Ds. J.S. van der Net - Mattheüs 28 : 7m

De opstanding van de Heere Jezus

Het voorgaan van de Heere Jezus
Het zien van de Heere Jezus

MattheĆ¼s 28 : 7m

En zie, Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult gij Hem zien.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 98: 2
Lezen : Mattheüs 28: 1-10
Zingen : Psalm 150: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 118: 10
Zingen : Psalm 118: 12
Zingen : Psalm 132: 2, 12

De tekstwoorden voor de prediking van Gods Woord kunt u vinden in het Bijbelgedeelte dat we samen gelezen hebben, Mattheüs 28 vers 7, het middelste gedeelte, waar we Gods Woord en onze tekstwoorden als volgt lezen:

 

En zie, Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult gij Hem zien.

 

Dit Schriftwoord preekt ons: De opstanding van de Heere Jezus.

 

En dan zullen we twee dingen zien:

1. Het voorgaan van de Heere Jezus

2. Het zien van de Heere Jezus

 

Gemeente, we gaan in onze gedachten naar Jeruzalem. Het is heel vroeg op zondagmorgen. Het is nog schemerig. Maar wat zien we? We zien door de smalle, schemerige straatjes van Jeruzalem enkele vrouwen lopen. Waar gaan ze naar toe? Die vrouwen zijn op weg naar de hof van Jozef van Arimathéa.

En meisjes en jongens, jullie weten het wel, in die hof is de Heere Jezus begraven. Het is allemaal heel snel gegaan toen de Heere Jezus gestorven was en ze Hem begraven hadden. Ze hebben Zijn lichaam wel geprobeerd te verzorgen, maar het was toch nog niet helemaal goed. Ze hadden niet de juiste materialen om Hem goed te balsemen. Het lichaam van de Heere Jezus moest begraven worden, want nog maar eventjes, en dan brak de grote sabbat aan: de Paassabbat. Op de Paassabbat mocht er geen dood lichaam boven de aarde zijn. Wat nu zo’n feestelijke fijne dag had moeten worden, was een dag vol verdriet geworden.

Zien jullie daar die vrouwen lopen, meisjes en jongens? Al hun hoop is vergaan. Ze hadden al hun hoop op Jezus gesteld en nu lag hun Meester in het graf. En in de vroege morgen gaan ze op weg om dat lichaam van hun Meester nog beter te verzorgen en te balsemen.

Maar terwijl zij onderweg zijn, flitst er ineens een gedachte door hen heen waar ze eerst helemaal niet aan gedacht hebben. Ze zeggen tegen elkaar: ‘Hoe moeten we dat graf open krijgen?’ Want voor dat graf lag een grote steen gewenteld. En de vrouwen hadden niet genoeg spierkracht om die steen weg te wentelen. Hoe moest dat nu?

Maar wat gebeurt er? Als ze in de hof van Jozef van Arimathéa komen, zien zij tot hun verbazing dat de steen al weggewenteld is. Maria Magdalena is één van de vrouwen die daarbij is, en zij denkt heel impulsief: Zie je wel, gestolen! Ze hebben het lichaam van Jezus gestolen. Er is grafschennis gepleegd! Ze draait zich om en rent terug naar de stad.

 

Die andere vrouwen lopen door en ze kijken voorzichtig, aarzelend in die grafspelonk, en wat zien ze dan? Ze zien een engel. En die engel brengt aan die bevende vrouwen de eerste paaspreek. Leest u maar mee in uw Bijbeltje, vanaf het vijfde vers: Vreest niet, want ik weet dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft. En ga haastelijk heen, en zegt Zijn discipelen dat Hij opgestaan is van de doden; en zie, Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult gij Hem zien. En bij dat laatste gedeelte van die paaspreek van de engel worden we vandaag in deze paasdienst bepaald.

 

1. Het voorgaan van de Heere Jezus

 

Dat moet u even goed tot u door laten dringen, gemeente. Ook als de Heere Jezus verhoogd wordt, is er een voorgaan van de Heere Jezus. Ja, dat voorgaan van de Heere Jezus was er ook tijdens Zijn vernedering. Toen ging Hij Zijn discipelen voor tot op het kruis. Maar nu blijkt, als Hij is opgestaan uit de doden, als Hij de Levensvorst is, dat Hij de goede Herder blijft, Die Zijn schapen voorgaat.

‘Hij gaat u voor,’ zegt de engel. Deze boodschap moet voor de discipelen van overweldigende vreugde zijn geweest! Dat ze deze boodschap mochten horen, moet voor hen een oorzaak geweest zijn van ongekende vertroosting. Immers, het had voor de discipelen geleken alsof het met dat voorgaan van Jezus voorgoed voorbij was. De Herder was geslagen en de schapen waren verstrooid. De Heere Jezus was aan het kruis genageld, gestorven en begraven. Wat houd je dan nog over? Voor de discipelen en de vrouwen was eigenlijk alles verloren. Ze denken dat het met het voorgaan van de Heere Jezus voorgoed gedaan is.

En inderdaad, alles zou verloren zijn geweest als de Heere Jezus in het graf gebleven was. Dan zou de dood sterker zijn geweest. Dan zou de hel sterker zijn geweest. Dan had de dood zijn prikkel niet verloren en de hel zou overwonnen hebben! Zoveel staat er in de hof van Jozef van Arimathéa op het spel! Als de Heere Jezus in het graf was gebleven, dan was zelfs het kruis tevergeefs geweest. Daarom leek het voor de discipelen alsof het met dat voorgaan van de Heere Jezus voor altijd uit was.

 

Maar nu die blijde boodschap van de engel: ‘Hij gaat u voor!’ Want toen alles verloren leek voor de discipelen, toen bleek alles gewonnen. De Heere Jezus Christus verrijst uit de dood. De Heere Jezus verbreekt en verbrijzelt de boeien van graf en dood en Hij komt uit het graf als de grote Overwinnaar. En in die opwekking van de Heere Jezus spreekt God de Vader het ‘amen’ uit over het volbrachte werk van de Heere Jezus.

Weten jullie wat dat betekent, meisjes en jongens? Dat betekent dat de Vader op de paasmorgen als het ware tegen Zijn Zoon zegt: ‘Kom nu maar uit het graf. Ik ben helemaal tevreden met wat U gedaan hebt. Er is aan Mijn gerechtigheid voldaan. Het is genoeg. Kom maar uit het graf, Ik ben tevreden.’

Ja, nu de Heere Jezus opgestaan is uit de dood, kan de Heere Jezus de Herder zijn. Hij kan hen voorgaan, juist nu Hij gestorven en opgestaan is.

Want, gemeente, in de dood had Hij alle straf gedragen die de weg versperde naar het hemelse Jeruzalem. In de opstanding deelt Hij ons de gerechtigheid mee die we nodig hebben om de weg te bewandelen naar het hemelse Jeruzalem. De weg naar de eeuwige Godsstad ligt open voor allen die in Christus Jezus zijn. De Heere Jezus, de opgestane Christus, leidt de Zijnen naar de eeuwige blijdschap. Hij gaat hen voor.

 

‘Hij gaat u voor’, zegt de engel. Het is eigenlijk een jubel die daar klinkt uit de mond van de engel. Een jubel van paasvreugde: ‘Hij gaat u voor!’ Dat is de boodschap voor die bevende vrouwen. Dat is de boodschap voor die treurende discipelen.

Maar het is ook vandaag nog de boodschap voor de pelgrims van alle eeuwen, ook hier in de kerk: ‘Hij gaat u voor!’ Misschien zitten er hier ook wel mensen in de kerk die wel wat op die vrouwen lijken, die eigenlijk geen hoop meer hebben. Ja, er zijn vroeger weleens andere ogenblikken geweest: ogenblikken van vertroosting, van bemoediging, maar u bent met dit alles in de dood terechtgekomen en u bent zonder hoop en zonder licht. En toch kunt u niet meer terug. Want u verkiest een dode Jezus boven alles van de wereld. Is het zo bij u? Dan komt nu de boodschap tot u: ‘Hij gaat u voor!’

Hij gaat voor naar de eeuwige heerlijkheid, want Hij heeft de dood overwonnen en het leven aangebracht. Hij, de Levensvorst, gaat u voor.

 

Maar waarom is er dan nog een reden om te vrezen, bevende vrouwen? Kunt u na deze boodschap nog twijfelen? Wat is er nu nog dat uw hoop kan overvleugelen? Uw drukkende zonden? Maar die zijn verzoend op Golgotha! Misschien de schuld die als een pak op uw rug ligt? Die is betaald door Christus! Wat kan uw hoop nog overvleugelen? Het strafeisende recht van God in de banden van de dood? Dat is voldaan door de Heere Jezus. Dat kruis dat de schouders schuurt? Achter Jezus kunnen we het dragen. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? (1 Kor. 15:55) Wat kan uw hoop dan nog tenietdoen? Uw vijanden? Ze zijn gevlucht op de paasmorgen. Ze werden als doden en liepen hard weg.

O, vrees dan niet! Die opgestane Levensvorst gaat u voor. Die overwinnende Herder treedt voor u uit. Zo is het paasfeest het feest van de Herder en Zijn kudde. En daarom zullen zij zeker komen, want Hij heeft dood en graf overwonnen. ‘Hij gaat u voor!’

 

Maar na deze jubelende woorden komt er een aangrijpende tegenstelling, gemeente. Daar zullen we zo bij stilstaan, maar laten we eerst zingen uit Psalm 118 vers 10:

 

Dit is, dit is de poort des Heeren;

Daar zal ‘t rechtvaardig volk door treên,

Om hunnen God ootmoedig t’ eren,

Voor ‘t smaken Zijner zaligheên.

Ik zal Uw naam en goedheid prijzen;

Gij hebt gehoord; Gij zijt mijn geest,

Door Uw ontelb’re gunstbewijzen,

Tot hulp, en heil, en vreugd geweest.

 

Wat een paasjubel! Hij is opgestaan, en Hij gaat u voor. Maar dan gaat de engel verder, meisjes en jongens. En die engel plaatst ons voor een aangrijpende tegenstelling. Hij zegt: ‘Hij gaat u voor... naar Galilea.’

Die engel begint met woorden van louter heerlijkheid. Trouwens, die engel zelf is al een openbaring van Gods heerlijkheid. In zijn bliksemende gedaante komt de hemel naar de aarde; en als die engel zijn voet op de aarde zet, beeft de aarde en scheuren de rotsen en de wachters worden als doden. Zij vluchten en het graf wordt geopend en dan klinkt het evangelie: ‘Hij is opgestaan, Hij gaat u voor naar...’

‘Nou,’ zegt er een meisje of een jongen, ‘naar Jeruzalem natuurlijk. De stad van de godsdienst. De stad waar de macht is.’ En een ander zegt: ‘Hij gaat u voor naar de hemel om de troon te bestijgen.’ Dat zou je denken! Maar dat is nu de tegenstelling in de preek van de engel. Hij, die verheerlijkte en opgestane Jezus, gaat naar Galilea. Daar in Galilea zullen ze Hem zien, de Overwinnaar van dood en graf.

 

Voelt u de tegenstelling al, gemeente? Denkt u het zich eens in: de Heere Jezus komt uit het graf in Zijn opstandingsluister, en dan daartegenover het onaanzienlijke, niet getelde, afgelegen Galilea. Moet de opgestane Koning daar naar terug? Gaat de Heere Jezus na Zijn opstanding zijn discipelen voor naar Galilea? Naar dat verachte en minderwaardige Galilea? Is dat nu de overwinningstocht die u in gedachten had?

Waarom nu naar Galilea? Dat is natuurlijk de vraag die naar boven komt. Jesaja zegt over Galilea dat het een land is van de duisternis en van de schaduw van de dood (Jes. 9:1). En inderdaad, dat was Galilea. Het was het land van de geestelijke duisternis en van de doodsschaduwen. Al eeuwenlang was er in Galilea een sterke heidense invloed. Het was een mix van Joods en heidens. Galilea, dat was in Jeruzalem geestelijk gezien een veracht gebied. Daar had je niets aan. Weet je wat die Galileëers wel goed konden? Ze konden vechten. Maar van de godsdienst hadden ze niet veel kaas gegeten. Daarom wordt op de Pinksterdag ook gezegd: ‘Zijn niet allen die daar spreken Galileëers?’ Met andere woorden: ‘Dat kan niet veel zaaks zijn.’ Voelt u? Dat is Galilea.

 

En nu gaat die opgestane Christus Zijn discipelen voor, niet naar Jeruzalem, maar naar dat verachte Galilea. Het land van de duisternis en de schaduw van de dood. Het is heel belangrijk dat de engel dat zegt, want even later komt de Heere Jezus terug op deze boodschap. Hij herhaalt het aan deze vrouwen. En dan zegt Hij: ‘Ik ga u voor naar Galilea.’ Dat is belangrijk.

Waarom? Omdat de discipelen er nog eens bij bepaald moeten worden hoe groot hun eigen doodsheid en duisternis is. Zeker, door Gods genade waren ze er geen vreemdeling van dat de Heere de Zijnen roept uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Maar juist op Pasen, als de genade van God luisterrijker dan ooit tevoren geopenbaard wordt, zullen we moeten erkennen dat die genade bewezen wordt aan kinderen van de geestelijke duisternis. Die genade wordt bewezen aan kinderen van de geestelijke dood! En daarom moeten ze naar Galilea. Ze moeten dus naar hun eigen dood en duisternis terug.

 

En gemeente, het wordt nog beschamender. Galilea was niet alleen het land van de oorsprong van de discipelen, maar weet u wat Galilea ook was? Galilea was het land geweest van de eerste liefde tot Christus. Want in Galilea had de Heere Jezus drie jaren met hen opgetrokken. Drie jaar lang! Ze hadden Hem hartelijk liefgekregen en ze hadden het hardop gezegd: Tot wie zullen wij anders heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh. 6:68). Het was de tijd van hun eerste liefde tot Jezus. En wat was daarvan terechtgekomen? Helemaal niets! Ze waren allen ontrouw geweest, ze hadden Hem allemaal verlaten.

Nu gaat u wellicht ook begrijpen dat er in die weg naar Galilea iets vernederends en smartelijks ligt. Het is een weg waarin ze herinnerd moeten worden aan hun eigen duisternis en dood. Maar het is ook een weg waarin ze herinnerd moeten worden aan hun ontrouw, aan het verlaten van hun eerste liefde. Het is een weg die lijnrecht in gaat tegen de hoogmoed van ons hart. Een weg waarin onze kroon omgekeerd moet worden.

 

‘Hij gaat u voor naar Galilea’, dat was de boodschap voor de discipelen. En voor u, gemeente? En voor jullie, meisjes en jongens? Ja, voor jullie is dat ook de paasboodschap. Hij gaat u voor naar Galilea, dat is de paasweg. En die zult u voor het eerst in uw leven moeten gaan, en opnieuw; naar uw duisternis, naar uw dood en naar uw ongerechtigheid. Want juist in dat oord van de dood wil de Heere Jezus Christus Zijn heerlijkheid bekendmaken. U voelt allemaal wel: dat is een weg van grondige afbraak. Dan ga je eraan met je hoogmoed. Dan ga je eraan met je eigengerechtigheid.

 

Meisjes en jongens, wat denken jullie? Wat zouden de discipelen graag gewild hebben toen de Heere Jezus was opgestaan? Wel, dat Hij hen was voorgegaan naar Jeruzalem! Naar de tempel, zodat Hij Zich kon laten zien aan het Sanhedrin met hun huichelachtige gezichten. Wat zou het een indruk gemaakt hebben op het Sanhedrin als Jezus daar zomaar binnenstapte. Dan was Kajafas helemaal nergens meer geweest met zijn grote mond. Dat hadden de discipelen gewild.

En gemeente, dat zouden wij ook zo graag willen. Wat zou het mooi zijn als de Heere Zijn volk naar belangrijke plaatsen voerde in de wereld! Maar zo is de weg niet. Hij gaat u voor naar Galilea. Dat betekent: het Koninkrijk van Christus komt niet met uiterlijk gelaat. Dat moeten de discipelen leren. En dat moet u, jij en ik ook leren. Dan moet u maar bedenken dat alle discipelen van de Heere Jezus een Galilea-weg krijgen. Niet een glorie-weg, maar een Galilea-weg. Dat wil zeggen: een weg van verdrukking. Een weg waarin de Heere ons kortwiekt.

 

Zitten er hier mensen in de kerk die op die Galilea-weg zitten? U hebt een bepaald kruis in uw leven, en dat kruis tekent uw leven. Op die Galilea-weg ga je in jezelf verloren. Dan houd je niets meer over van jezelf om de Heere aan te bieden. Een Galilea-weg van teleurstelling en miskenning, waarin de hoop wegzakt.

Maar luister dan naar het Woord van God: Hij gaat u voor naar Galilea! Want wat denkt u? Als de Heere Jezus – Die het Licht en het Leven is – u op die Galilea-weg wil hebben, denkt u dan dat dat een doodsweg is? Dat kan toch niet? Dan is het zeker: je zult niet omkomen. Hij zal ons op die Galilea-weg de grootste vreugde bereiden. En wat is die vreugde? Dat we Hem zullen zien!

 

We gaan eerst nog zingen uit Psalm 118 vers 12:

 

Dit is de dag, de roem der dagen,

Die Isrels God geheiligd heeft;

Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,

Hem roemen, die ons blijdschap geeft.

Och Heer’, geef thans Uw zegeningen;

Och Heer’, geef heil op deze dag;

Och, dat men op deez’ eerstelingen

Een rijke oogst van voorspoed zag.

 

2. Het zien van de Heere Jezus

 

En zie, Hij gaat u voor naar Galilea. U voelt het allemaal wel aan, die weg is geen gemakkelijke weg. Dat is een weg die ingaat tegen vlees en bloed. Dat is een weg waarin we met al het onze de dood in moeten. Maar Hij gaat voor, die opgestane Jezus. En die opgestane Jezus brengt ons op het Galilea-plaatsje. Wat is dat nu? Dat is het plaatsje waar je jezelf hartelijk veroordeelt. Dat is een plekje in ons leven waar we het voor God mogen verliezen. Dat is het plekje waar de kroon van ons hoofd genomen wordt en we belijden: ‘In mij is alleen maar duisternis en alleen maar dood. Uw doen is rein, uw vonnis gans rechtvaardig.’ Het Galilea-plaatsje…

Maar dan zie ik hier een meisje of een jongen, een man of een vrouw, die zegt: ‘Dat kan allemaal wel waar zijn, maar hoe kom ik daar? Hoe kom ik op dat Galilea-plaatsje, waar alles van mezelf me ontvalt, en dat ik het belijd: Heere, ik heb het oordeel verdiend? Ik vind dat zo moeilijk. Daar kan ik mezelf toch niet brengen? Ik zie het plaatsje weleens liggen onder de preek, maar dat hart van mij wil maar niet gebroken en verbrijzeld worden.’ Is het zo bij u? Hoor dan het Woord van God: Hij gaat u voor naar Galilea, en daar zult gij Hem zien!

 

Zou u graag met hart en ziel uw Galilea-doodstaat willen belijden en betreuren? Zou u nu graag al die duisternis uit willen schreien voor Gods aangezicht? ‘Ja,’ zegt er iemand, ‘dat zou ik zo graag willen! Al die duisternis en die dood die ik in me vind, om dat nu eens uit te schreien voor de Heere. Ik wilde dat ik eens echt kon bukken.’ Ach, dan is Hij door de Vader gezonden om u dat te leren en te doen ervaren. Want Hij zegt:

 

Opent uwen mond,

Eist van Mij vrijmoedig,

Op Mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ’t smeekt,

Mild en overvloedig.

 

Want de engel zegt, en dat is de paasprediking: ‘Hij gaat u voor!’ Jezus gaat ons voor! De opgestane Levensvorst! Er is niets van ons bij. Geen enkele kracht of gewilligheid van ons. Het is alles van Christus. Hij brengt ons op dat Galilea-plekje waar we onszelf veroordelen en het verliezen voor God. En dan zeg ik tegen u en jou die daar mee worstelt: Laat los! Laat maar los, en je zult losgelaten worden. Opdat u in Zijn doorboorde handen terecht zult komen, en die handen zijn tere herdershanden.

 

Ik kan u verzekeren, op dat Galilea-plekje valt het zo mee! Want daar zul je Hem zien! Je zult Hem zien! O, wat is dat groot! En dan is de Heere zo goed, gemeente, want dan zijn er in die kudde die niet kunnen wachten tot dat ze Jezus zien in Galilea. Het duurt nog zo’n tijd, en ze zouden van droefheid bezwijken. Maar de Heere laat hen niet wachten. Hij is zo’n trouwe Herder. Dan laat Hij die schreiende Maria Magdalena niet wachten tot Hij over een poosje in Galilea is. En de berouwvolle Petrus laat Hij ook niet wachten tot Hij in Galilea is. Nee, Hij verschijnt aan hen en ze hebben Jezus gezien. Wat een verrassende Herder, want dan zijn ze honderd stappen bij het graf vandaan en dan lezen we: Zie, Jezus is haar ontmoet, zeggende: Weest gegroet (Matth. 28:9).

 

Maar die grote ontmoeting zal plaatsvinden in Galilea. Zo is het nog, gemeente, op dat Galilea-plekje mag Jezus gezien worden. Daar mogen we de liefdevolle blik van Jezus zien. En dan mogen we Zijn tere handen ervaren. Is dat geen wonder? Als we niets meer zien dan onze duisternis en onze dood, als we niets meer zien dan onze zonde en schuld, om dan Jezus in Galilea te mogen zien! Die Lijdende Zaligmaker, maar ook de opgestane Levensvorst.

Dan mogen ze leven in Hem ervaren, waar ze beleven dat ze zelf alle leven missen. Dan mogen ze uit Zijn opstanding bediend worden. In de dood van hun eigen bestaan krijgen ze deel aan het leven dat nooit meer sterft.

 

Meisjes en jongens, ouderen, we zijn met Pasen in de kerk. Wat zegt Pasen u? Ja, als je het aan de wereld vraagt, als je bij wijze van spreken in een drukke winkelstraat in de stad gaat lopen en je vraagt wat Pasen betekent, staan ze óf met een mond vol tanden óf ze hebben het over kuikentjes en eieren zoeken, en noem maar op.

Maar wat is nu echt de kern en het wezen van Pasen? Hij is waarlijk opgestaan! Wat zegt dat u? Want weet u, als we onbekeerd zijn, leven we er zo gemakkelijk overheen; en de plaats waar we eigenlijk zouden horen – aan Zijn voeten –  zoeken we ook niet. Dan kun je in de kerk zitten, maar de één gaat op in het aardse, en de ander gaat op in de godsdienst, maar u maakt geen aanstalten om Galilea op te zoeken. Hoe is dat bij u? Wat betekent Pasen voor u? Wilt u ook naar dat Galilea-plaatsje? Verlangt u er niet naar om te treuren over de zonde en is die klacht van Psalm 38 – ‘Ik ben door uwe wet te schenden, krom van lenden’ – u vreemd?

 

Misschien vindt u dat er tijdens deze paaspreek wel veel over duisternis is gesproken en over de dood. Dat vindt u wel een beetje naar. Is Pasen niet het feest van vreugde? Dat kan ik begrijpen, want het kan zijn dat de waarheid van God ons geweten schroeit. Hij roept ons allen toe, ook jullie, meisjes en jongens: ‘Zoek Mij!’ Zeg maar: ‘Trek mij, Heere.’ Opdat je ook getrokken mag worden naar Galilea, net als deze discipelen, om Hem te mogen zien.

En misschien bent u wel begerig om Jezus te zien. Ja, dat is mooi. Dan is het wel Pasen! Maar er zijn ook mensen die luisteren met een zekere onverschilligheid. Mag ik u ook een vraag stellen? Stel dat nu vandaag aan het licht zou komen dat het hele paasgebeuren allemaal onzin is. Dat het allemaal verzonnen is en dat het allemaal een beetje sprookjes zijn die op je mouw gespeld worden. Zou er dan in je leven iets veranderen? Als het alleen maar een verhaaltje was? Zou u daar toch ondersteboven van raken? Moet u dan toch zeggen dat u dan uw houvast en uw hoop kwijt bent? Of niet? Daarom, smeek de Heere of Hij u bij de hand neemt en dat Hij u leidt om Hem in Galilea te zien.

 

Hij heeft Zijn Zoon uit het graf geroepen en Hij wilde er geen genoegen mee nemen dat u voor van alles en nog wat geïnteresseerd bent, behalve in Zijn lieve Zoon, Die de dood heeft overwonnen. Nu nog strekt Hij Zijn handen uit. Het is het heden der genade. En dan zou ik zeggen, meisjes en jongens, buig dan maar je knieën met je koude, dode hart. Paulus zegt daarover dat God de dood krachteloos heeft gemaakt en dat Hij de duisternis verdreven heeft. Daarom kan Hij in dat dode hart van u leven schenken.

Worstel daarmee, meisjes en jongens! Verkwansel je ziel niet aan van alles en nog wat. Want wat zou het erg zijn als je straks de Doodsoverwinnaar in de ogen moet zien en moet zeggen: ‘Ik was te werelds, ik was te lui, ik was te zorgeloos, ik was te ellendig om Jezus te zoeken.’

 

Als u wist wat u mist, zou u geen uur rust meer hebben om getrokken te worden naar Galilea. Want daar zult u Hem zien. ‘Trek mij en ik zal U nalopen! Opdat we U mogen zien. Uw leven in mijn dood.’

En als we hier vandaag in Galilea zijn, luister dan naar het Woord van God: ‘Daar zult u Hem zien!’ Het kan geen doodsweg zijn naar Galilea. Daar vindt de grote ontmoeting plaats en dan wordt het de taal van al Gods kinderen: ‘Neig mijn hart en voeg het saâm, tot de vrees van Uwe Naam, opdat ik U mag zien!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 132: 2 en 12

 

Zo ik in mijne woning treê,

Of klimm’ op mijne legersteê;

Zo ik ter nachtrust ga in vreê,

Zo ik de sluim’ring zelfs geheng’,

Totdat ik deze eed volbreng.

 

Wat vijand tegen hem zich kant’,

Mijn hand, Mijn onweerstaanb’re hand,

Zal hem bekleên met schaamt’ en schand’;

Maar eeuwig bloeit de gloriekroon

Op ‘t hoofd van Davids grote Zoon.