Ds. L. Huisman - Openbaring 8 : 1

Stilzwijgen in de hemel

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 6) van ds. L. Huisman (gepubliceerd op www.dshuisman.nl)

Openbaring 8 : 1

Openbaring 8
1
En toen Het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 89: 3, 4
Lezen : Openbaring 8
Zingen : Psalm 2: 3, 6
Zingen : Psalm 72: 7
Zingen : Psalm 22: 14

Gemeente, ik wens u Gods Woord te prediken uit het hoofdstuk dat we samen gelezen hebben uit het laatste Bijbelboek, Openbaring 8 en daarvan vers 1:

 

En toen Het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in de hemel, omtrent van een halfuur.

 

In Zefanja 1 staat dat de inwoners van Jeruzalem in de dagen van Josia, dat was kort voor de wegvoering naar Babel, zeiden: De Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad (Zef. 1:12). Met andere woorden: God bemoeit Zich niet met deze wereld. En daaruit trok men de conclusie: leef maar raak, pluk de dag, zie er van te halen wat er van te halen is, want de Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad. Het interesseert Hem niet wat wij doen.

En dan komt Jesaja en hij zegt van deze mensen dat God haastig verwoesting over hen zal brengen, namelijk over hen die meenden een vrijbrief te hebben om hun gang te kunnen gaan.

En al komen wij niet tot die brute uitspraak van het ongeloof, zoals de mensen in de dagen van Zefanja, ook in ons hart leeft toch dikwijls de gedachte: zou God mij wel zien? Bemoeit de Heere Zich wel met mij, met mijn gezin, met de kerk, met deze wereld? En dan kunnen we soms het gebeuren in deze wereld niet in overeenstemming brengen met Gods alwetendheid en met Gods bestuur van deze wereld.

Dan komt ook de twijfel menigmaal in ons hart op: ja, maar zou het dan toch wel zo zijn, dat God ieder mens ziet en ieder mens kent en zijn leven bestuurt? Waarom laat Hij dan steeds die vreselijke oorlogen komen? Waarom laat Hij sommige mensen in de grootste ellende verkeren? Waarom laat Hij snoevers uitroepen: ‘Er is geen God’?

 

Het is waar, het kan wel schijnen alsof God Zich niets van deze dingen aantrekt, alsof de één Hem aanbidden mag zonder dat hij door Hem geholpen wordt, en alsof de ander Hem vloeken mag zonder dat hij door Hem verteerd wordt. God doet geen goed en God doet geen kwaad. Er is stilzwijgen bij God.

Dergelijke gedachten zijn er ook in ons hart. Dan denken wij: Wat nut heeft het als we de Heere dienen en Zijn wacht waarnemen? Wat hebben we er aan? Is dat ook niet vaak zo in het leven van Gods kinderen? Dat we aan het tobben zijn; moeite, zorg, verdriet. En die goddelozen lachen, mensen die God niet vrezen hebben voorspoed. En ons is alles tegen. Komt dan ook niet vaak in ons hart die gedachte: Zou God het wel weten? Zou er wetenschap zijn bij de Allerhoogste? Immers, die mensen zijn goddeloos, ze vermenigvuldigen het vermogen, maar mijn bestraffingen zijn er elke morgen. Wat helpt dan je gebed in de nood?

Andere mensen zeggen: ‘God zegt: Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen, dus je moet er maar in berusten, want er is toch niets tegen te doen. Je moet het maar nemen zoals het komt.’ Dat is natuurlijk net zo goddeloos als wanneer je zegt: ‘God doet geen goed en God doet geen kwaad.’ Het is alleen met een beetje godsdienstig vernis overtrokken, maar het is net zo goddeloos.

Want dan zijn we in feite als de heidenen, de mohammedanen of de boeddhisten die – zo ze nog over een God spreken – zeggen: ‘God troont in de hemel en legt Zijn ijzeren wet de mensen op, en beweeg je nu maar niet, dan doet het juk het minst pijn.’

Dat is níet het gaan aan ‘s Vaders hand. Dat is níet in tegenspoed geduldig en in voorspoed dankbaar zijn. O nee, dat is meer het heidens fatalisme dat niets met de waarachtige dienst van God te maken heeft. Dat schijnt wel vroom, maar het is puur goddeloos.

 

Maar hoe is het dan? Want we zitten toch maar met die problemen. Ga maar eens aan mensen die werkelijk bidden en oprecht hun noden aan de Heere voorleggen en toch veel meer slagen krijgen dan anderen die nooit bidden, vertellen dat de Heere regeert! Dat Hij Zijn almacht toont en dat er geen haar van ons hoofd valt zonder de wil van de hemelse Vader.

En toch wil ik uit het Woord van God vertellen dat God leeft, dat Jezus leeft, dat Hij regeert. Ook in Zijn stilzwijgen!

 

Kom, laat ons eens zien naar de tekst die boven deze preek staat.

Daar staat: En toen Het het zevende zegel geopend had. Wie is die Het? Dan moeten we terug naar het vijfde hoofdstuk, want dat geeft licht over het achtste hoofdstuk. In het vijfde hoofdstuk staat: En ik zag in de rechterhand Desgenen Die op de troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen (Openb. 5:1).

Dat was dus zo’n boekrol zoals men die in de oudheid had. Die boekrol was verzegeld met zeven zegelen. En dan staat er: En ik zag een sterke engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen en zijn zegelen open te breken? En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen noch hetzelve in zien (Openb. 5:2-3).

 

Dan wordt Johannes zeer bedroefd, want dit boek, deze boekrol, was het boek van de toekomst. Daar stond in op welke wijze de wereld voortaan geregeerd zou worden, nadat Christus gestorven en opgestaan en naar ‘s Vaders rechterhand gegaan was in de plaats der heerlijkheid. Johannes weende zeer.

Maar zie, dan gebeurt het grote wonder. En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken (Openb. 5:5).

Christus, de Leeuw uit de stam van Juda, heeft overwonnen om de toekomst die in deze boekrol beschreven staat, verder te ontvouwen. Want daartoe is Hij gestorven en daartoe is Hij opgestaan, opdat Hij tot in eeuwigheid Koning zou zijn op Zijn troon.

En als Johannes dan zijn tranen droogt, dan ziet hij een Lam. Een Lam, voortschrijdende naar de troon, naar het midden van de troon, in het midden van de ouderlingen. Dus let er op: Christus in het centrum, in het midden van de troon, in het midden van de schepping, in het midden van de kerk, in het centrum van het hele gebeuren. Daar staat het Lam, het Lam, staande als geslacht. Daar staat Hij in al Zijn heerlijkheid.

 

Dan worden Johannes’ tranen gedroogd. Want als het Lam regeert, dan hebben we niets te vrezen. Als de teugels van het Godsbestuur in de hand van deze Man zijn gelegd, dan kunnen we blijmoedig onze levensreis voortzetten, nietwaar? Denk eens in wat een troost het geweest is voor Johannes, maar ook wat een troost het voor ons mag zijn. Want nu wordt de wereld geregeerd door Hem, Die ons heeft liefgehad tot het einde toe. Die Zijn leven voor ons gesteld heeft, Die Zijn ziel in de dood heeft uitgestort. Nu mag de hele kerk des Heeren, al Gods kinderen, klein en groot, zich verheugen in Sions Koning, want het Lam regeert!

Denk eens in, als je een zoon of dochter was van onze koning en koningin, dan zou je toch niet bang zijn om van honger om te komen? Je zou toch niet bang zijn dat je als een paria over de aarde moest zwerven en gebrek zou lijden? O nee, je zou toch altijd terug kunnen vallen op hun ouderhart? Al had je het nog zo verzondigd! Want ze bleven toch je ouders.

En zo, in nog veel hogere zin, is het waar van onze grote Koning Jezus Christus. O, wat een blijdschap, wat een vreugde mag hieruit je hart binnenvloeien, dat het Christus is Die de teugels van het wereldbewind in Zijn handen omklemd houdt. Dat Hij het is, Die Zich te voren om mij in het Goddelijk gericht heeft gesteld. En dat Hij nu van de Vader alle macht heeft ontvangen om deze wereld naar het einde te brengen, wat tevens het grote begin is.

O, dan gaan we reeds zingen, bij het aanschouwen van het Lam in het midden van de troon: ‘Hem Die op de troon zit, is waardig te ontvangen lof, eer, aanbidding en dankzegging, want Hij heeft ons gekocht met Zijn bloed!’

 

En dan toont het vijfde, zesde en zevende hoofdstuk ons verder wat er nu gaat gebeuren. Dan gaat het Lam de zegelen verbreken. En telkens als er een zegel verbroken wordt, haast de wereld zich naar het grote einde, naar het grote begin. Dan zien we in het verbreken van deze zegelen de glorierijke overwinning van Gods kerk.

‘Gods kinderen zijn ruiters op witte paarden, die Christus volgen naar de eeuwige overwinning’, zegt Rutherford. Daar zien we iets van, wanneer we aandachtig deze hoofdstukken nalezen. Dan zien we Gods kinderen, als ruiters op witte paarden, de Koning achterna gaan. Dan komt die zee van ramp, dan breken die fonteinen der hel open, dan spuwt de draak zijn vurig venijn, maar dan is Christus Triomfator en met Hem al degenen die door het geloof op Hem hun vertrouwen stellen. Dan loopt het uit op de eeuwige vreugde.

Lees maar het eind van het vijfde hoofdstuk: En alle schepsel dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem Die op de troon zit, en het Lam zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. En de vier dieren zeiden: Amen. En de vier en twintig ouderlingen vielen neder en aanbaden Dengene Die leeft in alle eeuwigheid (Openb. 5:13-14).

Dat is de gehele schepping en de ganse kerk. Zij zingen het Lam alle eer, alle lof toe. En dan staat aan het eind van het zevende hoofdstuk: Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen (Openb. 7:17).

 

We verwachten dan dat de Heere in het achtste hoofdstuk verder zal gaan om ons de heerlijkheid van dat nieuwe Jeruzalem, de heerlijkheid van dat zalig hemelleven te openbaren. Immers in de vorige hoofdstukken zien we de kerk gevoerd naar de eeuwige overwinning. Nu zijn ze er aangekomen en nu zal de Heere ons gaan openbaren wat we dan eeuwig voor Zijn aangezicht mogen doen. Nee, dan begint in het achtste hoofdstuk als het ware een nieuwe wending van de spiraal.

 

U weet wel, het boek der Openbaringen is als het ware een grote spiraal die kegelvormig toeloopt naar de spits. Van die grote omtrekken wordt het steeds kleiner, steeds kleiner, totdat het uitloopt in de dag van de Heere Jezus Christus. En nu zien we dus in dat vijfde, zesde en zevende hoofdstuk een omtrek van die spiraal. We zien hier het werk des Heeren en nu zijn we weer bij het begin terechtgekomen in het achtste hoofdstuk. Nu mag Johannes weer een ander facet zien van de grote eindstrijd, van de tijd tussen hemelvaart en wederkomst.

 

Er staat dan in de tekst: En toen Het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in de hemel, omtrent van een halfuur.

Dus het eerste, het tweede tot en met het zesde zegel is geopend en nu wordt het zevende zegel geopend. Als dat zevende zegel geopend is, zullen de zeven bazuinen geblazen worden, dan zullen de zeven fiolen of de zeven schalen worden uitgegoten. En toen Het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in de hemel, omtrent van een halfuur.

Wat heeft dit te betekenen? Christus haast Zich naar het einde en in de vorige hoofdstukken zegt Hij ons met Hem te overwinnen. In dit hoofdstuk openbaart Hij het gericht in verband met de verwerpers van het Evangelie. Hier legt Hij in het bijzonder de nadruk op de genadetijd. Hier is een pauze. Voordat er radicaal een eind aan komt, voordat Christus de hemelen scheurt, voordat Zijn witte troon gezien wordt, is er een pauze. Maar Gods pauze is tevens heilige werkzaamheid, en om het nu maar gelijk te zeggen: deze pauze in de uitvoering van Gods raad is de genadetijd. Dat is de tijd tussen Christus’ hemelvaart en Zijn wederkomst op de wolken des hemels. Dat is dat half uur pauze in de hemel.

 

Nu komen we weer even terug bij onze inleiding. De inwoners van Jeruzalem zeiden: De Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad. In Gods pauze, in Gods rusttijd schijnt het alsof Hij Zich niets van deze dingen aantrekt. En waarom doet de Heere dat nu? Wat is hier nu de oorzaak van?

Ach, toen Christus als Triomfator uit het graf verrees, had Hij terstond een eind kunnen maken aan de wereld, aan het geslacht der mensenkinderen. Dan had Hij de Zijnen er uitgeschift en meegenomen naar het huis Zijns Vaders en de wereld in de vuurbrand doen ondergaan.

Dat had Hij kunnen doen. Daar had Hij het recht toe van de Vader. Want na Zijn verheerlijking is Hem alle macht in de hemel en op de aarde gegeven. Maar de Heere Jezus wil van deze macht nog geen gebruik maken. Want zelfs nu wil Hij nog de knecht Zijns Vaders zijn. Niet alleen toen Hij hier in Zijn vernedering als de Man van smarten over de aarde kroop, maar ook nu lust het Hem de wil Zijns Vaders te doen.

Nu zijn er nog mensen op deze wereld, ook kinderen, die nog tot God bekeerd moeten worden, die nog toegebracht moeten worden tot de gemeente die eenmaal zal zalig worden. Er mankeerde bij de hemelvaart nog iets aan de bruidskerk van Christus. Ze was nog niet compleet en daarom is er een stilzwijgen in de hemel van omtrent een half uur. Als het zevende zegel verbroken is, dan is er nog niet het radicale einde. Maar dan is er nog een genadetijd! O genade, Goddelijke genade, Goddelijke ontferming! Hoe lang? Een half uur!

 

Let er op, het is een gebroken geheel, het is natuurlijk symbolisch. Want alle getallen en tijdmetingen in het boek der Openbaringen moeten symbolisch gezien worden. Maar symbolisch wil niet zeggen: mythisch of legendarisch. Nee, het is heilige werkelijkheid, het is Goddelijke werkelijkheid. Het is een half uur, dat wil zeggen: het is een korte tijd, een afgebroken geheel. Ja, de tijd der genade is een korte tijd, een gebroken tijd. Het is maar een schaduw, een ogenblik.

En dat leert ons nu deze tekst. Deze tekst roept ons toe: Hij is komende, maar er is een stilzwijgen van een half uur en dat stilzwijgen van een half uur – o, zondaar, hoor het! – dat is Goddelijke genade. Want als God nú ging spreken, als Hij Zich ten volle ging openbaren in deze wereld, dan kunt u niet meer bekeerd worden. Dan zouden degenen die nu nog verloren liggen voor eeuwig verloren zijn, en dan zouden degenen die zalig geworden zijn, door Zijn genade, met Hem ingaan in de eeuwige heerlijkheid.

 

De Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad. Zo schijnt het. Maar dat zwijgen Gods is het zwijgen waarvan Zefanja gesproken heeft: Hij zal zwijgen in Zijn liefde (Zef. 3:17). Dat is een liefdeszwijgen Gods! Dat is een toeroepen: Haast u om uws levens wil, want uw tijd is kort! Hij is genadig en barmhartig. Hij geeft tijd.

Het is een gebroken tijd, een half uur. Het is gelijk aan het duizendjarig rijk. Een half uur is gelijk aan die duizend jaar en die duizend jaar zien op de volheid van de genadetijd. Want het moge dan enerzijds een gebroken tijd zijn, weinig tijd, een schaduw, een damp, maar het is toch anderzijds ook duizend jaar, het is toch een volheid.

Er is toch tijd genoeg, o zondaar, om u tot God te bekeren. Dat is de andere zijde. Een gebroken tijd, dat bemerkt u, wanneer ziekte en leed, wanneer rouw en droefenis over u komt.

Jongens, meisjes, merk je niet dat het maar een half uur is? Je idealen, spatten ze niet uiteen als luchtbellen? De luchtkastelen die je bouwt, verdwijnen ze niet één voor één als een fata morgana, als een luchtspiegeling? Wanneer je er bij komt, blijkt het nóg de woestijn te zijn. Gaat je leven niet snel?

Moet je niet zeggen als je twintig, dertig, veertig jaar bent: ‘Wat is mijn leven toch snel gegaan! Wat zijn die laatste tien jaar, die laatste vijf jaar toch snel gegaan!’ Want vaders en moeders, als u naar uw kinderen kijkt, moet u dan niet zeggen: ‘Het is maar een half uur! Wat gaat de tijd toch snel! Mijn kleuter gaat al naar school. Mijn jongen zit al weer in groep 7. Mijn dochter gaat al naar de middelbare school.’ Ja, denk eens in ouders: uw kinderen getrouwd, misschien al allemaal. U bent misschien al opa en oma. Moet u het niet zeggen: een half uur? Denk eens in, ouderen, als u terugziet: moet u God niet gelijk geven: het is maar een half uur? Uw leven is een gebroken tijd. U die op het ziekbed gelegen hebt, U die in allerlei ellende en moeite, in de strijd van het leven gewikkeld bent, u die al weduwe of weduwnaar bent, die kinderen verloren hebt of ouders: denk eens terug. Is uw leven niet een gebroken tijd?

Moet u God niet gelijk geven als Hij zegt: ‘Het is maar een half uur, het is maar een gebroken geheel, o zondaar’? We denken nog vooruit te kunnen en dan komt de vale ruiter en worden we ziek, dan treft ons een ongeval. Dan, plotseling, schudt de dokter zijn hoofd en zegt: ‘Man, vrouw, het is erg met je, het is heel ernstig.’ Dan worden we er bij bepaald: een gebroken geheel, een half uur.

Maar luister, o zondaar, het is ook het rijk dat duizend jaar duurt! Dat half uur is toch genoeg om zalig te worden. Heden dan, indien gij de stem des Heeren hoort, verhard uw hart niet, maar laat u leiden!

 

Misschien zegt u: ‘Laat God dan eens spreken in mijn leven. Laat God dan eens wat doen in deze wereld.’ God dóet wat! Hij zwijgt in Zijn liefde! Eenmaal heeft God gesproken in de zondvloed. Het kwam er niet best af met deze wereld. Daarna heeft God nogmaals gesproken toen Zijn volk naar Babel gevoerd werd. Toen heeft Hij Jeruzalem tot een puinhoop gesteld, gelijk Hij gezegd had tegen degenen die tot Hem zeiden: De Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad.

Zou u willen dat God zó spreekt? Als God nu wéér gaat spreken, dan is het te laat. Te laat voor al degenen die in de tijd der genade Hem niet gevonden hebben. Dan zal Hij zeggen: ‘Het einde is nu!’ Dan zullen de hemelklokken gaan luiden, dan zal de bazuin door de archangel geblazen worden. Dan is het half uur om! En de engel heeft gezworen bij Hem Die leeft tot in alle eeuwigheid, dat er na dit half uur geen tijd meer zijn zal. God zwijgt in liefde.

 

Hebt u in uw leven wel eens bemerkt dat God zwijgt in Zijn liefde? Er zullen er zijn die er onder verbroken zijn. Toen God met het licht van Zijn genade de duisternis van hun hart binnenkwam, zijn ze God gaan prijzen, omdat Hij gezwegen heeft. Gezwegen! Ze hebben tien, twintig, soms dertig jaar lang de zonde en de wereld en zichzelf liefgehad. En God zweeg. En toen onze ziel bemerkte dat God zweeg, ging ons hart Hem aanbidden, omdat Hij gezwegen heeft, nietwaar?

Toen kwam het wonder: ‘Heere, waarom leef ik nog, waarom hebt U mij nog gespaard? Ik, die altijd de dingen gezocht heb buiten U. U hebt mij verzorgd met eten en drinken, met kleding en een woning. U hebt gegeven dat ik opgevoed ben onder Uw Woord, dat ik Uw Bijbel hebben mocht. U hebt mij van mijn jeugd af in de kerk gebracht.’

O, zeg het eens, werd het geen wonder in uw leven dat God zweeg in liefde, dat er een stilzwijgen in de hemel was van omtrent een half uur? Toen hebt u God bewonderd, dat Hij geen voleinding maakte. En naar de mate dat Gods Geest uw hart ontdekte, werd het wonder alsmaar groter. Toen hebt u het uitgeroepen: ‘O God, als U gesproken had, dan was het voor altijd verloren geweest! Als U Uw recht geëist had, dan was ik voor eeuwig weggezonken.’

Maar Hij heeft gezwegen, en de oorzaak van dit zwijgen Gods ligt in het zwijgen van de Middelaar, want het is een zwijgen Gods in liefde, in erbarming, in genade.

 

Voordat we verder gaan zingen we eerst Psalm 72 vers 7:

 

Nooddruftigen zal Hij verschonen;

Aan armen, uit genâ,

Zijn hulpe ter verlossing tonen;

Hij slaat hun zielen gâ,

Als hen geweld en list bestrijden,

Al gaat het nog zo hoog;

Hun bloed, hun tranen, en hun lijden,

Zijn dierbaar in Zijn oog.

 

O, zeg nu toch nooit meer: ‘God hoort mij niet, God trekt Zich toch niets van mij aan.’ Zeg nu toch nooit meer: ‘Ook al bid ik, de Heere geeft geen antwoord’, want u moet het eerste vers ook zien in verband met de volgende verzen.

Daar lezen we: En er kwam een andere Engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en Hem werd veel reukwerk gegeven, opdat Hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op het gouden altaar dat voor de troon is. En de rook des reukwerks met de gebeden der heiligen ging op van de hand des Engels voor God. En de Engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemen en aardbeving (Openb. 8:3-5).

Wat wil dat zeggen? Dat wil zeggen dat er in dat half uur een engel voor God staat met veel reukwerk, dat is de verdienste van Christus. Dat is het offer van Golgotha. En met dat reukwerk, gelegd op het wierookvat, gingen gepaard de gebeden der heiligen. En daarmee stond die andere engel nu voor de troon van God.

 

Weet u waarom God nog niet gesproken heeft? Omdat het wierookvat nog vol reukwerk is. Omdat Jezus Christus de toorn van God nog niet openbaart, vanwege het reukwerk dat in het wierookvat is. Om het eenvoudig te zeggen: Christus staat met Zijn offerande tussen de hemel en de aarde en bij die offerande worden de gebeden der heiligen gevoegd.

Uw gebed! God wacht met de dag van het gericht, omdat u bidt! En waar bidt u om? Om heiligmaking, om de vreze Gods meer en meer te mogen openbaren, om de bekering van uw onbekeerde vrouw of man, uw ouders of kinderen, ja, misschien wel van uw afgedwaalde kinderen. Hoort u het? Die gebeden hebben een plaats in de raad van God. Het is níet zo: de Heere doet al wat Hem behaagt, en dat gebed van jou heeft toch geen zin. Ja, God doet zeker al wat Hem behaagt, maar in dat behagen Gods, in die raad Gods, daar zijn ook de gebeden der heiligen in begrepen. Want in dat half uur stilzwijgen is ook uw gebed gelegd op dat gouden wierookvat waarop veel reukwerk was, het offer van de Heere Jezus Christus.

Nee, onze gebeden op zichzelf, dus zonder dat reukwerk van Zijn verdienste, hebben geen waarde. Maar onze gebeden die ons door de Heilige Geest geleerd zijn, dat verlangen naar God en die verheerlijking van Christus en het smeken om de uitbreiding van Zijn Koninkrijk, kortom: ons gebed dat de heerlijkheid des Heeren op het oog heeft, een gebed, gewerkt door de Heilige Geest, ligt op dat gouden wierookvat.

 

Zeg nu niet: ‘Mijn gebed helpt niets’ en zeg nu niet: ‘God hoort mij toch niet.’ Hier staat het! In dat half uur stilzwijgen moet úw gebed er ook bij, anders is de raad Gods niet vol. Die raad Gods is niet volledig als God úw gebed niet hoort.

Maar – en dat is de andere kant – als dan de gebeden zijn opgestegen en als het reukwerk geofferd is, als het opgebrand is, dan wordt het wierookvat vol gedaan met vuur, met vurige kolen van het altaar. En dan wordt dat uitgeworpen over de aarde. En de Engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde.

Daar geeft God Zijn goedkeuring aan. En daar geschiedden stemmen en donderslagen, bliksemen en aardbevingen, en dat is het einde van de wereld.

 

Als die gebeden compleet zijn en als dat reukwerk is opgebrand, blijft vuur voor de aarde over, zonder reukwerk. Dat is de toorn Gods zonder offer, dat is het gericht zonder Christus. O zondaar, dat is de keerzijde van de medaille!

En daarom: het is maar een half uur, waarin God bewogen is over uw lot! ‘Zondaar,’ zegt de Heere, ‘Ik heb geen lust in uw dood, maar daarin heb Ik lust, dat u zich tot Mij bekeert en leeft!’

Kom, kunnen die tranen des Heeren, kan dat stilzwijgen in liefde, uw hart niet bewegen om haast te maken met uw zaligheid? Kan het u niet zó in verwondering brengen, oud en jong, dat u zegt: ‘O God, wie ben ik toch, dat ik dat half uur besteed met dingen die geen nut hebben? Dat ik die kostelijke genadetijd niet doorbreng met U te zoeken?’

Wat ik u bidden mag: het is maar een half uur! Als dat half uur voorbij is, dan blijft er niets dan vuur over. Vuur en vlam! Dan is het reukwerk opgebrand, dan kunnen uw gebeden er niet meer bij! En daarom, als u de stem des Heeren hoort – want dit zwijgen is spreken! – verhardt u dan uw hart niet. Hoor toch de stem des Heeren!

 

U die God vreest, laat het u nog eens aangrijpen! Hij zal zwijgen in Zijn liefde! Waarom heeft God niet gesproken? Wel, Hij had lust aan u. Hij heeft gezwegen toen Hij beschuldigd werd van godslastering. Toen Hij stond in de raadzaal van Kajafas. Toen Pilatus Hem vroeg: Antwoordt Gij niets? (Mark. 15:4) En Jezus heeft niets meer geantwoord (Mark. 15:5).

Had Hij toen gesproken, het vuur zou de aarde en al de goddelozen, en wij met hen, verteerd hebben. Maar Hij heeft gezwegen, omdat Hij lust aan ons had. Laat dat zwijgen Gods ons toch niet tot ongeloof brengen! Laten we toch niet in ongeloof zeggen: ‘De Heere trekt Zich toch niets van ons aan!’

Hoort u het, bekommerden van hart? Hoort u het, ellendigen, die nu misschien zegt: ‘Ja maar, ik zit zo in de ellende, ik zit zo in de nood, ik zie geen uitkomst, het is zo leeg in mijn ziel, ik moet de weg zo alleen gaan, ik mis de Heere zo.’ Hoor eens, het is een zwijgen in liefde. Hij zwijgt over uw zonden, maar Hij zwijgt niet van Zijn genade.

Want Hij roept het ons hier toe, dat de Engel nog voor Zijn aangezicht staat en dat het wierookvat nog vol reukwerk is. Met andere woorden: dat Christus nog aan Zijn rechterhand staat, dat er nog een weg ter ontkoming is! En Hij wacht op uw gebeden!

 

Beklim dan de troon van Zijn heerlijkheid, al biddende, en smeek Hem om Zijn gunst en ontferming, want op grond van dit reukwerk wacht Hij, wacht Hij om ook ú genadig te zijn. Dan ervaart u het: ‘Heere, het is wel een half uur, het is een dodelijk tijdsgewricht, maar het is ook een kostelijke tijd. Het is genoeg, Heere, het is genoeg dat U mij deze tijd gegeven hebt. Want het is genoeg om zalig te worden.’

Ja, dat hebt u ervaren toen u dat liefdeszwijgen mocht meemaken in uw ziel. Toen enerzijds uw geweten u beschuldigde en de wet Gods u vervloekte en u niets meer in te brengen had voor God en u meende dat het nu het einde zou zijn. Want er komen in ons leven tijden dat we niets meer te zeggen hebben. Dat ook wij gaan zwijgen, dat we denken: Heere, als U met mij afrekent, voorgoed met mij afrekent, dan zal ik mijn mond nooit meer opendoen. Als ik buiten de deur moet staan, dan zal ik nooit zeggen dat U onrechtvaardig bent geweest. Dan zal ik aan al de vloekers toch vertellen dat U goedertieren bent en dat Uw gerechtigheid is als de bergen, en Uw oordeel als een grote afgrond. Dat U het bent Die wél doet van de morgen tot de avond, dat U mens en beest zegent en dat U Uw hulp nooit vruchteloos doet vergen.

 

Dan mogen wij zwijgen voor God, omdat Hij gezwegen heeft. En dan is dit zwijgen de inleiding tot het spreken. Het spreken dat wordt gevonden in het vijfde hoofdstuk: En alle schepsel dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem Die op de troon zit, en het Lam zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid (Openb. 5:13).

Dan zal dit zwijgen veranderd worden in een eeuwig Hallel, in het altijd zingen van Gods goedertierenhêen. Met het Lam in het middelpunt!

 

Kan dit half uur dat God u gegeven heeft, deze gebroken tijd, uw ziel nu niet in spanning brengen om u te haasten? Er zijn er nog zoveel onbekeerd, nog zoveel die God niet vrezen! Er zijn nog zoveel kinderen die hun hart niet aan de Heere gegeven hebben. Luister eens, je hebt maar een half uur. En hoe lang dat half uur voor jullie zijn zal, weet ik niet. De één sterft  enkele dagen oud, en een ander met zijn tiende jaar. De één wordt dertig jaar en de ander wel negentig, maar van ons allen zal eenmaal gezegd worden: ‘En hij stierf.’

Dan is het half uur ten einde. Ik weet niet hoe lang voor u dit half uur zal zijn, maar u weet het ook niet. Neem het desnoods letterlijk. Het kan toch dat over een half uur, als u op straat loopt of in uw auto zit of gewoon thuis zit, de Heere zegt: ‘Het half uur is om!’ Dan slaat in de hemel de klok, dan is de laatste tik vergaan, dan is het uurwerk van uw leven aan het einde gekomen. Wie zal het zeggen? Misschien zijn de bomen al gegroeid, waar onze doodkist van gemaakt zal worden. ‘Misschien liggen de planken al geschaafd’, zegt Wulfert Floor in één van zijn preken. Dat kan toch, dat is toch werkelijkheid? Want God zegt dat het maar een half uur is.

 

Maar dat half uur is genoeg om zalig te worden, al zou het letterlijk gezien maar een half uur zijn. Want het is nu de tijd dat een ieder die de Naam des Heeren aanroept, zal zalig worden. In dat half uur! Het is genoeg om u tot God te bekeren. U zult God de schuld niet kunnen geven, wanneer u straks in het gericht zult horen: ‘Ga weg van Mij, gij vervloekte, in het helse vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is.’

Dan zult u niet kunnen zeggen: ‘Heere, ik had geen tijd.’ Dan zal de Heere zeggen: ‘Ik heb u een half uur gegeven, een half uur. Dat was Mijn liefdeszwijgen in de hemel. Ik heb de donder van Mijn majesteit niet aanstonds over u uitgestort, maar Ik heb vriendelijk op de harp van het evangelie getokkeld en Ik heb u liefelijk genodigd: Kom tot Mij, want grimmigheid is bij Mij niet.’

 

En als u dan vraagt, ontdekte zondaar, hoe het mogelijk is dat God Zich niet vertoornt met zulk een toorn dat Hij mij wegslingert, dan zeg ik: dat komt, omdat in het midden van de troon en in het midden van de vier dieren en in het midden van de vier en twintig ouderlingen het Lam staat, staande als geslacht.

O kinderen Gods, daarom hebt u een half uur gekregen, daarom hebt u die duizendjarige bekeringstijd gekregen, waar u van zeggen moet: ‘Heere, U bent goed, U bent goeddoende, want U hebt mij getrokken met de koorden van Uw liefde. U hebt me in dat half uur tot mezelf doen komen. De zon der genade is over mij opgegaan.’

 

En als we dan het wonder, het waarom en het hoe, tot onze verwondering mogen aanschouwen in het Lam, in het zwijgende Lam, in het Lam Dat overwonnen heeft, juist in Zijn zwijgen, dan kent onze dankzegging geen einde, dan kan ons leven zich hier op aarde niet uiten, zoals God het in waarheid waardig is.

Dan kan onze ziel zich niet van harte geven, niet zoals we het zouden wensen, maar dan komt toch éénmaal, na dit zwijgen, voor ons de tijd van spreken. Ja, dan mogen we, omdat God zwijgt in Zijn liefde, hier op aarde spreken leren. Dan begint hier onze tong wel eens te stamelen: ‘Ik dank U, Heere, lieve Borg, dierbare Zaligmaker, ik dank U dat U hebt willen zwijgen tot in het graf, tot in de dood, tot in de hel, aan het kruis, in het verkeren onder Gods recht. Om zo in míjn plaats verzoening te doen voor het aangezicht des Heeren. En dat U met Uw voorspraak het oor des Vaders genaderd bent en dat U nu ook mijn stamelende verzuchtingen en dankzeggingen meeneemt en ze heiligt met de wierook van Uw verdienste, opdat zo ook mijn smeek- en dankstem in de oren van de Heere Zebaoth zou weerklinken. Opdat nu ook Zijn liefdeszwijgen mijn hart tot die eeuwige dankzegging zou stemmen.’

 

Ja, dan zullen we, al hebben we dan ook maar een half uur gekregen, toch straks eeuwig zingen van Gods goedertierenheid voor dat half uur stilzwijgen in de hemel.

 

Zult ú dan ook meezingen?

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 22:14

 

Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond;

Haast wendt het zich tot God met hart en mond;

En, waar men ooit de wildste volken vond,

Zal God ontvangen

Aanbidding, eer en dankb’re lofgezangen;

Want Hij regeert,

En zal Zijn almacht tonen;

Hij heerst, zover de blindste heid’nen wonen,

Tot Hem bekeerd.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 6) van ds. L. Huisman (gepubliceerd op www.dshuisman.nl)