Ds. D.W. Tuinier - Zondag 51

Het gebed om schuldvergeving

De noodzaak van de schuldvergeving
De mogelijkheid van de schuldvergeving
De bereidheid tot schuldvergeving

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 6: 1, 2, 9
Lezen : Mattheüs 18: 21-35
Zingen : Geb. d. Heeren: 1, 6
Zingen : Psalm 32: 1
Zingen : Psalm 103: 6

Geliefden, u weet wat een parelketting is. De parels zitten aan elkaar vast. Als er één ontbreekt, is de ketting kapot. Soms zijn ze op een speciale manier geordend: van klein naar groot. Dan komt de ketting het mooiste uit. Zo is het ook bij het volmaakte gebed. De vijfde bede komt niet voor niets na het gebed om ons dagelijks brood. Het is een gebed voor elke dag. U bidt om vergeving van uw zonden. Ze is verbonden met de vierde bede door het woordje ‘en’.

Geef ons heden ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schulden... De vierde en vijfde bede horen bij elkaar. Iedere dag hebt u brood nodig, maar ook vergeving. Ook als u de Heere vreest, blijft dit gebed onmisbaar. U wordt nooit groot met uw bekering. U wordt er geen bezittend mens mee. Juist niet! Genade maakt klein en ootmoedig. Daarom groeit u nooit boven de vijfde bede uit: Vergeef ons onze schulden.

 

We lezen in Zondag 51  van de Heidelbergse Catechismus:

 

Vraag 126: Welke is de vijfde bede?

Antwoord: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Dat is: Wil ons, arme zondaren, al onze misdaden, en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds van Christus wil niet toerekenen, gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is onze naaste van harte te vergeven.

 

Zondag 51 bepaalt ons bij de vijfde bede van het volmaakte gebed: Het gebed om schuldvergeving.

 

Er zijn drie aandachtspunten:

1. De noodzaak van de schuldvergeving

2. De mogelijkheid van de schuldvergeving

3. De bereidheid tot schuldvergeving

 

1. De noodzaak van de schuldvergeving

 

Arme zondaren…

Zo noemt de catechismus Gods kinderen. Nee, u hoeft geen medelijden met hen te hebben, hoor; juist niet. Arm wil hier zeggen dat je door de zonde zo arm en ellendig bent, dat je zelf niets hebt om je schuld bij God te betalen. Want het gaat over schulden. Let op: meervoud. Iemand die schulden heeft, zit diep in de problemen. U bent te beklagen. De cijfers op je bankrekening kleuren rood. Dagelijks maakt u uw schuld groter. En u hebt geen eurocent om die af te betalen. Daarom: een arme zondaar.

Noodzakelijk is dat Gods Geest ons dit leert. Hoe méér onderwijs u van Hem ontvangt, des te armer u in uzelf bent. Begrijpt u dat? Verstaat u het? Want wij kunnen wel zéggen dat we een arme zondaar zijn, maar bent u het ook echt? Het betekent dat u bedelarm bent. U hebt schuld gemaakt. Veel schuld. En God is rechtvaardig. U moet betalen. U komt erachter dat u niets hebt om de schuld te voldoen. Daar begint het arme zondaarsleven. En dit duurt een leven lang.

Toch is dit een rijk leven. Waarom? Omdat er zo plaats komt voor vergeving. Niet voor één keer, maar steeds weer. Ja, dagelijks. Niet voor een bepaalde zonde, maar voor ál uw zonden. De vergeving van de zonden hoort bij het christelijke leven. Een christen leert leven van genade. Om Jezus’ wil. U buigt heel diep voor God en verstaat het gebed van de tollenaar: O God, wees mij zondaar genadig (Luk. 18:13). Genâ, o God, genâ…

 

U kunt het gebed om schuldvergeving alleen in waarheid bidden als u doorleeft dat u schuld hebt. Als u die niet beleeft, zult u die ook niet belijden voor Hem. Daarnaast weet u ook dat u zondig blijft. Nee, u ziet het niet als een gebrek in de mens. Zo van: ‘Het is nu eenmaal zo… Ik kan het toch ook niet helpen dat ik een zondaar ben? Het is niet anders.’ Nee, u leert, door het ontdekkende werk van de Heilige Geest, de zonde zien als schuld tegenover God. Zonde leidt tot schuld. Schuld moet gekend en doorleefd worden, voordat u die voor de Heere belijdt. In Psalm 51 belijdt David zo welgemeend, diep buigend voor de Heere:

 

Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed;

Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden;

Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden.

 

De man naar Gods hart belijdt de schuld van zijn leven. In dit geval is dat de zonde met Bathseba. Door de Heilige Geest zijn de woorden van de profeet Nathan zijn hart binnen gekomen en belijdt hij: ‘Ik heb gezondigd tegen de Heere.’ Hij buigt en bidt: Wees mij genadig, o God, naar Uw goedertierenheid (Ps. 51:3). Begrijpt u David? Bent u zo’n zondaar of zondares? Dan ziet u uit naar vergeving.

 

‘Al onze misdaden.’ Dat is nogal wat! ‘Wil ons, arme zondaren, al onze misdaden vergeven…’ Misdaden, dan denk ik aan misdadigers. Gods Woord, de Bijbel, is eerlijk. Het spaart de mens niet. De catechismus spreekt over misdaden. Misdadigers, die horen toch in de gevangenis? Zij moeten voor de rechtbank verschijnen. De rechter zal het vonnis uitspreken. Misschien krijgen ze wel de doodstraf.

U vraagt: ‘Is het zo erg met mij?’ Ja, zo erg is het. Uw zonden zijn misdaden. Ook de gebreken en tekortkomingen waarvan u denkt dat het wel meevalt. Gods Geest leert u anders. Het valt níet mee. U mag de zonden nooit goedpraten. Want misdaden zijn zónden! Dat betekent: u mist het doel waarvoor u geschapen bent. Dan gaat het niet over die moordenaar of terrorist, maar het gaat over u, heel persoonlijk. Nee, het gaat niet over die hoer in Amsterdam, die drugsgebruiker in Rotterdam, die kraker in Den Haag. Het ontdekkende licht van Gods Geest valt op úw zonden; uw gedachten, uw woorden en uw werken. Het zijn misdaden.

Het is heel goed als u nog nooit met een aardse rechter in aanraking bent gekomen. Maar denk erom: u staat met de hemelse Rechter in rekening. Hij spreekt het vonnis uit. Welk vonnis? De dood. U bent een misdadiger. Veroordeelde misdadigers kunnen alleen vrijgesproken worden als ze gratie krijgen. U moet uw hoofd leren buigen. U moet leren zuchten, met David:  En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn (Ps. 143:2).

Zonder Gods genade in de Heere Jezus Christus staat u helemaal alleen voor de grote, heilige God. En dat zal nooit kunnen. Dan moet u omkomen, verloren gaan. Maar in de Zaligmaker en Borg van Zijn Kerk wist Hij het handschrift van uw zonde uit. Dan ziet Hij geen zonden meer in Zijn Jakob en geen overtreding in Zijn Israël.

 

Antwoord 126 vervolgt: ‘En ook de boosheid, die ons altijd aanhangt.’

Dus het gaat niet alleen over uw zonden in uw gedachten. Ook de zondige woorden die u zégt, horen erbij. En vergeet ook niet wat u verkeerd dóet. De catechismus heeft het over de bron waaruit alle misdaden komen. Toen u geboren werd, was uw hart al zondig en verkeerd. De boosheid is altijd bij u. U kunt dat woord ook weergeven met ‘slechtheid’. Die hangt aan ons, u komt er niet los van. Het trekt aan en kleeft zoals ijzer aan een magneet.

Als u onbekeerd bent, hebt u hier geen last van. Dat is de grootste nood van een onherboren mens. Maar als Gods Geest in uw hart en leven werkt, gaat u het zien. Het doet u verdriet. En hoe meer genade en onderwijs u ontvangt, des te meer komt u erachter dat de boosheid u altijd aanhangt. Altijd... Zelfs als u bidt, is de boosheid er. Zelfs als u in de kerk zit en luistert, altijd!

 

De kerkhervormer Maarten Luther geeft het voorbeeld van onkruid in de tuin. Hij zegt: ‘Je kunt proberen dat onkruid te wieden zoveel je wilt, maar als je er een paar dagen niets aan doet, staat het weer volop in de tuin.’ Vandaag bid je: ‘Heere, wilt U mij geven dat ik, door Uw Geest geleid, mag wandelen in Uw Woord, in Uw wegen?’ De volgende dag sta je weer op met dezelfde boze aard, met dezelfde boze gedachten. Aanleiding genoeg dus om dagelijks te bidden: Vergeef ons onze schulden.

De apostel Paulus klaagt. Niet over de Heere, maar over zichzelf. Hij is niet zoals hij moet zijn. Hij heeft last van de aanhangende boosheid in zijn hart. De zonde is wel gebroken, maar heeft zo vaak weer de overhand. Zijn leven lang heeft hij ermee te maken. Lees Romeinen 7 vers 18 tot en met 21 maar eens.

Jakob kende dat ook. Al ontving hij een grote genade van de Heere, heel zijn leven bleef hij gehandicapt aan zijn heup. Tot hij zijn laatste adem uitblies. Toen was Jakob van zichzelf verlost. Nu is hij voor eeuwig Israël: vorst Gods.

 

Gods kinderen worden verlost van de boosheid die hen aanhangt. Als ze sterven, mogen ze huppelen van zielenvreugd. Dan zijn ze vrolijk in de Heere, hun God. Voor eeuwig. Waarom? Omdat zij een Voorspraak hebben bij de Vader. Het is Jezus Christus. Hij is rechtvaardig. In Hem was geen boosheid. Hij is wel in alle zonde verzocht, maar heeft aan geen verzoeking toegegeven. Hij weet ook van de boosheid in het hart van Zijn volk. En de apostel Johannes schrijft, tot hun grote troost: Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige (1 Joh. 2:1).

 

Niet toerekenen… Twee woordjes, maar wat zit daar veel in! Wat een rijke inhoud. Toerekenen, daar zit het woord ‘rekenen’ in. Dan denk je aan een rekening. Die moet worden betaald. God is rechtvaardig. Hij eist betaling van de schuld. En u hebt in uzelf niets. Maar juist dan gaat Gods genade schitteren. De catechismus noemt dat: niet toerekenen. Dat wil zeggen dat God Zich over u ontfermt. Hij ziet u aan alsof u nooit een zonde of een misdaad gedaan hebt.

Niet toerekenen, dat kan nooit buiten de Zaligmaker om. Niet toerekenen, dat kan alleen om Jezus’ wil. Toen de verderfengel in Egypte het bloed zag aan de deurposten, ging hij voorbij. Alleen achter het bloed van het Lam van God bent u veilig en geborgen.

Op Golgotha gaf God Zijn Zoon. Aan het vloekhout van de schande is Hij met de misdadigers gerekend. Hij hing daar tussen twee moordenaars. Hij, de Borg, leed en stierf in plaats van schuldige zondaren. Dat moest. Het kon niet anders, want God kan van Zijn recht geen afstand doen! Wat is Zijn recht? Dat Hij van ons volmaakte liefde eist. Daar kan een mens nooit meer aan voldoen.

De Heere Jezus heeft plaatsvervangend deze liefde, dit recht van Zijn Vader, terugverdiend door Zijn kruisdood. Het is onuitsprekelijk groot als Gods Geest u daar iets van laat zien. De Zaligmaker nam de plaats in die ik verdien. Wat een wonder van Goddelijke barmhartigheid! Hij wilde in mijn plaats staan, om mij van het rechtvaardig oordeel te verlossen. Om Hem ontvang ik genade. Niet ten koste van Gods recht, maar in de verheerlijking van Gods recht. Daarom kan de grootste van de zondaren zalig worden! De apostel Paulus schrijft: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest (Rom. 8:1).

 

We gaan naar ons tweede punt. We hebben de noodzaak van de schuldvergeving gezien, en letten nu op:

 

2. De mogelijkheid van de schuldvergeving

 

‘Om het bloed van Christus.’ Deze vijf woorden zouden eigenlijk in gouden letters geschreven moeten zijn. Dat is de kern, het hart van de Bijbel. De Heere vergeeft onze schuld nooit om ons bidden. Ook niet omdat wij schuld beleden hebben. Kan het omdat u zo ernstig bent? Vergeeft God uw zonden omdat u in Hem gelooft? Nee, niets van u telt mee. Dan alleen komt er plaats voor de Heere Jezus Christus en Zijn werk. God vergeeft alleen op grond van Zijn offer. In de catechismus staat: ‘… om des bloeds van Christus’. Dat wil zeggen dat zalig worden alleen genade is. Alles van een mens valt daarbuiten. Dat valt niet mee. Daarvan ben ik vijand. Dat wil ik niet. Maar het is wel de weg waarin Gods Geest u leidt.

Om des bloeds van Christus wil… Wat een rijke grond, waarop God de zonden vergeeft. Hij ziet in genade aan, ‘om des bloeds van Christus’. Hij gaf Zijn leven. Hij is gestorven aan het kruis en droeg de straf. Dat deed Hij als Borg voor Zijn kinderen. Alles, alles heeft Hij betaald. Hij riep uit: Het is volbracht! (Joh. 19:30). Daarom, om het bloed van Christus, is God barmhartig, genadig en groot van goedertierenheid.

Hij gaf Zijn Zoon niet voor beste mensen, maar voor vijanden. Vijanden worden met God verzoend, om des bloeds van Christus wil. Goddelozen worden gerechtvaardigd, om des bloeds van Christus wil. Wat een onuitsprekelijke liefde! Dat is alleen te bewonderen.

 

Kent u hier iets van? Niet? Dan gaat het niet goed met u! Nog is het genadetijd. Nog is het het heden der genade. Het is de tijd om de Heere te voet te vallen, Hem smekend om een druppel liefde in uw hart. Dan wordt alles anders. Alles wordt dan nieuw. U wordt zondaar voor God. En dat blijft u. Maar om het bloed van Christus zal Hij op Zijn tijd de zonden vergeven. Een van Gods kinderen zingt:

 

Jezus, niet mijn eigen kracht,

niet het werk door mij volbracht,

niet het offer dat ik breng,

niet de tranen die ik pleng,

schoon ik ganse nachten ween,

kunnen redden, Gij alleen.

 

Om des bloeds van Christus wil:

 

Zie, ik breng voor mijn behoud

U geen wierook, mirr’ of goud.

Moede kom ik, arm en naakt,

tot de God Die zalig maakt,

Die de arme kleedt en voedt,

Die de zondaar leven doet.

 

U weet hoe wit sneeuw is. Nu zegt de Heere dat Hij uw door de zonde zwarte hart wil wassen. Dan zal het zijn als sneeuw. En gaat u in de witte sneeuw lopen, dan wordt het direct weer vies en modderig. Maar als de Heere u wast en reinigt in het bloed van Christus, is het net of u zelf helemaal gehoorzaam bent geweest aan Gods wet. Dan zal de Heere u uw zonde niet toerekenen. Jesaja zegt: Komt dan, en laat ons tezamen rechten, zegt de Heere, al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1:18).

 

We zingen daarvan uit Psalm 32 vers 1:

 

Welzalig hij wiens zonden zijn vergeven;

Die van de straf voor eeuwig is ontheven;

Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,

Voor ’t heilig oog des Heeren is bedekt.

Welzalig is de mens wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

En die, in ’t vroom en ongeveinsd gemoed,

Geen snood bedrog, maar blank’ oprechtheid voedt.

 

Het gebed om schuldvergeving. We hebben de noodzaak daarvan gezien, en daarna gelet op de mogelijkheid  van de schuldvergeving. Ten slotte staan we stil bij:

 

3. De bereidheid tot schuldvergeving

 

Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Dat laatste vraagt nu onze aandacht: Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Ons troost- en leerboek belijdt: ‘Gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is onze naaste van harte te vergeven.’

Jongens en meisjes, ik probeer het uit te leggen met een voorbeeld: iemand heeft een flauwe, misselijke grap met je uitgehaald. Je wordt benadeeld. Je bloed kookt. En je hebt nu maar één ding in je hoofd: dat zal hij of zij weten. Dit neem ik niet. Je zoekt een gelegenheid om hem of haar eens goed terug te pakken! Dat is je goed recht, denk je.

Maar… zal dit de oplossing zijn? Denk je dat jouw boze reactie vrede geeft in je hart? Vergeet het maar! Denk eens aan de Heere Jezus. Terwijl Zijn beulen Hem aan het kruis vastmaken, bidt Hij voor hen: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk. 23:34). Als je op Hem mag lijken, moet je Zijn beeld vertonen, zachtmoedig zijn en vriendelijkheid uitstralen, ook als je onrecht wordt aangedaan.

 

Zachtmoedigheid, het is een vrucht van de Geest van Christus. Het is bepaald geen natuurlijke eigenschap van een mens. Je kunt zachtmoedigheid niet aanleren. De Heere Jezus spreekt hen zalig: Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven (Matth. 5:5). En David profeteert: De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen de Heere prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven (Ps. 22:27).

 

Kinderen in de kerk, ben je weleens brutaal tegen je moeder? Of ongehoorzaam als je vader iets aan je vraagt? Je zet een grote mond op tegen je leraar. Je doet lelijk tegen je vriend of vriendin. Dat is verkeerd! Je moet het goedmaken. Zeg eerlijk dat je fout bent geweest. Kom erop terug. Wat is dat moeilijk. Onmogelijk in eigen kracht. Maar mogelijk door Gods genade.

 

Als God naar een mens omziet en Zijn genade schenkt, dan kan het niet anders of u wilt ook de ander vergeven. Dan brengt u de ruzie tot een eind. Als u fout geweest bent, geeft u dat toe. Gods kinderen zijn vergevingsgezind. Eigenlijk zegt de catechismus: ‘Wilt u weten of uw zonden vergeven zijn?’ Dat weet u omdat u dan ook anderen wilt vergeven. Van harte vergeven.

Als u met haat en negatieve gedachten naar deze preek luistert, is dat geen goed teken. Bidden om vergeving van uw zonden en ondertussen boos zijn op een ander, kan niet. Hoe kunt u God vragen of Hij u vergeeft? Want wat u Hem hebt aangedaan en nog aandoet, is zoveel erger dan wat mensen elkaar aandoen. Als u dat ziet, wil Hij u ook leren uw naaste te vergeven.

Moeten wij dat zomaar één keer doen? Nee. Hoe vaak moet u de Heere om vergeving vragen? Dagelijks. Hoe vaak moet u de ander vergeven? Dagelijks! Nee, vanuit uzelf bent u niet vergevingsgezind. Wat zijn wij snel op onze tenen getrapt. U bent trots en hoogmoedig. U vindt dat de ander eerst over de brug moet komen met excuses. Begrijpt u nu waarom dit gebed net zo nodig is als het bidden om onze dagelijkse behoeften?

 

Vergevingsgezindheid is ook een getuigenis van Gods genade, zegt de catechismus. Als u zelf Gods vergevende liefde ervaart, dan hebt u in beginsel ook iets van de liefde tot God en uw naaste. Dat zal blijken uit de vruchten in uw leven. Als u uzelf kent, gaat u niet boven anderen staan. U hebt mogen leren om voor de Heere te buigen. Wel, dan bent u ook bereid om te buigen voor uw naaste. Die schuld is vergeleken met uw schuld bij God maar klein. Daarom: wees de minste. Was elkaar de voeten. Acht de ander uitnemender dan uzelf.

 

De Heere Jezus vertelt in dit verband een gelijkenis. U leest die in Mattheüs 18. Een man had een goede heer die hem uit barmhartigheid zijn schuld kwijtschold. Hij hoefde geen cent meer te betalen van het enorme geldbedrag. Even later komt hij een mededienstknecht tegen, die nog een klein bedrag bij hem in de schuld stond. Wat gebeurt er? Hij dwingt hem te betalen. Ja, hij gooit hem zelfs in de gevangenis. Als zijn heer dit hoort, wordt hij woedend en levert deze dienstknecht over aan de pijnigers. Dan klinkt uit Jezus’ mond: Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijn broeder zijn misdaden (Matth. 18:35).

 

De vraag is: Hoe vaak moeten wij mensen vergeven? Het antwoord is: tot zeventigmaal zeven. Het is geen optelsom, maar vermenigvuldigen. Probeer het maar eens: zeventig keer zeven, keer zeven, keer zeven… Dat is oneindig veel! Zeven is immers het getal van de volheid! Dus: altijd vergeven.

Wat heb je daarvoor nodig? Genade, liefde van God. Het werk van Gods Geest. Zelfverloochening. De Heere Jezus heeft gezegd, en Hij wil ook u dat leren: Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart (Matth. 11:29). Mensen zijn van zichzelf niet zachtmoedig, integendeel. Zij zijn keihard, of ze nu in de wereld leven of in de kerk. Zo leren Gods kinderen zichzelf kennen. Wat heb ik een kort lontje. Wat sta ik snel in brand. Op de leerschool van de Geest van Christus leren ze zachtmoedigheid. Daar gaan ze Zijn beeld vertonen.

Hij, de zwijgende, zachtmoedige Borg, wordt als een Lam ter slachting geleid. Hij is stom, zonder stem, voor het aangezicht van Zijn scheerders; alzo deed Hij Zijn mond niet open (Jes. 53:7). Als de Heere Jezus gearresteerd wordt in de hof van Gethsémané, grijpt Hij niet naar het zwaard, zoals Petrus, maar Hij bestraft hem. Daarna geneest Hij het oor van Malchus. Ja, de Heere Jezus is de grote Zachtmoedige. Hij laat Zich in met hoeren en tollenaars. Hij eet met de zondaars. Wat is Hij nederig als Hij de minste is en de vuile voeten van Zijn jongeren wast (Joh. 13). Daarmee heeft Hij Zijn discipelen een voorbeeld nagelaten, een voorbeeld waarin zij Hem moeten navolgen. Hij zoekt Petrus weer op, nadat hij Hem verloochend had. Zijn gang naar het kruis van Golgotha is een daad van zelfovergave, zelfverloochening en zachtmoedigheid. Zo laag buigt Hij Zich neer en ontfermt Zich over doodschuldigen en verlorenen. Van harte.

 

Ten slotte geven we antwoord op de vraag of je de ander echt alles moet vergeven, ook als dagelijks pijn wordt ervaren. In hoeverre mag de ander worden aangesproken op zijn gedrag? Je kent het, de een minder, de ander meer. Het gebeurt, helaas vaker dan je vermoedt. Zelfs onder Gods kinderen komt het voor: elkaar kwetsen, afgunst, jaloezie, bewust of onbewust de ander pijn doen, soms ook geestelijk. Het zijn gevolgen van onze diepe zondeval in het paradijs.

Mag de ander worden aangesproken op haar of zijn gedrag? Jazeker. Buig vooraf je knieën. Vraag om wijsheid, liefde, tact en geduld. Wees verlegen om Jezus’ beeld te vertonen. Doe het eventueel met een derde als getuige. Nooit vanuit de hoogte. Nooit belérend, maar vanuit de liefde, die vrucht is van Gods eenzijdige liefde. De door Gods Geest gewerkte liefde in het hart is altijd gericht op de ander. Dat is een liefde die dient. Waarom? Die liefde is er vanuit een dienende Heere Jezus. Hij is de grote, barmhartige Samaritaan, Die niet anders op aarde heeft gedaan dan goed.

Je kent het spreekwoord: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Hoe zegt de grote Profeet dat? Alle dingen dan die gij wilt dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de Wet en de Profeten (Matth. 7:12). Wees gedurig verlegen om Hem, van Wie we lezen in de Schrift: Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden; Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde, maar gaf het over aan Dien Die rechtvaardiglijk oordeelt (1 Petr. 2:22-23).

 

Ten slotte, wat bent u gelukkig als God in het bloed van de Heere Jezus uw zonden vergeeft. Dan zingt u, door het geloof, straks mee:

 

Zo ver het west verwijderd is van ‘t oosten,

zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,

van ons de schuld en zonden weggedaan.

 

Dat geeft de ware rust voor uw ziel en vrede voor het hart. Hier is dat nog onvolkomen. In de hemel zal er vrede zijn met God in Christus en met alle mensen.

 

Leeft u nog onbekeerd? Wat bent u dan nameloos arm! Als daarin geen verandering komt, gaat u voor eeuwig verloren. Vreselijk zal het zijn op duizend vragen niet één antwoord te kunnen geven, als u staat voor de Rechter van hemel en aarde. Dan zult u daar zwijgend staan, als God zal zeggen: Gaat weg van Mij. Dat is het ergste wat er is: Gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt (Math. 7:23). Dan is het voor eeuwig te laat. Daarom: Zoek vandaag nog wat tot uw eeuwige vrede dient! Zoek uw eeuwig behoud in Hem, Die u toeroept: Zoekt Mij en leeft (Amos 5:4).

 

Amen.

 

 

Zingen: Psalm 103: 6

 

Zo hoog Zijn troon moog’ boven d’ aarde wezen,

Zo groot is ook voor allen die Hem vrezen,

De gunst waarmee Hij hen wil gadeslaan.

Zo ver het west verwijderd is van ’t oosten,

Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,

Van ons de schuld en zonden weggedaan.