Ds. M. Golverdingen - Zacharia 12 : 10a

Onderwerp

Een profetie over de uitstorting van de Geest van Christus
Geschonken genade
Gegeven gebed
Gelovige aanschouwing

Zacharia 12 : 10a

Doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden, en zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 9, 25
Lezen : Zach. 12 en/of Hand. 2: 1-22
Zingen : Psalm 143: 1, 10, 11
Zingen : Psalm 123: 1, 2
Zingen : Psalm 45: 1
Zingen : Psalm 130: 3, 4

Gemeente, omstreeks het jaar 520 voor Christus verkondigde de profeet Zacharia, de zoon van Beréchja, de zoon van Iddo, het Woord des Heeren onder Israël. De ballingschap van Babel is dan achter de rug. Het volk van Israël is teruggekeerd naar Juda en Jeruzalem. Maar de herbouw van de tempel in Jeruzalem wordt door de Samaritanen nog twintig jaar lang geblokkeerd.

Samen met Haggaï heeft de profeet Zacharia Israël in de Naam van de Heere opgeroepen om de hand aan de ploeg te slaan en de tempelbouw te hervatten. Bemoedigd door dat onderwijs, heeft het volk onder leiding van Zerubbabel de stadhouder, en Jozua de hogepriester, het werk weer ter hand genomen. U kunt dat lezen in Ezra 5.

Maar de profetie van Zacharia heeft niet alleen betrekking op de herbouw van de tempel. Vanaf het negende hoofdstuk verkondigt Zacharia de komende heilstijd. Gods gericht zal komen over de heidense volken die Israël benauwen. De Messias komt en Hij zal Zich in al Zijn heerlijkheid als Koning openbaren. En de Geest van Pinksteren zal het volk met zeer rijke geestelijke gaven begenadigen.

 

Bij de belofte van de Heilige Geest, die op de Pinksterdag is vervuld, willen wij met Gods hulp samen stilstaan, naar aanleiding van het tiende vers van Zacharia 12 en wel het eerste gedeelte:

 

Doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden, en zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben.

 

We beluisteren in onze tekst: Een profetie over de uitstorting van de Geest van Christus.

 

We letten op drie gedachten:

1. Geschonken genade

2. Gegeven gebed

3. Gelovige aanschouwing

 

De tekst bevat dus een profetie over de uitstorting van de Geest van Christus. Deze belofte spreekt in de eerste plaats over een geschonken genade: Doch over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade. Ten tweede over gegeven gebed: Ik zal uitstorten de Geest der gebeden. Ten slotte getuigt de tekst van gelovige aanschouwing: En zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben.

 

1. Geschonken genade

 

Deze pinksterbelofte is bestemd voor twee delen van het volk van Israël: voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem. Het geslacht van David nam in de tijd van de profeet Zacharia in het volksleven nog een belangrijke plaats in. Was de stadhouder Zerubbabel, die de teruggekeerde Joden regeerde in de naam van de Perzische koning, niet een vorst uit het huis van David?

De tweede groep mensen die in de tekst genoemd worden zijn de inwoners van Jeruzalem. U begrijpt het al: Jeruzalem als hoofdstad vertegenwoordigde het hele Joodse volk. Met andere woorden: in de aanhef van de tekst gaat het om een heerlijke belofte voor geheel Israël.

In het licht van het Nieuwe Testament bezien omvatten de beide groepen – het huis van David en de inwoners van Jeruzalem – alle Joden en alle heidenen die door een oprecht geloof Christus zijn ingelijfd. Zo rekent Paulus de Efeziërs als bekeerde heidenen tot de inwoners van het geestelijke Jeruzalem: Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods (Ef. 2:19).

De pinksterbelofte van onze tekst mag dan ook worden betrokken op ieder die door de Geest van Christus wordt geleid. Al behoort u of jij niet letterlijk tot de zonen en de dochters van Jakob, denk dan niet dat Israël in die tijd beter en waardiger was dan de heidense volken die in vers 9 worden genoemd, en die door de Heere zouden worden verdelgd omdat ze Jeruzalem bedreigden.

 

Na de verlossing uit Babel hebben de profeten opnieuw moeten getuigen tegen de zonden van het volk. De verering van Baäl en Astarte was ten einde gekomen door de ballingschap; die les had het volk mogen leren. Maar er kwamen nieuwe stromingen op: die van het wettisisme en farizeïsme. Daarin was de kerngedachte: wij kunnen de zaligheid door onze goede werken verdienen.

Maar voor de belofte van de Heilige Geest is geen aanknopingspunt te vinden, in welk mens dan ook. Wij zijn gevallen mensen en missen elke vorm van geestelijk leven. Voor ons geldt dat diep borende en aangrijpende paulinische woord: Er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt; allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand die goed doet, er is ook niet tot één toe (Rom. 3:11-12).

 

Onze tekst zegt: Doch over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden.

Uitstorten, Ik zal uitstorten… In de stilte van de eeuwigheid hebben Vader, Zoon en Heilige Geest een heilig beraad gehouden; ook over het heilsfeit van Pinksteren. De Heilige Geest zal uitgestort worden om mensen uit hun verlorenheid tot God te brengen. Dat zal Hij doen op grond van de offerande van Zijn lieve Zoon, Die onze menselijke natuur wilde aannemen en Die Zich wilde buigen onder al de eisen van Gods recht.

Als de Man van smarten heeft Hij een volkomen verzoening aangebracht voor verloren adamskinderen, waardoor zij met God werden verzoend. Daarom is Hij op de Hemelvaartsdag tot de hoogste eer en heerlijkheid verhoogd: God vaart op met gejuich (Ps. 47:6). Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28:18). Daarom heeft Hij als de verhoogde Christus de Heilige Geest uitgestort. Hij heeft het gezegd: Het is u nut dat Ik wegga, want indien Ik niet wegga zo zal de Trooster tot u niet komen, maar indien ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden (Joh. 16:7).

Ik zal uitstorten… Gemeente, proef die woorden! Zij wijzen op een tropische stortbui bij het begin van het nieuwe, natte seizoen. Deze woorden spreken over de overvloed van zegeningen die de Heere aan Zijn Kerk zal schenken.

Reeds bij Jesaja vinden we de belofte dat God Zijn Geest in een alles overstromende volheid zal uitstorten, zodat de woestijn zal bloeien als een roos. Stelt u zich dat toch eens voor, een woestijn die verandert in een rosarium, een rozentuin! Want Ik zal water gieten op de dorstige en stromen op het droge. Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen (Jes. 44:3). En Petrus haalt het woord van Joël aan op de pinksterdag: En daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees (Hand. 2:17; Joël 2:28). Toen is ook de belofte uit onze tekst vervuld. De Heilige Geest heeft woning gemaakt in Zijn Kerk op aarde, om daar altijd te blijven.

 

Gods kinderen uit het Oude Testament werden ook door de Geest bediend, laten we dat nooit vergeten. Maar de bediening geschiedde in vergelijking met het Nieuwe Testament druppelsgewijs.

Je zou ook kunnen zeggen dat de bediening van de Heilige Geest in het Oude Testament gelijkenis vertoont met een laagje dauw dat elke morgen op de aarde valt, dat die aardde doorvochtigt en vruchtbaar maakt. Maar dan is het een paar uur verder. De zon breekt door in volle kracht en de dauw verdampt en de hoeveelheid neerslag is gering.

Na de komst van de Messias en Zijn verheerlijking heeft God als het ware de sluizen van de hemel wijd opengezet. Toen is de bediening des Geestes in vergelijking met het Oude Testament bijzonder verbreed en verdiept. Zeker, de heilsfeiten van het Nieuwe Testament herhalen zich vandaag niet meer, maar de werkingen van de Pinkstergeest worden ook nu nog ervaren door ouderen en jongeren, door kinderen en volwassenen.

 

Ik zal uitstorten de Geest der genade… Wat een heerlijke naam is dat: de Geest der genade. Daarin maakt de Heilige Geest Zich bekend in Zijn soevereine bediening en in Zijn soevereine komst. Hij wordt uit genade gegeven, Hij wordt uit genade ontvangen. Hij maakt zondaren zalig uit genade. Door het bad der wedergeboorte en door de vernieuwing des Heiligen Geestes, zegt Titus 3.

Die wedergeboorte is enkel genade. Er is helemaal niets in een zondaar, in u en mij, te vinden, dat de Heilige Geest zou uitnodigen om in ons woning te maken en in ons te blijven. De apostel tekent ons bestaan als dood door de zonden en de misdaden.

Maar zulke geestelijk doden als wij van nature zijn worden door de Geest der genade levend gemaakt. Dat is Pinksteren. Wereldwijd worden geestelijk dode zondaren levend gemaakt. Als daarop licht mag vallen in het leven van een zondaar, dan blijft er niets anders over dan grote verwondering! ‘Het is door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen!’

 

Gemeente, hoor de belofte van de Pinksterdag: ‘Ik zal uitstorten de Geest der genade en der gebeden...’ Er is hier geen zondaar die te groot, die te hard en die te koud is om de Geest der genade te ontvangen. Mag ik u een voorbeeld aanreiken vanuit de Heilige Schrift? Een voorbeeld dat de kinderen ook kennen?

Herinnert u zich Manasse, de koning van Juda? Hij was een bruut van een kerel; hij offerde zijn zonen in het Hinnomdal aan de roodgloeiend gestookte Moloch, een afgod van de Ammonieten, die kinderoffers eiste. Manasse zelf stelde waarzeggers en duivelskunstenaars aan. Hij gaf zich volledig over tot de dienst van allerlei occulte machten. Je komt zulke uitingen vandaag ook tegen. De waarzegger vinden we vandaag in een hoek van een autoveiling. Heb je een fotootje van een geliefde overledene? Beschik je over wat geld? Wend je dan tot een waarzegger. Hij suggereert dat je in contact kunt komen met de overledene.

Manasse plaatste zelf een groot afgodsbeeld in de tempel. Hij vergoot veel onschuldig bloed en hij zondigde erger dan de heidenen die rondom hem woonden, lezen we in het Woord.

Dan komen de Assyriërs. Ze nemen Manasse gevangen en transporteren hem naar Babel. En in de gevangenis ziet de Geest der genade naar deze man om. In de gevangenis gebeurt er een wonder. Manasse bad een gebed. En de Heere hoorde Manasse en de Heere liet Zich van hem verbidden. Toen erkende Manasse dat de Heere God is. Dat is nu het werk van de Heilige Geest.

 

‘Ik zal uitstorten de Geest der genade en der gebeden!’ De Geest van de genade… Die naam zegt ook dat de Heilige Geest verloren zondaren Christus deelachtig maakt, want Hij heeft de genade verworven. Laten we toch nooit vergeten, jong en oud, dat het grote werk van de Heilige Geest het grootmaken van de Heere Jezus Christus is, in het hart van zondaren. Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen (Joh. 16:14).

Volk des Heeren, Hij ontdekt niet alleen aan uw verloren staat, maar Hij ontneemt u alle gronden waarop u wilt steunen buiten Christus. Zeg het zelf maar waarop u bouwt: de tranen van uw zondebesef, de aangename gesprekken met Gods kinderen, de ontroering onder de prediking, en noemt u maar op. Laten we elkaar goed verstaan, dit hoort bij het werk der genade, maar het kan de grond der zaligheid niet zijn. Daarom wordt u door de Geest van Pinksteren, Die de Geest der ontdekking is, altijd arm gemaakt. Die Geest maakt Christus in de belofte dierbaar, onmisbaar en noodzakelijk voor uw hart. Die Geest werkt de genade van het geloof, die u ertoe brengt om de zoom van Zijn kleed aan te raken, met het gebed van de bloedvloeiende vrouw die in zichzelf zei: Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden (Matth. 9:21).

 

‘Ik zal uitstorten de Geest der genade.’ De Werkmeester van het geloof deelt vanuit de volheid van Christus gaven uit, die de Borg heeft verworven. Daarbij hoort allereerst de verlichting van ons verstand. Wie tot bekering komt, ervaart dat er iets met zijn verstand gebeurt. Je verstand wordt verlicht; dat doet de Heilige Geest. We mogen dan Gods weg verstaan en de weg weten die we moeten gaan. De dichter van Psalm 143 wist het wel: ‘Uw goede Geest bestier’ mijn schreden, en leid’ mij in een effen land.’

De Heilige Geest is het Die u uitdrijft tot de heiligende genade van Christus door u te ontledigen, zodat u steeds opnieuw bij het gebed van David terechtkomt: Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in het binnenste van mij een vaste geest (Ps. 51:12).

 

Hoe is het met u? Komt u op deze Pinksterdag zó arm, zó ellendig, zó leeg, zó toegesloten naar Gods huis?

Hoe is het? Schoof u zo moedeloos, zo aangevochten en bestreden van hart in de bank? Het is Pinksteren geweest! De belofte is vervuld. De Geest der genade is uitgestort en de Pinkstergeest wil u uit de volheid van Christus bedienen met genade voor genade.

Kom, zijn de zaken zo toegesloten voor het hart? Zeg Hem toch alles wat u ontbreekt. Denk aan die bekende psalm:

 

Opent uwen mond,

Eist van Mij vrijmoedig,

Op Mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ’t smeekt,

Mild en overvloedig.

 

De Pinkstergeest is ook de Geest der vertroosting. Hij openbaart die dierbare Christus aan je hart als de weg ter ontkoming. Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden (Joh. 10:9). Hij, de Pinkstergeest, eigent een arme schuldige zondaar volkomen vergeving der zonden toe op grond van Christus’ verdienste. Hij laat het klinken in uw hart: ‘Zoon, wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven!’

 

De Pinkstergeest is ook de Geest der verzoening. Hij betuigt een arme zondaar dat hij of zij deel heeft aan de gemeenschap met God en aan al Zijn goederen. Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven (2 Kor. 1:22). Dan mag de Kerk uitroepen: Abba, Vader! (Rom. 8:15). Dan betuigt de Geest met onze geest dat wij kinderen Gods zijn.

 

Volk des Heeren, sta toch naar de bediening van die Geest der genade, opdat u mag opwassen in de kennis van Christus. Dat kan niet zonder gebed. Dit brengt ons bij de tweede gedachte:

 

2. Gegeven gebed

 

‘Ik zal uitstorten de Geest der genade en der gebeden.’ Het allereerste dat deze benaming zegt is dat de Heilige Geest op de Pinksterdag is uitgestort op het gebed van Christus. We lezen immers in Johannes 14 vers 16: Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid.

De Heere Jezus kon de Heilige Geest eisen op grond van Zijn zoen- en kruisverdienste. Hij heeft die grote diepe kloof overbrugd tussen een rechtvaardige God en een schuldig zondaar. Hij bad de Vader en op Zijn bede is de Heilige Geest uitgestort. En door het toepassend werk van de Heilige Geest worden ook vandaag zondaren hersteld in de gemeenschap met God.

 

‘Ik zal uitstorten de Geest der genade en der gebeden.’ Het gebruikte woord zou je ook kunnen weergeven met: genadesmekingen, verzuchtingen, jammerklachten. De Heere schenkt zondaren genade en tegelijkertijd werkt Hij het smeken om genade in uw hart. Er voltrekt zich in uw ziel een heilige wisselwerking. De Heilige Geest wekt de begeerte naar genade op in uw hart door u te overtuigen van zonden, waardoor u gaat smeken om die genade!

De Heere verhoort dat gebed om Jezus’ wil, en de verhoring laat u proeven en smaken wat genade is. Dan mogen we ervaren dat de Geest ons hart neigt tot aanhoudend gebed, dat Hij woorden geeft om te bidden, dat Hij u bijstaat te volharden in het gebed.

Genade en gebed behoren onlosmakelijk bij elkaar. Daarom lezen we in de Institutie van Calvijn, dat het gebed ‘de ademtocht van het nieuwe leven’ is. En bij Matthew Henry trof ik deze uitspraak aan: ‘Het is even gemakkelijk om een levend mens te vinden zonder ademhaling (let wel: een levend mens zonder ademhaling) als een kind van God zonder gebed.’

Van dat gebed van Gods Kerk zingen we nu met Psalm 123 vers 1 en 2:

 

Ik hef tot U, Die in de hemel zit,

Mijn ogen op, en bid;

Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren,

Om nooddruft te begeren,

En ‘t oog der maagd is op haar vrouw geslagen,

Om hulp of gunst te vragen;

Zo slaan wij ‘t oog op onze Heer’, tot Hij

Ook ons genadig zij.

 

Geef ons genâ, geef ons genâ, o Heer’,

En red ons tot Uw eer;

Wij zijn reeds moe van al de schamp’re woorden,

Die wij van smaders hoorden;

Ons treurig hart is moe van al het spotten,

En ‘t honend samenrotten

Der hovaardij, die need’rigen veracht,

En weelderig belacht.

 

Gemeente, we mogen ons zeker wel de gewoonte eigen maken om op bepaalde vaste tijden een gebed te doen. Daniël is ons daarin voorgegaan. Maar roepen we de Heere dan ook aan met ons hele hart?

Paulus ontving gebedsonderwijs van Gamaliël, een beroemde farizeïsche leraar. De kinderen kennen dat verhaal ook wel. Vele malen stond Saulus als farizeeër langs de kant van de weg, bij voorkeur op de hoek van de straat, om door de mensen gezien te worden als hij bad. Maar dat was nog geen bewijs dat de Heilige Geest in die man werkte. Dan werpt God hem neer, vlakbij Damascus, in een hemels licht. Hij valt op de grond en hij kan niet anders meer zeggen dan: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand. 9:6). Hij wordt het huis van Judas binnengeleid, in de straat genaamd ‘De Rechte’. En daar, daar wordt hij aangeraakt door de Geest der genade en der gebeden. Dan getuigt de Heere van hem: Want zie, hij bidt (Hand. 9:11). Die man die zoveel uren had gebeden, bidt nu in werkelijkheid!

 

Hoe is dat met ons? Hoe bidden wij? Als Saulus vóór zijn bekering? Zeggen de mensen wellicht van u: ‘Wat een gebedsgaven heeft die man, en wat een woordenschat heeft die vrouw’?

Maar is er geen nood in ons binnenste? Het is Pinksteren geweest, de belofte is vervuld. Vraag toch om de werking van de Heilig Geest, die ook godsdienstige mensen laat bidden met hun hele hart.

‘Ja’, zegt u , ‘maar dat is toch wat? Kunnen u en ik echt niet bidden zonder de Geest der gebeden?’

Mag ik eens een tegenvraag stellen? Kan een molen draaien zonder wind? Wat denkt u? Kan een surfer op de Reeuwijkse plassen vooruitkomen of de Friese meren oversteken bij windstilte? Wat denkt u?

Niemand kan in waarheid bidden uit zichzelf. Maar als u door de Heilige Geest zaligmakend wordt aangeraakt, dan wordt opnieuw een hartelijk smeekgebed geboren.

 

Uit diepten van ellenden,

Roep ik, met mond en hart,

Tot U, Die heil kunt zenden;

O Heer’, aanschouw mijn smart;

Wil naar mijn smeekstem horen;

Merk op mijn jammerklacht;

Verleen mij gunstig’ oren,

Daar ’k in mijn druk versmacht.

 

Door de werking van die lieve Geest, smeekt de mens om genade en geen recht. Door de werking van de Heilige Geest bidt u om licht in de duisternis van een totaal verzondigd leven. U vraagt om behoudenis omdat u de eeuwige dood hebt verdiend. Zonder de leiding van de Pinkstergeest komt niemand tot het tollenaarsgebed: O God, wees mij zondaar genadig! (Luk. 18:13).

Gods volk is en blijft in het gebed zo geheel afhankelijk van de bediening des Geestes. Daarom zegt Paulus in Romeinen 8 dat wij niet weten wat we bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest bidt in ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.

Hoe ligt dat bij u? Is uw gebedsleven zo verflauwd? Hebt u wel een gebedsleven gekend, maar is nu alles als een dorre woestijn?

Erken uw eigen machteloosheid om te bidden voor Gods aangezicht en vraag om de werking van de Heilige Geest. Slechte vaders geven hun kinderen nog mooie cadeautjes; dat was in de tijd van het Nieuwe Testament zo en dat is vandaag nog zo. Hoeveel temeer zal de Vader de Heilige Geest geven degenen die Hem bidden.

Gemeente, geef nauwkeurig acht, ik herhaal, geef nauwkeurig acht op elke innerlijke aansporing van de Geest der gebeden om de Heere in het gebed te zoeken. Geef nauwkeurig acht op elke aansporing in het binnenste om het Woord te openen en te vragen dat Woord voor eigen hart te mogen verstaan.

 

Misschien zegt iemand: ‘Maar heb ik wel door Gods Geest leren bidden?’

Dan weet u wat het is om de nood van uw hart voor de Heere uit te storten. Dan vind je jezelf terug in Psalm 25: Om Uws Naams wil, Heere, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot. Dat is de vrucht van de Pinkstergeest. Wend U tot mij en zijt mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. Laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U. Is deze legering van Psalm 25 de legering van uw hart? Schep dan moed; het is zeker dat Hij een goed werk in u is begonnen; want alleen de Heilige Geest leert bidden: ‘Wend u tot mij en wees mij genadig!’

Wat zegt u? Zondert u zich nooit af om God in het verborgen te bidden? Kunt u niet eens vertellen hoe uw binnenkamer er uitziet omdat u er eigenlijk nooit komt? Zegt u volstrekt plichtmatig uw gebeden op? Of is het nog erger met jou? Is het nog erger met u? Doen we aan tafel alleen maar onze ogen dicht voor de vorm?

Jonge mensen, schiet je ‘s avonds onder de dekens zonder een gebed te doen? Ben je alleen bezig met de dingen van het hier en nu? Je werk, je verkering, en niet te vergeten het verzenden van selfies en de tijd die je besteedt aan gamen? Ben je bezig met je rijbewijs, ben je constant bezig met de vraag hoe je een autootje kunt aanschaffen? Gaat het in je jonge leven vooral om het hebben van grote vakanties?

Als die en andere dingen je leven beheersen, als je daarmee opstaat en naar bed gaat, dan is het zeker dat God jou in Lukas 12 vers 20 bij je naam noemt: Gij dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?

Gemeente, wie niet bidt is onbekeerd. Wie niet bidt staat aan de rand van de ondergang. Bedenk toch dat de Heere door de middelen werkt. Onttrek u toch nooit aan de plicht om te bidden om de Heilige Geest. Bidt, en u zal gegeven worden (Matth. 7:7). Die plicht legt de Heere de hele Bijbel door op u. Zoekt denHeere, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is (Jes. 55:6).

 

Het is Pinksteren geweest, de belofte is vervuld. De verhoogde Christus heeft Zijn Geest uitgestort om wereldwijd weigerachtige bidders te leren bidden. Zo doet God, zo is de Heere. Zijn werk is onweerstaanbaar in oude en jonge harten. Als Hij komt, dan brengt Hij alles mee. Als Hij komt, dan lever je al je wapens in.

Zijn werkingen worden ook vandaag ervaren. Het werk van de Pinkstergeest wordt opgemerkt in het leven van jonge mensen en van ouderen. Hij wil gebruik maken van uw gebed. En als Hij met Zijn lieve Geest in dat gebed meekomt, verbreekt je hart eronder. Dan verandert uw plichtmatig vragen in smeken: ‘Heere, bekeer mij zoals Gij al Uw volk bekeert!’ Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? (Ps. 130:3). Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde (Ps. 51:2). Dan bidt u zonder dat u het beseft om de Geest door de Geest!

Zodra u iets gaat opmerken van de werking van de Heilige Geest gaat u bidden om een vermeerdering daarvan. Het is de Geest Die het oog ontsluit voor Christus, van Wie onze tekst zo dierbaar spreekt: En zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Hier leidt de tekst ons tot de derde en laatste gedachte:

 

3. Gelovige aanschouwing

 

Wie wordt hier bedoeld? Niemand anders dan de Man van smarten Die getekend wordt in Jesaja 53.

Wie hebben de Heere Jezus zo doorstoken met een speer of een spies?

Het antwoord vinden we in Johannes 19 vers 34 en 37. Er was op de kruisheuvel Golgotha een soldaat die de zijde van Christus met zijn lans doorboorde en terstond kwam er bloed en water uit. Dat was een betrouwbaar teken dat de dood was ingetreden. Dan haalt Johannes de evangelist déze profetie aan: En wederom zegt een andere Schrift: Zij zullen zien in Welken zij gestoken hebben (Joh. 19:37).

Johannes spreekt in het meervoud: Zij zullen zien… Zacharia gebruikt het enkelvoud. Waarom?

Die ene speerstoot staat voor de hele kruisiging. Wat die enkele soldaat gedaan heeft moet het hele Joodse volk worden toegeschreven, omdat het Pilatus heeft gedwongen Christus te doden.

Petrus zegt dan ook op de Pinksterdag tegen het samengestroomde menigte van de Joden: Dezen, door de bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood (Hand. 2:23).

 

Gemeente, die tekst is vervuld. De Joden op het tempelplein in Jeruzalem hebben mogen delen in de uitstorting van de Geest der genade en der gebeden. Hun ogen zijn verlicht geworden. De profetie: En zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, is vervuld.

Heel opvallend is dat Zacharia hier hetzelfde woord gebruikt als Mozes in Numeri 21 voor het zien op de koperen slang. Door het geloof aanschouwen betekent hier niet even oppervlakkig je ogen ergens over laten dwalen. Het heeft niets te maken met even vluchtig naar iets kijken. Het gaat bij dit aanschouwen om een blik vol aandacht, vol hoop, vol vertrouwen. Anders gezegd: aanschouwen betekent hier het gelovig zien op Christus, gewerkt door de Heilige Geest.

De tekst, gelezen in het verband van het hoofdstuk, en in het verband van Handelingen 2, geeft aan dat het zien van Christus tweeërlei uitwerking heeft. De dierbare Geest ontdekt ons aan onze persoonlijke zonden en Hij maakt plaats voor Christus.

Van deze gezegende Zaligmaker zingen wij eerst met Psalm 45 vers 1:

 

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,

Zal ‘t schoonste lied van enen Koning zingen;

Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft,

Is z’ als de pen van een die vaardig schrijft.

Beminlijk Vorst, Uw schoonheid, hoog te loven,

Gaat al het schoon der mensen ver te boven;

Genâ is op Uw lippen uitgestort,

Dies G’ eeuwiglijk van God gezegend wordt.

 

Het is Pinksteren geweest, de belofte is vervuld. De Joden beginnen op de Pinksterdag te verstaan wat zij gedaan hebben. In Handelingen 2 vers 37 lezen we hoe zij de verwerping van de Messias in hun persoonlijke leven met diep verdriet hebben beleden: Als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? (Hand. 2:37). Zij zijn immers Christusmoordenaars! Hun droefheid over hun zonden is groot en op het tempelplein in Jeruzalem is nu ook de tweede helft van onze tekst in vervulling gegaan: En zij zullen over Hem rouwklagen als met de rouwklage over een enige zoon. De zaligmakende overtuiging werkt altijd een hartelijke droefheid over de zonde en leidt altijd tot Christus heen.

 

Wie hebben de Heere Jezus doorstoken?

Als wij blijven stilstaan bij de vijandschap van de Joden en de blindheid van de heidenen, ontbreekt ons de zaligmakende ontdekking. Ook wij, ook u, ook ik… Wij, wij hebben Christus aan het kruis geslagen en doorstoken. Dat hebben wij gedaan met onze zonden, met onze erfzonde, en in het bijzonder met de zonde van het ongeloof.

Gemeente, ongeloof is toch zo’n gruwelijk kwaad! Ongeloof houdt God, de Allerheiligste, de onkreukbaar Rechtvaardige, verdacht in Zijn liefde, trouw en macht! Door dat ongeloof weigeren wij eenvoudig met ons verloren bestaan tot Christus te vluchten. Door dat ongeloof durven we het in onze goddeloosheid aan om vraagtekens te plaatsen bij de belofte van het Evangelie; de belofte die samengevat wordt in de Dordtse Leerregels: ‘Dat een iegelijk die in de gekruisigde Christus gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven zal hebben!’

Maar hoe vaak moet een kind van God, na ontvangen genade, zich niet beschuldigen en zich schamen in verband met het ongeloof? Hoe vaak heeft de Heere het ongeloof in de harten van Zijn discipelen niet moeten bestraffen! Als de Pinkstergeest daar het licht op werpt, dan hebben niet de Romeinen de Heere Jezus doorstoken, niet de Joden hebben het dan gedaan, maar dan hebben u en ik het gedaan!

 

En zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Kreeg u de schuldbrief thuisbezorgd? Bent u een overtreder van al Gods geboden? Hebt u met uw zonden Zijn zijde doorstoken? Komt de vloek van de wet op u aan? Bent u het niet waard dat de Heere nog naar u zal omzien? De Geest van Pinksteren is ook uitgestort om verslagen zondaren te onderwijzen in dat dierbare geheim van het zalig worden door een Ander!

 

En zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Er is ook een aanschouwen van de doorboorde Immanuël, waarbij onze ogen geopend worden voor de grote, grote liefde waarmee Hij een arm zondaarsvolk heeft liefgehad. Al de verschrikkingen van de rampzaligheid, die zij verdiend hebben, heeft Hij toegelaten in Zijn reine ziel en in Zijn lichaam. En als u die doorstoken Middelaar door het geloof mag aanschouwen, roept Hij u toe: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’ Wat wordt zalig worden in een Ander dan ruim! Dan legt de Pinkstergeest de nodiging van het Evangelie aan het hart. Dan gaat onze ziel naar Hem uit vanwege Zijn spreken.

Is het al eens gebeurd dat uw ziel naar Christus uitging vanwege de dierbaarheid van Zijn onderwijs? Want de Pinkstergeest schrijft de belofte van het Evangelie op de wanden van het hart. Dan mag u zich met een heilbegerig hart wenden tot die doorstoken Borg. Dat is aanschouwen met toe-eigening: niet alleen voor anderen, maar ook voor mij!

 

Gemeente, de bekering van de Joden is aanvankelijk vervuld op de Pinksterdag in Jeruzalem. De Heilige Geest werd uitgestort op het huis van David en op de inwoners van Jeruzalem. Drieduizend joden kwamen er tot bekering en ze werden gevolgd, zegt Handelingen 4 vers 4, door vijfduizend anderen en door een grote schare priesters die het geloof gehoorzaam geworden zijn.

In Handelingen 21 vers 20 lezen we dat de ene apostel tegen de andere apostel zegt: Gij ziet, broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn die geloven. Er loopt een lijn van Zacharia 12 naar Romeinen 11: Als de volheid der heidenen zal zijn ingegaan, zal gans Israël zalig worden. Wat zal het toch groot zijn om dat mee te maken! Wat zal dat een heerlijke tijd zijn, als het werk der genade de harten van de zonen van Abraham, Izak en Jakob zal bezetten. Wat zal het een voorrecht zijn voor Gods kinderen om daar getuige van te zijn. Wat zal dat een wereldwijde verwondering geven!

 

‘U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op u staren!’ O, hier alleen maakt het aanschouwen van de Borg ons vrij van de vloek der wet. Dat aanschouwen van de Borg geeft de ervaring van de persoonlijke verzoening met God. Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest (Rom. 8:1). Kom, bid toch om de bediening van de Pinkstergeest, opdat u mag opwassen in de kennis van Christus. Bid om de bekering van Israël!

Vraag op deze Pinksterdag in het bijzonder om de bekering van de heidenen. Vraag om de bekering van zoveel onbekeerden in het midden van ons. Zalig is de man, de vrouw, de jongen, het meisje, de familie, die delen mag in de bediening van de Pinkstergeest. Zalig is de gemeente, zalig is dat land, dat volk, dat onder die bediening mag verkeren!

De Heilige Geest is uitgestort op alle vlees. Daarom worden oude en jonge zondaren, grijze en jonge mensen en wie in de kracht van hun leven staan, nog vriendelijk en hartelijk, ernstig en welmenend, genodigd tot de zaligheid!

Die weg staat voor u nog open. Hoor maar: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit Zijn buik vloeien (Joh. 7:37-38).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 130: 3 en 4

 

Ik blijf de Heer’ verwachten;

Mijn ziel wacht ongestoord;

Ik hoop, in al mijn klachten,

Op Zijn onfeilbaar woord.

Mijn ziel, vol angst en zorgen,

Wacht sterker op de Heer’,

Dan wachters op de morgen;

De morgen, ach, wanneer?

 

Hoopt op de Heer’, gij vromen;

Is Israël in nood,

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot;

Hij maakt, op hun gebeden,

Gans Israël eens vrij

Van ongerechtigheden;

Zo doe Hij ook aan mij!