Ds. D.W. Tuinier - Zondag 52

Het slot van het Onze Vader

Eigen zwakheid
Gods kracht
Gods trouw

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Geb. d. Heeren: 7, 8
Lezen : Efeze 6
Zingen : Psalm 18: 1, 6
Zingen : Psalm 68: 11
Zingen : Geb. d. Heeren: 9, 10

Gemeente, wat is een verzoeking? U kunt ook zeggen: verleiding. Verleidingen zijn er genoeg. Een verzoeking wil eigenlijk zeggen dat je naar de zonde toe gezogen wordt door een bepaalde kracht of persoon. Wat u ziet of hoort, lijkt mooi en aantrekkelijk. Het is verleidelijk, maar vergis u niet, want het is een verzoeking. Daarom is de zesde bede zo nodig. Gods hulp, genade en ontdekkend licht van Boven is noodzakelijk, zodat u de gemene listen en verleidingen van de boze doorziet.

Weet u wat u leren moet? U moet ‘nee’ leren zeggen tegen de verleiding. Nee, dat is niet gemakkelijk. Dat is zelfs onmogelijk. U kunt in eigen kracht niet kiezen. Maar de Heere helpt u als u het van Hem verwacht. Ik denk aan Jozef in het huis van Potifar. Op een dag komt Potifars vrouw naar hem toe. Zij wil dat hij bij haar in bed komt liggen. Ze verleidt hem. Jozef wordt verzocht door het kwaad. Gelukkig, hij doet het niet. Waarom niet? Omdat de Heere hem vasthoudt. God bewaart hem voor de zonde. Hij houdt hem staande. Bid daarom dagelijks: ‘Leid mij niet in verzoeking.’ En bedenk dat de Heere sterker is dan welke verleiding ook.

 

Over deze zesde bede leest u in Zondag 52. We gaan die met elkaar lezen:

 

Vraag 127: Welke is de zesde bede?

Antwoord: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Dat is: Dewijl wij van onszelf zo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan, en daartoe onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten; zo wil ons toch behouden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat wij in deze geestelijke strijd niet onderliggen, maar altijd sterke wederstand doen, totdat wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden.

 

Vraag 128: Hoe besluit gij uw gebed?

Antwoord: Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Dat is: Zulks alles bidden wij van U, daarom, dat Gij, als onze Koning en aller dingen machtig, ons alle goeds te geven de wil en het vermogen hebt, en dat alles opdat daardoor niet wij, maar Uw heilige Naam eeuwiglijk geprezen worde.

 

Vraag 129: Wat beduidt het woordeken ‘amen’?

Antwoord: Amen wil zeggen: Het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zekerder van God verhoord, dan ik in mijn hart gevoel dat ik zulks van Hem begeer.

 

Zondag 52 bepaalt ons bij: Het slot van het Onze Vader.

 

Drie zaken komen naar ons toe:

1. Eigen zwakheid (antwoord 127)

2. Gods kracht (antwoord 127)

3. Gods trouw (antwoorden 128 en 129)

 

1. Eigen zwakheid

 

Leid ons niet in verzoeking. U vraagt: ‘Wie of wat verleidt mij dan? Waarvan moet ik verlost worden?’ Van de duivel. Gods Woord noemt hem ‘de verzoeker’. In het boek Job wordt hij de verklager van de broederen genoemd. Hij wil niets liever dan dat u Gods Woord en Gods geboden naast u neerlegt. En het ergste is: hij vindt aansluiting in uw hart. De duivel wil dat u alleen druk bent met wereldse dingen. Dan is er geen plaats voor de Heere in uw hart.

De duivel wordt ook wel satan genoemd; grote tegenstander van God. Zijn werk is Gods werk verstoren en Zijn kinderen benauwen. Hij heeft maar één doel voor ogen: hij wil u in het eeuwige verderf storten. Hij is een echte doodsvijand.

 

In de catechismus worden er nog twee verleiders genoemd: de wereld en uw eigen vlees, uw eigen boze hart. Zij zijn doodsvijanden. O ja, ze lijken aardig. Ze doen vriendelijk, maar ze zijn het niet. In eigen kracht kunt u geen moment blijven staan. Dat denkt u misschien wel, maar het is niet zo. Als u de Heere liefhebt, weet u dat. Dan kent u uzelf. U weet het: in mezelf ben ik zwak. Ik moet vechten tegen een bepaalde zonde, maar ik kan het niet zelf.

Antwoord 127 belijdt: ‘Dewijl wij van onszelf zo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan, en daartoe onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten.’ U hebt hulp nodig. Daarom deze zesde bede: Leid ons niet verzoeking.

 

Wat denkt u van Mozes? Het is een angstige tijd waarin hij geboren wordt. De Farao van Egypte is bang dat het slavenvolk van Israël te groot wordt. Daarom moeten alle pasgeboren Joodse jongetjes worden omgebracht. Vreselijk. Dit lijkt wel duivels. Ja, dat is het ook. Maar waar de vorst van de duisternis werkt, daar is God ook. En Zijn werk zal uiteindelijk overwinnen.

Amram en Jochebed, een Joodse vader en moeder die beiden de Heere liefhebben, luisteren niet naar het gebod van de koning. Zij zien hoger op. In een uit biezen gevlochten mandje leggen zij hun kind neer in het riet aan de oever van de Nijl. Daar vindt Farao’s dochter hem. Zij ontfermt zich over de huilende vondeling. God bewaart hem. De prinses neemt hem, tegen het gebod van haar vader in, mee naar het paleis. Daar zal hij worden opgevoed tot koningskind. Een wereld vol idealen ligt er voor hem. Al wat zijn hart begeert, krijgt hij. Daar staat tegenover dat hij vergeten moet dat hij een kind van Israël is. Niet de God van zijn vaderen, maar de afgoden van Egypte moet hij aanbidden. Zo staat hij voor de keus. En hij kiest voor God, Zijn volk en Zijn dienst en tegen de wereld en de zonde van Egypte. Wat staat hij bloot aan allerlei verzoekingen.

 

U leest in Gods Woord dat hij weigert een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden. Eigenlijk staat er: hij wijst het af. Hij zegt heel bewust ‘nee’. Inmiddels is hij veertig jaar. Het is geen keuze die hij in een opwelling maakt. Het is een weloverwogen keus. Niemand dwingt hem er toe. Hij kiest vrijwillig, met heel zijn hart. Het is een hartelijke keus. Gods Geest werkt in Mozes’ hart de keus, waar hij nooit spijt van krijgt. Hij geeft zijn hoge positie op. Hij begeert geen macht, geen geld en titels van Egypte. Hij kan geen Israëliet en Egyptenaar tegelijk zijn.

 

‘Zeg Mozes, hoe komt het dat je al heel jong bewust gekozen hebt voor God en Zijn volk?’ Door het geloof, staat er in Hebreeën 11 vers 24, heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao’s dochter genaamd te worden. Want hij achtte de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.

Het is een hartelijke keus. Het is het wondere werk van Gods genade in zijn hart verheerlijkt. De vruchten daarvan komen openbaar in zijn leven.

Natuurlijk heeft de keus van Mozes grote gevolgen. Lijden, verdrukking en smaadheid worden zijn deel. Reken maar dat hij bespot en uitgelachen wordt door de Egyptenaren. Maar hij verdraagt het. Nee, niet in eigen kracht maar door Gods liefde in zijn hart.

U leest: Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn dan de schatten van Egypte (Hebr. 11:26). Door het geloof is hij verbonden aan de Heere Jezus Christus, Die eeuwen later op aarde zal komen. In Hem heeft Zijn volk werkelijk toekomst. Door de band met de komende Messias is er ook liefde voor Zijn volk. Het is alsof Mozes door de verrekijker van het geloof ziet op de Zaligmaker van zondaren, Die uit Israël geboren zal worden.

Meer dan Mozes is Hij, Die vanuit de hemel zal afdalen in deze donkere wereld. Hij zal lijden en sterven, pijn en smaadheid lijden, om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. In zichzelf is Mozes zwak. Dat blijft hij. Maar in Gods kracht en door Zijn genade is hij sterk. U leest van Mozes dat hij zich vasthoudt, als ziende de Onzienlijke (Hebr. 11:27). In Hem ligt zijn keus. Daarom gaat hij de weg die Zijn Zaligmaker straks gaan zal. In Zijn dienst ligt zoveel vreugde en blijdschap.

 

Wat denkt u van Petrus, die dacht dat hij sterk was? Hij denkt van zichzelf dat hij een rots in de branding is. Maar zijn Meester waarschuwt hem. Ondanks dat valt hij toch voor dat meisje dat hem aanspreekt in de zaal van Kajafas. Als er één is die weet waar hij het over heeft, is dat Petrus. Hij schrijft er later over in zijn brief: Zijt nuchter en waakt; want uw tegenpartijder, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden (1 Petr. 5:8).

Gemeente, neem zijn waarschuwing ter harte! De duivel gaat rond als een briesende leeuw. Ook komt hij heel gemeen, op sokken. Dan hoor je hem niet aankomen. Op klompen wel. Daarom: een gewaarschuwd man telt voor twee. Bid om Gods bewarende genade. Leid ons niet verzoeking

 

Antwoord 127 vervolgt: ‘Wil ons toch behouden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat wij in deze geestelijke strijd niet onderliggen, maar altijd sterke wederstand doen, totdat wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden.’

 

Het lijkt wel een gevecht. Ja, dat is het ook. Gods Kerk op aarde is een strijdende Kerk. Als genade wordt verheerlijkt, gaat dat gepaard met strijd. Zonder strijd is er geen overwinning. Zonder kruis geen kroon. Daarom zeggen Gods kinderen tegen iemand die door God stilgezet wordt op de levensweg: ‘Welkom in de strijd!’ Het gaat in de catechismus over doodsvijanden, zwak zijn en vechten. Ook leest u van de geestelijke strijd en sterke wederstand bieden.

Het leven in de dienst van de Heere is een strijd. Het is de geestelijke strijd. Het is de goede strijd van het ware geloof. In die strijd kunt u niet op eigen benen staan. U bent net als een soldaat in de oorlog. U moet vechten tegen de vijand. Die vijand is sterk en u bent zwak. Als er geen hulp komt, wordt u verslagen. Dan zal de vijand overwinnen. Dan ligt u onder in de strijd. Gods Naam zal worden gelasterd. Wat erg! Dat mag niet! Dat wilt u ook niet. Daarom het gebed: ‘Heere, wilt U me staande houden? Geeft U me kracht. Bewaart U mij, zodat ik in de strijd niet onderlig. Want dan wordt er met U gespot. Dan is de vijand mij de baas. Dat is niet tot eer van U. De duivel is altijd bezig om mij te laten wankelen. Het liefst wil hij dat ik val. O Heere, geeft U mij Uw Geest. Mag ik door Uw kracht in de heilige oorlog staande blijven?’

Ziet u, zo bidt u weer om de Heilige Geest. U kunt Hem niet missen, nooit! Zeker in de geestelijke strijd niet. Zonder Gods Geest bent u krachteloos. In uzelf bent u zwak van moed en klein van krachten. Maar in Zijn kracht bent u sterk. Dan mag u volharden. Ja, wie door Gods Geest mag volhouden in de strijd, zal zalig worden (Matth. 24:8-14).

De dichter zingt, we doen dat met hem, uit Psalm 68 vers 11:

 

Gewis, hoe hoog de nood mag gaan,

God zal Zijns vijands kop verslaan;

Die haar’ge schedel vellen,

Die trots, wat heilig is, onteert,

En, daar hij schuld met schuld vermeert,

Zich tegen Hem durft stellen.

De Heer’ heeft Zelf ons toegezeid:

‘’k Zal u, door macht en wijs beleid,

Uit Basan weêr doen komen;

U zullen, als op Mozes’ beê,

Wanneer uw pad loopt door de zee,

Geen golven overstromen.’

 

In het slot van het Onze Vader komen drie zaken naar ons toe. We hebben onze zwakheid gezien. We letten nu ten tweede op:

 

2. Gods kracht

 

We hebben gelezen uit Paulus brief aan de gemeente van Efeze: Daarom, neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in de boze dag, en alles verricht hebbende, staande blijven (Ef. 6:13).

In de tijd van de apostel Paulus is Efeze een belangrijke handelsstad, centrum van godsdienstig en cultureel leven. De stad staat ook bekend om haar gruwelijke goddeloosheid en zedeloosheid.

In deze grote wereldstad heeft de Heere Zijn gemeente. Hij heeft Paulus gebruikt om hier Zijn Koninkrijk te bouwen. Ook de jonge Timotheüs en later de apostel Johannes hebben de gemeente gediend.

 

Paulus is bezorgd over Efeze. De vervolgingen zijn zwaar en de verdrukkingen groot. De jonge christenen hebben het niet gemakkelijk. Er zijn echter ook gevaren die de gemeente van binnenuit bedreigen. Mannen die zeggen dat zij van God gezonden zijn, vertellen de mensen leugens. Daarom roept Gods knecht de Efeziërs op om vast te houden en staande te blijven. Nee, dat kun je niet in eigen kracht. Hij schrijft: Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in de Heere en in de sterkte Zijner macht. Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. (Ef. 6:10-11).

Paulus gebruikt het beeld van de wapenrusting. Een Romeinse soldaat wordt opgeroepen om te gaan vechten en moet daarom zijn wapenrusting aandoen. Een strijder dus die klaar is voor de strijd. Hij staat gereed om naar het slagveld te gaan. Hij heeft een volledige en goede wapenrusting nodig, want de strijd is zwaar en de vijanden zijn machtig.

Want, zo gaat hij verder in vers 12, wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Daarom, neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in de boze dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.

 

Wie zijn toch de dragers van de geestelijke wapenrusting? Wie zijn de strijders?  Wanneer begint de geestelijke oorlog in uw hart en leven? Als God u bekeert. Als uw hart wordt vernieuwd. Als u wederom geboren wordt tot een levende hoop. Door Gods Geest wordt uw leven radicaal veranderd. Dat wat een last was, wordt een lust voor u, en andersom. Dan begint ook de geestelijke strijd. U krijgt vijanden. Gods vijanden worden uw vijanden. Uw eigen boze hart is de grootste tegenstander. Daarom is de strijd zo moeilijk.

 

In antwoord 127 is een ervaren strijder aan het woord. Juist in de praktijk van de strijd leert u hoe machtig en sterk de vijanden zijn en hoe zwak u zelf bent. Des te meer gaat u bidden: ‘Wil mij toch behouden en sterken door de kracht van Uw Geest, want anders kom ik om. In mij is geen kracht.’

 

En vergeet uw wapenrusting niet. Het is de wapenrusting Góds. Alle onderdelen van die wapenrusting zijn van God afkomstig. In ons dagelijks leven dragen veel waardeartikelen een bepaald merk van een fabrikant. Dat wordt gedaan om de kwaliteit te garanderen. Elk onderdeel van de wapenrusting is ook gekenmerkt. Het is echt. Het komt bij God vandaan. Hij heeft er Zijn Naam aan verbonden.

 

U vraagt: Waarin bestaat die uitrusting? Lees maar mee vanaf vers 14: de gordel der waarheid, het borstwapen der gerechtigheid, het schild des geloofs en de helm der zaligheid. Het komt alles bij God vandaan.

God zorgt voor de wapenrusting. Hij heeft deze verdedigingsmiddelen bedacht. Als u het met eigen gemaakte wapens moet doen, verliest u de strijd, zeker weten. Gelukkig maar dat God er voor zorgt. Zijn Zoon, Jezus Christus, heeft daarvoor Zijn leven gegeven. Door Zijn Geest past Hij ze toe in uw hart. Jezus Zelf is de Waarheid. Hij heeft door Zijn lijden en sterven gerechtigheid verdiend. Hij heeft voor het Evangelie des vredes gezorgd. Hij geeft het schild des geloofs, de helm der zaligheid en het zwaard van de Heilige Geest in de hand.

Hij Zelf heeft met deze wapens Zijn vijanden verslagen aan het kruis op Golgotha. Hij Zelf is de strijd aangegaan met de vijand. Dat was nodig. Het kon niet anders. Het moest, om Zijn kinderen uit de klauwen van de vijand te verlossen. Hij heeft de zwaarste strijd gestreden en overwonnen. Zijn kinderen strijden ook, de goede strijd van het geloof. Zij strijden met Zijn wapenrusting aan. Hij oefent hen in de strijd. Hij leert ze de wapens te gebruiken.

 

Het gaat om de gehele wapenrusting. Niet één onderdeel kan gemist worden. Wat moet u beginnen zonder de waarheid? Hoe blijft u staande zonder Zijn gerechtigheid? Wat bent u kwetsbaar als u een onderdeel van de wapenrusting mist!

Wat denkt u van Jona? Als God hem naar Ninevé stuurt, mist hij het schoeisel van de bereidheid van het Evangelie des vredes. Hij vlucht. U weet hoe het afloopt. Hoe loopt het met Jakob af, die met het wildbraad bij zijn vader komt en de gordel van de waarheid mist? Hij liegt en bedriegt zijn vader. En Lot had meer oog voor de groene weiden bij Sodom, dan voor de grote gevaren van de zonden in de stad.

Daarom, neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in de boze dag, en alles verricht hebbende, staande blijven (Ef. 6:13).

 

Neemt aan. Wat betekent dat? Dat betekent dat u uw eigen kleren uit moeten. Anders past Gods wapenrusting niet. Opdat gij kunt wederstaan in de boze dag. Welke boze dag? Wat moet u zich daarbij voorstellen? Dat is de dag waarin de boze zijn macht laat gelden. Het zijn de dagen van duisternis, de uren van verzoeking, waarin de satan zijn macht en heerlijkheid openbaart en listig en sluw probeert om u te verleiden.

In deze dagen leefden de Efeziërs. In zulke dagen leven wij. Het zijn de dagen die voorafgaan aan de wederkomst van de Heere Jezus Christus. En de aanvallen van de hel zullen alleen nog maar erger worden. Juist in deze vreselijke wereld is het hoogst noodzakelijk om de wapenrusting van God aan te doen.

 

Bent u al een geestelijke strijder? Dan weet u ook dat u van uit uzelf geen kracht hebt. Juist dan krijgt het zwaard des Geestes, het Woord des Heeren, waarde voor u. De gerechtigheid van Christus wordt onmisbaar. Kent u deze strijd niet? Dan gaat het niet goed. Vroeg of laat gaat u ten onder en moet u omkomen. Daarom: Bekeert u en gelooft het Evangelie (Mark. 1:15).

 

De oude apostel Johannes beschrijft het in zijn boek Openbaring. Hij ziet de strijders. Eindelijk, na een hevige strijd, na een lange, vermoeiende reis, komen Gods kinderen thuis. Ze komen uit de grote verdrukking. De strijd is gestreden. Het lijden is verleden tijd. In hun Koning, Die hen voorgegaan is in de strijd, zijn ze meer dan overwinnaars.

De catechismus zegt zo mooi: ‘Totdat wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden.’ In de hemel is geen strijd meer. Daar wordt het lied van de overwinning gezongen. Een overwinning door een drie-enig God. Het vrome volk zal daar huppelen van zielenvreugd.

 

We hebben gezien, ten eerste de eigen zwakheid, en ten tweede Gods kracht. We letten tenslotte op:

 

3. Gods trouw

 

Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Zo besluiten we het volmaakte gebed. Het is net alsof Gods kind zegt: ‘Heere, waarom vraag ik dit alles van U? Omdat U de Koning bent van Uw Kerk. U bent de machtige Koning. U bent ook gewillig om mij ‘alle goeds’ te geven. Dat is alles wat ik nodig heb om getroost te leven en zalig te kunnen sterven. Maar dat is allereerst tot Uw eer, de komst van Uw Koninkrijk. Het is naar Uw wil. U bent machtig. Van U is de kracht. U regeert alle dingen. Maar van U is ook de heerlijkheid. U zij de eer en de glorie. U bent het zo waard om grootgemaakt, geëerd en geprezen te worden. En dat tot in alle eeuwigheid.’

 

Nee, het gaat in de eerste plaats niet om u en mij. Allereerst gaat het om Gods eer. Het gaat om de verheerlijking van Zijn Naam. De engelen in de velden van Efratha zongen toen de Heere Jezus werd geboren in Bethlehems stal: Ere zij God! Ze gaven God de hoogste eer. Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Luk. 2:14).

Ook de herders gaan God grootmaken. Want als ze met haast naar Bethlehem zijn gegaan, het Kind gezien en bewonderd hebben, nemen ze de klanken van de engelen over. Ze verheerlijken en prijzen God. Alleen door het geloof ga je meezingen met de herders. Dan zing je met mond en hart: ‘Het is door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen. Drie-enig God, U zij al de eer!’

 

Amen. Wat beduidt het woordeken ‘amen’? Dat is het laatste woordje van het gebed. Misschien wel het eerste woord dat u hebt geleerd. Het is een rijk woord. Ja, het is het rijkste woord van heel het ‘Onze Vader’. Het betekent: het zal waar en zeker zijn. Het ziet op vastheid en trouw.

De Heere Jezus begon Zijn preken vaak met: ‘Voorwaar zeg Ik u.’ Dat is hetzelfde als het woordje ‘amen’. Ja, Hij Zelf is de Amen. Hij is de Waarachtige. Hij is de grote Voorbidder voor Zijn kinderen. Hij bidt hen voor. En Hij bidt voor hen bij Zijn Vader. Alleen om Jezus’ wil kan God hun gebed horen en verhoren.

Daarom is dit kleine woordje eigenlijk een woord van troost en bemoediging. Het is een geloofsbelijdenis. Als u in het geloof bidt, zegt u eigenlijk: ‘Heere, ik geloof dat U mijn gebed verhoort. Ook al voel ik dat niet, ik geloof het. Waarom? Omdat U de Getrouwe bent. Wat U belooft, is waar. U bent de Amen, de Waarachtige. U laat nooit varen de werken van Uw handen.’

Het woordje ‘amen’ wijst dus op de trouw van God. Het laat u zien dat wat de Heere gezegd heeft, waarheid is. Wat God belooft zal Hij doen. De dichter zingt: ‘Hetgeen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.’

Betekent dat dan dat je alles krijgt wat je hart begeert? Nee, het kan zijn dat de Heere uw gebed anders verhoort dan u zich had voorgesteld. En toch is het goed, omdat u weet dat Hij u geeft wat nodig is.

 

Amen heeft alles te maken met beamen. Amen zeggen op alles wat u hebt gelezen en gehoord. Amen zeggen op Gods Woord. Ook als dat Woord u zegt dat u verloren bent in zonde en schuld. Maar eveneens als de rijke Zaligmaker u wordt voorgehouden. De oude Anna mocht ‘amen’ zeggen. Wij lezen van haar dat zij de Heere insgelijks beleed. Het wordt kerstfeest voor de 84-jarige Anna.

 

Gemeente, we eindigen de behandeling van ons troost- en leerboek. De vraagt dringt: Wat is de vrucht van alles wat tot u is gekomen? Heeft het u vernederd? Heeft het u verbroken? Bent u ermee aan de voeten des Heeren gekomen, als een schuldverslagene? Is uw geloof geoefend? Mocht u opwassen in de genade en kennis van de Heere Jezus Christus, Wiens werk volkomen is? Mocht u de troost en zekerheid van uw leven meer en meer zoeken en vinden in het vaste fundament der zaligheid, Jezus Christus? Het zal zo vreselijk zijn als deze catechismuspreken eenmaal tegen u getuigen zullen. Daarom bid ik u als een gezant van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: laat u met God verzoenen (2 Kor. 5:20).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Gebed des Heeren: 9, 10

 

Want Uw is ’t koninkrijk, o Heer’,

Uw is de kracht, Uw is al d’ eer.

U, Die ons helpen wilt en kunt,

Die, in Uw Zoon, verhoring gunt,

Die door Uw Geest ons troost en leidt,

U zij de lof in eeuwigheid.

 

Ja, amen, trouwe Vader, ja!

Wij maken staat op Uw genâ.

Ons hart, o God, Die alles ziet,

Veroordeelt ons in ’t naad’ren niet;

Het zegt, daar G’ op ons bidden let,

Gelovig ‘amen’ op ’t gebed.