Ds. D.W. Tuinier - Zondag 30

Het sacrament van het Heilig Avondmaal

Wat is het verschil tussen het Heilig Avondmaal en de Paapse Mis?
Wie mogen aan het Heilig Avondmaal deelnemen?
Wie mogen niet aan het Heilig Avondmaal deelnemen?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 96: 6
Lezen : Mattheüs 22: 1-14
Zingen : Psalm 72: 6, 7
Zingen : Psalm 63: 2, 3
Zingen : Psalm 26: 2
Zingen : Psalm 73: 14

Gemeente, de Heere komt in deze dienst met het onderwijs vanuit de Heidelbergse Catechismus tot ons. Aan de beurt is Zondag 30. Ik stel voor dat we eerst met elkaar de vragen en antwoorden 80 tot en met 82 gaan lezen.

 

Vraag 80: Wat onderscheid is er tussen het Avondmaal des Heeren en de Paapse Mis?

Antwoord: Het avondmaal des Heeren betuigt ons dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben door de enige offerande van Jezus Christus, die Hij Zelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft, en dat wij door de Heilige Geest Christus worden ingelijfd, Die nu naar Zijn menselijke natuur niet op de aarde, maar in de hemel is, ter rechterhand Gods Zijns Vaders, en daar van ons wil aangebeden zijn.

Maar de mis leert dat de levenden en de doden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen van de mispriesters geofferd worde en dat Christus lichamelijk onder de gestalte des broods en wijns is, en daarom ook daarin moet aangebeden worden. En alzo is de mis in de grond anders niet dan een verloochening van de enige offerande en het lijden van Jezus Christus, en een vervloekte afgoderij.

 

Vraag 81: Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld?

Antwoord: Voor degenen die zichzelf vanwege hun zonden mishagen en nochtans vertrouwen dat deze hun om Christus’ wil vergeven zijn en dat ook de overblijvende zwakheid met Zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren.

Maar de hypocrieten en die zich niet met waren harte tot God bekeren, die eten en drinken zichzelf een oordeel.

 

Vraag 82: Zal men ook diegenen tot dit Avondmaal laten komen die zich met hun belijdenis en hun leven als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen?

Antwoord: Nee, want alzo wordt het verbond Gods ontheiligd en Zijn toorn over de ganse gemeente verwekt.

Daarom is de christelijke kerk schuldig, naar de ordening van Christus en Zijn apostelen, zulken, totdat zij betering huns levens bewijzen, door de sleutelen van het hemelrijk uit te sluiten.

 

Gemeente, opnieuw een Zondag over het sacrament van het Heilig Avondmaal. Het is alweer de derde Zondag die handelt over dit sacrament.

 

We stellen drie vragen aan Zondag 30:

1. Wat is het verschil tussen het Heilig Avondmaal en de Paapse Mis?

2. Wie mogen aan het Heilig Avondmaal deelnemen?

3. Wie mogen niet aan het Heilig Avondmaal deelnemen?

 

U ziet de antwoorden op deze drie vragen vanuit de drie vragen en antwoorden van Zondag 30 naar u toekomen.

 

1. Wat is het verschil tussen het Heilig Avondmaal en de Paapse Mis?

 

Ik heb al gezegd: opnieuw een zondagsafdeling die over de leer van de sacramenten gaat. Is het u opgevallen dat de catechismus best veel aandacht besteedt aan de sacramenten? Er worden twee Zondagen besteed aan het sacrament van de Heilige Doop en drie zondagen aan dat van het Heilig Avondmaal. Blijkbaar was dat nodig in die tijd, en ik denk dat het vandaag aan de dag niet minder noodzakelijk is.

 

In vraag 80 gaat de Catechismus het verschil aangeven tussen de paapse, dus de pauselijke mis, en het Heilig Avondmaal. Dan valt op dat de catechismus positief insteekt! Dat moeten wij dan ook maar doen. Wij kunnen van Ursinus en Olevianus leren dat we altijd positief moeten beginnen, voordat we daar tegenover eerlijk onder woorden brengen en aanwijzen wat het niet is. Dat vind ik heel mooi om aan u door te geven.

 

Antwoord 80 gaat eerst nog eens in een paar zinnen kernachtig aangeven wat het sacrament van het Heilig Avondmaal is. Eigenlijk kunt u het eerste gedeelte van het antwoord weer in drie puntjes samenvatten. Wat wil God nu Zijn kinderen aan de dis des verbonds leren? Wat wil Hij bevestigen? Wat wil Hij hen verzekeren?

a. Hij verzekert Zijn kinderen dat zij verzoening hebben. Hebben! Dat woord valt echt op! Tegenwoordige tijd! Dat zij verzoening hebben door het enige volkomen offer van Christus.

b. Hij wil ook dat zij gemeenschap met Zijn Zoon Christus hebben.

c. Al is Christus dan nu in de hemel, Hij wil door de Zijnen aangebeden worden!

 

Drie dingen. U ziet ze terugkomen: zoekt u ze maar op, in het eerste gedeelte van het antwoord op vraag 80! Verzoening dóor Christus, gemeenschap mét Christus en aanbidding ván Christus. Daar hebt u de drie punten, heel kernachtig door onze vaderen aangegeven, die omschrijven wat de kern is van het sacrament van het Heilig Avondmaal.

 

Zullen we ze eens proberen op te zoeken? Laat u elk woordje eens wegen! Het Heilig Avondmaal des Heeren, zo begint antwoord 80, betuigt. Dat betekent letterlijk: verklaart, openbaart, predikt, onderwijst, verzegelt. Het avondmaal betuigt ons – hier spreekt de levende kerk door het geloof – dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben, door de enige offerande van Jezus Christus die Hij Zelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft. De kern van de bediening is de verzoening door Christus. Let op het woordje volkomen! Let op de enige offerande, die Hij Zelf eenmaal aan het kruis heeft volbracht!

 

Nu komen we bij het tweede: Christus wil dat zij gemeenschap met Hem hebben, dat ze één plant met Hem worden: vlees van Zijn vlees en been van Zijn been. Onze vaderen gaan verder: ‘En dat wij, door de Heilige Geest, Christus worden ingelijfd.’ Daar hebt u die gemeenschap met Hem. Christus is naar Zijn menselijke natuur niet meer op de aarde, niet meer lichamelijk bij het Avondmaal aanwezig. Maar in de hemel, aan de rechterhand van Zijn Vader, wil Hij door Zijn kinderen, door ons worden aangebeden.

Als het dan Avondmaal is, mag de hemel weleens opengaan. Dan is er een verbinding! Dan geeft God een Bethel of een Elim! Dan is Hij niet lichamelijk aanwezig, maar wordt Hij wel door het geloof door de Zijnen in verwondering, in dankzegging aangebeden. Dat is eigenlijk in het kort wat het wél is!

 

Dan komt het tweede stukje. De opstellers van de Catechismus zetten eerst het positieve helder op zijn plaats, en dan: ‘Maar de mis…’ De pauselijke mis leert – en onderschat dat niet, gemeente! – dat Christus niet eenmaal geofferd is, maar dat Hij steeds weer opnieuw, elke dag, geofferd moet worden, en dat Hij ook lichamelijk aanwezig is als het avondmaal wordt bediend.

De consequentie hiervan is dat bij elke misviering, op het moment dat de roomse priester de sacramentele woorden uitspreekt, het brood breekt en de wijn giet, het brood werkelijk in het lichaam van de Heere Jezus verandert en de wijn metterdaad verandert in het bloed van Christus. Bij elke misviering in de roomse kerk wordt Christus dus opnieuw geofferd en worden brood en wijn heilig verklaard. Aangebeden, omdat het goddelijk is, omdat het het lichaam en bloed van Christus Zelf is.

 

Nee, zeggen onze vaderen in een conclusie aan het einde van antwoord 80, de mis is in de grond niets anders dan een verloochening van de enige offerande en van het lijden van Jezus Christus. Het is niets anders dan een vervloekte afgoderij.

 

Als u naar de verwijsteksten kijkt die eronder staan – die staan er niet voor niets! – ziet u ook een tekst uit de Hebreeënbrief. In deze tekst gaat het over het offer van Christus en roept de apostel het uit dat Christus met één offerande in eeuwigheid degenen die geheiligd worden, heeft volmaakt. Zijn eenmalige, volkomen offer is dus genoegzaam voor de volkomen verzoening van de zonden van Zijn gehele kerk. En als u dat door een waar geloof mag zien, mag omhelzen, mag eigenen, als het een ogenblik eens waar mag worden voor u – dat kan zomaar een ogenblik zijn, dat er licht valt – dan is de troost: ik heb metterdaad volkomen vergeving van zonden ontvangen! In het enige offer van Christus ligt een volkomen, schulduitdelgende, schulduitwissende kracht van al mijn zonden.

 

Dat is eigenlijk wat onze vaderen in antwoord 80 willen onderstrepen; en dat volkomen offer wordt u gepreekt! De noodzaak ervan, de ruime mogelijkheid voor u om ook daarin te mogen delen, de algenoegzaamheid van de Zaligmaker, maar ook Zijn gewilligheid om de grootste van de zondaren te ontvangen. Voor Hem zijn er geen hopeloze gevallen!

 

Maar – en dan stop ik over die paapse mis – we moeten ook maar niet teveel uit de hoogte over die pauselijke mis praten, want als God in je leven komt en Hij je nader onderwijs geeft, kom je de grootste paus in je eigen hart tegen.

Ik roep degenen die dat begrijpen tot getuigen. Zo is het toch? Dan schud je niet meewarig je hoofd als we over die paapse mis preken, want als het om zalig worden gaat, sta ik altijd mijzelf in de weg. Als God gaat werken, werk ik immers tegen! Het is een zegen, een grote genade als God in mijn leven begint, maar het is een nog grotere genade als God me gaat leren alles, alles uit handen te geven. Ik moet een streep zetten en de dood schrijven op al mijn eigen offers, of op welke gerechtigheid dan ook, omdat er maar één Offer voor mij overblijft.

Paulus heeft dat geleerd, toen hij zei: Het leven is mij Christus (Fil. 1:21). Daarom wil hij niet anders prediken dan Jezus Christus, de Gekruisigde, omdat hij geleerd heeft dat zijn leven en zijn zaligheid alleen in Christus’ volkomen offer vastligt.

 

Een vervloekte afgoderij. Ik heb er nog even naar zitten kijken. Ik dacht aan de Heere Jezus. Hij wilde op Golgotha een vloek worden. Hij heeft de vloek die wij op ons geladen hebben, op Zich genomen, opdat Hij ons met Zijn zegeningen vervullen zou. Zo belijden onze vaderen het in het avondmaalsformulier. Is dat niet tot verwondering? Is dat niet het Evangelie? En daarom zijn Ursinus en Olevianus hier zo fel, en gebruiken ze deze woorden, want de roomse mis miskent dit kostelijke Evangelie.

 

Wij gaan naar ons tweede punt, maar eerst zingen we Psalm 63 vers 2 en 3:

 

‘k Heb U voorwaar in ‘t heiligdom

voorheen beschouwd met vrolijk’ ogen,

hoe zag ik daar Uw alvermogen,

hoe blonk Uw Godd’lijk eer alom!

Want beter dan dit tijd’lijk leven

is Uwe goedertierenheid.

Och, werd ik derwaarts weer geleid,

dan zou mijn mond U d’ ere geven.

 

Dan zou ik voor Uw Godd’lijk oog

Uw deugden al mijn leven prijzen

en in Uw naam mijn zang doen rijzen,

mijn handen heffen naar omhoog.

Mijn ziel zou nieuwe kracht ontvangen,

verzadigd als met vet en smeer,

mijn mond zou U vol vreugd, o Heer’,

verheffen in zijn lofgezangen.

 

2. Wie mogen aan het Heilig Avondmaal deelnemen?

 

We gaan nu naar de vraag voor wie het avondmaal des Heeren is ingesteld, vraag 81. Zullen we antwoord 81 eens rustig tot ons door laten dringen, gemeente? Dan moeten we vooral de werkwoorden eruit halen. Ik tel er wel zeven! Het avondmaal is voor degenen die zich vanwege hun zonden mishagen. Dat is het eerste werkwoord. Het antwoord gaat verder: en nochtans vertrouwen dat deze hun om Christus’ wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met Zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren. Zeven werkwoorden: mishagen, vertrouwen, vergeven zijn, bedekt is, begeren, sterken en beteren.

 

Al lezend bent u erachter gekomen dat Ursinus en Olevianus werken vanuit de drieslag ellende, verlossing en dankbaarheid. Ik denk dat dit Bijbels is en dat dit vanuit de Schrift opkomt. We zien dat hier terugkomen: hoe groot mijn zonden en ellende is, hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost wordt en hoe ik God voor zo’n verlossing dankbaar zal zijn.

 

We beginnen maar bij het begin.

Misschien een moeilijk woord, jongens en meisjes. Wat is ‘mishagen’? Als je aan het avondmaal mag van de Heere, dan komt er een mishagen van jezelf. Het tegenovergestelde van mishagen is behagen. Zélfgenoegen. Je bent tevreden met jezelf, je hebt het goed met jezelf getroffen. Je loopt met de borst vooruit.

Denken jullie eens aan iemand uit de Bijbel die het goed met zichzelf getroffen heeft. Ja, dat is de farizeeër in de gelijkenis! Die man is zelfgenoegzaam. Die gaat zichzelf prijzen, op zijn borst kloppen. Samen met die farizeeër, die voorin de kerk staat, staat achterin de tempel nog iemand: dat is de tollenaar. Kijk, die staat ook op zijn borst te kloppen. Die staat echter niet zichzelf te verheerlijken, maar God! Hij verootmoedigt zich voor God. Dat is Gods werk. Gods genade schittert in zijn leven!

In deze gelijkenis die de Heere Jezus uitspreekt, zit een wezenlijke kern. Die man mishaagt zichzelf vanwege zijn zonden, vanwege zijn verloren leven. Hij belijdt zijn zonden en schuld. De jongens en meisjes kennen Psalm 32 van David wel:

 

‘k Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden;

‘k Verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden;

Maar ik beleed, na ernstig overleg,

Mijn boze daân, Gij naamt die gunstig weg.

 

Daar zie je nu David die zich vanwege zijn zonden mishaagt.

 

Gemeente, u verwacht toch niet van mij dat ik precies als met een weegschaal zeg hoe diep en hoe groot dat moet zijn? Ik leg er geen liniaal naast. Waar halen we de moed vandaan om God voor te schrijven hoe Hij het moet doen in mijn, in jouw, in uw leven? Hij is zo vrij! Het is wel waar dat van de zaken die hier worden beleden, iets moet worden gekend, maar het kleinste nemen we al mee. Het kleinste van God is al zo groot! De mate waarin laten we echter aan de Heere over.

Áls het er maar is! Áls er maar een begin uit God is. Al is het zo klein als een speldenknopje. Dat wil Hij Zelf bevestigen. Dat wil Hij verzekeren en dat doet Hij ook door Zijn Woord en Geest.

 

En als het nu gaat om dat mishagen, dat is nooit een station dat je gepasseerd hebt. Zo van: op gegeven moment laat je dat achter je en heb je dat gehad en ga je naar het volgende station. Nee, het is een proces, een voortgaande zaak.

Als íemand daarmee tijdens zijn leven heeft ingestemd, is het de apostel Paulus wel. Aan het einde van zijn leven heeft hij heel veel van de Heere geleerd, is hij diep doorgeleid (mag ik het zo zeggen?) en heeft hij heel veel onderwijs ontvangen: Godskennis, Christuskennis en zelfkennis. Maar weet u wat er van hem overblijft? Ik ellendig mens. Je raakt hierin nooit uitgeleerd! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Rom. 7:24). Tegelijkertijd: Ik dank God! (Rom. 7:25). Dan gaat hij roemen in vrije gunst alleen! Dan ziet hij omhoog! God geeft hem een blik naar binnen, maar Gods Geest geeft hem ook een blik naar boven: Ik dank God door Jezus Christus, onze Heere (Rom. 7:25).

 

We gaan naar het tweede werkwoord: vertrouwen, nochtans vertrouwen. Aan mishagen is onlosmakelijk vertrouwen verbonden. Dat wil niet zeggen dat je dat altijd kunt bekijken, altijd kunt bezien, maar als het eerste er is, is dat tweede er ook. En je kunt niet leven, je kunt het niet uithouden in dat eerste stuk! Alle ontdekking, door Gods Geest gewerkt, kent vanaf het begin levende uitgangen naar verlossing, naar dé Verlosser. Dan is er een hongeren en dorsten, een liefdesbetrekking. En dat uit zich in vertrouwen.

Heel veel mensen struikelen over ‘vertrouwen’. Het is zó’n groot woord. Het ís ook iets groots: het vertrouwen dat onze zonden om Christus’ wil vergeven zijn. Het betekent echter niet dat je aan het avondmaal komt en er dan verzekerd van moet zijn dat je zonden vergeven zijn. Dat betekent het niet, gemeente!

U moet er echter wel naar staan. Je kunt het toch niet uithouden in dat eerste stuk, in die nood? Er is toch een verlangen? Er is toch een begeerte? U komt toch aan het avondmaal om daarmee te belijden dat u midden in de dood ligt en dat er uit u geen vrucht meer voortkomt, geen enkele goede vrucht? En dat u uw zaligheid en reinigmaking buiten uzelf zoekt? En dat u vertrouwt op Zijn gewisse, Zijn zekere belofte? In uw hart kan het stormen. Van binnen is het niet zo gewis en ben ik nog niet zo zeker van mijn zaak. Maar van Gods kant ligt het vast! Zíjn beloften zijn gewis! Dat wil Hij in het Avondmaal aan die gekrookte rieten en rokende vlaswieken, aan die arme zondaren laten zien. Dat wil Hij bevestigen! Dat hun zonden om Christus’ wil vergeven zijn! Dus vertrouwen is het toevlucht nemen tot Hem. Tot wie zal ik anders heengaan? Bij U zijn de woorden van het eeuwige leven! Dát is geloof! Dát is vertrouwen!

 

Gemeente, als er één is geweest die erbuiten stond en zichzelf heeft leren kennen als een hond, als een onreine, was het wel die Kananese vrouw: ‘Ik hoor er niet bij en dat heb ik verdiend.’ Maar wat was nu haar geloof? Ze hield aan! Ze moest Hem missen, maar kón Hem niet meer missen. Ze is in de nood tot Hem gevlucht. Ze nam haar toevlucht tot Hem. Ze mocht Hem vertrouwen en is er niet beschaamd mee uitgekomen. Bij Hem word je nooit teleurgesteld! ‘Die, in hun zonden en ellenden, tot Hem zich ter genezing wenden…’ Dat zijn mensen die nochtans vertrouwen dat deze zonden hun om Christus’ wil vergeven zijn.

U moet maar eens in het avondmaalsformulier lezen hoe buitengewoon pastoraal onze vaderen daarover hebben gesproken.

 

Ursinus en Olevianus hebben het zó verwoord: de overblijvende zwakheid. Hier sta je nu in de praktijk. Hier kijk je nu Gods volk in het hart! Er is in mij een overblijvende zwakheid. Ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet (Rom. 7:18), klaagt Paulus. Het is mijn begeerte, als ik ‘s morgens opsta, om die dag voor de Heere te leven en het beeld van mijn Meester gelijkvormig te zijn, maar er komt zo weinig, zo helemaal niets van terecht.

Maar dan wil mijn Meester aan Zijn tafel mij Zijn middelaarsgraveersels, Zijn wonden, laten zien, door de tekenen en zegels van gebroken brood en vergoten wijn, opdat ik het ook wéten zou. Het wás niets met mij, het ís niets met mij en het zal nooit wat met mij worden, maar mijn overblijvende zwakheid is met Zíjn lijden en sterven bedekt.

 

Bedekt! Hij heeft mij eraan ontdekt, Hij heeft mijn ogen ervoor geopend – en dat viel niet mee – maar Hij heeft mij óók laten zien dat er bij Hem vandaan doen aan is. Hij liet mij zien dat er bij Hem zó’n volheid, zó’n ruimte is, zodat het voor mij ook nog kan! Hij zegt tegen me: ‘Ik zal niet meer op je schelden, Ik zal niet meer op je toornen, en Ik heb al je zonden, ook die overblijvende zwakheid – onverbeterlijke albederver! – bedekt.’

Gemeente, als de Heere je daar iets van geeft, kun je sterven, hoor! Is dat weleens gebeurd? Kinderen van God, hoelang is het geleden dat de Heere een vlak veld maakte, dat je het mocht zien en weten: Hij is de mijne en ik ben de Zijne? Hij mijn zonden en ik Zijn gerechtigheid? Dan kun je sterven! Dan is er een Bethel, een poort des hemels. Dan mag je ervaren dat Hij je zonden heeft uitgedelgd, uitgewist, om er nooit meer op terug te komen.

 

En dan wordt er gesproken over ‘die ook begeren’. Dat moet er ook zijn. Dat kan niet anders. Dat vijfde werkwoord is nauw verbonden met de vorige vier. De drie stukken kun je niet los zien van elkaar. Al is er nog maar zo’n klein beginsel, dan is dat derde er ook: een hartelijk verlangen om heilig voor God te leven.

Een ding heb ik van de Heere begeerd, zegt David, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren (Ps. 27:4). Stilstaand water begint te stinken. Levend water kent eb en vloed. Het is op en neer.

Er moet toch een begeerte zijn in uw hart om meer en meer de zonde met wortel en tak uit te roeien? Dat is toch uw verlangen? Om oprecht voor het aangezicht van de Heere te wandelen? Om op te wassen, te groeien in uw geloof? Om meer en meer de zonde af te sterven? Als we meer en meer ontdekt worden aan wat hier van binnen leeft en wat hier van binnen huist, zal dat me uitdrijven. Opdat Christus, de volkomen Zaligmaker, alles voor mij zijn zal. Opdat ik uit Hem zal leven.

 

Wat geeft dat een voorzichtig leven. Dat geeft een teer leven, een aangebonden leven. Dan ben je bang voor de zonden, bang voor jezelf, beducht om Gods naam te lasteren. Dan ben je bang om Hem verdriet te doen en vraag je nogal eens: ‘Zet, Heer’, een wacht voor mijne lippen; behoed de deuren van mijn mond.’ Je groeit nooit boven het gebed uit Psalm 139 uit. Verstaat u dat? Zie of er bij mij een schadelijke weg zij en leid mij op de eeuwige weg! (Ps. 139:24)

‘Die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren…’

 

In het laatste stukje van vraag 81 wordt gesproken over hypocrieten. Wat zijn hypocrieten? Eigenlijk staat er: dat zijn mensen met een masker op. Ik denk, gemeente, dat we dat allemaal zijn. Zoals we geboren zijn, hebben we een masker op. We zijn niet eerlijk, niet oprecht voor God. Ik wil me altijd beter voordoen dan ik in werkelijkheid ben. We zijn gemaskerde, geveinsde mensen. Hypocrieten. En – mag ik het zo zeggen – we moeten allemaal worden ontmaskerd in ons leven. En dat niet voor het eerst, maar steeds weer opnieuw.

Er kan zóveel zijn wat het toch niet is. Er kan zo weinig zijn wat het wél is. De Bijbel laat ons niet voor niets Orpa zien als baken in zee, om ons te waarschuwen. Denk aan Demas die de tegenwoordige wereld heeft lief gekregen.

Denk aan Kaïn, Ezau, Saul. Wat een geweldige verwachtingen hadden we van die mannen, maar wat is dat op een grote teleurstelling uitgelopen.

Denk aan Judas. Had u dat verwacht? Dat er een Judas zou zijn onder Christus’ lievelingen, onder Christus’ jongeren?

 

Hypocrieten die zich niet met ware harten tot God bekeren, eten en drinken zichzelf hét oordeel. Lees ik het goed? Staat dat er? Nee, dat staat er niet! Er staat: eten en drinken zichzelf een oordeel! Dus, wie u ook bent, het kan zijn dat u voor uzelf weet dat u te vroeg bent aangegaan. Dan is het een oordeel. Deze zonde wil de Heere vergeven, als het u maar aan de Heere verbindt. Er is maar één onvergeeflijke zonde: de lastering tegen God de Heilige Geest. Als de duivel u met zijn gemene, listige en vuile pijlen aanvalt, kom dan op uw knieën bij de Heere terecht: ‘Heere, ik maak de balans op en ervaar die felle aanvallen van de boze. Ik leg mijn hart voor u open. Als ik me heb vergist, zie toch of er bij mij een schadelijke weg is.’

 

Het is niet verkeerd, hoor, om u dat regelmatig af te vragen. Maar: blijf er niet mee rondlopen en ga ook niet bij andere mensen te rade. Kom ermee op de rechte plaats, bij de Heere: ‘Leid mij op de eeuwige weg! Heere, bekeer mij, zoals U al Uw volk bekeert. Bekeer me zó dat U het meest aan Uw eer komt. Vergeeft U me al mijn zonden. Wilt U mij, op Uw tijd en Uw wijze, brengen op die plaats, aan Uw voeten, waar U op het hoogst verheerlijkt wordt en ik op het diepst word vernederd en waar Christus alles voor mij is?’

 

We zingen ervan uit Psalm 26 vers 2:

 

Beproef vrij, van omhoog,

Mijn hart, dat voor Uw oog,

Alwetende, steeds open lag.

Doorzoek mij; toets mijn gangen;

Doorgrond al mijn verlangen,

En stel mijn oogmerk in de dag.

 

3. Wie mogen niet aan het Heilig Avondmaal deelnemen?

 

We hebben antwoord gegeven op de vragen: Wat is het verschil tussen het Heilig Avondmaal en de Paapse Mis? Voor wie is het avondmaal des Heeren ingesteld, wie hebben er een kinderdeel aan? We hebben nagedacht over de woorden mishagen, vertrouwen, vergeven en over hen die begeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven beteren, omdat de Heere dat zo waard is.

Je proeft hier de liefde, toch? ‘U bent het zo waard! Hoe lief heb ik Uw wet; ze is mijn betrachting, de ganse dag!’ Dat is het verlangen: om voor Hem te leven, om van Hem te getuigen, om Zijn beeld te vertonen.

 

En nu is vraag 82 aan de beurt. U ziet hier eigenlijk al de lijn naar Zondag 31, dus ik kan er heel kort in zijn.

De catechismus trekt een lijn naar de kerkenraad die de gemeente vertegenwoordigt en die de twee sleutels van het koninkrijk der hemelen hanteert, bij mensen die dwalen in de leer of personen die in de zonden leven: mensen die zich met hun belijdenis en leven als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen. Die dwalen in leer en leven.

 

Dat kan. Dat gebeurt. Dat is praktijk. In Mattheüs 16 en ook in Mattheüs 18 geeft de grote Sleuteldrager, de Koning van de kerk, de grote Gastheer, Die tegelijkertijd ook de grote Tafelwachter van Zijn sacrament is, Zijn jongeren de sleutels om te binden op de aarde en te ontbinden. Dat doet Hij om te voorkomen dat Gods verbond wordt ontheiligd en Zijn toorn over de hele gemeente wordt verwekt. Dat ligt heel nauw.

 

Allereerst begint de tucht en het opzicht bij de leden persoonlijk. Wij hebben elkaar in de gaten te houden in de meest positieve zin van het woord. We moeten op elkaar passen. We moeten voor elkaar zorgen. We moeten elkaar bewaken, vermanen, waarschuwen, stimuleren, motiveren, de Weg wijzen!

De kerkenraad, die de gehele gemeente vertegenwoordigt – en onze vaderen bedoelen dat – is schuldig naar de ordening van Christus en Zijn apostelen eerlijk te vermanen. Zij moeten waken voor de ontheiliging van de tafel. Er staat in het bevestigingsformulier van ambtsdragers: zoveel als mogelijk is. Ze kunnen dus niet alles. Ze zien aan wat voor ogen is.

Wie zou niet beven? Wie zou niet vrezen als je als sleuteldrager de sleutels van het Koninkrijk van de hemel ontvangt? Wat is het dan belangrijk om bij het gebruik ervan die grote Sleuteldrager, de Meester, in het oog te houden! Wat is het nodig dicht bij Zijn Woord te blijven!

 

Het gaat over personen die dwalen in leer of leven en vermaand moeten worden zich te onthouden van de sacramentsbediening.

Als zij toch doorbreken, wordt Gods verbond ontheiligd en wordt een ban in het leger gehaald. Zo heet dat: Gods toorn wordt dan over de hele gemeente verwekt. Anders gezegd: dan kan het zijn dat de Heere Zich terugtrekt. Dan kan het zijn dat we alleen nog de vorm overhouden en dat de Heere niet meer in het midden is, omdat Hij te rein van ogen is om het zondige te kunnen aanschouwen. Hij kan met de zonde en de zondaars geen gemeenschap hebben.

De gemeenschap met God kan er alleen maar zijn in een weg van waarachtige bekering. In de weg van wat we zojuist gehoord hebben in antwoord 81.

 

Paulus wist er ook van; hij werd geroepen om zielen te leiden en het Evangelie te prediken, maar het is voor hem onmogelijk. Op gegeven ogenblik roept hij het uit: Broeders, bid voor ons! (1 Thess. 5:25) Dat gebed zou ik ook willen vragen voor de kerkenraad, de sleuteldragers: bid voor hen!

De volgende keer, in Zondag 31, gaat het over die sleuteldragers. Hoe die grote Sleuteldrager, de Poortwachter, de Koning van de kerk, aan kleine, nietige mensjes de sleutels geeft om Zijn tafel te bewaken, zodat alles met goede orde zal gaan in Zijn kerk, zoveel als mogelijk is.

 

Ik eindig met dat laatste stukje van antwoord 82: ‘Totdat zij betering huns levens bewijzen, door de sleutelen van het hemelrijk uit te sluiten.’

Het is net alsof Ursinus en Olevianus eerst de deur dichtdoen en dan, aan het einde van antwoord 82, de deur van het Koninkrijk van God weer wagenwijd openzetten.

 

Jongelui, jongens en meisjes, misschien vonden jullie het wat moeilijk, maar neem dat laatste nu mee. Wat je ook op je geweten hebt en wat je ook hebt gedaan wat niet overeenkomstig de wil van God is: er is een weg terug. Er is vergeving!

God maakt elke keer een begin met jou. Hij wil een nieuw begin maken. Wat is dat een wonder! Ik kan het vanuit mijzelf alleen maar verknoeien, maar U maakt elke keer weer een nieuw begin.

‘Totdat zij betering huns levens bewijzen.’ Er is dus doen aan! U hoeft niet naar huis met de gedachte dat er voor u geen boodschap is, want er is wél een rijke boodschap. Er is een evangelieboodschap voor u! Er is doen aan, voor u, voor jou!

Want de dichter zingt: ‘Bij U is vergeving, áltijd geweest. Dies word Gij, Heer’, met beving, recht kinderlijk gevreesd.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 73: 14

 

Wie, ver van U, de weelde zoekt,

Vergaat eerlang, en wordt vervloekt;

Gij roeit hen uit die afhoereren,

En U de trotse nek toekeren;

Maar ’t is mij goed, mijn zaligst lot,

Nabij te wezen bij mijn God;

’k Vertrouw op Hem, geheel en al,

De Heer’, Wiens werk ik roemen zal.