Ds. D.W. Tuinier - Zondag 50

Het gebed om ons dagelijks brood

Levensonderhoud
Levensgaven
Levensvertrouwen

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 68: 10
Lezen : Exodus 16: 1-21
Zingen : Psalm 127: 1, 2
Zingen : Psalm 17: 8
Zingen : Psalm 146: 3

Geliefden, u weet hoe een schakelketting er uit ziet. De schakels zitten aan elkaar vast. Er mag er niet één ontbreken. Zo is het ook met het volmaakte gebed. Als er één bede gemist wordt, is het niet meer compleet.

Vandaag gaat het over de vierde bede. Hiermee gaan we naar de tweede helft van het ‘Onze Vader’. Van de aanspraak en de drie beden die beginnen met ‘Uw’, gaan we naar de drie beden waarin het gaat over ‘ons’.

 

Geef ons heden ons dagelijks brood. Denkt u eraan dat de Heere dagelijks uw gebed verhoort? Let eens op de boterham op uw bord. Het avondeten. Uw bed. Hopelijk bent u gezond. Wat een zegeningen van de Heere!

Eigenlijk vraagt u in de vierde bede of de Heere u alles wil geven wat u nodig hebt. De catechismus noemt het ‘alle nooddruft des lichaams’. Door dit te bidden, belijdt u ook dat alleen God u al die goede dingen geeft. U erkent dat u het niet hebt verdiend. Niet voor niets zegt u: Geef…

U houdt uw hand op. Die is leeg. Ook de gewone alledaagse gaven zijn onverdiend. De Heere leert u, door Zijn genade, in afhankelijkheid van Hem te leven. U vouwt hier eerbiedig uw handen en legt uw ‘nooddruft’ vertrouwend in Gods hand.

 

We lezen eerst vraag en antwoord 125 van de Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 125: Welke is de vierde bede?

Antwoord: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor erkennen dat Gij de enige Oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid, noch Uw gaven, zonder Uw zegen ons gedijen, en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen.

 

Het gaat over: Het gebed om ons dagelijks brood.

 

We letten op:

1. Levensonderhoud

2. Levensgaven

3. Levensvertrouwen

 

1. Levensonderhoud

 

Geef ons heden ons dagelijks brood. Wat een heerlijke belijdenis van de grootheid van de Heere! De catechismus wijst u heen naar Hem, het allerhoogst en eeuwig Goed. Bij Hem komt alles vandaan. Ons ontbreekt alles, maar Hij schenkt, mild en overvloedig. De gaven en zegeningen brengen ons bij de Gever. God is de Oorsprong, de ‘overvloedige Fontein van alle goed’, belijdt Guido de Brès in artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

 

Tot twee keer toe hoort u het woordje ons. Geef ons heden ons dagelijks brood. Nee, het gaat niet over ik of over mij, maar over ons. Als u de Heere liefhebt, neemt u graag anderen mee in uw gebed. De liefdesband met God geeft ook een band met uw naaste. De Heere Jezus, de grote Voorbidder, heeft zelfs gebeden voor Zijn vijanden. Dat is het eerste.

Bij het tweede ons lijkt het net alsof u recht hebt op ‘brood’. Is het uw brood? Het lijkt net alsof u er aanspraak op maken kunt. Maar zo is het niet. Hoe zit dat dan? Wel, de Heere geeft u, door Zijn genade, recht op tijdelijke zegeningen, dus ook op brood. Waarom? Omdat Zijn Zoon, de Heere Jezus, dit voor u heeft verdiend.

Hij moest alles missen. Hij had honger. Daarom krijgt u brood. Hij riep uit: ‘Mij dorst!’, zodat Zijn kinderen voor eeuwig zullen drinken. Hij moest klagen dat Hij geen steen had waar Hij Zijn hoofd op kon neerleggen en u hebt een kussen. Daarom het gebed: Geef ons heden ons dagelijks brood.

 

U vraagt het niet voor morgen, voor volgende week of volgend jaar, maar voor vandaag. U leeft bij de dag. Elke dag krijgt u genoeg. Het ontbreekt u aan niets. U krijgt het om Jezus’ wil. Gods kinderen mogen bij de Oorsprong van alle goed komen. Zij bedelen Hem om brood. Alles is van Hem. Alles komt van Hem. Dat heeft Hij beloofd.

Daarvan zegt Hij in Mattheüs 6 vers 25: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten en wat gij drinken zult, noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult. Is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding?

Wat is Gods volk gelukkig. De Heere zorgt in Christus als een Vader voor hen. De rijke dwaas in de gelijkenis erkende dit niet. Hij telde zijn vruchten, zijn schuren en zijn goederen. Hij hield geen rekening met God. Uiteindelijk stierf hij zonder God (Luk. 12:21).

Die arme weduwe bij de schatkist in de tempel erkende God wél. Ze wierp alles wat ze had, haar twee penningen, in de offerkist. Daarmee gaf ze zichzelf. Ze had alles over voor de dienst van de Heere (Luk. 21:4). Op wie lijkt u?

 

We gaan naar ons tweede punt:

 

2. Levensgaven

 

Alle gewone, dagelijkse dingen zijn zegeningen van God. De grootste zegen is als u de Heere liefhebt. Salomo weet ervan in Psalm 127. Hij heeft het over het bouwen van een huis. Ook schrijft hij over een wachter die de stad bewaakt. Tevergeefs bouw je een huis. Tevergeefs bewaakt de wachter de stad. Tevergeefs sta je voor dag en dauw op. Tevergeefs blijf je wakker tot diep in de nacht. Als de Heere er niet in meekomt met Zijn zegen, is het allemaal voor niets. Hij wil daarmee zeggen dat je in alles afhankelijk bent.

 

Dat bedoelt de catechismus met: ‘… dat noch onze zorg en arbeid, noch Uw gaven, zonder Uw zegen ons gedijen.’ Let op, er staat: Uw gaven. Er is niets van ons bij. God is de Eigenaar van alles. Alles komt bij Hem vandaan. Wat bent u vaak bezig om in eigen kracht iets voor elkaar te krijgen. U hebt de Heere niet nodig.

Maar denk erom: dan gaat het niet goed! U moet het in alles alleen van Hem leren verwachten. In Psalm 127 lezen we dat Hij het Zijn beminden als in de slaap geeft (vers 2). De Heere Jezus heeft door Zijn sterven en opstanding gaven en zegeningen verdiend. Hij deelt ze door Zijn Geest uit aan Zijn kinderen.

De zegen des Heeren, die maakt rijk (Spr. 10:22). Ook al hebt u misschien niet veel geld, of bezit u weinig; als de Heere u zegent, bent u rijk. Dat kan zelfs ervaren worden in moeilijke omstandigheden. Jozef heeft het niet gemakkelijk gehad in de gevangenis, maar hij ervaart onder zijn werk Gods zegen. De Heere betoont hem Zijn liefdevolle gunst en Zijn troostvolle nabijheid.

 

Het leven is van alle gemakken voorzien. Daar weet u alles van. Maatschappelijk en economisch gezien leven we nog altijd in een welvaartstijd. Het ontbreekt ons aan niets!  Wij zijn mensen van onze tijd. Geld is er genoeg. Je kunt krijgen wat je hart begeert. De reclame werkt op een negatieve manier hierop in. Alles moet mogelijk zijn.

‘Pluk de dag’ is de levensleus. Geniet van het leven met al zijn genot. Het lijkt zo mooi, maar dat is het niet. Het is alles schijn. U hoort tegenwoordig wel over ‘consuminderen’. Deze term geeft aan dat men minder moet gaan consumeren. Want onderschat de negatieve effecten van het overdadige leven niet: kinderen worden verwend, mensen zijn minder tevreden met wat ze hebben, het kan negatieve effecten hebben op het milieu, je krijgt last van hart- en vaatziekten, enzovoort.

Deze levensstijl wordt in Gods Woord genoemd in verband met de dagen van Noach. Het is een leven van: Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij (1 Kor. 15:32). De apostel Johannes schrijft over de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens (1 Joh. 2:16). Terwijl God van ons vraagt om sober en ingetogen te leven! Dat is tot Zijn eer en voor uw eigen welzijn.

 

U voelt wel aan: brood in de vuilnisbak is on-Bijbels. In plaats daarvan een zak chips en daarbij een drankje kan niet de bedoeling zijn. Het kan niet samengaan met het gebed om ons dagelijks brood.

 

Maken jullie, jongelui, je óók zo druk om je uiterlijk? Sta je ook lang voor de spiegel, om er maar zo goed mogelijk uit te zien? Natuurlijk hoor je er verzorgd uit te zien.

Kleren krijg je van God om je lichaam te bedekken. In ieder geval niet om aandacht te trekken. Zeker niet om bij anderen bepaalde gevoelens op te wekken. Jij bent daar verantwoordelijk voor.

Ongezond eten, roken en drankmisbruik zijn zondig. Daarop kan nooit Gods zegen rusten.

De Heere Jezus wijst in Zijn Bergrede op de lelies en de vogels. God zorgt voor hen. Zou Hij dan niet voor jou zorgen? Bedenk daarbij dat de zorg voor je ziel veel belangrijker is. Zoekt eerst het Koninkrijk van God en de gerechtigheid die daarbij hoort, zodat het weer goed komt tussen de Heere en jou.

 

De bidder in de vierde bede is afhankelijk van God. Luister naar het antwoord in de catechismus: ‘En dat noch onze zorg en arbeid, noch Uw gaven, zonder Uw zegen ons gedijen.’ Ál ons werk, onze arbeid thuis, in het gezin of op school, in je studie of de plaats waar de Heere u stelt, is zonder Gods zegen voor niets. We zeggen zo gemakkelijk dat wij afhankelijk zijn van God. Maar met je mond kun je mooie dingen zeggen. Het komt aan op de praktijk.

Bent u afhankelijk? Beseft u het met heel uw hart wat de Heere Jezus zegt: Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh. 15:5)? Stap je zó uit bed, jongens en meisjes? Hoe ga je naar school? Eerst buig je je knieën, toch? Daarmee erken je dat de Heere de enige Oorsprong van al het goed is. Ook belijd je daarmee dat je vanuit jezelf niets kunt. Je hebt God nodig. Zonder Hem heeft je leven geen waarde.

 

We hebben samen uit Gods Woord gelezen over het volk Israël in de woestijn. Zij zijn ruim zes weken op reis. Toen zijn ze door Gods hand uit Egypte geleid. Wat hebben ze al veel meegemaakt! Maar de Heere zorgt, elke dag, van stap tot stap. Hij is hun Gids. Overdag is er de wolkkolom en als het donker is de vuurkolom. Nu trekt het miljoenen volk door de snikhete woestijn Sin.

Dan komt de dag dat het eten opraakt (Ex. 16:1-21). Wat een groot probleem! Wat een nood! Waar moet je in de woestijn eten zoeken? Dat is er niet. Want er groeit helemaal niets. Weer begint het volk te mopperen. ‘Waren we maar in Egypte gebleven! Daar hadden we het veel beter. In ieder geval was er genoeg water en brood.’

Mozes wordt verdrietig. Hij zegt: ‘Jullie mopperen niet tegen mij, maar tegen God. Dat is heel erg. Want de Heere zorgt altijd zo goed voor jullie. Nee hoor, jullie zullen niet sterven van de honger. Morgen krijgen jullie brood.’

Ja, wat God belooft, doet Hij. De volgende dag zien de mensen overal kleine, ronde, witte korrels liggen. Wat zijn dat? Mozes weet het: dat is manna. Je leest: Toen het de kinderen Israëls zagen, zo zeiden zij de een tot den ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was (Ex. 16:15). Het is het brood dat van de Heere uit de hemel komt.

Raap het maar op. Bak er maar brood van. Het smaakt heel zoet. Heerlijk! De Heere zorgt. Er is voor elke dag genoeg. Alleen, op de sabbat rapen ze geen manna. Dat hoeft niet, maar het mag ook niet van de Heere. De vorige dag mocht het volk méér oprapen. Niet één portie, maar twee. Dus dubbel zoveel.

 

Het is een zichtbare preek: elke morgen is er hemels manna. Het wordt gegeten door het volk Israël. Daarnaast is het een rijke heenwijzing naar de Heere Jezus Christus, Die komen zal. Hij zal het ware Brood des levens zijn. Zoals het manna uit de hemel is gekomen en valt op de onvruchtbare woestijngrond, zo zal Gods Zoon in de kerstnacht uit de hemel komen. Hij zal worden neergelegd in de kribbe van Bethlehem, dat broodhuis betekent.

Hij komt om mensen die om eigen schuld honger moeten lijden en moeten sterven, op te zoeken en zalig te maken. Hij zal hun te eten geven. Jezus Zelf zegt daarvan: Want Mijn vlees is waarlijk spijs, en Mijn bloed is waarlijk drank (Joh. 6:55).

 

Het manna valt in de droge woestijn; een onvruchtbare vlakte waar niets groeit. Dat is een beeld van uw hart. Daar wil de Zaligmaker van zondaren komen. Daarom is er bij God genade. Jezus Christus is de grote Vervuller van het manna, dat Israël dagelijks uit de hemel ontvangt. Hebt u Hem nodig? Komen wij ook, net als de Israëlieten, dagelijks uit onze tent met onze lege mand om manna te rapen?

U moet er wel voor bukken hoor, soms heel diep. Zo wil God ons ontvangen. Alles buiten de Heere Jezus Christus is leeg en arm. Buiten Hem moet je de hongerdood sterven. Nog word je hartelijk, welgemeend genodigd om te komen eten. Je leest het in de profetie van Jesaja: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen (Jes. 55:1-2).

 

De Heere Jezus maakt in Zijn Woord met veel voorbeelden duidelijk Wie Hij is, maar ook hoe Hij werkt. Hij laat zien waarom en voor wie Hij naar de wereld is gekomen. Hij zegt in de synagoge van Kapernaüm tegen de mensen: Ik ben het Brood des levens (Joh. 6:35). 

Zoals het volk Israël elke dag van het manna at, zo is de Heere Jezus het échte Manna dat uit de hemel gekomen is. Hij bedoelt hiermee het geestelijke en eeuwige leven. Hij wil Zijn kinderen met geestelijk goed verzadigen. Hier op aarde al, en in de hemel voor eeuwig.

Dit Brood eten wil zeggen: in Hem geloven, deel hebben aan Hem. Dat zie je bijvoorbeeld in het Heilig Avondmaal, waarbij het brood op Zijn gebroken lichaam ziet.

Dit Brood eten betekent: gemeenschap hebben met de Heere Jezus. Brood hebt u elke dag nodig om te leven, te spelen, op school te werken. Zonder brood sterft u. Zonder de Heere Jezus gaat het niet goed met u. Zonder Hem ga je verloren.

 

Denk aan de verloren zoon. In dat verre land bij de varkens moest hij sterven van de honger. Dat was zijn eigen schuld. Maar hij is teruggekomen naar zijn vader. Hij kreeg echt verdriet over zijn zonden. Wat valt het mee als je zó komt. Dan hoef je niet óm te komen, maar zul je leven. Omdat de Heere Jezus heeft gehongerd en is gestorven. Maria zingt ervan in haar lofzang: Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld, en rijken heeft Hij ledig weggezonden (Luk. 1:53).

Weet u wat zo aangrijpend is? De apostel Paulus waarschuwt later in zijn brief aan de gemeente van Korinthe dat het volk Israël wél dagelijks van het manna heeft gegeten, maar de meeste mensen hebben niets begrepen van de rijke betekenis van het brood (1 Kor. 10:1-5). De mensen hebben er Jezus Christus niet in gezien. Ze zijn in ongeloof gestorven.

Wat erg! Zo dichtbij Christus, het manna gezien, geraapt, gegeten, en toch nooit echt honger en dorst gehad naar de Zaligmaker. Zij zullen om eigen schuld voor eeuwig verloren gaan.

Als u echter, door genade, het geheim van dit geestelijke brood verstaat, zegt u dan eens hoe het smaakt. Het manna smaakt zoet, goed en zalig. Vraag het aan de bruid in het Hooglied. Ze zegt: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl. 5:16). Christus smaakt zoet voor een hongerende ziel. Hij is de alles vervullende Zaligmaker voor een zondaar die van honger moet omkomen.

Buiten Hem lijdt u honger. Zonder Hem komt u om. Met Hem en door Hem wordt u verzadigd. In dit leven al, maar in de hemel zal in vervulling gaan: ‘Verzadigd met Uw Goddelijk beeld…’ Daar gaan we over zingen uit Psalm 17 vers 8:

 

Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!)
Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.

 

3. Levensvertrouwen

 

U kunt niets zonder Gods hulp en zegen, en anderen ook niet. Daarom wil de Heere dat u alleen op Hem vertrouwt. U leest aan het slot van antwoord 125: ‘En dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen.’

Alles buiten Hem stelt teleur, maar Hij niet. Hij is de Helper in de nood. In tijdelijke noden en zorgen, maar vooral als het gaat om de nood van je hart. Ook in je geestelijke noden wil Hij voorzien. Wat erg als je daaraan voorbijgaat! Wat verdrietig als je niet eerst aan Hem denkt! Dan verwacht je het van jezelf. Je vertrouwt op mensen.

Dat is verkeerd en zondig. Het komt voort uit je boze hart. Daarom blijft het gebed nodig, elke dag: ‘Leer mij op U vertrouwen.’

 

Er staat in de catechismus: aftrekken. U moet van het vertrouwen op uzelf en anderen losgetrokken worden. Dat gaat niet zómaar. Daar is kracht voor nodig, Góds kracht. De kracht van Zijn genade. Anders blijft u vastzitten aan de zonde, aan de wereld en aan uzelf.

Denk aan de profeet Elia. Ziet u hem zitten bij de beek Krith? Overal in het land is honger en hij krijgt dagelijks voldoende te eten. Iedere morgen en ook iedere avond brengen de raven hem brood en vlees. Hij drinkt uit de beek. Wat een rijk leven!

Totdat… de beek uitdroogt. Dan is er geen water meer. Het loopt vast. Maar door Gods genade leert hij zijn vertrouwen op God alleen te stellen. En Die beschaamt Zijn knecht niet.

Van de beek Krith gaat Elia’s weg naar Zarfath. Daar woont een weduwe die voor hem zorgen zal. Zie je dat het waar is wat de dichter zingt:

 

Hij zal hen nimmer om doen komen

In duren tijd en hongersnood.

 

‘Gebeurt dit nog?’, vraagt u. Ja, de God van Elia is Dezelfde. Hij verandert niet. Nog steeds wil God in dagen van nood voorzien. Wat denkt u van dat gezin dat de rekeningen van de arts niet kan voldoen? Het wordt een zaak van gebed. De Heere zorgt dat er die avond een envelop met het geldbedrag op de deurmat ligt.

 

Wees eens eerlijk. Is het niet vaak zo dat wij op onszelf vertrouwen? Of dat u het verwacht van anderen? Uw verstand, uw ijver, uw inzet, uw inkomen. Nee, zegt de catechismus, op grond van Gods Woord: u mag niet op uzelf of op andere mensen vertrouwen. Welgelukzalig is hij die de God Jakobs tot zijn Hulp heeft, wiens verwachting op de Heere zijn God is (Ps. 146:5).

 

Bent u weleens bezorgd? Dingen waar je over nadenkt. Dingen waarvan u zich afvraagt of het wel goed komt. Misschien bent u bang dat u ziek wordt. Of dat het niet goed gaat met iemand in de familie. Begrijpelijk.

U hebt gehoord dat Gods kinderen gelukkig zijn. Waarom? Omdat de Heere voor hen zorgt. De apostel Petrus schrijft over zorgen. Maar vooral wijst hij op Hem, bij Wie u terechtkunt met uw zorg en nood: Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u (1 Petr. 5:7).

Met het woordje ‘Hem’ in de tekst wordt de Heere bedoeld. Hij zegt tegen u: ‘Al uw bekommernis – dat betekent: alles waar wij ons zorgen om maken – mag u bij Mij brengen. Dat mag u aan Mij vertellen. Kom maar met al uw noden, vooral met uw zonden, bij Mij. Dan zult u merken dat Ik voor u zorg!’

 

Ergens anders in de Bijbel staat: Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn (Ps. 32:8). Dat betekent: Ik zal vertellen wat u moet doen als u het niet meer weet. Ik zal altijd op u letten. Ik zie u, overal waar u naar toe gaat.

Een betere Vader is er niet. Werpt u al uw bekommernis op Hem? Dan zal Hij voor u zorgen! Ook als het moeilijk is, als het anders gaat dan u denkt. Dan ziet het geloof omhoog. U vertrouwt op de Heere alleen. En dat vertrouwen wordt nooit beschaamd!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 146: 3

 

Zalig hij, die in dit leven
Jakobs God ter hulpe heeft;
Hij, die door de nood gedreven,
Zich tot Hem om troost begeeft;
Die zijn hoop, in ’t hach’lijkst lot,
Vestigt op de Heer’, zijn God.