakende genade nodig. Dat betekent dat ze zich de woorden herinneren die de Heere in het verleden gesproken heeft en die ook weer mogen geloven. Dat hebben ook Gods kinderen telkens nodig.

En terwijl de engel spreekt, beginnen de woorden die Christus vroeger gesproken heeft weer glans te krijgen. Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. Hij is opgestaan om al de heilsweldaden die Hij door Zijn lijden verdiend heeft, toe te passen aan zondige mensenkinderen.

Kind des Heeren, mist u de zekerheid van het geloof? Hij is uit het graf verrezen en Hij kan, door Zijn opstandingskracht, uw ongeloof breken. Hij leeft ook vandaag om altijd voor Zijn Kerk te bidden, zelfs als u niet meer bidden kunt. Want Christus doet geen half werk.

 

Dat hebben de vrouwen in hun ongeloof gedacht. Zij hebben gedacht dat Christus half werk gedaan had. Het was voor hun gedachten en gevoel afgelopen en verloren. En dat denken ook wij in ons ongeloof. Maar wat een wonder als Hij komen wil op de Paasmorgen en ons wil brengen bij het lege graf.

Want dan wil de Heere Zijn Kerk leren wat Pasen is. Hij wil de volle rijkdom van het Paaswonder aan Zijn volk openbaren. Want nu gaat de Engel nog een teken toevoegen aan het woord dat Christus gesproken heeft. Want de engel zegt: Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft.

Dus niet alleen het Woord: Gelijk Hij gezegd heeft, maar ook het teken, het zichtbare teken. Hij nodigt de vrouwen uit om een blik te werpen in het lege graf. Komt herwaarts. De engel zegt: ‘Stap maar naar binnen, treed maar toe. Ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft.’

En dan zien ze dat het graf leeg is. Dat lege graf is de bevestiging van het Paasevangelie. De Heere wil dat bijna uitgebluste geloof van deze vrouwen niet alleen versterken door de prediking van het Evangelie, maar de Heere geeft er ook een zichtbaar teken bij.

‘Kom maar, zie het met je ogen, bekijk het maar. Het graf is leeg. Het is waar wat ik jullie boodschap.’ De boodschap van de engel wordt bevestigd door het teken, het zichtbare teken. Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan.

 

Zo doet de Heere het nog in de bediening van de heilige sacramenten. Door het water van de Heilige Doop en door het gebroken brood en de vergoten wijn van het Heilig Avondmaal. Het zijn de tekenen en zegelen om arme tobbers en zuchters te laten zien Zijn hartelijke liefde en trouw jegens hen. En hen ervan te verzekeren dat in Hem alleen hun gerechtigheid en zaligheid ligt.  

 

Dat brengt ons bij onze derde gedachte:

 

3. Een woord vol ontferming

 

Want we lezen in vers 7: En gaat haastelijk heen, en zegt Zijn discipelen dat Hij opgestaan is van de doden.

Gemeente, wat zien we daarin? De herderlijke zorg van Christus voor Zijn discipelen. Want de discipelen waren net zo bedroefd en net zo neergedrukt en net zo ongelovig en net zo twijfelmoedig als de vrouwen waren voordat ze in het graf hadden gekeken.

De discipelen hadden immers allen Christus verlaten. Ze waren allemaal ontrouw geworden, ze waren allemaal aan Hem geërgerd geworden. En Petrus heeft Hem zelfs met vloeken en zweren verloochend. Maar dit is het wonder, de Heere blijft aan een ontrouw zondaarsvolk denken. Hij denkt aan hen en de engel weet van hen af.

Deze discipelen, die zo moedeloos neerzitten, hebben net als de vrouwen ook de gestorven Zaligmaker zo hartelijk lief. Straks zal Petrus op de vraag aan de Zee van Tiberias, tot Christus zeggen: Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb (Joh. 21:17). Maar nu zijn ze zo moedeloos.  Straks zal die moedeloosheid zo treffend vertolkt worden door de Emmaüsgangers als ze tot de Vreemdeling Die met hen meewandelt zeggen: En wij hoopten dat Hij was Degene Die Israël verlossen zou (Luk. 24:21).

Maar de Levensvorst laat Zijn discipelen niet los in hun ellendigheid. En daarom zendt de Heere op de Paasmorgen in Zijn grote barmhartigheid de vrouwen met haast.

De vrouwen moeten zich haasten. En gaat haastelijk heen, en zegt Zijn discipelen dat Hij opgestaan is van de doden. De vrouwen krijgen een opdracht. Ze moeten aan de discipelen een boodschap gaan brengen dat Jezus leeft.

 

Wat een grote eer valt deze  vrouwen hier te beurt. Dat mogen we wel opmerken. In de hof van Eden was de vrouw de eerste die gezondigd heeft en de vrouw heeft de man verleid. Maar Gods genade triomfeert over de zonde. Want de vrouwen ontvangen als eerste de heilsboodschap van Pasen. God heeft aan de vrouwen als eersten de  heilsboodschap van de opstanding van Christus gepredikt. En ze ontvangen die boodschap ook om dat heil aan de mannen te boodschappen.

Wat ligt er dan voor vrouwen en meisjes die de Heere mogen vrezen, een schone taak in het midden van de gemeente. Nee, de plaats van de vrouw is niet in de bank van de ambtsdragers en ook niet op de preekstoel. De Schrift spreekt duidelijk dat het bijzondere ambt de vrouw niet toekomt. Maar in het ambt aller gelovigen wil de Heere vrouwen en meisjes zo dikwijls tot een rijke zegen stellen.

Vrouwen en meisjes hier in de kerk, als u en jij de Heere mag vrezen, als je door Gods genade de Zaligmaker hartelijk lief gekregen hebt, vraag of God u en jou wil gebruiken in het midden van de gemeente om ook anderen te onderwijzen.

Er zijn in de gemeente misschien mensen die in donkerheid, in de nood van hun ziel, verlangen en uitzien of er eens iemand is die een goed geestelijk woord tot ze wil spreken. Als u de Heere mag vrezen, vrouw, meisje in de kerk, zou daar dan geen taak voor je liggen? De Heere wil soms een vrouw die de Heere vreest gebruiken om een diaken, om een ouderling, om een predikant te bemoedigen, te onderwijzen, te vertroosten in zijn ambtelijke werk.

En als de Heere vrijmoedigheid geeft, dan mag ook een vrouw over de volheid van het wonder van Gods genade in Christus tot vrouwen en tot mannen spreken, al staan ze niet in het ambt.

 

De engel heeft het gezegd: ‘Gaat haastelijk heen om de boodschap van de opgestane Christus te brengen aan allen die in moedeloosheid neerzitten.’

Allen die de Heere vrezen, gaat haastig heen in de gemeente naar hen van wie u weet dat ze in bange aanvechtingen verkeren, om hun te zeggen dat Jezus leeft! Ga haastelijk heen om ook anderen voor de dienst van de Heere te winnen!

 

Deze vrouwen zochten Jezus. Ze zochten wel verkeerd, dat is waar. Maar ze zochten Hem met liefde.

En hoevelen zijn er nu in de kerk die Jezus niet zoeken? Wees eens eerlijk. Zoekt u Jezus? Ik vrees dat er heel veel mensen zijn, ook in de kerk, die Jezus niet zoeken. En waarom niet? Waarom zoekt u Hem niet? Omdat u nooit iets begerenswaardig in Hem gezien hebt. Omdat u Hem nooit nodig gekregen hebt. Omdat u nooit geroepen hebt: ‘Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Hem is er geen leven voor mij, maar een eeuwig zielsverderf.’ Omdat u geen zondaar bent, daarom zoekt u Jezus niet. Dan hebt u geen Zaligmaker nodig.

Als u nog steeds hoort bij diegenen die Jezus niet zoeken, dan is dat verschrikkelijk. Wat zoek je dan? Dan zoek je alleen maar aards geluk. We zijn allemaal zoekende mensen. We zijn gelukzoekers. De één zoekt zijn geluk in de wereld en de ander zoekt zijn geluk in allerlei andere aardse dingen. Als u het geluk nog buiten Christus zoekt, dan bent u nog verschrikkelijk ellendig. Maar hoor dan de boodschap, de blijde boodschap: Christus is opgestaan uit de dood en Hij leeft!

Leg dan uw dode zondaarshart aan Zijn voeten neer. Want Hij is machtig om ook u een zoeker te maken. En die zoekt die zal vinden, en die klopt die zal worden opengedaan. Dat heeft Christus Zelf beloofd.

 

Jongeren in de kerk, zijn er onder jullie die de Heere mogen zoeken? Zoek je een Borg voor je schuld en een God voor je hart? Of horen jullie bij de jongeren die de Heere niet zoeken? Dat je nog nooit heerlijkheid in deze Zaligmaker gezien hebt. Val dan deze Paaskoning te voet. Hoor: Hij is opgestaan uit de dood, om hopeloze gevallen, om dode zondaren levend te maken. En Hij maakt plaats in het hart van jongeren en van ouderen. Hij is opgestaan uit de dood, om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Hoor, de Levensvorst roept je toe: Neig uw oor en kom tot Mij, hoor en uw ziel zal leven (Jes. 55:3).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 150:3

 

Looft God, naar Zijn hoog bevel,

Met het klinkend cimbelspel;

Looft Hem, op het schel metaal

Van de vrolijke cimbaal;

Looft de Heer’; elk moet Hem eren,

Al wat geest en adem heeft;

Looft de Heer’, Die eeuwig leeft;

Looft verheugd de Heer’ der heren!