Ds. S.W. Janse - Johannes 19 : 30

Het sterven van de Borg

Zijn dorst
Zijn doel
Zijn dood

Johannes 19 : 30

Johannes 19
30
Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En het hoofd buigende, gaf den geest.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 116: 2, 3
Lezen : Johannes 19: 23-30
Zingen : Psalm 22: 1, 8, 9
Zingen : Psalm 142: 4, 5
Zingen : Psalm 89: 8

Gemeente, in opzien om licht en leiding van boven, willen we het Goede Vrijdagevangelie openen bij Johannes 19 vers 30. Daar lezen wij Gods Woord en onze tekst als volgt:

 

Toen Jezus dan de edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht; en het hoofd buigende, gaf de geest.

 

Deze woorden bepalen ons bij: Het sterven van de Borg.

 

1. Zijn dorst; Toen Jezus dan de edik genomen had…

2. Zijn doel; zeide Hij: Het is volbracht.

3. Zijn dood; en het hoofd buigende, gaf de geest

 

1. Zijn dorst

 

Je ziet geen hand voor ogen. Het is aardedonker. En dat niet zomaar een paar minuten, maar drie uur lang, van 12 uur tot 3 uur ’s middags. Wat moet de tijd dan langzaam gegaan zijn, toch, jongens en meisjes? Stel je voor dat het overdag zomaar donker wordt. Stel je voor dat je ’s avonds alleen thuis bent en de stroom valt uit, de lichten gaan uit. Wat is het dan angstig donker. Maar dit is nog veel erger. Wat is het angstig stil daar op Golgotha. En daar in de stilte strijdt de Borg. Daar hangt Hij in het duister van Gods toorn, van de Godverlatenheid, onder de vloek.

 

Nadat die drie uur voorbij zijn, is het weer licht. Er wordt daar op Golgotha weer gepraat en gespot. Ze doen net alsof er niets gebeurd is. Zo gaat het nogal eens in ons leven, of niet?

 

Dan lezen we in vers 28: Hierna Jezus, wetende dat nu alles volbracht was… Hierna, na alles wat gebeurd is. ‘Ja maar,’ zegt iemand, het is toch nog helemaal niet volbracht? Er zullen toch nog drie kruiswoorden komen?’ Daar hebt u gelijk in. Hierna Jezus wetende dat dit alles volbracht was, zo zouden we het ook kunnen lezen. Wat Hij hiervoor gesproken heeft, maar ook vooral het laatste wat gebeurd is. Dit alles. Ja, het diepste van Zijn lijden. Het smartelijkste, het zwaarste, Zijn zielenlijden. De Vader verborg Zijn vriendelijk aangezicht voor Hem. O, wat een lijden! Hij heeft de toorn van God gevoeld op ongekende wijze.

 

Jezus, wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden… Jezus weet dat de Schrift tot hiertoe vervuld is. Welke woorden dan? Psalm 22. Daar lezen we deze woorden: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Ps. 22:2) Maar er staat in Psalm 22 ook dat ze Zijn handen en Zijn voeten hebben uitgegraven. Dat is ook vervuld, in vers 18: Alwaar zij Hem kruisten. Er staat in Psalm 22 ook dat ze Zijn klederen verdeeld hebben en dat ze het lot er over geworpen hebben, en ook dat is vervuld.

 

Er moet nog wat vervuld worden. Welke woorden? Jezus roept ze uit: Mij dorst. Dat is een begrijpelijke klacht. Hij zal niet veel meer gedronken hebben nadat Hij opgepakt was. Hij heeft veel geleden. Hij is de weg gegaan van Gethsémané naar Kajafas en van Kajafas naar Pilatus, naar Herodes en opnieuw naar Pilatus. Hij is gegeseld. Hij heeft kinnebakslagen ontvangen. En toen de weg naar Golgotha, die kruisweg, en toen is Hij gekruisigd. Dan gaat de koorts door Zijn lichaam.

Mij dorst. Wordt daar niet de geestelijke dorst bedoeld? Inderdaad heeft Christus gedorst, verlangd, gehijgd naar de gemeenschap met Zijn Vader. Maar het is hier vooral een lichamelijke dorst. Hieruit blijkt dat Hij waar mens is, en dat Hij hier hangt met een keel die van droogte ontsteken is (Psalm 69). Daarom: Mij dorst.

 

Er stond dan een vat vol edik, en zij vulden een spons met edik, en omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond. Daar komt een soldaat, jongens en meisjes. Hij grijpt in een vat dat naast het kruis staat, waar edik in zit. Dat is een soort zure soldatenwijn. Dat is heel goedkoop spul; water gemengd met wat azijn. Het is vooral dorstlessend, meer niet. Die soldaten stonden heel de dag bij het kruis. Je begrijpt dat zij dan ook dorst kregen. Ze konden dan wat drinken uit zo’n vat.

Nu roept de Borg het uit: Mij dorst. En dan is er één zo’n soldaat, zo lezen we in een andere evangeliebeschrijving, die een spons pakt. Hij doopt de spons in het vat vol edik. Die spons wordt aan een stok gedaan met hysopstengels eromheen, zodat de spons goed vast zit. Dan wordt het aan Jezus toegereikt.

Is er medelijden bij deze soldaat? Ik denk het niet. Zo medelijdend waren ze niet. Dat blijkt wel als er gezegd wordt: ‘Houd op, Hij roept toch om Elia? Nou, laat Elia Hem verlossen!’ Dat is wel wat anders dan medelijden hebben.

 

Christus roept: Mij dorst. Waarom? Opdat de Schrift vervuld zou worden. Dit staat toch in Psalm 22? We hebben het gezongen: Mijn tong kleeft aan mijn gehemelte (Ps. 22:16). En in Psalm 69, ook een lijdenspsalm: Zij hebben mij edik te drinken gegeven (Ps. 69:22).

Nu roept de Bron van het levende water Zelf: Mij dorst. Waarom? Omdat er hier vanavond zijn die verdiend hebben voor eeuwig te moeten dorsten. Die door Gods Geest ontdekt zijn en uitroepen: ‘Heere, ik heb maar één plaats verdiend (dat zijn geen woorden, maar dat is beleving): Ik heb de dood verdiend. Ik heb geen druppel water verdiend. Ik heb verdiend om straks voor eeuwig om te komen en te zijn op die plaats waar geen water is. Op die plaats waar ik het uit ga roepen met die rijke man: Dat toch Lazarus kome en het achterste van zijn vinger in het water dope, want ik lijd smarten in deze vlam.’

Bent ú dat vanavond? Dan hangt Hij daar, juist in de plaats van zulke mensen, borgtochtelijk. Daar bepaalt Goede Vrijdag ons bij. Borgtochtelijk, dat wil zeggen, jongelui: Hij in plaats van mij, zo zegt Gods kind. Daarom hangt Hij daar te dorsten, opdat ellendigen en nooddruftigen, wier ziel versmacht van dorst, die verlangen naar water, uit Hem gelaafd en gedrenkt kunnen worden ten eeuwigen leven.

Zijn hier vanavond van die dorstigen, die maar één uitzien hebben, namelijk om een druppel van dat levende water te mogen ontvangen? O, dan hangt daar de Borg, opdat u water zou scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils. In deze Christus is op Golgotha een Fontein geopend tegen de zonde en tegen de onreinheid.  

 

Hoe is het nu vanavond? Misschien hebt u helemaal geen dorst naar God en moet u heel eerlijk zeggen: ‘Ja, ik dorst wel, maar niet naar God. Ik verlang wel en ik hijg wel. Ja, maar naar de brakke wateren van de zonde, misschien wel van mijn geld, van mijn rijkdom, van mijn eer, van mijn goede naam.’

Gemeente, we hebben allemaal dorst, maar niet naar God, maar naar de wereld en naar de zonde. Maar geloof je nu echt dat dát de dorst kan lessen? Je moet maar eens zout water drinken, jongelui. Dat brakke water spuug je toch uit? Het zal nooit je dorst stillen. Dat is onmogelijk. Zo is het met de zonde ook. Als de zonde bedreven is, dan is de dorst er nog. De kater komt later.

Waar dorst je naar, jongelui? Misschien wel naar drank. Misschien wel naar muziek. Maar dorst je nu vanavond ook naar God? Kun je vanavond zeggen: ‘Ik kan Hem niet meer missen’?

Hier hangt de Borg. Hij dorst. En dat voor een volk dat gebroken bakken heeft uitgehouwen die geen water kunnen houden. Bakken waarin het water zomaar wegstroomt. Dan zegt Hij het, ook vanavond, ja zelfs tot onbekeerden, tot hen die niet naar Christus en Zijn gerechtigheid dorsten: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke (Joh. 7:37). De nodiging van deze dorstende Borg gaat uit: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. Zondaren zijn welkom bij deze lijdende Christus, bij die dierbare Koning. Die wil, neme het water des levens om niet (Openb. 22:17).

        

We gaan nu letten op:

 

2. Zijn doel

 

We lezen in vers 30: Toen Jezus dan de edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht. Daar klinkt het machtswoord op Golgotha. Eigenlijk is het in het Grieks maar één woord. Maar denk niet dat het niet veel voorstelt! Het is een overwinningskreet, uitgesproken door Hem Die straks dood, hel en graf zal overwinnen.

Het is volbracht. Je kunt met duizend woorden niet zeggen wat dat woord inhoudt. Dit is nu de kern van het Evangelie. Jezus spreekt dit zesde kruiswoord uit. En wat luister je altijd goed naar iemand die nog wat gaat zeggen als hij gaat sterven, toch? Heel vaak vragen we dan: ‘Heeft hij nog iets gezegd? Wat waren zijn laatste woorden?’ Daar hechten we heel veel waarde aan, en dat is begrijpelijk. Toch gaat het er vooral om hoe mijn leven is, en niet direct om wat ik nog gezegd zou hebben.

Hier gaat Christus helder nog een paar woorden zeggen voordat Hij afscheid gaat nemen van deze aarde. Als we dan al zoveel waarde hechten aan woorden van mensen die ons lief en dierbaar zijn, dan zouden we toch wel héél veel waarde moeten hechten aan deze woorden van de Zoon van God.

   

Het is volbracht, zo zijn één van Zijn laatste woorden. Dat woord vinden we al aan het begin van de Bijbel. Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde (Gen. 2:1). We vinden het ook aan het einde van de Bijbel, in Openbaring 21 vers 6: Het is geschied. En hiertussen vinden we dit woord op Golgotha: Het is volbracht.

Wie spreekt deze woorden uit? Christus, Die gezalfd is tot de hoogste Profeet. Wat heeft Hij veel woorden uitgesproken tijdens Zijn leven. Je zou het eens na moeten gaan wat Hij allemaal gezegd heeft. Wat heeft Hij gepredikt. Wat zijn Zijn woorden enkel wijsheid geweest. Ja, wat druppen Zijn lippen van vloeiende mirre! Maar zeker nu, nu Hij deze woorden uitspreekt. Hier is het vleesgeworden Woord aan het woord.

Het is volbracht. De hoogste Profeet, de Leraar ter gerechtigheid, en de enige Hogepriester spreekt hier. Hij Die Zijn ziel tot een schuldoffer gesteld heeft. Het is opmerkelijk: die Hogepriester is Zelf ook het altaar. Paulus zegt: Wij hebben een Altaar (Hebr. 13:10). Christus, Die Zelf ook het Lam is. Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Hij spreekt hier. Hij gaat de dood in voor goddelozen. Want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden (Hebr. 10:14).

Hier is de eeuwige Koning aan het woord. Jongens en meisjes, een koning verwacht je niet aan een kruis. Toch heeft er iemand gezien dat daar een koning hangt. Weet u wie? Die moordenaar. Hij zei: Als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn (Luk. 23:42). Die man geloofde de woorden die op het bordje boven Jezus’ hoofd geschreven stonden: De Koning der Joden. Die woorden waren spottend bedoeld. Er hangt hier een eeuwige Koning Die uitroept: Het is volbracht. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

 

Jezus wist dat alles volbracht zou worden. We hoorden het al in vers 28. Nu, op dit ogenblik, spreekt Hij het uit. Jongelui, je hoort hier geen zucht van verlichting. Dat zou je kunnen verwachten als daar een mens hing die blij zou zijn wanneer hij van zijn lijden verlost is. Iemand die blij is dat het voorbij is en dat het erop zit. Nee, o nee! Hier is het een jubelkreet: Het is volbracht. En dat roept Hij niet zomaar zachtjes. Dat is ook iets bijzonders. Iemand die gaat sterven roept over het algemeen niet met een grote stem. Maar Jezus roept deze woorden uit met een grote stem: Het is volbracht.

Wat staat er eigenlijk in het oorspronkelijke? Daar staat eigenlijk: Het doel is bereikt. Dat woord werd in de tijd van de Bijbel ook wel gebruikt. Een jongen werkt bij zijn baas. Zijn baas geeft hem een opdracht om vandaag dit en dat te doen. En wanneer die jongen terugkomt zegt hij: ‘Het is volbracht.’ Dat wil zeggen: het zit er op, ik heb gedaan wat u vroeg. Dat zegt Christus hier ook: Ik heb voleindigd het werk dat Gij Mij gegeven hebt om te doen (Joh. 17:4). ‘Vader, het is volbracht.’

 

‘Ja,’ zegt iemand (en dan komt die vraag weer naar voren, net als bij vers 28), ‘hoe zit dat dan? Het is toch nog niet volbracht nu? Er volgt hierna toch nog het kruiswoord Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest? En er moeten toch nog heel veel dingen uit het Woord vervuld worden, bijvoorbeeld dat geen van Zijn benen gebroken zal worden? Het moet nog vervuld worden dat Hij bij de rijke in Zijn dood geweest is. Hoe kan dan hier staan: Het is volbracht?’

Gemeente, Jezus ziet als het ware over alles heen. Hij twijfelt er niet aan of Hij Zijn werk tot een volkomen einde zal brengen. Christus mag dat wat nog komen gaat er bij insluiten. Daarom roept Hij het uit. Hij is er van overtuigd in het diepst van Zijn ziel dat Zijn Vader Hem heeft gezonden, en zal Hij dan het werk niet afmaken?

 

Het is volbracht. Het doel is bereikt: de eer van God, de zaligheid van de Kerk. Ja, Hij heeft het arbeidsloon verzameld. Hij heeft het bijeengebracht om het de Vader straks voor te stellen. Hij heeft de deugden van God, die door de zonde geschonden zijn, weer hersteld. Daarom roept Hij het uit: Het is volbracht. Hij zegt niet: ‘Ik heb het volbracht’, maar: ‘Het is volbracht.’ Het is of Hij naar de Vader wijst, Die deze zware taak op de schouders heeft gelegd van Zijn lieve Zoon. Zelfs aan het kruis heeft Hij nog de eer van Zijn Vader op het oog. Zo is nu de Zaligmaker. Hij heeft nooit Zichzelf bedoeld. Dat is wel wat anders dan bij ons, op en onder de kansel. Wij die onszelf bedoelen. Maar Hij is volmaakt. Het was Zijn spijze om te doen de wil van Zijn Vader.

 

Toen Jezus dan de edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht.

Al die andere kruiswoorden hebben een adres, maar hier lijkt het wel of Jezus het zomaar zegt. Eén van de verklaarders merkt op dat dit kruiswoord wel degelijk een adres heeft.

Het is allereerst gericht aan de Vader. Het is een aangenaam woord voor de Vader geweest. Hij heeft hier het ‘amen’ uitgesproken op het hogepriesterlijk gebed. Want het gebed in Johannes 17 eindigt niet met ‘amen’. Hier op het kruis gaat de Borg er als het ware ‘amen’ aan toevoegen.

Dit kruiswoord is niet alleen een aangenaam woord voor de Vader, maar ook een verschrikkelijk woord voor de satan, zo merkt dezelfde verklaarder op. Satan, dat is: tegenstander, vijand, verwoester. ‘Zeg satan, besef je nu wel dat je spel uit is? Beef, satan, op dit ogenblik. Je kop wordt vermorzeld. Ja, Ik ben gekomen om de werken van u, satan, te verbreken.’ Is het geen vreselijk woord geweest voor de vorst der duisternis, die zelfs alles in het werk gesteld heeft om dit maar niet te laten gebeuren? Die zelfs de discipelen gebruikt heeft, vooral Petrus, om Christus te dwarsbomen op Zijn kruisweg, zodat Hij de dood niet zou sterven. ‘Het zal u geenszins gebeuren!’ Maar hier… een vreselijk woord voor satan.

Maar het is ook een rijk woord dat hier gesproken wordt. Je zou kunnen zeggen: Het is volbracht is het rijkste woord van de Zoon. Hij heeft zoveel woorden uitgesproken. We hebben het al gezegd. Dit is één van de bijzonderste woorden geweest. Woorden die het waard zijn om vanavond overdacht te worden. Woorden die daarom ook met nadruk zijn uitgesproken.

Dit woord wordt vanavond ook nog gehoord in onze gemeente. Zó hard heeft de Borg geroepen, dat het vanavond als het ware weergalmt: Het is volbracht!

 

Wat is er dan volbracht? Zijn lijden, naar de ziel, maar ook naar het lichaam. Hij is niet weggevlucht voor het lijden. Nee, Hij is gehoorzaam geweest tot de dood. Dat lijden is volbracht.

Wat is er nog meer afgerond? Hij is gehoorzaam geweest aan de wet van God. En wat zegt die wet? Die wet zegt: ‘Doe dat en gij zult leven.’ En nu heeft de Borg als Enige die wet kunnen onderhouden.

Wat heeft Hij nog meer volbracht? Dat wat beloofd was. Wat was er dan beloofd? Lees Jesaja 53 maar. Maar wat was het ook in de tabernakel zichtbaar dat Christus zou gaan sterven. Wat droop daar een bloed, jongelui! De priesters stonden bij het brandofferaltaar ten tijde van het paasfeest tot hun knieën in het bloed. Het wees allemaal naar het Lam Dat geslacht zou worden. En dat is nu volbracht.

We noemen de tempeldienst wel de schaduwendienst. Als je een schaduw ziet komen, dat weten jullie wel, jongens en meisjes, dan komt er iemand aan. Dat zeggen de tempeldienst en de tabernakeldienst ook: Er komt Iemand aan. Hij is nu gekomen, het Lam Gods. Het is volbracht.

 

Is er nog meer? Ja, er moet betaald worden voor de schuld. En dat is nu gebeurd. Het heeft daadwerkelijk plaatsgevonden. Of hebt u geen schuld vanavond? De schuld van zestien jaar misschien? De schuld van veertig jaar? De schuld van tachtig jaar? Een hemelhoge schuld. Dat is niet zómaar iets. We staan in het rood bij de Allerhoogste. We zijn failliet gegaan in het paradijs. En we liggen er geen nacht wakker van. We gaan fluitend verder, en het zal ons een zorg zijn wie die schuld zal betalen. Nu hangt hier Iemand Die de schuld van de Zijnen gaat betalen en hééft betaald.

Denk nu niet gering over uw schuld, gemeente. Ik herinner me dat we op de Theologische School eens uit moesten rekenen hoeveel talenten schuld die man in de gelijkenis had. Tienduizend talenten. Als je dat uitrekent, jongelui, weten jullie wat er dan op je rekenmachine staat? Error. Neem dat nu maar eens mee vanavond. Dat is nu je schuld. Error. Zo groot, zo veel, dat kun je niet eens uitdrukken in getallen. Dat kun je niet beschrijven.

Hier hangt Hij voor de schuld van Zijn uitverkoren Kerk. Hij heeft betaald voor mensen die een Ander nodig hebben leren krijgen. Voor mensen die geleerd hebben dat ze zelf tot in der eeuwigheid niet kunnen betalen. Mensen die aan het recht van God niet kunnen voldoen. Daarom wordt Goede Vrijdag wel de betaaldag van de Kerk genoemd. Hij heeft tot de laatste cent alles betaald. Daarom roept Hij uit dat Hij genoeg gedaan heeft aan de waarheid en de gerechtigheid Gods.

Het is volbracht. Als vroeger iemand een bepaalde schuld betaald had, kreeg hij een bewijs, een kwitantie. Daar stond op: voldaan, het is volbracht. het is betaald. Zo heeft Jezus hier de schuld van Zijn Kerk betaald.

 

Wat is er nog meer volbracht? De toorn van God tegen de zonde is geblust. Daar moet je ook niet gering over denken. De Heere mocht wel een bewogen hart geven. We kunnen het zo makkelijk zeggen: de toorn van God. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Maar wat is dat nu? De toorn van God, dat is die brandende, heilige afkeer die de Heere heeft over elke zonde die ik doe, in verleden, heden en toekomst, met gedachten, woorden en werken.

Besef je dat, gemeente, jongelui? Er brandt als het ware een vuur boven je hoofd. Dat is de toorn van God. Straks, als ik sterf, zal het vuurwerk van Gods toorn, de vuurgloed van Gods toorn op me neerdalen. En hoe kan ik dan toch bestaan als er geen Ander is Die deze toorn op Zich genomen heeft? De Kerk mag door genade weten dat de toorn van God op Christus neergedaald is. Hij in hun plaats. Die woede van God is uitgeblust op de Zoon. Ja, Hij heeft de hitte van Gods gramschap geblust.

Wat is er nog meer volbracht? De zaligheid is aangebracht. De vrede met God. Ja, de verzoening. Juist door betaling, door voldoening. Daarom kan Christus het uitroepen: Het doel is bereikt: de eer van God en de zaligheid van zondaren.

 

We zingen eerst Psalm 142: 4 en 5:

 

’k Wou vluchten, maar kon nergens heen,

Zodat mijn dood voorhanden scheen,

En alle hoop mij gans ontviel,

Daar niemand zorgde voor mijn ziel.

 

Ik riep tot U, ik zeid’: O Heer’,

Gij zijt mijn Toevlucht, sterkt’ en eer;

Gij zijt, zolang ik leef, mijn deel,

Mijn God, Wien ik mij aanbeveel.

 

Het sterven van de Borg. We hebben in de eerste gedachte Zijn dorst overdacht. In de tweede gedachte stonden we stil bij Zijn doel. Daar zijn we nog mee bezig.

We hebben gehoord dat het woord Het is volbracht een aangenaam woord voor de Vader is. Het is een vreselijk woord voor satan. Het is het rijkste woord van de Zoon. En gemeente, het is vanavond een troostwoord voor verlorenen in de kerk.

Een troostwoord? Ja, voor een volk dat altijd maar aan het werken, aan het zwoegen is. Misschien ben je zo vanavond wel naar de kerk gekomen. Je hebt de eis van de wet gevoeld, die zegt: ‘Betaal mij wat gij schuldig zijt.’ En maar werken, net zolang tot u zichzelf dood werkt. Want aan de eis van die wet kunt u nooit voldoen. Dat is onmogelijk.

Misschien bent u ernstiger geworden. Misschien kunt u hartelijk bidden. Misschien kunt u meezingen in Gods huis. Misschien onderzoekt u het Woord. Maar dat u toch voelt: er moet betaald worden. ‘Heere, is er enig middel bij U vandaan, waardoor ik die welverdiende straf kan ontgaan en wederom tot genade kan komen?’

Wat predikt dit kruiswoord dan voor mensen die alles maar zelf doen? Voor van die doe-het-zelvers? De Heere zegt: Het is volbracht. Het is daar op Golgotha gebeurd. Daar heeft de Zoon het werk afgerond. En daarom hoeft er niets meer bij van de kant van de mens. Daarom kán er niets meer bij. Want als Hij het doet, dan doet Hij het goed en volmaakt. Dan maakt Hij het Zelf af. Daarom mág er ook niets meer bij. Alles ligt buiten onszelf, in Hem alleen.

 

Daarom komt vanavond vanuit deze tekstwoorden de boodschap van Paulus: Die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid (Rom. 4:5).

Wat is dat toch een Evangelie, gemeente, voor een doodschuldig volk. De Heere zegt vanavond: ‘Houd nu eens op met dat werken!’ We kunnen zo bezig zijn om God te behagen, om aangenaam te worden en bij de hemel in een goed blaadje te komen. Hoe we dat ook inkleden en misschien toedekken. Maar de Heere zegt: ‘Uw beste werken zijn nog met zonde bevlekt. U kunt onmogelijk voor Mij bestaan in dat gericht. Alleen in Christus, alleen in Hem Die het heeft uitgeroepen: Het is volbracht.’

Daarom hebt u het kleed van Christus’ gerechtigheid nodig. Als de Vader dan Zijn Kerk ziet staan, dan ziet Hij ze staan in Christus, zonder vlek en zonder rimpel. Ja, volmaakt, want Hij heeft het volbracht. De Kerk wordt uit genade zalig, door het geloof, en niet uit de werken.

Wat is nu goed in de ogen van de Vader? Zijn eigen werk. Het werk van Zijn Zoon. Dat is zuiver. Daarmee is God tevreden gesteld.

Daarom is ‘Het is volbracht’ een troostwoord voor mensen die moeten ervaren dat hun werk nooit af is. Een troostwoord voor mensen die zo vaak hun eigen eer op het oog hebben. Mensen die zichzelf bedoelen. Zie hier eens die Borg. O, laat uw oog dan eens gaan naar Golgotha. Daar hangt Hij, Jezus Christus, Die de eer van Zijn Vader volkomen en volmaakt heeft bedoeld. U die in het ontdekkende werk van de Heilige Geest moet ervaren: ‘Gij hebt God niet verheerlijkt’, hier hangt er Eén Die zegt: ‘Vader, verheerlijk toch Uw Naam.’

Ja, het is een troostwoord voor mensen die elke dag struikelen in vele. Mensen die moeten zeggen die wet dagelijks te overtreden. Misschien staat u van verre bij dat kruis. Kom dan vanavond maar eens dichterbij. Daar hangt nu de Wetsvervuller, voor wetsovertreders!

 

Het is volbracht, zo zegt Christus in deze tekst. Je zult maar met het doodvonnis op zak lopen. Daar hoef je geen tachtig voor te zijn, dat kan ook als je negentien bent. Je zult de dood maar voor ogen zien. Je hebt van harte meegezongen uit Psalm 142 dat je geen kant meer op kunt: ‘k Wou vluchten maar kon nergens heen. Dat je moet zeggen: ‘Heere, wie kan er dan nog zalig worden?’ Je hebt iets gevoeld van een rechtvaardig God Die de zonden niet door de vingers ziet. Het zou toch geen Rechter zijn die zegt: ‘Laat maar doen, die zonde is zo erg niet’? De hemelse Rechter is rechtvaardig. En wat is nu recht, jongelui? Wat is ‘rechtvaardig’? Dat is een moeilijk woord. Rechtvaardig is dat wat is naar de wet van God. Dat wat beantwoordt aan Zijn gebod, dat is voor de Heere recht. Dat is volmaakt. Je zult maar in de kerk zitten en er door Gods genade achter gekomen zijn dat je leven niet meer recht is! Wat een troostwoord dan voor zulke rechtelozen die op alles de dood moeten schrijven: hier hangt Jezus, Die straks het leven gaat aanbrengen. Het is niet voorbij op Goede Vrijdag. Dat lijkt wel zo, maar Jezus zal straks opstaan uit de dood.

 

Voor mensen die het met de Heere eens mogen worden, die als zondaar voor God mogen buigen, voor hen die moeten sterven aan hun eigen werken, heeft Christus onder het recht gebogen. Voor hen die moeten sterven aan alles wat geen God en Christus is, voor hen is Christus gestorven.

Het is volbracht. Christus wil als het ware zeggen: De weg naar het Vaderhuis is door Mijn arbeid weer geopend. Daarom heeft de Kerk een Voorspraak bij de Vader. Is dat geen troostvol woord?

 

Maar het is ook een veroordelend woord. Het gaat vanavond niet alleen over Gods volk. De prediking komt ook tot onbekeerden. Als we nu nog onbekeerd zijn en het gaat over het kruiswoord: Het is volbracht, het doel is bereikt, dan moet u vanavond eerlijk zeggen: ‘Dat doel is helemaal niet bereikt in mijn leven.’ Want u hebt dat doel gemist. Dat is toch zo als je onbekeerd bent, jonge vrienden?

Wat is nu je levensdoel? Dat je leeft tot eer van de Heere. Maar in het paradijs is het verkeerd gegaan. Daar zijn we van God afgevallen. Ik heb dat doel gemist om te leven tot Gods eer, net als die voetballer die het doel heeft gemist. Dat is mijn beeld. Daarom veroordeelt dat woord mij als ik onbekeerd ben en ik nog voor eigen rekening leef.

Dan zegt de Heere vanavond: ‘Dan zult u het zelf moeten volbrengen. Als u zich niet door een Ander wil laten zaligen, dan zult u er straks in uw leven achter komen dat u voor de rechtbank van God met lege handen staat. Dat u geen bloed hebt tot verzoening.’

Kom, gemeente, dat is toch huiveringwekkend? Kun je dan voor God bestaan en voor God verschijnen? Er gaat van deze Goede Vrijdagdienst een woord uit ook naar hen die zonder God in de wereld leven. Voor hen die het zelf denken te redden, maar die het straks zullen horen: ‘Gaat weg van Mij, gij vervloekte, in het eeuwige vuur.’

 

Wat predikt Goede Vrijdag ook voor onbekeerden? Niet alleen dat we het doel gemist hebben, niet alleen dat we tegen God opgestaan zijn, maar het predikt ons ook dat er zelfs voor zulke zondaren bloed is. Leest u maar in vers 34: En terstond kwam er bloed en water uit. Dat is ook de prediking vanavond. We zouden het Woord geen recht doen als we dat niet zouden zeggen.

Zelfs op Goede Vrijdag zijn er mensen tot God bekeerd. Simon van Cyrene is er goed mee geweest dat hij het kruis mocht dragen. De moordenaar aan het kruis, die zo dicht bij de Borg mocht zijn, is gered. De hoofdman die uitriep: Waarlijk, Deze was Gods Zoon (Matth. 27:54).

Zijn er nu hier van zulke overtreders? O, dat bloed heeft zelfs gevloeid voor moordenaars. En dat bloed stroomt nóg. Het stroomt van die kruisheuvel af en het komt ook hier in onze gemeente terecht. Die beek met bloed is nog ruim en wijd. Daar kan iedereen bij. Dat bloed is nog te krijgen. Ja, om niet. Is dat woord wel eens in je ziel gezonken? Dat bloed is gratis en voor niets beschikbaar voor de grootste der zondaren. Hoe zeggen onze Dordtse vaderen dat? Dat bloed is van oneindige kracht en waardigheid, overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonden van de ganse wereld.

Eén van de oudvaders zegt: ‘Als je de duivel zelf niet bent, dan is er overvloed in dat bloed.’ Het kan zélfs voor hen die dat bloed onrein achten. En dat doe je als je vanavond naar huis gaat en gewoon koffie gaat drinken en over van alles en nog wat babbelt, maar niet in de binnenkamer terechtkomt en zegt: ‘Heere, geef mij toch dat bloed, want het kan zelfs voor mij. Dat heb ik vanavond gehoord.’ Al wat u ontbreekt, schenkt Hij, zo gij het smeekt, mild en overvloedig.

Denk dan niet karig van de Heere, jongelui. Je bent welkom bij deze Zaligmaker, al had je al de zonden van alle mensen gedaan! Komt dan, en laat ons tezamen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1:18)

Golgotha predikt recht en genade. De Heere bewijst in een rechte weg genade. Niet op een andere manier. De bloedende Borg breidt Zijn armen uit en zegt: ‘Ik ontvang zondaren en eet met hen.’

 

We sluiten af met de derde gedachte:               

 

3. Zijn dood

 

We lezen in vers 30: En het hoofd buigende, gaf de geest. Jezus spreekt het laatste kruiswoord uit. Hoe doet Hij dat? Dat doet Hij met grote stem, zo lezen we in Lukas 23. Voordat Hij het hoofd buigt en de geest geeft, roept Hij uit: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. Het is opmerkelijk dat Hij het zo zegt. Het is of Hij zeggen wil: Vader, Ik geef Mijn leven aan U terug. Vader, Ik geef Mijn levensadem, Mijn geest, in Uw handen ter bewaring.

Als je op vakantie gaat en je hebt heel veel sieraden, dan geef je die sieraden misschien wel af bij een ander. Dan vraag je: ‘Wil jij ze bewaren?’ Jezus zegt hier: ‘Vader, hier hebt U alles wat van Mij is. Ik geef het aan U, opdat U straks op de opstandingsdag dat onvergankelijke leven weer aan Mij terug zult geven.’

Dan is Zijn ziel in goede handen. Ja, de vijanden denken wel dat ze Zijn lichaam kunnen doden, maar ze kunnen Zijn ziel niet doden.

 

Er staat zo opmerkelijk: En het hoofd buigende, gaf de geest. Niet andersom. Zo gaat het vaak als iemand sterft. Dan geeft hij de geest en dan zakt het hoofd opzij. Aangrijpend. Maar hier is het precies andersom. Hij buigt het hoofd, alsof Hij zeggen wil: Ik ben ertoe bereid. Ik ga sterven. En dan geeft Hij de geest. Hij sterft niet als martelaar, maar als Middelaar. Als de Koning der koningen Die er Zelf klaar voor is, Die de dood tegemoet treedt.

Het hoofd buigende gaf Hij de geest. De God der geesten van alle vlees geeft Zelf de geest. Hij Die het Leven is blaast de laatste levensadem uit. Ja, Hij legt het leven af. En als iemand sterft, dan is het leven voorbij en dan begint de eeuwigheid. Ja, zo hebben de mensen die eromheen staan het ook ervaren. De discipelen in het bijzonder. Het is over en uit. Ze hebben daar een dode Jezus zien hangen. Hun hoop en verwachting is vergaan.

Dan wordt Jezus begraven. De steen gaat voor het graf. De wacht staat erbij. Het graf gaat op slot; het wordt verzegeld. Dan is het voor eeuwig voorbij. De Zaligmaker is dood.

 

Toch, gemeente, hoeven we zo niet te eindigen. Want: Het is volbracht. Weet u het nog? Het is een jubelkreet. Het is een overwinningskreet. Het is of we hier al iets van Pasen horen.

Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. Jongens en meisjes, de kinderen in Israël baden dat gebed elke avond voordat ze naar bed gingen. Het was eigenlijk een avondgebedje. Jij zegt waarschijnlijk: ‘Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide ogen toe.’ Maar die kinderen in Israël baden dít gebed: Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest. Waarom bid jij zo’n avondgebed? Omdat je hoopt dat je morgen weer een nieuwe dag mag krijgen. En zo heeft de Heere Jezus dit gebeden met het oog op de morgen van Zijn opstandingsdag.

Daarom gloort er hoop op Goede Vrijdag. Straks op Pasen zal de Vader het ‘amen’ laten horen. Ook al schijnt het nu in de dood te eindigen, de Vader zal het ‘amen’ uitspreken over Het is volbracht, en zeggen: ‘Zoon, U hebt Uw werk volkomen gedaan.’

 

Kom, gemeente, is het al volbracht in uw leven? De boodschap is al zo vaak tot u gekomen. Deze Jezus sterft, maar Hij hangt nog met geopende armen. Die bloedende Borg nodigt nog tot het laatste toe: Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts. Tot de verstandeloze zegt Hij: Komt, eet van Mijn brood, en drink van de wijn die Ik gemengd heb (Spr. 9:4-5).

 

Jongens en meisjes, Jezus’ bloed vloeide op Golgotha. En dat bloed heb jij nodig. Niet morgen, maar vandaag. Dat bloed kun je niet missen. Misschien heeft je moeder – als je een moeder hebben mag – een allesreiniger in de kast staan. Je hoort in de preek vast wel eens de uitdrukking: het allesreinigend bloed van Christus. Daar gaat het nu over. Dat bloed reinigt al jouw zonden. Ga daar nu om smeken. Want er is haast bij.

Jongelui, Goede Vrijdag is de sterfdag van Christus. Zelf zie je niet uit naar je sterven. Misschien zeg je: ‘Daar moet ik niet aan denken. Als ik moet sterven zal het niet zo’n beste dag zijn.’ Haast je dan, ja spoed je dan om je levens wil. Deze Goede Vrijdag bepaalt jou er bij dat jij eenmaal moet sterven, net als de Borg. Kan het dan? Is je paspoort getekend met dat bloed van Jezus? Zo niet, zoek Hem en leef!

 

Kerk des Heeren, het is vandaag uw betaaldag. U mag zingen: ‘De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan.’ Al kun je er misschien helemaal niet bij en zeg je: ‘Heere, wat is dat groot.’ Al moet je zeggen dat het geloof zo zwak is en zo bestreden wordt. Maar het is waar wat hier staat: Het is volbracht. Zoek dan verberging in Zijn wonden. Zoek genezing onder de schaduw van Zijn vleugelen. Want alles, ja álles is volbracht!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89: 8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen

Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.