Ds. W. Visscher - Lukas 23 : 34a

Het eerste kruiswoord - een woord van vergeving

Lukas 23
De noodzaak van dit woord
De inhoud van dit woord
De verhoring van dit woord

Lukas 23 : 34a

En Jezus zeide: Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 34: 9
Lezen : Lukas 23: 33-48
Zingen : Psalm 35: 6, 7, 8
Zingen : Psalm 22: 11
Zingen : Psalm 33: 11

Gemeente, we staan stil bij hetgeen u vinden kunt in het u voorgelezen Bijbelgedeelte, Lukas 23 vers 34, en daarvan het eerste gedeelte:

 

En Jezus zeide: Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

 

Dit gedeelte bepaalt ons bij: Het eerste kruiswoord – een woord van vergeving: Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

 

We staan stil bij drie gedachten:

1. De noodzaak van dit woord

2. De inhoud van dit woord

3. De verhoring van dit woord

 

1. De noodzaak van dit woord

 

In Lukas 23 worden we eerst bepaald bij de rechtszitting voor Pilatus en later voor Herodes. Eén ding is wel duidelijk: de Heere wordt van alles beschuldigd, maar de officiële Romeinse rechter zegt tot driemaal toe: ‘Geen schuld.’ Pilatus bezwijkt echter onder de druk van het Sanhedrin en veroordeelt de Heere Jezus tot de kruisdood.                                                                                                                                 

 

Daarna lezen we in vers 26 tot en met 32 hoe de Heere Jezus wordt weggeleid naar Golgotha om gekruisigd te worden. De Heere Jezus wordt bespot, en Simon van Cyréne wordt gedwongen om het kruis achter de Heere aan te dragen. Wat een gezegende ommekeer was dat in het leven van Simon! Dat heeft hij toen niet begrepen, maar later is hem dat door de Heilige Geest geleerd en bekendgemaakt. De evangelisten, Mattheüs, Markus en Lukas, noemen hem bij name, en kennelijk was deze Simon een bekende persoon in de vroegchristelijke kerk. Door een ingrijpen Gods werd Simon dus gedwongen, en zo heeft hij het kruis achter de Heere Jezus aan gedragen. Het is tot een eeuwige zegen in zijn leven geworden.

 

Tenslotte komt dan de stoet die de Heere begeleidt op Golgotha aan, en daarmee begint vers 33: En toen zij kwamen op de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem aldaar. Wij weten uit de Schrift dat de naam Golgotha de Aramese vertaling is van het woord schedel of hoofdschedelplaats. Dus Golgotha is Aramees, het Syrisch, de taal die toen werd gesproken in Israël. Daarnaast heeft u vast ook wel eens gehoord van Kalvaria; dat is de Latijnse naam voor hoofdschedelplaats.

Hier lezen we ‘hoofdschedelplaats’, en dat betekent dat de plaats waar de Heere Jezus gekruisigd werd waarschijnlijk de vorm had van een schedel, een heuvel in het landschap. Op die heuvel stonden reeds drie palen en aan die palen werden de gekruisigden terechtgesteld. De veroordeelden droegen  zelf de dwarsbalk die 15 tot 20 kilo woog, en die werd meegenomen van het rechthuis naar de plaats van de terechtstelling.

En zo komen de Heere Jezus en twee moordenaren in dit Bijbelgedeelte aan op Golgotha. Daar zal Hij gekruisigd worden.

 

De Heere Jezus wordt gekruisigd, en aan de linker- en rechterzijde de twee  moordenaren. U kunt het zich wel voorstellen dat zo’n kruisiging met het nodige geweld gepaard ging. Zo’n gekruisigde sprak allicht wat. En we kunnen ons allemaal wel indenken dat ze niet veel vleiende woorden zullen hebben gesproken in de richting van de Romeinen. Misschien hebben ze gescholden of geschreeuwd. Misschien riepen ze op tot verzet tegen de Romeinse overheid. We weten het allemaal niet, maar we kunnen ons dat wel voorstellen.

De moordenaar aan de ene kant, de moordenaar aan de andere kant, het volk eromheen; wat is het begin van zo’n kruisiging een diep ingrijpend gebeuren! Misschien hebt u die plaatjes ook wel in de krant gezien, dat IS-mannen andere mensen onthoofdden. Wat maakt dat ook een diepe indruk. Vergelijkbare indrukken hebt u hier dus: zo werden mensen gekruisigd. De rillingen lopen over je rug, vooral door alles wat er gebeurt en de wijze waarop het gebeurt, want die Romeinse soldaten waren niet zachtzinnig, ze sloegen de gekruisigde met grote spijkers op het hout. U voelt wel dat dit pijn deed; er werd bij gekreund en geschreeuwd.

Dus alles bij elkaar bood het begin van zo’n kruisiging een huiveringwekkende en rauwe aanblik.

 

En te midden van al dat rumoer horen we de stem van de Heere Jezus. Dat eerste kruiswoord moet ons al onmiddellijk opvallen. Want wat zegt de Heere Jezus? We lezen niet dat Hij geschreeuwd heeft, we lezen niet dat Hij geweend heeft; hoe is Hij de kruisdood begonnen? Het eerste kruiswoord is heel anders dan we van een gekruisigde zouden verwachten. Het brengt ons bij een gebed dat we lezen in vers 34: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

 

Bidden bij je terechtstelling. Vertrouwelijk spreken met je Vader. Zou de hoofdman over honderd toen al verwonderd hebben gestaan? Dit had hij nog nooit meegemaakt. Iemand die met de dood in de ogen, niet schreeuwde, niet kreunde, geen fonkelende  ogen had, maar bad: Vader, vergeef het hun. Het is een indringend gebed voor de soldaten en voor de mensen die eromheen stonden. De Heere Jezus heeft voor de overtreders gebeden.

 

We lezen in de Schrift zeven kruiswoorden. Al deze woorden hebben een diepe betekenis.

Het tweede kruiswoord – Lukas vermeldt het ons – is een woord van genade. De Heere spreekt heerlijke woorden tegen de arme en schuldverslagen moordenaar: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn (vers 43).

Het derde kruiswoord is een woord in de richting van Johannes en Maria, Zijn aardse moeder: Vrouw, zie uw zoon. (…) Zie uw moeder (Joh. 19:26-27). Een woord van diepe liefde tot zijn aardse moeder.

Het vierde kruiswoord is een woord van aanvechting, van verlatenheid: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth. 27:46). Uit dit woord blijkt ook dat de Heere naar de ziel heeft geleden.

Uit het vijfde kruiswoord blijkt dat de Heere lichamelijk heeft geleden. Hij zegt: Mij dorst (Joh. 19:28).

Het zesde kruiswoord is een woord van overwinning. Met luide stem roept Hij: Het is volbracht! (Joh. 19:30).

Het laatste kruiswoord is: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest (Luk. 23:46). Een woord van overgave in de handen van Zijn hemelse en natuurlijke Vader.

 

Het eerste kruiswoord heeft een heel bijzonder karakter. Het is een woord van vergeving. Dit eerste kruiswoord van vergeving is ook een gebed. Het is een gebed om vergeving. Waarom is dit het eerste woord op het kruis? Het gaat over verdere vergeving. Om dit woord te verstaan moeten we weten wat zonde is.

De zonde is begonnen in het paradijs. In Genesis 3 lezen we dat Adam en Eva hebben gegeten van de verboden vrucht. We weten dat de gevolgen van de zonde vreselijk zijn. Reeds in Genesis 4 zien we dat Kaïn zijn broer Abel doodslaat, en dat Adam en Eva op één dag een zoon verliezen door de dood en één door de zonde, want Kaïn is waarschijnlijk nooit meer teruggekomen bij zijn ouders. En tenslotte verliezen ze ook een dochter, want Kaïn krijgt daarna kinderen, en er waren verder nog geen mensen. Dus Kaïn heeft ook zijn zuster, een dochter van Adam en Eva, meegenomen. Op één dag werd het huiselijke geluk van Adam en Eva verstoord en hebben ze drie kinderen minder. Een door de dood, een door de zonde en een doordat ze met haar broer is meegegaan. Wat een ontzettende les; wat is de zonde erg geweest. En wat wil ons de Bijbel daar toch mee leren?

Als we verder doorlezen, komen we bij de eerste wereld en dan horen we over de aarde die vervuld is met wrevel, opstand en liefdeloosheid. Geen band meer met God, geen band meer met de naaste. Verder in de Bijbel komen we in het boek Exodus. Daar lezen we hoe de Egyptenaren de kinderen van het Joodse volk in de Nijl hebben gegooid. Ook verder in de Bijbel komen we de zonde op allerlei manieren tegen. Het lijkt wel alsof het almaar erger en almaar meer wordt.

Het hele Oude Testament laat ons zien dat Genesis 3 niet een mythe, niet een verhaal, maar een werkelijkheid is die op allerlei manieren doordringt en die steeds verder doordringt in het menselijke geslacht.

De zonde begint in Genesis 3, en gaat almaar verder en komt op Golgotha tot haar diepste punt. In de kruisdood van Jezus vergrijpt de mensheid zich aan de tweede Persoon in het Goddelijk Wezen, aan God Zelf. Het diepste punt van de zonde wordt hier bereikt, gemeente. Dit is nu het vervolg van Genesis 3; hiertoe zijn mensen in staat. En denk erom: Christus is niet alleen mens. Hij is God en mens in één Persoon. Daar vergrijpt de mensheid zich aan God op een ontzaglijke manier.

Om het woord ‘vergeving’ te verstaan is het in de eerste plaats dus nodig om te weten dat God rechtvaardig is en dat God de zonde nooit door de vingers ziet. Hier komt het diepste punt van de zonde. En waarom daalt er nu geen vuur van de hemel zoals vroeger bij Elia? Waarom wordt heel die kruisheuvel niet omgekeerd zoals ooit Sodom en Gomorra? Omdat de Zoon Die gekruisigd wordt, zegt: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

De Romeinse soldaten, de menigte die eromheen staat, ze hebben allemaal de dood verdiend. Gods rechtvaardigheid eist hun ondergang, en toch blijft alles staan, toch schijnt de zon, toch heeft alles zijn voortgang, omdat die middelste Kruisdrager heeft gebeden: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Het eerste kruiswoord is nodig vanwege de diepte van de zonde en vanwege de rechtvaardigheid Gods.

 

Waarom zitten wij hier eigenlijk nog? Denk niet dat u beter bent, gemeente, dan de Romeinse soldaten. Ook wij staan schuldig voor Gods wet en tegen het Evangelie. Dat wij hier zitten vindt zijn oorsprong in het gebed van Christus: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Dat is de eerste reden voor dit gebed.

 

Voor de tweede reden gaan we weer terug naar het Oude Testament. Daar lezen zullen we van de lijdende Knecht des Heeren. In Jesaja 53 vers 12 staat: Die voor de overtreders gebeden heeft. Dit woord gaat hier in vervulling.

Misschien heeft u een vraag bij dit eerste kruiswoord. Staat er niet in Johannes 17: Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt? Klopt dat wel met wat hier in de Bijbel staat: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen? Heeft de Heere Jezus hier dan misschien alleen voor een enkele uitverkoren zondaar gebeden? Dat ook, dat zeker, Hij heeft ook voor Zijn uitverkorenen gebeden, daar bidt Hij altijd voor, daar bidt Hij dag en nacht voor. De Heere Jezus bidt echter ook voor zondige mensen. Hij is gekomen om het verlorene te zoeken. In Zijn spreken, Zijn nodiging, Zijn gebed richt Hij Zich tot verloren zondaren. Dat wil de eerste bede aan het kruis onderstrepen. Het kruis van Christus is een boodschap voor verloren zondaren. Vandaar: Vader, vergeef het hun.

Maar dit gebed was ook nodig omdat het reeds in het Oude Testament was voorzegd en reeds in Gods raad was bepaald. Het is de wil van Zijn Vader dat Jezus voor overtreders bidt.

 

En ten slotte nog iets: Wie is die middelste Kruiseling? Hij is Jezus, Zaligmaker, Christus, de grote Ambtsdrager, de Gezalfde. In heel Zijn levensweg heeft de Heere Jezus Zijn drie ambten laten schitteren. Tijdens Zijn omwandeling op aarde vooral Zijn profetisch ambt. Ook Zijn koninklijk ambt, als Hij bijvoorbeeld tegen Pilatus zegt: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld (Joh. 18:36). Bij het kruis van Golgotha wordt nog eens onderstreept dat Hij de medelijdende Hogepriester is. Hij staat hier dus als de enige Hogepriester. Het eerste kruiswoord is nodig opdat er licht zal vallen op Zijn priesterlijk werk. Daar ging het tenslotte om. Jezus is de biddende en dankende Hogepriester. Daar heeft de hemel naar uitgezien, dat heeft God de Vader van eeuwigheid bepaald, en dat hebben Gods kinderen nodig.

Zeg, vindt u de lijdensweken misschien moeilijk? Verstaat u de diepte van de schuld en de noodzaak van de Middelaar niet? Denk toch eens diep na over uw staat voor de eeuwigheid. De lijdensweken brengen ons bij schuld, geestelijke schuld. Die is zo groot en zo diep dat die door ons nooit betaald kan worden. Onze gebeden en onze werken kunnen God niet behagen. Onze bekering is geen grond voor de eeuwigheid. Alleen het werk van Christus is het zoenmiddel voor God. We zijn alleen behouden als we door genade en door het ware geloof met deze enige Hogepriester verbonden zijn. Die voor overtreders gebeden heeft. Op Golgotha is dit in vervulling gegaan.

 

We gaan samen zingen uit Psalm 22 vers 11:

 

Verlos mij van de leeuw, die woedt en tiert;

Verhoor mij, Heer’, en red mij van ’t gediert’,

Dat, sterk van hoorn, rondom mij henenzwiert;

Mij staat naar ’t leven.

Dan wordt Uw Naam door Mij met roem verheven;

’k Zal Uwen lof

Mijn broederen vertellen;

’k Heb, in Uw huis bij al Mijn metgezellen,

Dan prijzensstof.

 

2. De inhoud van dit woord

 

Als we dit gedeelte uit Lukas 23 vanaf vers 33 zo doorlezen, gemeente, dan moet het ons ook opvallen dat Lukas een bepaalde orde hanteert in het beschrijven van de kruisiging. We zien namelijk in vers 33 en 34 dat Lukas eerst schrijft over de Heere Jezus, Zijn Persoon en Zijn woorden, en dat hij vervolgens in de tweede plaats schrijft over mensen. We lezen in vers 35 over het volk, in vers 36 over de krijgsknechten, en we lezen in vers 39 over de kwaaddoeners.

Lukas schrijft eerst over Jezus, Wie Hij is en wat Hij doet. Daarna schrijft hij over de mensen die daar stonden, over de soldaten die bezig zijn, en over de moordenaars aan de linker- en de rechterzijde en over de schare. Eerst Christus en vervolgens wat Hij werkt, en hoe Hij werkt. Dan horen we uit de mond van de Middelaar: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

 

Ik zei al, het eerste kruiswoord is een gebed, een gebed tot God de Vader. Christus is de Zoon, de tweede Persoon in het Goddelijke Wezen. De derde Persoon is de Heilige Geest. Binnen de Godheid is er dus ook sprake van relatie, en in die relatie heeft de Zoon gebeden tot Zijn Vader.

De gebeden van de Heere Jezus behoren tot de meest belangrijke, de meest innige delen van de Bijbel. De Heere Jezus heeft ook veel gebeden. Sommige van die gebeden zijn ook opgeschreven. Hier dus een klein stukje uit een gebed van Jezus. Een uitvoerig gebed van Jezus staat in Johannes 17, een zeer leerzaam hoofdstuk ook voor ónze gebeden.

Het blijkt dat de Heere Jezus een zeer innige relatie heeft met Zijn Vader. Daar ligt ook het diepste punt van Zijn lijden. In het vierde kruiswoord spreekt Hij over de verlatenheid door Zijn Vader. Als die relatie bij wijze van spreken wordt verbroken en de Zoon daar alleen hangt tussen de hemel en de aarde, en het liefelijk aangezicht van Zijn Vader niet meer aanschouwt, maar hangt in de drie-urige duisternis om te boeten en te betalen voor de zonde, dan bereikt het lijden zijn diepste punt. Dan komen we aan de nederdaling ter hel, de diepste trap van Jezus’ vernedering. Paulus zegt er later van in Filippenzen 2: Hij heeft Zichzelf vernietigd, de gestalte van een dienstknecht aangenomen hebbende.

De Heere Jezus zegt aan het einde van de drie-urige duisternis: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth. 27:46). Hij werd dus verlaten van Zijn Vader. Hij heeft alleen en volkomen betaald.

 

Hij begint die ontzaglijk diepe weg, ’s morgens om negen uur, die zal doorgaan tot ’s middags vijf uur, met een gebed. Dat gebed bestaat uit drie delen; het heeft in de eerste plaats het woord ‘Vader’, in de tweede plaats ‘Vergeef het hun’ en in de derde plaats de gedachte ‘Want zij weten niet wat zij doen’.

 

Laten we eens beginnen bij het woord ‘Vader’. Wat een rijk woord! Wat een woord van innig verlangen en vertrouwen. Wat een teer woord in deze omstandigheden.

Aan het begin van de kruisdood horen wij geen woord van zelfbeklag. Niet één keer heeft de Heere ook maar één ogenblik gezegd over Zijn lijden geklaagd. Wel heeft Hij in Gethsémané ermee geworsteld, maar geklaagd heeft Hij niet over Zijn weg. Wel heeft Hij geweend en gehuiverd, maar opstand is er in Zijn ziel nooit geweest. Wel heeft de Heere gehoorzaamheid geleerd, maar van enig tekort is bij Hem geen sprake. De Heere is naar Golgotha gegaan, en elke verzoeking die er is heeft Hij gekend, heeft Hij in het diepst van Zijn wezen doorworsteld. Maar zonde en opstand is er nooit in Hem geweest.                                              

Denk niet dat we een Zaligmaker hebben Die onze nood niet verstaat. Hij verstaat het tot in het diepst van Zijn Persoon. Hij weet wat het is om eenzaam te zijn. Hij weet wat het is om door de satan aangevochten te worden. Hij weet wat het is om ziek te zijn. Hij weet wat het is om in de macht van de dood en van de hel te zijn. Hij weet wat het is als de zonde drukt. Elke aanvechting, elke verzoeking heeft Hij doorstaan.

De schrijver van de Hebreeënbrief zegt het zo heel duidelijk: Hij heeft daarin gehoorzaamheid geleerd. Stond de zaligheid daarom op losse schroeven? O nee, dat kon niet, maar we moeten ook nooit vergeten dat elke verzoeking voor Hem realiteit was, dat in elke verzoeking de pijn en de satan mee kwamen en dat satan geprobeerd heeft om de Zaligmaker tot struikelen te brengen. Soms door middel van de discipelen, en dan grijpt de Heere in en zegt: ‘Achter Mij, satanas!’ Dat zei Hij tegen Petrus toen die dingen zei om Hem van de weg af te brengen.

 

Nu ook weer op het kruis van Golgotha: geen zelfbeklag, maar een woord van vergeving. Een woord waarin Hij Zijn ambt als Middelaar helder en duidelijk laat merken en horen. Daarom richt Hij Zijn gebed tot Zijn Vader.

Wij beginnen onze gebeden gewoonlijk met ‘Heere’. De Heere Jezus heeft Zijn discipelen ook leren bidden: ‘Vader’. En daar zit, zo zegt onze Heidelbergse Catechismus, de gedachte achter van het kinderlijke vertrouwen. ‘Vader Die in de hemelen zijt…’

Het Kind bidt tot Zijn Vader, de Zoon bidt tot Zijn Vader. Wat klinkt er in dat eerste woord een diepe afhankelijkheid en ook een diepe eerbied voor het heilig recht van Zijn Vader in de hemel. Wat heeft de Heere Jezus in een diepe, diepe afhankelijkheid van Zijn natuurlijke Vader geleefd. Hij heeft in alles Zijn Vader nodig gehad. Wie Hem gezien heeft, die heeft de Vader gezien. Ik en de Vader zijn één (Joh. 10:30). Een Goddelijk Wezen, drie Goddelijke Personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Dat klinkt in het gebed. Wat is de Zoon trouw in het vertrouwen op Zijn Vader. Jezus leeft in de liefde van en tot Zijn Vader. Daarop alleen richt zich het gebed van de Zoon.

 

In de tweede plaats horen we: Vergeef het hun. Wie zijn die ‘hun’? De kanttekenaar geeft een heel helder en eenvoudig antwoord. Zij weten niet wat zij doen – ‘dat is: het merendeel van hen’. Dat is: het merendeel van alle mensen die daar stonden. Joden, Romeinen, overpriesters, schriftgeleerden, de scharen, de discipelen, de vrouwen, honderden en honderden mensen stonden daar te kijken. En het merendeel van hen worden door Jezus in Zijn voorbede begrepen.

Hij heeft voor zondige mensen gebeden, Hij heeft om vergeving gevraagd aan Zijn Vader.  Daar heeft Hij voor gebeden, daar heeft Hij vergeving voor gevraagd. Voor het merendeel van hen.

En dan voegt onze kanttekenaar daar nog aan toe: ‘Want sommigen van hen wisten het wel’, dat Hij de Messias was, de Zoon van God. De priesters waren daar diep van doordrongen. Sommigen wisten het. Het Sanhedrin bijvoorbeeld, Kajafas wist het, en Annas en misschien andere Sanhedristen. Die wisten het. Die wísten het. Sommigen wisten het. En die zondigden tegen de Heilige Geest. Daar heeft Hij niet voor gebeden. Dat leert ons ook de Bijbel. Als mensen de grens over gaan en zondigen tegen de Heilige Geest, dan is gebed niet meer mogelijk. Daar heeft de Heere niet voor gebeden.

De Heere heeft dus niet voor die mensen gebeden die wísten dat Hij de gezonden Messias was en die desondanks toch hebben geroepen: ‘Kruis Hem, kruis Hem!’ Voor die mensen bad Hij niet, maar voor alle andere mensen wel.

 

Wat heeft de Heere voor heel veel mensen daar op Golgotha gebeden! En wat is Zijn gebed trouwens op de pinksterdag heerlijk verhoord geworden. De Heere heeft dus best voor heel veel mensen in het eerste kruiswoord gebeden. Hij heeft aan Zijn hemelse Vader om vergeving gevraagd. De Heere laat hier iets zien, zo zeggen onze Dordtse Leerregels, van de algenoegzaamheid van Zijn werk. Al hadden er nog miljoenen zondaren bij gestaan, dan was dit gebed ook voor hen.

In dit gebed klinkt het mededogen van de Heere met arme, gevallen, zondige en verblinde mensen. In dit gebed horen we de bewogenheid van Zijn Middelaarshart, zoals dat ook klonk toen hij uitriep: Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild (Matth. 23:37).

We zien dus in de bediening van de Heere eigenlijk twee soorten gebeden: gebeden die in het bijzonder zijn bedoeld voor Zijn uitverkoren Kerk, bijvoorbeeld voor Petrus, Zijn discipel: Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoude (Luk. 22:32). Maar er zijn ook meer algemene gebeden die gericht zijn op mensen in het algemeen. Er zijn ook gebeden die de Heere in het algemeen heeft uitgesproken voor zondaren van het menselijke geslacht. Op Golgotha vinden we een dergelijk gebed. Die onderscheiding is nuttig en ook belangrijk.

De Heere heeft gebeden voor jongens en meisjes, voor kinderen die bekeerd zúllen worden. De Heere Jezus als Mens, vanuit de menselijke natuur, in bewogenheid met Zijn medemensen, heeft gebeden, gevraagd: Vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Denk eens na over deze biddende Jezus, jongens en meisjes. Jezus buigt Zijn knieën voor zondige mensen, voor zondige kinderen, voor zondige oude mensen. Hij heeft medelijden met u. En daarom is Hij bewogen en spreekt Hij dit gebed uit.

Nogmaals, er is ook een onderscheid: het gebed voor Zijn uitverkoren Kerk wordt altijd verhoord, maar er is ook een meer algemeen gebed. Dat wordt ook verhoord, maar het is niet zo dat dan iedereen ook bekeerd wordt. Maar het is wel iets van de algenoegzaamheid van de Heere Jezus Christus, dat Hij op deze wereld kwam om het verlorene te zoeken.

Er kan toch niemand zeggen als hij straks voor God staat, dat het aan God of aan Jezus heeft gelegen dat hij niet behouden kon worden? Dat ligt aan u, omdat u de Gekruisigde niet nodig hebt. U hebt Hem niet nodig omdat u geen last heeft van uw zonden. En ú hebt de schuld, omdat u het gebed van deze Zaligmaker verwerpt, omdat u rustig uw eigen gang wilt gaan.

Vader, vergeef het hun. Die bede heeft geklonken op Golgotha, tot heil van zondige mensen.

 

We gaan nu stil staan bij het derde deel van dit gebed: Want zij weten niet wat zij doen. De kanttekenaren hebben bij het eerste kruiswoord twee kanttekeningen geschreven. Ze hebben eerst het merendeel genoemd waarvoor de Heere gebeden heeft, maar ook dat er enkelen zijn die de zonde tegen de Heilige Geest hebben bedreven, voor wie de Heere niet bidt. En dan zeggen de kanttekenaren in de tweede plaats bij wat zij doen: ‘dat zij namelijk de ware Messias kruisigden’.

 

Zij weten niet wat zij doen. Gemeente, hier zegt de Heere weer iets wat we heel goed moeten overdenken. Sommige zonden zijn we ons wel bewust. Als u nu in de kerk zit en denkt: Laat die dominee maar praten, dan bent u zich wel bewust dat dit niet goed is. En gesteld dat u nu morgen weer in uw gedachten alleen met uw werk bezig bent, dan begrijpt u wel dat dit niet goed is. En zo zijn er meer dingen te noemen. Dingen die we doen, maar waarvan ons geweten zegt dat het niet goed is.

Sommige mensen roddelen graag. Dat is zonde tegen het negende gebod. Anderen zijn nogal op hun geld. Dat is zonde tegen het achtste gebod. Weer anderen zijn nogal slordig in hun kerkgang. Dat is zonde tegen het vierde gebod. Weer anderen gebruiken het gebed niet voldoende. Dat is zonde tegen het derde gebod. En zo kan ik wel doorgaan. We struikelen allemaal keer op keer. Dat noemen we de bewuste zonden. Die zijn erg.

Er zijn bovendien ook nog onbewuste zonden. We horen daarvan in de psalmen. We zingen bijvoorbeeld: Reinig mij van de verborgen afdwalingen (Ps. 19:13).

Je kunt ook zondigen zonder dat je het beseft, bijvoorbeeld ’s nachts, in je dromen. Ook zonder dat uw geweten daarover spreekt, en dat u zomaar verder leeft, alsof er geen eeuwigheid aanstaande is.

Zij weten niet wat zij doen. De Heere bidt hier voor onbewuste zonden. Hij bidt hier voor mensen die dingen deden waarvan ze niet eens de strekking en de diepte begrepen. Hij bidt hier voor de schare, voor de soldaten die denken dat ze een man uit Galilea moeten terechtstellen. De soldaten wisten niet eens dat ze de Messias kruisigden. Is dat ook niet een ontdekkende gedachte voor ons, dat er zoveel kan zijn in ons leven dat we ons niet eens bewust zijn, maar wat ons wel schuldig stelt voor God? Zij weten niet wat zij doen. Is het ook niet het ontdekkende werk van Gods Geest dat heel erg nodig en noodzakelijk is, om nu eens te leren hoe heilig God is? Hoe nauwkeurig Zijn wet is, en hoe diep de zonde eigenlijk is verknoopt met onze gevallen menselijke natuur? Zij weten niet wat zij doen.

 

U weet, gemeente, dat het werk van de Heilige Geest begint met de wedergeboorte. Dan zet God de zondaar stil. Dan komt er een omkeer in het leven, dan wordt alles anders. Dan is hij God kwijt en hij kan zonder God niet leven. Hij schreeuwt naar God en hij kan niet komen op de plek waar hij wil zijn en waar hij hoort te zijn. Er is een groot gemis in zijn leven. Een gemis aan God en een gemis aan heiligheid, een gemis aan de Heere; allemaal dingen die de Heere werkt in de wedergeboorte. Dan heb je geen bezit, maar dan heb je gemis.

En dan leert de Heere ook hoe diep de zonde zit. Ons hele bestaan is zonde voor God. Dan krijgt een mens een walg van zichzelf. De Heere echter leidt op de weg ten leven. Zondekennis is wel nodig, maar het is niet genoeg. Met kennis van je zonden ben je niet behouden. Kennis van zonde maakt diep onrustig. Het is kennis die uitdrijft naar God in Christus. De Heilige Geest maakt altijd plaats voor Christus.

Hoe schittert de bewogenheid en de heerlijkheid van Christus in het eerste kruiswoord! En wat krijgt een arme zondaar deze Zaligmaker nodig. Hij kan en wil geen rust hebben dan alleen in deze Zaligmaker.

 

Zij weten niet wat zij doen. Het wonderlijke is dat de Heere heeft gebeden voor mensen die niet wisten wat ze deden; dat Hij ook vandaag zo bidt en dat Hij ook nu nog Zijn dienaren uitzendt. In de prediking mogen wij wijzen op de bede van Jezus. Hij wil te doen hebben met mensen die niet weten wat ze doen. Met dwaze, domme en schuldige mensen. Hij ging naar Golgotha om voor de schuld van dwaze mensen te betalen. Hij gaf Zijn leven als middel tot verzoening. Hij heeft gebeden voor overtreders. Hij heeft zelfs gebeden voor harde, onbekommerde mensen die niet wisten wat ze deden.

O, zondaar, denk niet gering van deze biddende Jezus! O, arme, ellendige stakker, denk niet dat u te arm of te gering bent voor deze Zaligmaker! Zij weten niet wat zij doen. De Heere Jezus heeft het gezegd om dwaze mensen te lokken en zalig te maken.

 

Laten we nu nog even stilstaan bij onze derde gedachte:

 

3. De verhoring van dit woord

 

Wat Jezus heeft gebeden werd gehoord door Zijn Vader. Ik wist dat Gij Mij altijd hoort (Joh. 11:42). Is het ook verhoord? Zeker, dit eerste kruiswoord is in de hemel gehoord en verhoord. Als de Zoon iets vraagt aan de Vader, zal de Vader dat ook gestalte geven.

Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede (Luk. 22:42). Op deze aarde en in de menselijke natuur is de wil van Jezus altijd onderworpen geweest aan de wil van Zijn Vader. Het is Zijn hoogste vermaak om de wil van Zijn Vader te doen.

De Vader heeft Hem ook verhoord. We lezen bij Lukas al een voorbeeld. Leest u maar in vers 47: Als nu de hoofdman over honderd zag… Een uur of zeven later wordt er een heidense hoofdman overgebracht van het rijk van de duisternis tot het rijk van het licht. Waarom? Omdat de Heere Jezus ’s morgens om negen uur had gebeden: Vader, vergeef het hun.

Niet de soldaten, maar de hoofdman, de man die dus opdracht had gegeven tot de kruisiging, de man die opdracht had gegeven tot de geseling, de man die er goedkeurend bij stond toen de soldaten de middelste Persoon aan het kruis hebben gehangen, die als geharde Romein er toe opgeleid was om onderworpen volken onder de duim te houden, die leefde van het zwaard, die dacht aan de oorlog en die vocht voor zijn bestaan. Iemand van wie we nooit hadden verwacht dat hij nog eens een schaap van de goede Herder zou worden. Een paar uur later horen we die hoofdman zeggen: Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon (Mark. 15:39).

En als een Romein dat zei, gemeente, dan is dat waarheid geweest in zijn leven. Romeinen wisten wat godenzonen waren; de keizer was een godenzoon, en zo waren er nog andere mensen die men ‘godenzonen’ noemde. Dat die harde hoofdman zei: Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon, dat is een belijdenis van een man uit het heidendom. Een dergelijke belijdenis kan er alleen zijn als er werkelijk iets is gebeurd in het leven van deze man. Hij is van een vijand een vriend geworden. Zijn ogen zijn open gegaan voor de ware identiteit van Jezus. De hoofdman is een duidelijk teken dat het woord van Christus werd verhoord.  

 

Het tweede, we lezen in vers 48: En al de scharen die daar samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen die geschied waren, keerden weder, slaande op hun borsten. Dan voegt onze kanttekenaar bij dat woordje ‘slaan’ een onderwijzende opmerking toe: ‘Namelijk tot een teken van droefheid en verslagenheid’.

‘s Morgens stonden die mensen te schreeuwen op Golgotha: ‘Kom af van dat kruis!’ En Lukas vertelt dat aan het einde van de dag, om vijf uur, als mensen Golgotha verlaten, dat er verslagenheid is en droefheid. Er is een grote omkeer gekomen in het leven van veel mensen.

Kijk, daar verlaat een moeder de heuvel Golgotha. In de morgen nog volop nieuwsgierig, bij de avond diep bedroefd. Kijk, daar gaat een man naar zijn huis. In de morgen nog druk gesproken, bij de avond verslagen. Kijk, daar zie ik een jongen van vijftien jaar, die misschien ‘s morgens samen met zijn vrienden heeft gespot met Jezus. In de avond gaat hij bedroefd naar huis.

Er is in het leven van veel mensen wat gebeurd. Ze kwamen tot zichzelf. Zo begint de ware bekering. Lukas zegt: En al de scharen die daar samengekomen waren… Mag ik het misschien zo zeggen: wat een paar weken later op de pinksterdag volle realiteit wordt, dat is hier al begonnen. Hier begint de ploeg van de wet al door de akker te gaan. Mensen zijn naar Jeruzalem gegaan met een verbroken hart en een verslagen geest.

Al de scharen; dat moet een diepe indruk gemaakt hebben. Van de mensen die er bij waren gingen er tientallen, honderden verslagen naar huis. Gods Geest begon Zijn werk en dat zal zich op de Pinksterdag heerlijk openbaren. Zo begint de Geest nog steeds, gemeente. De Heere opent de ogen. Dan begint de ploeg van de wet zijn belangrijke werk. Mensen worden bedroefd en verslagen van geest.

 

En ten slotte nog iets. Een paar maanden later wordt er in Jeruzalem een man gestenigd. Hij is diaken in de vroegchristelijke kerk. Stefanus is zijn naam. De Sanhedristen kunnen hem niet uitstaan. Vol met nijdigheid voltrekken ze een doodvonnis. Ze grijpen hem en stenigen deze man, deze dienaar van Jezus. Voor hij sterft horen we Stefanus zeggen: Heere, reken hun deze zonde niet toe (Hand. 7:60). Daar heb je nu zo’n leerling die geoefend is op de school van Gods genade, die geoefend is in het drukken van de voetstappen van de Borg. Dat is nu het leven van de genade, het leven van de Kerk des Heeren, het leven in de voetstappen van de Zaligmaker, achter die gekruisigde Koning aan. Dat gold voor Simon van Cyréne, dat gold ook voor Stefanus. Hoe dichter achter de Koning aan, hoe meer een zondaar Zijn beeld vertoont. ‘O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk.’

 

Onbekeerde mensen, mensen die leven voor zichzelf, die God in Christus niet nodig hebben, die genoeg hebben aan hun huis, aan hun kerkelijk lidmaatschap, die genoeg hebben aan de aardse dingen, die geen acht slaan op de prediking van het Evangelie of die het zo weer vergeten zijn, die leven voor de aardse dingen… er is een wonder nodig in uw leven! Zult u dat onthouden? De wedergeboorte, het nieuwe leven is nodig. Zult u ook onthouden dat er Eén kwam Die bad aan het kruis van Golgotha: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen? Het kan alleen in en door Hem, omdat Hij gebeden heeft.         

Waar de kruisheuvel staat, wordt enkele weken later de Geest uitgestort en komen zondaren tot bekering. Zoek toch de Heere, en leef! Bij uzelf is er geen doen aan. Verlaat toch de slechtigheden en leef. Zoek het eeuwige leven, zoek de binnenkamer, buig uw knieën en zeg: ‘Heere, hebt U gebeden voor zo’n biddeloos mens als ik ben? Wilt U ook naar mij luisteren, wilt U werken en wonen door Uw Geest in mijn ziel? Wilt U het Woord toepassen, ook in mijn leven?’

 

Misschien hebt u grote twijfel. Zou de Heere Jezus ook voor u gebeden hebben? Denk dan eens na over de algemene bede van Jezus. In die algemene bede heeft de Heere gebeden voor verloren mensen. Dat blijft ook voor vandaag staan. Het is die bede die de Heere uitspreekt voor mensen, voor zondaren. De Heere heeft goed gedaan aan zondaren. De Heere heeft gebeden aan het kruis op Golgotha: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

 

Het is het allernoodzakelijkste, het allerbelangrijkste, dat wij persoonlijk die Zaligmaker leren kennen. Hoe leert u Hem kennen? Kennis ontstaat door het ware geloof, en door het werk van Gods Geest in het hart.

Voor die kennis maakt de Heere plaats. Weet u, het is zo wonderlijk als de Heere plaats maakt voor Zichzelf. Dan ga je bidden, en je kunt niet bidden. Dan ga je naar de kerk, en je begrijpt eigenlijk niet dat de Heere nog met jou te doen wil hebben. Dan loop je na te denken: hoe word ik nou toch bekeerd? Dan kunt u van uzelf niets en niets meer meebrengen. Dan komt u bij uzelf alleen maar schuld en zonde tegen. En dat wordt niet minder, maar meer.

Maar voor onbekeerde mensen staat er: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen (Luk. 15:2). Hij heeft voor de overtreders gebeden. Als we daarvan nu iets geleerd hebben in ons leven, dan hebben we Jezus lief.

De Heere heeft niet alleen in het algemeen gebeden, Hij heeft ook in het bijzonder gebeden voor Zijn uitverkoren Kerk. Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt (Joh. 17:9). In de bijzondere voorbede van die biddende en dankende Hogepriester Die aan de rechterhand van God is en Die ook voor ons bidt, ligt de zaligheid voor Zijn kinderen zo ontzaglijk vast. Laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende (Hebr. 13:13).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 33: 11

 

Laat ons alom Zijn lof ontvouwen;

In Hem verblijdt zich ons gemoed,

Omdat wij op Zijn Naam vertrouwen,

Die Naam, zo heilig, groot en goed.

Goedertieren Vader,

Milde zegenader,

Stel Uw vriend’lijk hart,

Op Wiens gunst wij hopen,

Eeuwig voor ons open;

Weer steeds alle smart.