Ds. M. Golverdingen - Markus 10 : 32 - 34

De opgang van Christus naar Jeruzalem

Markus 10
De weg die Hij gaat
De indruk die Hij maakt
De lijdensaankondiging die Hij uitspreekt

Markus 10 : 32 - 34

Markus 10
32
En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden;
33
Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem den heidenen overleveren;
34
En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 27: 3, 7
Lezen : Markus 10: 32-52
Zingen : Psalm 118: 10, 12, 13
Zingen : Psalm 71: 11, 14
Zingen : Psalm 79: 4, 7
Zingen : Psalm 89: 2, 9

Gemeente, er wordt wat afgereisd door de moderne mens! Als u wilt kunt u midden in de winter een vliegticket bestellen voor uw vakantie in de zomermaanden. Anders gezegd, de globalisatie grijpt om zich heen. De verste uithoeken van onze aardbol, van onze globe, zijn nu in beginsel voor iedereen toegankelijk.

Maar niet iedereen maakt van die mogelijkheden gebruik. Niet iedereen wil daarvoor zijn spaargeld inzetten. Niet iedereen wil daarvoor zijn tijd reserveren. Maar al gaan we de komende zomer, bij leven en bij welzijn, niet naar verre bestemmingen, een vergelijking dringt zich op. Ons leven is een reis. We maken allemaal dezelfde tocht, de reis van wieg naar graf. Die weg kan voor de een gemakkelijk zijn en voor de ander buitengewoon moeilijk. Maar het begin- en het eindpunt van ieders reis zijn dezelfde!

Geboren worden is het beginpunt en sterven is het eindpunt van ons aardse bestaan. Wij zijn immers gevallen mensen die onszelf door die rampzalige zondeval aan de dood hebben onderworpen. Wij zijn machteloze, vijandige slaven van de satan en van de zonde geworden.

 

De apostel heeft ons portret vlijmscherp  getekend in de Romeinenbrief: Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet. En die in het vlees zijn kunnen Gode niet behagen (Rom. 8:7-8).

 

Gemeente, daar hebt u onze positie. Wij zijn vijandig. Wij zijn onmachtig en onwillig. Wij zijn buitenstaanders die buiten Gods gemeenschap leven. Maar God heeft in Zijn genadig welbehagen Zijn Zoon gegeven om zondaren te herstellen in Zijn gemeenschap. En de Zoon Zelf heeft in zijn menselijke natuur daarvan getuigd: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16).

De Heere Jezus Christus is gekomen om op deze aarde als Borg de weg van ons, mensen, te gaan. Hij is begonnen waar wij allemaal begonnen zijn, in de moederschoot. En Zijn weg door dit leven begon in de kribbe van Bethlehem en die weg zal eindigen aan het kruis van Golgotha.

 

Op dat laatste deel van Zijn leven vestigt Markus onze aandacht in het u voorgelezen Schriftgedeelte, waarvan we samen met Gods hulp overdenken Markus 10 vers 32 tot en met 34:

 

En zij waren op de weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging vóór hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende waren zij bevreesd. En de twaalve wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen die Hem overkomen zouden;

Zeggende: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal de overpriesters en de schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem de heidenen overleveren;

En zij zullen Hem bespotten en Hem geselen en Hem bespuwen en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.

 

Gemeente, dit Bijbelgedeelte bepaalt ons bij: De opgang van Christus naar Jeruzalem.

 

We letten op drie gedachten:

1. De weg die Hij gaat. En zij waren op de weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging vóór hen.

2. De indruk die Hij maakt. En zij waren verbaasd, en Hem volgende waren zij bevreesd.

3. De lijdensaankondiging die Hij uitspreekt. Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal de overpriesters en de schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem de heidenen overleveren; en zij zullen Hem bespotten en Hem geselen en Hem bespuwen en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.

 

1. De weg die Hij gaat

 

Gemeente, Markus tekent ons in het verband van dit Bijbelgedeelte een reisgezelschap. De schrijver laat ons in de samenhang van de tekst zien hoe de Heere Jezus met Zijn discipelen terugkeert uit het Overjordaanse, uit Perea, om via Jericho naar Jeruzalem te gaan.

Vers 32 begint daarmee: En zij waren op de weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging vóór hen. In vers 33 komt de uitdrukking ‘gaande op naar Jeruzalem’ nog een keer voor. Tweemaal worden we daar op gewezen.

Jeruzalem lag aanzienlijk hoger dan de Middellandse Zee. Het gaat om een hoogteverschil van een paar honderd meter. Van welke kant de reiziger Jeruzalem ook naderde, de weg klom altijd. Je voelde het altijd in je benen.

‘Opgaan naar Jeruzalem’ is een vaststaande uitdrukking die zeven keer in het Nieuwe Testament voorkomt en die voor zichzelf spreekt. Maar het is ook een uitdrukking met een godsdienstige betekenis. Deze uitdrukking heeft niet alleen te maken met de gang van je voeten, maar ook met de gang van je hart. In Jeruzalem stond immers de tempel des Heeren. Daar werd de dienst der verzoening onderhouden. Daar leidde de Heilige Geest ook in het oude verbond zondaren heen van de ceremoniën, tot Hem Die komen zou: de Borg en Zaligmaker Jezus Christus.

Dan begon het in het hart van die tempelgangers te zingen: Welgelukzalig zijn zij die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. (…) in welker hart de gebaande wegen zijn (Ps. 84:5-6).

Alles in de tempel, elke dag opnieuw, sprak de taal der verwachting. Dat gold voor de vele offerdieren, die dagelijks werden binnengebracht om geslacht te worden. Dat gold ook voor de honderden en duizenden paaslammeren, die ter gelegenheid van het komende Pascha, Jeruzalem zouden worden binnengedreven en die zouden worden geslacht, als het Paasfeest naderde.

Heel die offerdienst, al die inzettingen riepen om Christus, de vervulling van de wet. En de Heere omringde in Zijn goedertierenheid Zijn volk in Zijn bedehuis met vrolijke gezangen van bevrijding.

 

Welnu, gemeente, naar deze tempel is de Heere Jezus Christus op weg. Dat heeft de Heere al meer met Zijn discipelen gedaan. Dit keer, en dat is opvallend, vestigt de evangelist daarop onze bijzondere aandacht. Het is immers heel opmerkelijk hoe vers 32 begint: En zij waren op de weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging vóór hen.

Het is of Markus onderstreept dat het de goede weg is die zij onder de leiding van de Heere Jezus zijn ingeslagen. Voor Christus is er op dit moment geen andere weg op aarde dan deze weg. De tijd om als Borg te lijden en te sterven spitst zich toe. Hij leest die tijd af over hetgeen over Hem geschreven is in de boeken van het Oude Testament en de Heilige Geest onderwijst de Heere Jezus daaruit in de weg der gehoorzaamheid.

Hij is volkomen gewillig om de wil van Zijn Vader te doen. Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1:29).

 

En Jezus ging vóór hen. Opmerkingswaardige woorden, gemeente. Als de Goede Herder neemt Hij de leiding, Hij gaat voorop! Hij loopt met een vastberaden stap voorop. Zijn gang is die van de zeer gewillige Borg, Die gekomen is om de schuld en zonde van Zijn Kerk te betalen. De Goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen. Dat zegt Hij tot tweemaal toe in Johannes 10.

Hij baant voor Zijn Kerk de weg. Hij gaat voorop! Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen en heb macht hetzelve wederom te nemen (Joh. 10:17-18).

 

En dan lezen we in het vervolg van vers 32: En zij waren verbaasd, en Hem volgende waren zij bevreesd.

Dat brengt ons bij de tweede gedachte:

 

2. De indruk die Hij maakt

 

De twaalf discipelen die de Heere Jezus volgen zijn verbaasd. Die verbazing roept de Heere op door Zijn standvastige, onwrikbare houding. Er moet iets geweest zijn in het gedrag van de Heere Jezus dat deze verbazing mede verklaart. De blik in Zijn ogen bijvoorbeeld. De manier van lopen, de besliste wijze van spreken. En even nadat Markus melding gemaakt heeft van de verbaasdheid van de twaalven laat hij volgen dat zij bevreesd waren. Immers, we lezen in vers 32: En Hem volgende waren zij bevreesd.

Als we op de Bijbelse gegevens letten in de omgeving van deze tekst, dan laat zich die vrees heel goed verstaan. Hadden de Joden geen besluit genomen dat iedereen die beleed dat Jezus is de Christus, uit de synagoge geworpen zou worden? Dat betekende wat! Dat betekende dat je geestelijk en maatschappelijk werd uitgestoten uit de samenleving. Hadden de Joden onlangs niet geprobeerd om Hem te stenigen? We lezen dat in Johannes 11 vers 8.

En had het Sanhedrin, de Joodse raad , geen opdracht gegeven om de verblijfplaats van Jezus zo spoedig mogelijk bekend te maken opdat ze Hem konden arresteren? En had de hogepriester Kajafas tenslotte niet zelf de knoop doorgehakt in de geheime vergadering van het Sanhedrin?

Daar had hij Christus aangewezen als een onschuldig Paaslam dat sterven moest. Kajafas had als voorzitter van de Joodse raad dat college toegesnauwd: En gij overlegt niet dat het ons nut is, dat één Mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga (Joh. 11:50). Welke mens moest er sterven? Dé Mens, Jezus Christus. Het Lam van God! Hij is het grote Paaslam, dat de Vader Zelf daarvoor heeft afgezonderd en dat in de volheid van de tijd als Borg de weg van kribbe naar kruis is gegaan.

 

Op de begrippen verbaasd zijn en bevreesd zijn komen we nog terug. Ze zijn niet onbelangrijk, maar ze worden hier volledig overheerst door de reikwijdte van het woord uit vers 32: En Jezus ging vóór hen. Dat zijn woorden vol heilsbetekenis. Jezus Christus was het ware Paaslam, dat kwam om de schuld te verzoenen voor de gehele Kerk van alle tijden en plaatsen.

 

Gemeente, hoe staan we tegenover Hem? U bent, in de meeste gevallen, lid van de christelijke gemeente alhier. Jongelui, hoe staan we tegenover Hem? Jullie zijn, in de meeste gevallen, dooplid van de christelijke gemeente alhier. Zeg nu eens, welke betekenis Jezus Christus, hét Paaslam, voor u persoonlijk heeft! Zeg nu eens of Hij voor u al de Schoonste der mensenkinderen is geworden? Of zeggen de lijdenweken die nu begonnen zijn u maar heel erg weinig? Vraagt u zich misschien wel af: Wat moet ik eigenlijk met een Lam doen? Maar dat roept een andere, zeer indringende vraag op: Hebt u nooit uw schuld die wij hebben, bij God onder ogen gekregen? Heb u nog nooit opgemerkt dat u een machteloze slaaf van de zonde bent, die zichzelf niet kan verlossen?

Roep toch tot de Heere om ontdekking, smeek Hem om de gave van het oprechte geloof. U moet wederom geboren worden. Wedergeboorte en geloof gaan altijd samen. Dat zijn twee zijden van dezelfde zaak. Zijn uw ogen reeds geopend voor uw zonden en uw schuld? Veroordeelt de heilige wet u als een overtreder van al Gods geboden? Is uw schuld zo groot?

U wordt heden als een grote zondaar genodigd om de bruiloftszaal van het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan. Want Hij deelt in Zijn vrijmachtige genade nog door Woord en Geest, bruiloftsklederen uit!

U zoekt een lam ter betaling van uw schuld? U zoekt een onbestraffelijk en onbevlekt offerlam? Dat Lam is er! Dat is opgegaan naar Jeruzalem. Dat Lam heeft daar Zijn leven gegeven voor de schapen. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen (Jes. 53:5-6).

 

Hoe is het? Hebt u uw schuld gezien? En staat die schuld helemaal open? Zoekt u het nu bij het Lam? Zoekt u dat enige Offerlam, dat op Golgotha Zijn leven heeft gegeven voor de schapen? Zijn Naam is één voortdurende prediking. Jezus, Redder, Zaligmaker, Verlosser, Behouder, Goël, Immanuel, Zondevernieler. Zijn Naam zegt Wie Hij is en wat Hij doet. Jezus – Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.

Hoe is het toch gekomen dat u het Lam bent gaan zoeken? Hoe kwam dat? Gebeurde het niet toen de Heilige Geest al het uwe aan de kant schoof? Uw godsdienst, uw rechtzinnigheid, uw vroomheid. Hij maakte plaats voor Christus in uw hart, daarom bent u Hem gaan zoeken.

U kon met al uw tranen en uw tere gestalte en de uitreddingen die u op uw levensweg hebt ondervonden, niet voor God bestaan. Het was tekort, het was voor een eeuwigheid tekort. U zag het, u kon uw schuld bij God niet betalen. En als er dan in die situatie licht valt op de schuldovernemende en schuldwegdragende Borg, dan maakt zich een blijdschap meester van het hart, die alle verstand te boven gaat.

Dan zeggen we met Psalm 71: Ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen (Ps. 71:16). Daar zingen we eerst van, met Psalm 71 vers 11 en vers 14:

 

Ik zal blijmoedig henentreden,

In ’s Heeren mogendheid.

Mijn hart is uitgebreid,

O Heer’, om Uw gerechtigheden,

Ja, die alleen, te prijzen

Op aangename wijzen.

 

Ik roem, o eeuwig Alvermogen,

’k Roem Uw gerechtigheid,

Die zoveel glans verspreidt,

Zo heerlijk schittert uit den hoge.

O Heer’ der legerscharen,

Wie kan U evenaren?

 

Gemeente, het brede verband van de tekst spreekt over de nadering van het Paasfeest in Jeruzalem. Het volk is op reis, het gaat naar de hoofdstad om de inzettingen des Heeren te gedenken. Dan gaat het niet alleen om volwassenen, maar ook om kinderen. We lezen in de Bijbel dat de twaalfjarige Jezus opging naar de tempel. De Heere gaat op naar Jeruzalem.

Hij gaat, jongens en meisjes, ook op omdat Hij ook wil lijden en sterven voor kinderen. Hij is zo bereidwillig om kinderen met een boos hart te ontvangen. Heb je al gevoeld hoe vuil jouw hart is? Heb je het al gezien? Heb je gezien dat het vuil is van de lelijke woorden die jij spreekt? Heb je gezien dat het vuil is van de ongehoorzaamheid tegenover je vader en je moeder, tegenover de leraar of de lerares op school? Heb je al gezien hoe vuil het is omdat je oneerbiedig doet aan tafel of in de kerk?

Het is zo vuil omdat jij de Heere almaar laat roepen. Hij roept je tot bekering en jij bekeert je niet! Maar dat boze, onwillige, vijandige hart van jou moet gewassen worden in het bloed van dat Lam, van de Heere Jezus, dat Hij aan het kruis heeft gestort.

Als je met dat bloed van Christus besprengd wordt, jongelui, dan krijg je op dat moment een nieuw hart. Dat verandert je van binnen. Je krijgt een nieuwe gezindheid, nieuwe verlangens, je krijgt nieuwe begeerten die je vroeger niet kende. Dan krijg je de Heere lief. Je krijgt een hekel aan de zonde omdat je de Heere verdriet hebt gedaan.

Kom, jongens en meisjes, zoek de Heere terwijl Hij te vinden is! Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1:29). Zie, het Lam Gods, Dat de zonden van kinderen wegneemt!

 

In dit verband, gemeente, herlezen we vers 32 en letten we op het meervoud: En zij waren op de weg, gaande op naar Jeruzalem. Dat komt nog een keer terug in vers 33 waar de Heere Jezus zegt: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem. Het is voor iedereen duidelijk wie er met dat meervoud ‘wij’ wordt bedoeld. Het gaat hier om de Heere Jezus én Zijn discipelen.

Laat het woordje ‘volgende’ u dan niet ontgaan! En Hem volgende waren zij bevreesd.

 

Volk des Heeren, u stelt de schuchtere, schroomvallige vraag: Betekent dat nu dat Zijn discipelen in onze tijd dezelfde weg naar Jeruzalem moeten gaan als Hij gegaan is? Gemeente, niet om de zaligheid te verdienen, dat heeft de Borg op Golgotha gedaan, Hij heeft een volkomen gerechtigheid aangebracht. Er behoeft van u en mij niets bij, er kan ook niets bij. Want die lieve Borg heeft Zichzelf zo gebogen onder de toorn van God over de zonden, dat Hij op Golgotha kon uitroepen: Het is volbracht (Joh. 19:30).

Verzoening is tot stand gebracht, het werk der genade is bewerkstelligd door het offer van Christus Jezus. Daarvan heeft Johannes getuigd: En het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Joh. 1:7).

Met Christus opgaan naar Jeruzalem. Dat gebeurt vandaag nog in deze zin dat de Heere de Zijnen in een geestelijke zin de dood in leidt. Met Hem moeten ze sterven en met Hem zullen  ze opstaan tot een nieuw leven. Het doopsformulier zegt het kort, zakelijk en zeer treffend: de oude natuur moeten wij doden. En de oude apostel zegt het zeer indringend: Doodt dan uw leden die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst (Kol. 3:5).

Dat doden van onze oude natuur valt ons van nature zo zwaar. Dat is een onmogelijkheid. Daar hebben wij geen krachten voor. Ons vlees wil wel zalig worden, natuurlijk wel, maar op onze eigen manier. We willen wel behouden wat wij hebben. Wij willen niet als een goddeloze gerechtvaardigd worden. Wij willen niet als een onheilige de gekruiste Christus nodig hebben tot heiligheid.

En toch kunnen we alleen zo, in een weg van afsterven, het Koninkrijk Gods ingaan tot het leven. Dan zijn er dagen in je leven, als de Heere overkomt, dat er zoveel licht op die dierbare Borg valt, dat u met Lodenstein zegt: ‘Heilige Jezus, heilig mij, opdat ik heilig moge zijn als Gij!’

Daarom leidt de Heere hier op aarde de Zijnen op de kruisweg achter Hem aan. Zo alleen leren we als een arme zondaar of zondares schuilen achter het alles rechtvaardigende, alles heiligende, alles reinigende bloed van het Lam.

 

Dat is geen gemakkelijke weg. Vandaar ook dat we lezen dat de discipelen verbaasd waren en dat ze bevreesd Christus hebben gevolgd. En Jezus ging vóór hen.

Verbazing is wat anders, gemeente, dan bewondering. In bewondering klinkt in de Bijbel de aanbidding door, maar in verbazing horen we andere gedachten meeklinken. Moet dan nu zo? Is er geen andere oplossing? Is er geen andere weg mogelijk? Hier laat het ongeloof zich horen.

 

Dat voorop gaan van Jezus heeft voor een moment de ziel van de discipelen getroffen. Markus heeft het niet voor niets opgetekend. De discipelen hadden immers in het algemeen zo weinig oog voor verzoening door volkomen voldoening. De Heere heeft Zijn discipelen niet mee in de lijdensweg die Hij gaat. Hij heeft Zijn discipelen niet mee in hun gang naar Jeruzalem. Hij moet immers iets gaan doen wat zij niet verstaan. Hij moet iets gaan doen wat zij niet goedkeuren. Hij moet iets gaan doen waarvoor zij bevreesd zijn.

Zo staat Hij in de hele lijdensweg alleen. Geheel alleen! Zo gaat Hij hen voor: En Jezus ging vóór hen. Alleen! Zo baant Hij de weg voor de Kerk tot het eeuwige leven. En Jezus ging voor hen, alleen! En niemand van de volken was met Hem.

 

Van de discipelen wordt ook in onze tekst gezegd dat ze bevreesd waren. We weten het allemaal, er is een vrees voor de dood. Wie kan er niet bang zijn om te sterven? Er is een vrees voor het oordeel. Er is een vrees voor God. Daarover spreekt de Bijbel als regel niet afkeurenswaardig, integendeel, maar die vrees is dan ook een heel andere dan de vrees uit onze tekst.

Hier zijn de discipelen bevreesd dat Jezus moet gaan lijden. En de weg waarin Jezus hen voorgaat kan voor hen ook wel eens lijden met zich meebrengen! Het woord ‘vrezen’ is hier doortrokken van afweer, van verzet. Ze wijzen de weg af die Jezus gaat en die Jezus moet gaan. Ze wijzen de weg af van de Borg Die de schuld van de Kerk betaald.

Het is een vrees die regelrecht ingaat tegen Gods raad, tegen Gods wil en die daarom zonde is.

 

Och, geliefden, wat zoeken Gods kinderen toch vaak het heil in een weg waar het niet te vinden is. Dan zoeken we overal, maar niet in die ene weg, waarin het wel en alleen te vinden is. Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh. 14:6).

Wat kunnen we bouwen op kennelijke verhoringen van onze gebeden. Wat kunnen we steunen op gevoelsontroeringen, tijdens een preek ontvangen. Wat kunnen we bouwen op het voeren van aangename gesprekken met Gods volk.

Zeker, laten we elkaar goed begrijpen, die dingen vergezellen het leven der genade, maar ze geven als zodanig geen rust aan je ziel. Rust, werkelijke rust, zekerheid is er alleen in de geloofseenheid met Christus. Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben (Joh. 8:12).

Die ene weg wordt in het Evangelie aangewezen; Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen (Mark. 10:45).

Daarom gaat hij hen voor, daarom baant Hij voor hen de weg, Hij is de Held bij Wie de Heere hulp besteld heeft. Daar waar Gods Kerk niet komen kan, gaat Hij. Daar waar Gods Kerk niet wil, gaat Hij. Daar waar de Kerk niet durft, gaat Hij.

 

Dat brengt ons bij een diep geheim, het geheim waarom de discipelen Hem in ongelovige verbazing en zondige vrees tóch volgen. Ze blijven Hem volgen ondanks hun vrees, ze blijven hem volgen ondanks hun verbazing. Waarom blijven ze Hem volgen? Waarom? Hij is hun kracht; de kracht van hunne kracht. Waarom blijven ze Hem volgen in hun ongelovige verbaasdheid, in hun zondige bevreesdheid? Waarom?

Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer. 31:3). Dat is het geheim van het leven van de Kerk. De Heere trekt Zijn volk uit de duisternis naar het licht! Hij blijft trekken, Hij laat niet varen het werk dat Zijn hand begon.

We zingen er eerst van, met Psalm 79, het vierde en het zevende vers:

 

Gedenk niet meer aan ’t kwaad dat wij bedreven;

Onz’ euveldaad word’ ons uit gunst vergeven!

Waak op, o God, en wil van verder lijden

Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.

Help ons, barmhartig Heer’,

Uw grote Naam ter eer;

Uw trouw koom’ ons te stade;

Verzoen de zware schuld,

Die ons met schrik vervult;

Bewijs ons eens genade.

 

Zo zullen wij, de schapen Uwer weiden,

In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,

En zingen van geslachten tot geslachten

Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinb’re krachten.

 

Gemeente, vers 33 en vers 34 van de tekst brengen ons bij de laatste gedachte:

 

3. De lijdensaankondiging die Hij uitspreekt

 

De Heere noemt Zich in vers 33 de Zoon de mensen. Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal de overpriesters en de schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem de heidenen overleveren; en zij zullen Hem bespotten en Hem geselen en Hem bespuwen en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.

De Heere Jezus noemt Zich hier de Zoon des mensen. Laten we die ouderwetse tweede naamval er maar uitlaten: de Zoon van de mens. Hij is de tweede Adam, Die gekomen is om te herstellen wat de eerste Adam heeft verwoest. Hij, God uit God, Licht uit Licht, heeft ons vlees aangenomen, het uwe en het mijne, uit de maagd Maria.

Zo diep heeft Hij Zich vernederd, om in onze natuur – een zwakke, broze, aan de dood onderworpen natuur – de zondeschuld van al de Zijnen te betalen. En nu staat Hij gereed om af te dalen in de diepste diepte van Zijn vernedering. Straks zal Hij Zijn reine ziel en lichaam openstellen voor al de tormenten van de hel, voor al de verschrikkingen van de rampzaligheid. En nu spreekt Hij openlijk uit dat Hij de Zoon van de mens is, Die volkomen bereid is om Zich plaatsbekledend door het zwaard van Gods gerechtigheid te laten treffen.

 

En de twaalve wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen die Hem overkomen zouden, zeggende: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem. Twee dingen moeten terloops onze aandacht hebben.

Het eerste is de duidelijkheid waarmee de Heere Jezus dikwijls een scheiding aanbrengt tussen de twaalven enerzijds, én de discipelenkring in ruimere zin en de schare als grote menigte anderzijds. De evangelisten maken daarvan niet minder dan tien keer melding.

Het tweede dat ons opvalt is dat Hij de twaalven uit de menigte roept. Hij neemt ze apart om ze nader te onderwijzen in de weg die leiden zal tot Zijn naderende einde. Zo neemt de Heere ook vandaag Zijn kinderen soms apart om hen een dieper inzicht te geven in de heilgeheimen van het zalig worden.

 

We lezen wat de Heere Jezus heeft gezegd: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem. Daaruit blijkt Zijn volle bereidwilligheid om als Borg de lijdens- en de stervensweg te betreden. Hij weet op elk punt wat er komt en Hij gaat toch op elk punt verder.

In de Paaszaal, in Gethsémané, voor Kajafas, bij Pilatus, voor Herodes, op Gabbatha waar Hij gegeseld wordt, en op Golgotha waar Hij gekruisigd wordt. Hij is overal volkomen gewillig om Zich voor de Zijnen in de dood te geven.

 

Hier wordt door Hem voor de derde keer gesproken over Zijn lijden. Het opvallende is dat deze lijdensaankondiging veel gedetailleerder is dan de eerste en de tweede. De eerste aankondiging vinden we in Markus 8 vers 31. Ze omvat maar één vers. De tweede aankondiging lezen we in Markus 9 vers 30 en 31, dat omvat twee verzen. Maar hier gaat de Heere Jezus heel gedetailleerd op Zijn lijdensweg in.

Markus noemt, als we goed kijken, niet minder dan zeven onderwerpen uit de opgang van de lijdende Borg naar Jeruzalem.

Het eerste is dat Hij zal overgeleverd worden in de handen van het Sanhedrin, de Joodse Raad.

Het tweede is dat Hij door het Sanhedrin ter dood veroordeeld zal worden.

Het derde is dat Hij zal worden overgeleverd in de handen van de heidenen. Dat wil zeggen: van Pontius Pilatus en van de soldaten.

Het vierde is dat ze Hem zullen bespotten, honen en bespuwen.

Het vijfde is dat Hij gegeseld zal worden op Gabbatha, als een voorbereiding op de kruisiging.

Het zesde is dat ze Hem zullen doden door middel van de kruisiging.

Het zevende is dat Hij op de derde dag uit de doden zal verrijzen en daarmee Zijn overwinning zal tonen op dood en hel en graf en duivel.

 

Hoe helder komt in de detaillering van Markus openbaar dat de Heere Jezus alle dingen weet. Hij ziet tot in kleine bijzonderheden wat Hij lijden moet. Hij weet hoe Hij sterven zal. Hoe maakt Hij Zich aan ons bekend als de hoogste Profeet en Leraar. Hij gaat de profeet Jesaja, die Zijn lijden in Jesaja 53 heeft voorzegd, ver te boven. Hij gaat de profeet David ver te boven, die Zijn lijden heeft getekend in Psalm 22 en Psalm 69.

Jongens en meisjes, kijk thuis in je Bijbel nog eens naar Jesaja 53. Zoek voor jezelf eens twee teksten op over het lijden van de Heere Jezus en lees ze dan aan je vader of moeder voor. Misschien weten zij er ook nog wat van te zeggen.

David en Jesaja, zij hebben Gods raad mogen verkondigen in een schaduwachtige inkleding. Maar Hij, onze hoogste Profeet en Leraar, heeft Gods raad tot in fijne details bekendgemaakt. Waarom heeft Hij dat gedaan? Omdat Hij voor de grootste der zondaren de weg der ontkoming wil zijn!

Toen Da Costa, de bekeerde Jood, dat zag, begon hij te zingen:

 

In het kruis zal ik eeuwig roemen

               en geen wet zal mij verdoemen.

Christus droeg de vloek voor mij,

Christus is voor mij gestorven,

heeft genâ voor mij verworven,

‘k ben van dood en zonden vrij!

 

En Jezus ging vóór hen. Hebt u dat al met heilige aandacht gelezen? Hebt u het al gezegd met uw mond en beleden met uw hart: Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden (Hebr. 7:26)?

Of moet u zeggen dat die belijdenis u geheel vreemd is? Moet u zeggen dat in uw leven elke uitgang van uw hart naar de Borg Jezus ontbreekt?

‘Och,’ zegt u, ‘het is waar, ik heb geen dorst naar Hem. Ik zit hier wel maar ik honger niet naar Hem. Zou Hij voor zo één als ik ben, zo’n onbetrokken kerkganger, zou Hij voor zo één onderwijs hebben?’

Ja, gemeente, voor zo één heeft Hij onderwijs, want het jaar van het welbehagen des Heeren is nog niet ten einde. Dat jaar van het welbehagen bevat ook het jaar waarin wij leven. Hij is juist voor zúlke zondaren, zo hard, zo onwillig, zo vijandig, zo onbetrokken, gekomen!

 

Daarom is Hij juist de discipelen voorgegaan naar Jeruzalem, om een volkomen gerechtigheid aan te brengen. Om ontdekkende genade te verheerlijken in geestelijk doden. Dat betuigt Hij u tot op de dag van heden met een plechtig dubbel ‘voorwaar’. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt en is nu, wanneer de doden (de geestelijk doden) zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven (Joh. 5:25).

 

En Jezus ging vóór hen.

Zie, wij gaan op naar Jeruzalem.

Die borgtochtelijke gangen sluiten de zaligheid in van al Gods kinderen van alle tijden. Hij deed immers nooit iets voor Zichzelf. Alles wat Hij deed, deed Hij voor Zijn volk. Iedere voetstap die Hij zette was borgtochtelijk bestemd voor Zijn volk. Hij baande voor hen de weg tot de troon der genade. Hij ging vóór hen.

 

Kinderen Gods, mocht u uw oog slaan op die eeuwige gewilligheid van die dierbare Borg, om een zondaar zoals u zalig te maken. Als u uw oog er op mocht slaan, dan hebt u met verwondering Psalm 40 gelezen: Toen zeide Ik: Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden Mijns ingewands (Ps. 40:8-9).

Toen werd u door het onderwijs uit de Schrift heengeleid naar Gods eeuwig welbehagen om zondaren zalig te maken in Christus. Toen bracht die lieve Heilige Geest u bij Efeze 1: aangezien in de Geliefde!

 

Toen begon u in te stemmen met het loflied op de genadige verkiezing. Toen werd het loflied in uw hart en in uw mond losgemaakt:

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Israëls God gegeven.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89: 2 en 9

 

Ik heb, dit was Uw taal, een vast verbond gemaakt

Met Mijnen gunsteling, die steeds Mijn oog bewaakt;

Ik heb aan Mijnen knecht, aan Mijnen uitverkoren’,

Aan David, in Mijn gunst, met enen eed gezworen:

‘Ik zal van kind tot kind, tot aan het eind der dagen,

Uw zaad bevestigen, en uwen rijkstroon schragen.’

 

Gij hebt weleer van hem die Gij geheiligd hadt,

Gezegd in een gezicht, dat zoveel troost bevat:

‘Ik heb bij enen held voor Isrel hulp beschoren,

Hem uit het volk verhoogd; hem had Ik uitverkoren.

’k Heb David, Mijnen knecht, Mijn gunsteling, gevonden,

En hem, met heil’ge zalf, aan Mij en ’t rijk verbonden.’