Ds. L. Huisman - Genesis 32 : 26

Onderwerp

Genesis 32
Gods aangezicht zien en sterven - Gods aangezicht zien en leven
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 6) van ds. L. Huisman (gepubliceerd op www.dshuisman.nl)

Genesis 32 : 26

Genesis 32
26
En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 54: 1, 3
Lezen : Genesis 32
Zingen : Psalm 6: 1, 2, 3, 9
Zingen : Psalm 44: 2
Zingen : Psalm 25: 7, 10

Vandaag wil ik u het Woord van God prediken, dat u vindt in het hoofdstuk dat wij gelezen hebben, Genesis 32 en daarvan het 26ste vers:

 

En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.

 

Wij hoeven natuurlijk de gehele geschiedenis uit dit hoofdstuk niet toe te lichten. Reeds door het lezen van het hoofdstuk staat u alles weer helder voor de geest. Deze wel zeer bekende geschiedenis van Jakob en zijn terugkeer naar het beloofde land, maakte – toen wij kind waren – al diepe indruk op ons. Wij konden het zo goed begrijpen wat het voor Jakob betekende, als hij na twintig jaar van afwezigheid, eindelijk door God geroepen wordt om terug te keren naar het beloofde land.

 

Twintig jaar lang is hij bij zijn oom Laban geweest. Twintig jaar! Een lange tijd, vooral omdat de godsvrucht in het huis van Laban nu niet beslist voorbeeldig was. Integendeel. Als Jakob vertrokken is, mist Laban zijn goden. En dan maakt hij zelfs een krijgstocht om zijn goden weer terug te krijgen.

Het is waar, hij zweert wel bij de God van Abraham. Maar het is om zijn goden weer terug te krijgen. Het was dus een mengeling van ware dienst aan God met valse godsdienst. Halfslachtigheid. Christendom en heidendom dooreen gemengd.

En in die plaats en onder die omstandigheden heeft Jakob nu twintig jaar verkeerd. Twintig jaar, waarin hij gezorgd heeft voor de kudden van zijn oom. Twintig jaar van harde dienstbaarheid, waarin hem bij dag de hitte van de zon en bij nacht de kou verteerde. Twintig jaar, waarin hij meermalen door zijn oom bedrogen was.

Toen hij zeven jaar gewerkt had voor een vrouw, gaf Laban hem op een bedrieglijke wijze een vrouw die hij nooit begeerd had en moest hij nog zeven jaren werken om de vrouw te krijgen naar wie zijn hart uitging. En ook in het verkrijgen van zijn kudden zei hij tot Laban: Gij hebt mijn loon tien malen veranderd (Gen. 31:41). Steeds opnieuw heeft Laban het loon van Jakob veranderd.

Totdat uiteindelijk het bevel des Heeren kwam: Jakob, nu is het genoeg. Ik heb u gezegend. Onder verdrukking bent u groot geworden. Onder miskenning heb Ik u gezegend. En na alle ellende: kijk eens wat een leger! Wat een leger van schapen en koeien, van kamelen en ezels! Als u alleen al bedenkt dat wanneer hij zich straks met zijn broeder Ezau wil verzoenen, hij hem vijf kudden zendt. Het staat opgetekend: 580 dieren, aan koeien, schapen, ezels en rammen. Dat is een geschenk dat hij zomaar even aan Ezau geeft. U kunt dus wel begrijpen wat een machtige herdersvorst Jakob geworden is. Onder verdrukking en onder kruis en onder moeiten heeft God hem toch telkens goed gedaan.

 

Maar wanneer hij dan uiteindelijk terugkeert naar het beloofde land, naar het land van zijn vaderen, naar het land dat de Heere aan Abraham, aan Izak en ook aan Jakob zelf beloofd had te zullen geven, dan is Jakobs blijdschap toch niet volkomen. Dan is er toch iets wat aan zijn blijdschap knaagt.

Het is waar, de Heere heeft even tevoren nog bewezen dat Hij Jakob niet in de steek laat. Dat was toen Laban met een machtig leger was gekomen om hem terug te halen. En dat was van Laban toch ook wel weer te begrijpen. De wijze waarop Jakob van Laban is weggegaan, wekt niet onze bewondering op. Hierin was hij zeker niet een geloofsheld. Want als Laban naar het schaapscheerdersfeest gegaan is, knijpt Jakob er stiekem tussenuit. Het is dus geen wonder dat Laban eerst wel eens gedag wil zeggen, op een fatsoenlijke manier afscheid wil nemen.

Maar Laban wil meer en dat wil de Heere niet. Laban wil Jakob vasthouden. Maar de dagen van Jakobs vreemdelingschap zijn door God geteld. En nu mag Laban, nu kan Laban hem zelfs niet vasthouden.

Doch God kwam tot Laban, de Syriër, in een droom des nachts; en Hij zeide tot hem: Wacht u dat gij met Jakob spreekt noch goed noch kwaad (Gen. 31:24). Je zult hem niet tegenstaan en hem noch door beloften, noch door bedreigingen terugbrengen. Ik waarschuw je.

 

En als Laban daar gehoor aan geeft (aan de stem van God die zelfs nog tot Laban komt), dan verschijnt de Heere aan Jakob, na het afscheid van Laban, in een leger van engelen. ‘Deze plaats is vreselijk,’ zegt Jakob. ‘Mahanaïm - twee heerlegers Gods.’

Ja, zou je zeggen, als je nu toch een leger van engelen gezien hebt, dan hoef je toch niet meer bang te zijn? Dan weet je toch dat niets op deze wereld je meer kan deren? Het is waar, het is groot Gods beloften te mogen ontvangen, het is groot Gods bescherming te mogen ervaren, het is groot door Gods engelen te worden omringd, maar… het leven is niet de bewaring door engelen. Het leven is het zien van Gods aangezicht!

En nu kon Jakob met al die zegen die hij had gekregen, toch Gods aangezicht niet zien. Wij zeiden dat er iets was in zijn hart dat knaagde aan zijn levensgeluk. Want ach, hoe heeft hij eigenlijk die zegen gekregen? Die zegen heeft hij niet gekregen in een oprechte weg waarmee hij altijd open en eerlijk voor God kon staan en tot Hem naderen. Die zegen heeft hij gekregen in een weg van bedrog, in een verkeerde weg. En dat knaagt altijd aan het levensgeluk van Jakob.

Hij is nu wel de gezegende, maar – het is eigenaardig – we lezen nergens dat Jakob heeft durven pleiten voor God op de zegen die hij in een weg van omkoperij en van gesjacher van Ezau gekocht heeft. Hij durft er niet mee voor God te komen. Hij durft nimmer te zeggen: ‘Heere, die zegen van het eerstgeboorterecht, weet U wel, die ik gekocht heb van Ezau voor een schotel linzenmoes, daarom zult Gij mij toch wél doen?’ U leest het nergens.

 

Nee, Jakob moest het leren dat de verbondsweldaden - dat waren het – dat de verbondsweldaden niet in deze weg geschonken worden aan zondaren. Dat Gods gunst niet gekocht kan worden. Dat moest Jakob leren en dat moeten wij ook leren. Wij moeten leren dat, ook al zijn we dan kinderen der belofte, ook al zijn we dan kinderen des verbonds in bepaalde zin, die zegen niet zomaar automatisch tot ons komt. Dat die zegen niet door ons verdiend kan worden door wat vroomdoenerij. Dat die zegen niet tot ons komt door allerlei list, door allerlei bedrog. Dat die zegen alleen realiteit wordt in ons leven in een weg van bidden en smeken, in een weg van verloren gaan, in een weg van sterven, in een weg van opgeven, van prijsgeven, in een weg van voor God neervallen.

In die weg alleen krijgt de zegen waarde. Wij moeten niet denken dat we het hemelrijk kunnen binnengaan op grond van een door ons toegeëigende zegen. Al zou dan ook formeel alles in orde zijn, al zou Jakob dan kunnen zeggen: ‘Maar vader Izak heeft mij toch gezegend en hij heeft mij gezegend in de naam van de allerhoogste God. En die zegen is geldig.’ Dan rijst toch de vraag: ‘Maar Jakob, hoe ben je er aan gekomen? Dan mag dat formeel in orde zijn, maar hoe ben je er aan gekomen?

De weg die daartoe leidde, was een weg die verkeerd was in de ogen des Heeren. Jakob, daar heeft u al iets van gezien, daar heeft u al iets van geleerd in die twintigjarige ballingschap. Toen heeft u dat bedrog, waardoor u de zegen ontvangen heeft, ook in uw leven moeten ervaren. Laban heeft niets anders gedaan dan u bedrogen en nog wel in het tederste van uw ziel, in de liefde. Bedrogen, telkens weer opnieuw.’

 

Maar een mens geeft het zo gauw niet gewonnen. Jakob keert toch terug naar het beloofde land. En dan zien we hem met zijn vrouwen, met zijn kinderen, met zijn bezittingen en met zijn knechten en dienstmeisjes naar het beloofde land trekken. En als hij dan zo ongeveer aan de grens gekomen is, zendt hij boden naar zijn broer Ezau.

Die woont daar in dat land. Die is intussen ook rijk en machtig geworden en het heeft hem aan zegeningen voor dit leven niet ontbroken.

Als Ezau de woorden zijns vaders hoorde, zo schreeuwde hij met een grote en bittere schreeuw gans zeer; en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader (Gen. 27:34). En Ezau is gezegend geworden. Hij heeft misschien, naar aardse maatstaven gerekend, een nog veel grotere zegen gekregen dan Jakob. Kijk maar eens. Hij heeft een leger van vierhonderd man. Daarmee trekt hij straks zijn broer tegemoet.

Als Jakob dat hoort, ontvalt hem alle hoop. Want als hij een bode naar Ezau zendt met het bericht dat hij er aankomt en in boetvaardigheid en in nederigheid zich als een knecht van Ezau voorstelt, dan is er alleen het antwoord dat Ezau hem tegemoet komt, met vierhonderd man.

Ezau heeft niets willen zeggen. Ezau heeft niet gezegd: ‘Zeg maar tegen mijn broer Jakob dat er niets aan de hand is, dat hij wel weer terug mag keren en dat ik niet meer boos ben.’ Hij heeft alleen gezegd: ‘Ik kom.’

En ze hebben het wel gezien: met vierhonderd man komt hij Jakob tegemoet. Jakob krimpt ineen. Hij laat zijn bezittingen, zijn vee dus, zijn knechten, zijn vrouwen en zijn kinderen over de grens trekken. Maar hij blijft alleen aan deze zijde van de grens. Helemaal alleen! Daar heeft hij behoefte aan.

 

Ja, dat is toch echt weer een trek van Jakob. Dat is toch echt weer een trek van een kind van God. Ook al heeft hij het dan verknoeid en ook al is hij dan bevreesd voor alles wat hem tegenkomt, als het er op aankomt vertrouwt hij toch niet op de veelheid van zijn rijkdom. Dan vertrouwt hij toch niet op zijn list en op zijn bedrog. Nee, als het er op aankomt, kruipt hij toch weer naar God toe. Dat is genade.

De meeste mensen willen juist niet alleen zijn, als ze in nood raken. Dan willen ze iedereen om zich heen hebben, door iedereen vertroost worden en door iedereen moed ingesproken worden. Iedereen moet dan zeggen dat het niet zo erg is en dat het wel meevalt en dat ze het nog wel redden zullen.

Maar als Gods kinderen in nood zijn, in de uiterste nood, in levensnood, dan hebben ze behoefte om alleen te zijn. Dan kruipen ze terug naar God, al is er dan een zee van zonde vóór hen. Al zijn er dan bergen van ongerechtigheden. Dan kruipen ze toch alleen in de eenzaamheid om hun knieën te buigen en om het aangezicht van God te zoeken.

 

Pniël – Gods aangezicht. Maar Gods aangezicht zien, dat is voor een zondaar onherroepelijk sterven. Dat is onherroepelijk omkomen. De zondaar die naar God kruipt, moet sterven, want de duisternis kan in de gemeenschap met het Licht niet verkeren. In de gemeenschap met God kan geen zondaar bestaan, kan niemand leven dan alleen de man die rein is van hart en hand. En dat was Jakob niet. Het is er verre van.

 

En daar, terwijl hij aan de andere zijde van de Jabbok alleen is en de nacht reeds gevallen is over het land en hij zijn knieën buigt om God te smeken om uitkomst, dan grijpt een Man hem aan. In die donkere nacht grijpt een Man hem aan om hem op de aarde te werpen, om hem neer te stoten.

Is het Ezau? Is het iemand van de knechten van Ezau die hem nagegaan is in het donker en die hem nu om zal brengen? Hij weet het nu nog niet. Maar een vreselijke angst bekruipt hem. Hij worstelt om zijn leven, hij strijdt om zijn behoud. Hij kan hier niet sterven, vanwege zijn schuld, zijn vroegere schuld!

Ook al heeft hij wel eens meer Gods gunst gesmaakt, en ook al heeft de Heere tegen hem gezegd: ‘Jakob, Ik zal met je zijn’, en ook al heeft de Heere tegen Laban gezegd: ‘Denk erom, Laban, dat je met je handen van Jakob afblijft’, en ook al heeft hij twee heerlegers van engelen gezien, die hem ondersteunden op de weg om hem te geleiden naar het beloofde land, als Jakob als zondaar Gods aangezicht ziet, dan is er maar één weg: dan moet hij sterven. En hij kan niet sterven.

Met al het goed dat hij gekregen heeft, kan hij niet sterven. Want er ligt een onverzoende zonde. Jakob heeft het verbondsrecht genomen. Maar dat baat ons niet, dat troost ons niet. Daarmee kunnen we voor God niet bestaan. Jakob moet dat verbondsrecht ontvángen. En ontvangen zál hij het. Maar pas als hij een gebrokene, als hij een verslagene is.

Hoe lang het geduurd heeft eer hij er achter kwam dat hij met God worstelde, weten wij niet. Het is voor ons toch een heel typische en verborgen beschrijving, wij weten er zo ontzettend weinig van. Dat worstelen met God, lichamelijk, als met een man, ach, er blijven zo ontzaglijk veel vragen voor ons over waarop we geen antwoord weten. We hoeven daar ook geen antwoord op te hebben. Het is in ieder geval de waarheid. Hij heeft met een Man geworsteld tot aan de ochtend.

Zijn laatste krachten heeft hij er aan gegeven, want dat wist hij: hier sterven zal voor altijd omkomen betekenen. Voor hem, maar ook voor zijn zaad. Want Gods aangezicht zien, dat is sterven voor Jakob.

 

In Hosea 12 staat de worsteling van deze Man met Jakob beschreven. Er staat daar zo opmerkelijk bij: hij weende en smeekte. Dat deed Jakob. Hij weende en smeekte. In dat worstelen met die Man is hij dus al worstelend tot de ontdekking gekomen dat de Man Die met hem streed niemand anders was dan God Zelf. Op welke wijze hij tot die ontdekking is gekomen, is voor ons verborgen. Maar als we het overbrengen op de dag van het Nieuwe Testament (dit lichamelijke behoorde bij het Oude Testament) dan kunnen we toch wel enigszins bevroeden wat er in het leven van Jakob is omgegaan in die ogenblikken.

 

Daar zijn ook tijden in óns leven dat de nacht komt, dat we voor Gods aangezicht gesteld worden door God Zelf. En dan zijn er van die tijden dat het donker wordt als we tot God naderen. Dat is Gods kinderen toch niet vreemd. En dan kan het wel zijn dat we veel ervaren hebben en het kan wel zijn dat we kunnen vertellen wat God aan onze ziel gedaan heeft en dat we het woord des Heeren gehoord hebben: ‘Ik zal je geleiden, Ik ben je God, Ik zal met je zijn overal waar je heengaat’, maar dan toch kunnen we met al die verworvenheden zulke mensen geworden zijn, dat er geen verbrokenheid en geen innerlijke tederheid meer in onze ziel is overgebleven.

We kunnen met genade mensen worden die raad weten voor iedereen, medicijnen hebben voor alle mensen, maar zelf geen zondaar meer zijn. We beseffen dan niet meer dat de weldaden van het verbond ons alleen maar kunnen toekomen in een weg van bidden en smeken. De eenzame plaatsen worden door ons niet meer gezocht, de tederheid van het hart is voorbijgegaan. Ja, we zeggen tegen anderen: je moet het ook zó doen en: het is ook je eigen schuld en: dan had je maar zo en zo moeten doen. We zijn uiterst rechtzinnig en we weten alles heel precies.

Maar we missen dan tóch de bewogenheid van het evangelie, de bewogenheid der genade, de bewogenheid van het kruis. En dat komt wel openbaar, als het kruis op onze schouders gedrukt wordt. Dan blijkt wel dat we ver, heel ver van het beeld van Christus vandaan zijn. Dat we ver van die lankmoedigheid, die zachtmoedigheid, van die liefde en die vrede, als vruchten van de Heilige Geest, vandaan zijn. Als dat kruis dan op ons komt, dan schrompelen we ineen, zoals Jakob.

Als het dan donker wordt en we kunnen niet meer bidden, dan zeggen we: ‘O God, waar bent U nu toch? Wat moet ik toch? Ezau komt en hij heeft vierhonderd man bij zich en hij is veel sterker dan ik. En als nu de dood komt en als ik nu eens een ongeneeslijke ziekte heb en als niemand mij nu beter kan maken en als het dan misschien maar een enkele maand duurt, misschien maar een enkel uur, o God!’

 

Ja, zo worstelen de Jakobs. En dan belijdt Jakob het wel en dan zegt hij: ‘Heere, ik ben met mijn staf over de Jordaan gegaan en nu ben ik tot twee legers geworden.’ Maar de waarachtige toon: ‘Wee mij, zondaar!’ ontbreekt. En nu zal God met hem worstelen, totdat Jakob weer bekent dat een zondaar voor Gods aangezicht niet bestaan kan.

Ook een bekeerde zondaar niet. Ook een gerechtvaardigde zondaar niet. Ook een zondaar niet die de hemel geopend gezien heeft in Bethel. Ook een zondaar niet die van God gehoord heeft: ‘Ik zal overal met je zijn, Jakob.’ Want dat heeft Jakob gehoord!

En dan is het wonderlijke dat hij in die worsteling moet sterven, maar niet loslaat.

O, daar hebt u nu weer het vertroostende, dat de Heilige Geest hem niet verlaat. De nacht mag donker zijn, de verberging van Gods aangezicht kan de ziel benauwen, de vijanden mogen vele zijn, maar Jakob laat niet los. Hij blijft die Man vasthouden, ook als hij al worstelend beseft: dit is niet een knecht van Ezau, dit is Ezau zélf niet, maar dit is God! Dit is God Zelf Die mij vastgrijpt!

 

O Jakob, arme worm, hoe durf je God vast te houden? Ja, dat is genade die zelfs in de grootste duisternis beoefend wordt. Als je zegt: ik ben moedeloos; als je zegt: ik heb geen hoop meer over; als je zegt: nu kan het nooit meer, dan klemt toch een kind van God, hoe hulpeloos hij ook is, zich vast aan God. Jakob houdt vast tot aan de morgenstond.

 

En dan zie je dat het wonder gebeurt: in die worsteling kon God Jakob niet overwinnen. Het was onmogelijk. Er staat in vers 25: En toen Hij zag (die Hij is de Heere God Zelf, de tweede Persoon Christus, in een gedaante van een mens), dat Hij hem (dat is Jakob) niet overmocht, roerde Hij het gewricht van zijn heup aan.

Wonderlijk, hoe kan dat nu? Hoe kan nu toch een mens God overwinnen? Hoe kan er nu toch in de Bijbel staan: En toen God zag dat Hij Jakob niet overmocht?

Ja, hier staat het toch! Jakob streed met God en God streed met Jakob. God strijdt niet met Zijn volk om hen in de eeuwige verdoemenis neer te stoten. Het strijden Gods met de mens is een strijden om diens behoud en in dat strijden Gods geeft God de mens kracht om God vast te houden, laat God Zich overwinnen. ‘Maar hoe dan?’, zult u zeggen. Wel, door de weg van het sterven, door de weg van het kruis, door de weg van de ondergang.

En hoe kan dat dan? Ach, het centrum van dit geheim ligt op Golgotha. Op Golgotha heeft God Zichzelf machteloos gemaakt. Daar heeft Hij in de Zoon van Zijn eeuwige liefde het binnenste van Zijn hart verklaard. En degene die nu daarop ziet, raakt de tere plek in het hart van God. Die overwínt God. Natuurlijk niet alsof de mens in zijn eigen kracht sterker zou zijn dan God, want dan moest Jakob sterven. Maar daar wordt de mens sterker door de kracht van Gods genade. Jakob werd niet overwonnen door God. Waarom niet? De rechtvaardige God kon niet langer tegen Jakob op. Waarom niet? Omdat Jakob zich vastklemde aan het woord van Gods barmhartigheid.

En dat is het woord dat de Heere kwijt is aan een verloren wereld. Dat is het woord dat de Heere kwijt is aan een wereld vol zondaren, dat, indien zij hun zonden belijden, Hij getrouw is en rechtvaardig en Hij hen de zonden zal vergeven. Dat heeft God beloofd.

Dat is de tedere plek in het hart van God. Dat is Goddelijke onmacht. Hij die vlucht naar het kruis, kan door het zwaard van Gods gerechtigheid niet verteerd worden. Dat heeft God ons verkondigd. Die plek heeft Hij ons Zelf aangewezen. En Hij zegt: ‘Zondaar, grijp dit aan! Indien u Mij hier aangrijpt, zult u Mij overwinnen.’ Dan zal de dode, machteloze, schuldige, bedrieglijke zondaar daar de eeuwige, heilige God overwinnen!

 

Natuurlijk niet zo alsof Jakob nu de roem van dit strijdperk zal wegdragen. Nee, daar zal de Heere wel voor zorgen. Want als de morgen daagt, grijpt God Jakobs heupgewricht aan en dan ontkracht Hij Jakob. En wat doet Jakob? Dan laat Jakob nóg niet los.

Zie, zo Hij mij doodde  zegt Job, zou ik niet hopen? (Job 13:15). Dan laat Jakob nog niet los, maar dan klemt hij zich aan de hals van God vast. En dan hangt hij als een verslagene aan de borst van Christus. En als die Man dan zegt: ‘Laat Mij toch los, laat Mij toch los, het is nu geen tijd meer om te strijden, want de dageraad is opgegaan, de nacht van worsteling is voorbij’, dan schreeuwt Jakob het uit: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.

Natuurlijk, God had Jakobs armen kunnen verpletteren, God had Jakobs hart kunnen doen stilstaan en dan was Jakob in het stof weggezonken, voor eeuwig verloren. Maar dat doet God niet. De armen van een zondaar die zich uitstrekken naar Gods ontferming, kapt Hij nimmer af. Het hart dat schreiend naar Hem vlucht, laat Hij nooit ongetroost zijns weegs gaan.

 

Nog eens: heeft u deze plek in Gods hart ook wel eens ontdekt? Heeft u in deze strijd ook wel eens tegen God gezegd: ‘Ik zal U niet laten gaan. Ik zal U, o God, niet laten gaan!’ ‘Waarom dan niet, Jakob? Weet u dan niet dat God rechtvaardig is en dat u voor Zijn aangezicht niet kunt bestaan?’

‘Ja’, moet Jakob zeggen, ‘ik weet dat God rechtvaardig is en ik weet dat Zijn toorn zondaren moet verdelgen. Maar ik heb gehoord van genade en van ontferming. Ik heb gehoord dat er hulp besteld is door de Held bij de Held. Ik heb gehoord dat God in Zijn rechtvaardigheid barmhartig en in de betoning van Zijn eeuwige liefde rechtvaardig is. Ik heb gehoord dat genade en waarheid elkaar ontmoet hebben en dat de vrede de gerechtigheid gekust heeft aan het hout van het kruis. Ik heb gehoord dat Gods toorn geblust is in de Zoon van Gods welbehagen en ik heb gehoord dat zondaren gezaligd worden, zonder de werken, uit vrije genade.’

 

Dat zijn nieuwtestamentische woorden, maar dat heeft Jakob ervaren. Hij heeft God vastgehouden op Zijn eigen woord. Jakob heeft al zijn schijnvroomheid verloren en al zijn verkeerdheid beleden aan God. Aan deze plaats. Jakob heeft God gezien en hij is gestorven. Maar hij heeft ook God gezien en nu mag hij leven. Als Jakob weent en smeekt – en wenen en smeken doet alleen een mens die geen rechten meer heeft – als Jakob ophoudt met te steunen – ook heimelijk te steunen – op zijn gerechtigheden, als God met hem afrekent, en hem laat zien wie hij is – want dat doet de Heere – dan mag hij leven!

 

Als Jakob dan zegt: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent, dan zegt de Heere: ‘Maar wie ben je dan? Als je Mij durft vasthouden en je wilt Mijn zegen, wie ben je dan?’

En dan, ja, dan moet Jakob alles vertellen. Maar dan wíl Jakob ook alles vertellen. Hier hebben we geen geheimen meer, geen voorbehoud meer. Hier zegt Jakob niet: ‘Ja maar, die Ezau was ook zo onverschillig, die gaf toch helemaal niets om het eerstgeboorterecht. En ík had het zo graag en U weet wel, Heere, ik heb er van jongsaf zo naar uitgezien.’

Nee, niets van dit alles. Dan zegt Jakob hier: ‘Ik ben Jakob.’ Ja, nog korter, hij zegt: ‘Jakob.’ Dus als de Heere hem vraagt: ‘Wie bent u, hoe is uw naam?’ Dan heeft hij maar één woord en dat is: ‘Jakob.’ En Jakob, dat weet u wel, betekent: hielhouder, bedrieger, vasthouder van hetgeen God vloekt, van hetgeen God niet hebben wil.

Ja, dat heeft Jakob gedaan. Eerst in de schoot van zijn moeder. Daar heeft hij vastgehouden wat God niet hebben wil, wat God vloekt. Dat heeft hij ook gedaan toen hij Rachel verkoos boven Lea. Lea, die door God bestemd was om Jakobs vrouw te zijn en Rachel die hij zelf zo graag wilde hebben. Hij heeft vastgehouden. Heel zijn leven is Jakob, Jakob geweest. Maar er zijn ook tijden in zijn leven geweest, dat hij ook niet méér wilde zijn. Dat hij het voor God wilde bekennen, hartelijk bekennen: ‘Jakob, Heere, meer niet. Nooit meer geweest, stof van jongsaf.’

En dan geeft God hem een nieuwe naam. ‘Want,’ zegt Hij, ‘je zult geen Jakob meer zijn, maar Israël, vorst Gods.’

 

Gods aangezicht zien en leven! Ja, zo doet God nog. Wie eerlijk antwoordt op Gods vraag: ‘Wie ben je? Wat ben je eigenlijk voor een kind, voor een man of voor een vrouw?’ Wie dan eerlijk zegt: ‘Jakob! O God, ik ben nooit méér geweest van jongsaf tot nu toe,’ tot diegene zegt God: ‘Ik heb al je zonden uit Mijn boek gedaan. Geen van deze zal Ik ooit meer in het gericht brengen. Ik geef u een nieuwe naam. Voortaan zal uw naam zijn: vorst Gods.’ Jakob, je hebt overwonnen! Je hebt God overwonnen.

Jakob, je hebt ook mensen overwonnen. Laat Ezau nu maar komen. Als je God overwonnen hebt in het aangrijpen van Christus, wat zal een nietig mens je dan nog doen?

Gods verborgen omgang vinden zielen waar Zijn vrees in woont. Zo is alle roem uitgesloten. Die roemt, roeme in de Heere. Die roeme in vrije gunst alleen. Lout’re goedheid, liefdekoorden, waarheid zijn des Heeren paân.

 

Voordat we verder gaan zingen we eerst Psalm 44 vers 2:

 

Hun zwaard deed hen dit land niet erven;

Hun arm deed hen geen heil verwerven;

Maar Uwe rechterhand, Uw macht,

Heeft hun die voorspoed toegebracht;

De glans van ’t Godd’lijk aangezicht

Heeft hen de zege weg doen dragen;

Want Gij omscheent hen met het licht

Van Uw genadig welbehagen.

 

En nu weet ik wel, er zijn er – en die zijn er door alle tijden heen geweest – die zeggen: ‘Ach, had ik nu ook eens zo'n Pniël.’ ‘Ja,’ zeggen ze dan, ‘van Bethel weet ik wel, maar van Pniël, daar weet ik niets van.’

Nu moet u in de eerste plaats goed bedenken dat Gods werk geen lopende-band-werk is. Het is niet voor iedereen gelijk. Het is ook niet zo dat u speciaal uit moet zien naar Pniël. Dat heeft Jakob ook niet gedaan. O, als Jakob aan die grens dacht, heeft hij heus niet gedacht: als ik daar nu maar kom, zal ik gered worden. O nee. Geloof maar dat hij in die twintig jaar wel eens aan die grensoverschrijding gedacht heeft: naar Kanaän terug, dat is naar Ezau toe. Dat is naar het land dat God beloofd heeft. Maar hoe ben ik aan die zegen gekomen?

Dan heeft die schotel met linzenmoes steeds voor Jakobs ogen gezweefd. En dan dat bedrog, aan zijn oude, blinde vader gepleegd. Waar hij de naam van God heeft aangeroepen om te zeggen: Omdat de Heere uw God dat heeft doen ontmoeten voor mijn aangezicht (Gen. 27:20).

O ja Jakob, dacht je dat? Dacht je dat je zó Kanaän zou binnengaan? Dacht je dat je zo, in een weg van bedrog, van gehuichel en van leugen Kanaän zou binnengaan? Nee, Jakob heeft nooit naar Pniël verlangd. Weet u waar Jakob wel naar verlangd heeft? Naar het beloofde land! Om nu in een rechte weg Gods aangezicht te mogen zien.

 

Daar moet u ook maar naar verlangen. U moet dus niet zeggen: ik wilde dat ik ook eens zo’n Pniël beleven mocht. Maar u moet maar zeggen: ik wilde dat ik Gods aangezicht ook in gunst mocht ontmoeten! Kijk, daar gaat het tenslotte om. Het gaat er in het leven van Gods kind niet om: ik moet ook eens zo’n ervaring doorgemaakt hebben als Jakob. Ach nee. Al Gods kinderen hebben van die Bethels en Pniëls. En u moet echt niet denken dat het na Pniël met Jakob volkomen in orde was. Welnee. Want je leest in het negende vers van het 35e hoofdstuk dat Jakob van Pniël weer naar Bethel moest. En daar in Bethel bouwde hij de Heere een altaar en hij noemde het El Bethel, dat is: de God van Bethel. En dan staat er: en daar sprak de Heere tot hem: ‘U zult voortaan niet meer Jakob heten, maar Israël zal uw naam zijn!’

Het is dus niet maar één keer in het leven van Jakob gebeurd! Welnee, Jakob moet van Pniël weer naar Bethel. Het moet u hierom gaan dat u zegt: door Gods genade heb ik hoop gekregen op God en nu kan ik buiten God niet meer leven. Niet buiten Gods aangezicht. En nu zwerf ik al twintig jaar rond met de belofte, maar met zoveel ongerechtigheid in mijzelf. Met zoveel van dat kreupele in mijn leven, met zoveel dat verkeerd is. O, als ik denk aan het ontmoeten van God, als ik denk aan het zien van Gods aangezicht, hoe zal het dan gaan?

Als u dan in uw leven die stem des Heeren ook hoort, de stem des Heeren die zegt: ‘Kom tot Mij, trek naar Kanaän, neem de beloofde bezitting in’, dan gaat het klemmen. Dan zegt u: ‘O God, dat kan toch zo niet? Het is nooit opgelost in mijn leven, het is nooit tot een totale overgave gekomen. Het is nooit zover gekomen dat ik, verzoend, Uw vriendelijk aangezicht zó mocht zien dat ik, in God verblijd, aan Hem gewijd, mijn leven mocht besteden in Zijn dienst.’

 

Die tijden zijn er toch wel in het leven van Gods kinderen. Dat was voor Abraham zijn Moria. Dat was Abrahams Pniël. Daar ging hij er aan met alles wat van vroeger was, met al de beloften. Daar moest hij Gods beloften offeren op het altaar van de gehoorzaamheid. Daar moest hij alles prijsgeven.

Dat was voor Paulus die doorn in het vlees. Dat was voor Daniël de leeuwenkuil. Dat was voor de drie jongelingen die vurige oven. Dat was voor Johannes zijn Patmos.

Ik weet niet wat het voor u is. Maar er zijn wel van die Pniëls (God weet er ons wel te brengen in het leven) waar we weer eens zondaar worden voor God. Waar, als God vraagt wie we nu eigenlijk zijn die tot Hem willen naderen, we moeten antwoorden: ‘Ach Heere, ik ben die Jakob, U heeft mij van jongsaf gekend. U weet, dáár heb ik het niet goed gedaan, dáár heb ik mijn oude vader bedrogen en dáár mijn broer. En daar heb ik alleen maar voor mezelf gezorgd en daar heb ik gedacht: laat die Ezau maar verloren gaan, als ík het maar heb. Ik ben Jakob, Heere. Ik heb altijd vastgehouden wat U vloekte. Ik heb gezocht wat U niet zocht. Ik ben Jakob!’

 

Maar dan staat er dat hij weende en smeekte. En nu wordt God in de weg van wenen en smeken overwonnen. Dat is Gods zwakke plek, die Hij Zelf heeft aangewezen. Dat Evangelie heeft Hij ons verkondigd. Hij heeft gezegd: Wie zijn zonden belijdt, die ontvangt genade. Zó wordt het verbond doorleefd.

En het is waar, dan heeft Jakob daar een aandenken aan. Dan heeft hij een verwrongen heup, dan moet hij voortaan kreupel door het leven. Altijd denkt hij terug aan die plaats waar hij zijn kracht verloor, maar toch niet losliet. Waar hij God overwon, omdat God hem sterkte. Waar hij met Gods genade God vasthield en God vond als een verzoend God in Christus Jezus.

 

Want daar staat: En Hij zegende hem aldaar (vers 29). En wat is dan die zegen voor Jakob geweest? Wel, de Heere heeft hem zijn zonden vergeven, die vroegere zonden die hij twintig jaar lang verborgen had in zijn hart. En Hij heeft hem vrijmoedigheid en blijdschap gegeven om tegen Ezau op te trekken. Want wat er ook gebeuren zou, de Heere zegt: in deze strijd heb je de overwinning behaald op God, maar je hebt ook de overwinning behaald op de mensen. Want de zon ging op als hij door Pniël ging.

Ja, dat is niet zomaar een tijdsbepaling dat het inmiddels ochtend geworden was, maar dat betekent dat toen Jakob met God geworsteld had, toen Jakob die nieuwe naam van God gekregen had – Israël, vorst Gods – dat toen alles anders was.

De zon ging op. De bloemen bloeiden anders, de dieren leefden anders en het grassprietje groeide anders. En de woningen, de bomen en de mensen, alles was anders. Wie vrede vindt in God, vrede door het zien van Gods aangezicht, komt in een nieuwe wereld. Ja, dat mogen Gods kinderen weleens ervaren als hun last afgewenteld is en als ze vrede vinden met God. Dan zijn de vogels hen vriendelijk gezind en dan lachen de bloemen hen toe. Dan schijnt de zon zoals het vriendelijk aangezicht des Vaders over hen. Dat zijn de beginselen van het eeuwig zalig hemelleven.

 

Daarmee is Jakobs weg niet ten einde. Wij weten welk een moeite en strijd Jakob nog doorgemaakt heeft. Straks, dan zal hij het tegen Farao zeggen: Weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen in de dagen hunner vreemdelingschappen (Gen. 47:9).

Weinig en kwaad. Hoort u wel? Dat was aan het eind van zijn leven. Maar dan heeft toch de zon in zijn leven geschenen. Gods gunst die over Jakob is opgegaan. In die kracht trok hij Ezau tegemoet. En in die kracht heeft hij gewoond in het beloofde land. En in die kracht is hij straks opgetrokken naar Gosen. En in die kracht heeft hij gezegd: Juda, gij zijt het, u zullen uw broeders loven (Gen. 49:8). En in die kracht heeft hij straks zijn voeten bij elkaar gelegd en heeft hij op Gods zaligheid gewacht. In die kracht heeft hij Christus gezien, naar Wiens komst hij verlangd heeft en op Wiens gerechtigheid hij bouwde.

 

Kent u ook zo’n Pniël in uw leven? Zo’n Pniël waar u sterven moest en toch in uw sterven God nog vasthield? Waar u werd aangegrepen in verlatenheid, in droefheid, in ellende, in dood, in nood? Waar u toch met bidden en wenen u bleef verfoeien voor Gods aangezicht, totdat Hij Zich liet overwinnen en uw ziel ook dat licht aanschouwde dat hier in Jakobs leven kwam?

O nee, u moet dat niet zo zien als het einde van de weg of als een bepaald gebeuren in uw leven wat nu nooit meer terugkomt. Zoiets als: dat is het nu. Nee, daar geeft de Bijbel geen enkele grond voor. Maar het is wel nodig om ten leven in te gaan. Er zal geen kind van God zalig worden of hij zal hier die Pniëls ervaren hebben. Dat: Gods aangezicht zien en sterven – maar nu ook: Gods aangezicht zien en leven!

 

Als u nu niets van deze zielenworstelingen met God kent, wat bent u dan ongelukkig. Onderzoek uw hart. Het is mogelijk dat u met de verbondsweldaden toch een Ezau bent. Ezau heeft ook geleefd terwijl hij recht had op de eerstgeboortezegen. Die tijd vóórdat hij die zegen weggaf aan Jakob, was Ezau een man die aanspraak had op het eerstgeboorterecht, door God gegeven. Maar hij was een onheilige. Hij heeft er geen prijs op gesteld en hij is als een kind des koninkrijks verloren gegaan.

Het zou voor ons ook kunnen, dat we gedoopt zijn, dat we ook nog wel een bepaald verlangen hebben gehad om met Gods volk te mogen leven, dat we geijverd hebben voor de dienst van God, maar dat we nooit alles voor God verspeeld hebben. Dat we nog nooit onze naam voor God gespeld hebben. Dan zijn we altijd hoog opgerichte mensen gebleven die voor iedereen raad weten, maar we zijn zo hard als een steen. God weet er raad mee in het leven van Zijn kinderen.

En dat is tot troost voor al degenen die zeggen: Ja, ik kan niet ontkennen dat ik houvast gekregen heb aan het Woord van God. Ik kan niet ontkennen dat ik vertroost ben geworden uit Zijn eeuwig Evangelie. Ik kan niet ontkennen dat de Heere Zich met mij bemoeid heeft en dat Hij mijn leven tot hiertoe geleid heeft. Maar ik kan God niet ontmoeten. Ik durf zó niet voor Gods aangezicht te komen. Wat is nu de weg om vrede te vinden met God?

Wel, u moet naar Kanaän, u moet naar God, u moet vrede hebben, u moet naar dat beloofde land, naar die gemeenschap terug, waaruit u gevallen bent. En dat moet in een weg van bidden en smeken, in een weg van worstelen, in een weg van tranen. Dat gebeurt in de eenzaamheid.

 

Zonder u af, kinderen Gods. Als u zegt: het is zo donker, het is zo bang, Ezau is zo sterk en de macht der zonde zo groot. Zonder u af als Jakob om uw hart te onderzoeken voor God waaraan het schort, waaraan het hapert. Diezelfde God leeft nog. En het is waar, dan gaat het door een weg van worsteling, maar dan toch zo dat God wel met u worstelt, maar niet om u voor eeuwig te verstoten, maar dat God met u worstelt opdat u uw eigen kracht zou verliezen en dat u als Jakob zou zeggen: Ik ben Jakob, Heere, niet meer. Hoor hoe een boeteling pleit en reinig mij van mijn verborgen zonden.

Dan zal God ook tegen u zeggen: Ik noem u niet meer Jakob, maar u krijgt een nieuwe naam, u heet Israël. En dan zult u voortaan wel hinkende door het leven gaan, dan zult u wel niet meer zo’n grote mond hebben over anderen die in de zonden vallen, die met Jakob nu niet zo’n mooie weg achter de rug hebben. Maar dan zult u ook zeggen: O God, dat ik, Jakob, Israël geworden ben, dat is door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 25: 7 en 10

 

Gods verborgen omgang vinden

Zielen waar Zijn vrees in woont;

’t Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden,

Naar Zijn vreeverbond, getoond.

D’ ogen houdt mijn stil gemoed

Opwaarts, om op God te letten;

Hij, Die trouw is, zal mijn voet

Voeren uit der bozen netten.

 

Hoed mijn ziel, en red z’ uit noden;

Maak mij niet beschaamd, o Heer’!

Want ik kom tot U gevloden;

Laat d’ oprechtheid meer en meer,

Met de vroomheid, mij behoên;

’k Wacht op U in mijn ellenden.

Laat Uw hand in tegenspoên

Israël verlossing zenden.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 6) van ds. L. Huisman (gepubliceerd op www.dshuisman.nl)