Ds. S. Maljaars - Mattheüs 27 : 19

De boodschap van Pilatus' huisvrouw

De beroering om de Zaligmaker
De onschuld van de Zaligmaker
De afstand tot de Zaligmaker

MattheĆ¼s 27 : 19

Mattheüs 27
19
En als hij op den rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 54: 2
Lezen : Mattheüs 27: 11-26
Zingen : Psalm 2: 5, 6, 7
Zingen : Psalm 95: 4
Zingen : Psalm 69: 14

Gemeente,

Met de hulp des Heeren willen we op deze lijdenszondag stilstaan bij Mattheüs 27 vers 19. Daar lezen we Gods Woord:

 

En als hij op de rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in de droom om Zijnentwil.

 

Het gaat hier over: De boodschap van Pilatus’ huisvrouw.

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. De beroering om de Zaligmaker

En als hij op de rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende:

2. De onschuld van de Zaligmaker

Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige.

3. De afstand tot de Zaligmaker

Want ik heb heden veel geleden in de droom om Zijnentwil.

 

1. De beroering om de Zaligmaker

 

Het is een zeer opmerkelijke gebeurtenis in de lijdensgeschiedenis, die we samen overdenken. De boodschap van Pilatus’ huisvrouw is alleen door de evangelist Mattheüs beschreven. Het is een bericht dat gebracht wordt op het moment dat haar man op de rechterstoel zit. Vóór die rechterstoel staat Jezus. Hier wordt waar wat we belijden in de Twaalf Artikelen: ‘Die geleden heeft onder Pontius Pilatus.’ Want om Hém gaat het uiteindelijk: Jezus Christus de Rechtvaardige, Die voor de wereldlijke rechter staat.

 

En als hij op de rechterstoel zat… Het is vrijdagmorgen geworden, de Goede Vrijdag. Ook onze jongens en meisjes weten wel wat Goede Vrijdag betekent. Het is de dag dat de Heere Jezus op Golgotha gestorven is om de schuld van Zijn volk te betalen. Het is de betaaldag voor Gods Kerk.

Heel vroeg in de morgen zijn er al mensen op weg naar het rechthuis van Pilatus. Zojuist heeft het Sanhedrin in de nachtelijke uren het doodvonnis over de Zaligmaker uitgesproken. Vervolgens moet men nu naar de Romeinse rechtbank. De Joden zijn immers onderworpen aan de Romeinen. Wilde men iemand daadwerkelijk ter dood brengen, dan moest de Romeinse overheid dit vonnis bekrachtigen. Met dit doel brengen zij Jezus bij Pilatus. Deze rechter komt in de Heilige Schrift naar voren als een wreed en wispelturig man. Maar hij is in de eerste plaats hier de wettige vertegenwoordiger van het Romeinse gezag.

 

De Romeinse stadhouder - ook wel procurator genoemd- regeert namens keizer Tiberius over een deel van de provincie Syrië. Pontius Pilatus is de eerstverantwoordelijke voor Judea, Samaria en Idumea. In Gods voorzienigheid bekleedt deze man het stadhouderschap op het moment dat de Heere Jezus veroordeeld zal worden. Pilatus’ taak is onder andere om de orde te handhaven. Dat was wel nodig in zo’n roerige keizerlijke provincie. Zeker rondom het feest van Pascha is het belangrijk dat er iemand in Jeruzalem aanwezig is die direct kan ingrijpen. Daarom is Pilatus van zijn residentie in Caesarea bij de Middellandse Zee naar Jeruzalem gekomen. Het is alles naar de bepaalde raad en voorkennis Gods. Ook dit móet geschieden volgens Gods eeuwige raad en wil.

We moeten het ons als volgt voorstellen: Voor het gerechtsgebouw -het pretorium- bij de burcht Antonia was de rechterstoel: een soort podium, een verhoging met een paar treden. Hierop stond een stoel en vanaf die plaats moest Pilatus rechtspreken. Vóór de rechterstoel was een prachtige mozaïekvloer. Daarom heet de plaats in het Grieks Lithostrotos, ‘het geplaveide’. De Hebreeuwse naam is Gabbatha. Dat betekent zoiets als ‘verhoging’. Zo staat Jezus voor het podium van Zijn rechter. Nog even, en dan zal het vonnis worden uitgesproken. En op dát beslissende moment komt er een bode bij Pilatus met een bericht van zijn huisvrouw. Niets gebeurt bij geval. Ook dit wordt bestuurd door de Heere.

 

Gemeente, laten we onze aandacht vooral richten op Hem Die staat vóór die rechterstoel: Jezus Christus, de Rechtvaardige. Waarom staat Hij daar? Lees dat in Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus, waar het treffend wordt verwoord: ‘Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden? Opdat Hij, onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde.’ Het gaat om Jezus, Die de straf van de Zijnen draagt. Ten diepste gaat het niet om de man zittend óp de rechterstoel, maar om de Man staande vóór de rechterstoel. De Man, Die Gods Metgezel is en Sion door recht gaat verlossen.

Hier staat Jezus voor de rechterstoel van Zijn rechter. Datzelfde Griekse woord bèma, rechterstoel, lezen we in 2 Korinthe 5 vers 10. Daar zegt Paulus: Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Wat een aangrijpende werkelijkheid: straks zal rechter Pilatus staan voor de rechterstoel van zijn Gedaagde. Dan zal Christus de Rechter zijn van levenden en doden en zal Hij ook Pilatus oordelen.

Geliefden, eens zullen wij allen verschijnen voor de rechterstoel van Christus, de hoogste Rechter. Denken we daar wel eens aan? Hoe zullen wij het dan maken?

 

Pilatus heeft Jezus ondervraagd: Zijt Gij de Koning der Joden? Daarop antwoordt Jezus: Gij zegt het (vers 11). Na de vele beschuldigingen van de overpriesters en de ouderlingen, dringt de stadhouder aan: Hoort Gij niet hoevele zaken zij tegen U getuigen? (vers 13). Jezus geeft hier geen antwoord op.

Als Pilatus verneemt dat de Heere Jezus uit Galilea komt, stuurt hij Hem naar Herodes. Zo hoopt hij van Jezus af te komen. Even later staat het gezelschap echter weer voor Pilatus. Nu probeert de sluwe rechter het op een andere manier. Hij zal een tweetal stellen: Barábbas of Jezus. Het volk mag een van de twee kiezen om vrijgelaten te worden. En terwijl Pilatus wacht op de uitslag van de stemming, komt er een boodschap. Het is een waarschuwing van zijn eigen vrouw: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige.

 

Er is grote beroering rondom de Zaligmaker. Hier geldt, wat de gemeente in Jeruzalem enige tijd later gebeden heeft: Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beide Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls (Hand. 4:27).

Het belangrijkste moment in de wereldgeschiedenis breekt aan. Nog een enkel ogenblik en dan zal Pontius Pilatus de Heere Jezus overgeven om gekruisigd te worden. Dan blijft voor Sions Borg alleen de weg naar de kruisheuvel Golgotha over. Het wordt alles zo door God bepaald en geleid, maar intussen blijft Pilatus wel verantwoordelijk voor zijn daden. Vlak voor zijn beslissing komt deze boodschap van zijn huisvrouw.

 

We zien het als het ware voor onze ogen gebeuren: Plotseling klimt een bode het podium van de rechterstoel op en loopt naar Pilatus toe. Heeft deze boodschapper het bericht alleen in Pilatus’ oor gefluisterd, of is het duidelijk verstaanbaar geweest? In ieder geval werd het openbaar, want Mattheüs schrijft: Zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in de droom om Zijnentwil

De naam van Pilatus’ huisvrouw wordt niet genoemd. Uit de ongewijde geschiedenis weten we dat ze Claudia Procula heette. Ook Hellenbroek noemt deze naam in zijn verklaring over de lijdensgeschiedenissen, ‘Kruistriomf van Vorst Messias’. Pilatus’  huisvrouw is dus ook in Jeruzalem geweest. Oorspronkelijk mochten de Romeinse stadhouders hun vrouwen niet meenemen naar de provincies. Later werd deze regel wat verruimd. Gods voorzienigheid gaat over alles. Deze vrouw móest op dit moment in Jeruzalem zijn. Op het beslissende moment moet deze boodschap Pilatus bereiken. Hij wordt gewaarschuwd door iemand die het dichtst bij hem staat, zijn eigen vrouw. Van haar komt hier een boodschap: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in de droom om Zijnentwil.

 

Wat is er gebeurd? Claudia Procula heeft een vreselijke droom gehad. Deze droom maakt haar zeer beangst. Aan een droom werd in die tijd heel veel waarde gehecht. De heidenen hadden de gedachte dat een droom werd gezonden uit de hogere wereld van de goden. Vooral de dromen in de vroege morgen, vlak voor je wakker werd, hadden grote betekenis.

Hoe ontstaan onze dromen? Salomo zegt dat de droom komt door veel bezigheid (Pred. 5:2). Als wij ergens heel veel mee bezig zijn, komt dat vaak terug in onze dromen. Jongens en meisjes, soms kun je een droom ’s morgens nog herinneren en zeg je: ‘Nu heb ik vannacht toch gedroomd, alles van gisteren kwam terug.’ We verwerken de dingen die we beleven vaak in onze dromen.

Toch dienen we bij deze droom van Pilatus’ vrouw hogerop te zien. Calvijn zegt dat deze droom een bijzondere besturing van God is geweest. Vóór de afsluiting van de Heilige Schrift gaf de Heere ook openbaringen en waarschuwingen door dromen, zelfs wel aan heidenen. Denk bijvoorbeeld aan farao in Egypte. Hij had gedroomd, evenals de schenker en de bakker. Deze dromen moesten uitgelegd worden en bevatten een voorzegging van God. Ook de heidense koning Nebukadnezar in Babel droomde en kreeg op die wijze een boodschap van God uit de hemel.

Als het over onze dromen gaat, moeten we nuchter en voorzichtig zijn. Ze komen door veel bezigheid. We moeten er geen bijzondere waarde aan hechten en er zeker onze zaligheid niet op gronden. Maar deze droom van Claudia wordt op dit moment bestuurd door God. Het is een laatste waarschuwing voor haar man Pilatus.

 

De boodschap is duidelijk: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in de droom om Zijnentwil. De vrouw van Pilatus wil haar man tegenhouden: Bedenk toch, man, waar je mee bezig bent. Trek je handen van deze Rechtvaardige af! Je wilt toch niet getroffen worden door de wraak van de goden?

Zo toont deze vrouw bewogenheid over haar man. Op zichzelf genomen is dit een mooie trek in deze geschiedenis. Ze wil haar man voor het kwade bewaren. Ze voelt dat het niet goed met hem zal gaan, als hij op dit pad voortgaat. Ze is bevreesd dat de toorn van de goden op hem zal losbarsten.

 

Er zijn meer vrouwen in de Bijbel die hun man probeerden af te brengen van het verkeerde spoor. Denk bijvoorbeeld aan de wijze Abigaïl en haar dwaze man Nabal. Het omgekeerde kwam helaas ook voor. Wat een onnoemelijk slechte invloed heeft de goddeloze Izébel op haar man Achab gehad en de geldzuchtige Saffira op haar man Ananias.

Het is een les voor het alledaagse leven. Hoe gaan wíj met elkaar om als man en vrouw? Bekommeren we ons om elkaars welzijn? Welke invloed hebben wij op elkaar? Hoe staan we in ons gezin? Zijn we bezet met het zielenheil van onze geliefden? De Engelse Schriftverklaarder Matthew Henry merkt bij dit gedeelte op: ‘Het is een bewijs van ware liefde voor onze vrienden en betrekkingen om te doen wat wij kunnen om hen terug te houden van de zonde. De beste vriendschap is vriendschap voor de ziel.’ Hebben we liefde voor de ziel van een ander?

Deze vrouw wil haar man waarschuwen. Dat in deze boodschap veel verkeerds zit, wordt nog wel duidelijk. Maar los hiervan staat het feit dat zij haar man niet over heeft voor de ondergang.

Gemeente, er is beroering rondom de Zaligmaker: Pilatus staat in twijfel, zijn vrouw is onrustig. Het is gelukkig als er nog wat beroering mag zijn. Als we indrukken hebben onder het Woord. Als we onder het horen van de lijdensgeschiedenissen niet geheel onverschillig zijn. Als het ons nog wat doet. Zo is het bij de huisvrouw van Pilatus.

Toch moet hierbij wel een kanttekening worden geplaatst: Alle beroering is nog geen bekering. Er kan heel veel beroering zijn, soms zeer heftig. Indrukken die ons in beweging lijken te brengen. Het wil echter nog niet zeggen dat het leidt tot bekering.

Dat zal ook hier blijken. De huisvrouw van Pontius Pilatus is wel uit haar evenwicht, maar daarmee is ze nog niet bekeerd. Alle betrokkenheid leidt niet tot zaligheid. Deze vrouw is erg betrokken op haar man en in haar gedachten ook wel wat bezig met Jezus, maar het leidt niet tot haar zaligheid. Het is beroering en betrokkenheid die aan de oppervlakte blijft. Ziet u dat het verder moet komen? Gevoel en emotie brengen ons niet dichter bij de Heere.

 

Hoe is het in óns leven, gemeente? Is er misschien ook wel eens beroering, als het gaat over de dingen van God en van de eeuwigheid? Dat we niet in slaap kunnen komen? Of dat we misschien een poos wakker liggen? Dat we ernstig nadenken over geestelijke zaken? Beroering in ons geweten? Onrust als we denken aan Gods straf en oordeel? Maar komt het ook verder? Verbinden de indrukken ons aan de Heere? Roepen we in de nood van onze ziel tot God? Is het ons om de Heere te doen? Komen we als een arme zondaar terecht aan de voeten van de Zaligmaker? Zijn het indrukken die blijven en zich verdiepen of zijn het uiteindelijk beroeringen waarvan we ons na enige tijd moeten afvragen: Wat is er van overgebleven? En daarom: Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg (Ps. 139:23-24).

 

We gaan naar onze tweede gedachte:

 

2. De onschuld van de Zaligmaker

 

Gemeente, in deze boodschap van Pilatus’ huisvrouw wordt ook heel duidelijk de  onschuld van de Zaligmaker bevestigd. Ze zegt: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige. Ze wijst de Heere Jezus dus aan als de Rechtvaardige.

Op het beslissende moment krijgt Pilatus de boodschap dat deze Man Die vóór zijn rechterstoel staat, de Rechtvaardige is. Enkele ogenblikken voordat Jezus door Pilatus wordt overgegeven om gekruisigd te worden, zegt deze bode: ‘Jezus is de Rechtvaardige.’ Hier wordt opnieuw de onschuld en volkomen heiligheid van de Zaligmaker bevestigd. En dat nog wel uit de mond van een heidin. Wie overtuigt Jezus van zonde?

 

Dit is niet alleen een duidelijke boodschap voor Pilatus, maar ook een rijke bemoediging voor de Heere Jezus Zelf geweest. Het is als een lichtstraal uit de hemel voor de Borg, Die hier lijdt op Gabbatha. Ook Hij mag het hier horen: die Rechtvaardige. De lijdensweg van Sions Borg is onnoemelijk zwaar geweest. Hij moest de ondeelbare toorn Gods voor Zijn kinderen dragen en wegdragen. Maar nu mag Hij hier horen: die Rechtvaardige. Dan geeft Zijn eigen Vader hier op Gabbatha eigenlijk opnieuw een krachtig getuigenis: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb (Matth. 3:17). Het is alsof Zijn Vader zegt: ‘Ik weet Wie U bent en waar U staat. U bent Mijn rechtvaardige Zoon en U staat daar voor de zaak van Mijn Sion.’ Het is als een hemelse vingerwijzing: ‘Zie, Mijn Knecht!’

 

In deze korte boodschap wordt een rijk Evangelie gepredikt. De bode van een heidense vrouw houdt een korte preek over Jezus, de Rechtvaardige. De rechter die over een enkel ogenblik het doodvonnis van Jezus zal bevestigen, hoort het aan.

Zo wordt Hij vandaag ook óns aangewezen, gemeente. Hij is de Rechtvaardige, de enige Middelaar en Zaligmaker, door Wie onrechtvaardigen zalig kunnen worden. Deze Jezus wordt ons in de boodschap van Claudia Procula gepredikt als de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid. Hij is de enige Weg tot God.

Dat mag de grootste zondaar moed geven, want door deze Zaligmaker kunnen we tot God bekeerd worden. Het is ook tot troost van Gods kinderen, dat de Middelaar hier genoemd wordt de Rechtvaardige. In deze Naam ligt een oceaan van zaligheid, een volheid van genade. Jezus Christus de Rechtvaardige gaat Sion door recht verlossen en een doodschuldig volk met God verzoenen. Door de gehoorzaamheid van deze ene Rechtvaardige zullen velen tot rechtvaardigen gesteld worden (Rom. 5:19). Ligt in deze boodschap dan geen Evangelie?

 

Het bericht op Gabbatha onderstreept de onschuld van de Heere Jezus. Wellicht is het ons al eens opgevallen in de lijdensgeschiedenissen, dat iedere keer de onschuld van de Zaligmaker herhaald wordt. Judas heeft het uitgeroepen: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed (Matth. 27:4). Pilatus zegt: Ik vind geen schuld in Hem (Joh. 18:38). Straks zal hij het nogmaals uitspreken, terwijl hij zijn handen in een schaal water wast: Ik ben onschuldig van het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien (Matth. 27:24). Bij het kruis op Golgotha zal aan het eind van de middag een heidense hoofdman belijden: Deze Mens was rechtvaardig (Luk. 23:47). En hier verklaart de huisvrouw van Pilatus dat Jezus rechtvaardig is.

Het evangelie van Mattheüs is vooral gericht aan Joodse lezers. Eigenlijk betekent deze boodschap van Pilatus’ vrouw ook een stille aanklacht voor het Joodse volk. Als het volk van Israël straks roept: Kruist Hem, is er hier een heidin die zegt: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige. De heidense Claudia Procula verklaart Hem onschuldig, terwijl de Joden Hem ter dood brengen.  

 

Hier wordt nogmaals onderstreept dat Jezus de Rechtvaardige is. Hij legt de grondslag voor Zijn Sion. Hier staat de zondeloze Middelaar voor een schuldig volk. Zondag 6 van de Heidelbergse Catechismus zegt dat een mens die zelf een zondaar is, niet voor anderen kan betalen. Hier wordt duidelijk dat Jezus geen zondaar is en dus wél kan betalen. Hij kan aan de eis van het Goddelijk recht voldoen. De betaling van de losprijs voor Gods Sion ligt bij Hem in goede handen. Wat een bemoediging voor een schuldig en zichzelf veroordelend volk. Hij is een bekwame Middelaar!

Ziet u dat er dan ook troost ligt in de boodschap van Pilatus’ huisvrouw? Troost voor mensen die moeten zeggen: ‘Het wordt bij mij alleen maar erger. Ik kan in mijn hart alleen maar méér ongerechtigheid en méér zonden vinden.’ Een volk dat leert buigen onder de straf van hun ongerechtigheid en zegt: ‘Ik erken mijn schuld, die U tot straf bewoog. Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’ Voor zulke mensen is hier een boodschap van een heidense vrouw: die Rechtvaardige. In deze Rechtvaardige ligt alles. Hij heeft volkomen betaald voor Zijn doodschuldig volk. Hij brengt hen tot God. In Hem ligt de zaligheid. Bij Hem is alles te vinden. O onrechtvaardigen, zie deze Rechtvaardige!

 

De boodschap van Claudia Procula is ook een waarschuwing voor Pilatus geweest. Want ze zegt: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige. Eigenlijk staat er: ‘Laat er niets zijn voor u en die Rechtvaardige.’ Deze vrouw denkt: Als mijn man zich aan deze Onschuldige vergrijpt, zal het slecht met hem aflopen. Het zal hem duur komen te staan. En daarom dringt ze aan: ‘Pilatus, laat die onschuldige Man los! Je hoeft toch niet te wachten op de uitslag van de stemming, Barábbas of Jezus? Het is toch duidelijk? O, heb toch niet te doen met die Rechtvaardige!’ Zo krijgt Pontius Pilatus hier een hand op de schouder gelegd: Keer toch terug, bedenk wat je doet!

Toch gaat Pilatus door op zijn weg. Hij laat zich niet weerhouden. Ondanks de benauwde droom van zijn vrouw. Ondanks het feit dat men een droom in die tijd zag als een boodschap vanuit de hogere wereld. De wispelturige en slappe Pilatus gaat voor het eisende volk door de knieën. Wellicht heeft zich een soort fatalisme van hem meester gemaakt: We zien wel wat er van komt… Maar wat het ook geweest is, hij heeft de waarschuwing in de wind geslagen en de onschuldige Jezus veroordeeld.

 

Hoeveel waarschuwingen hebben wíj al in ons leven gekregen? Zijn het geen ernstige waarschuwingen, als er van de preekstoel klinkt dat we onze zonden moeten verlaten? Dat we moeten breken met onze ongerechtigheden? Dat God een heilig en rechtvaardig God is? Dat we straks geopenbaard zullen worden voor de rechterstoel van Christus? Dat we geoordeeld zullen worden naar dat we gedaan hebben? Zijn het geen indringende waarschuwingen die midden in ons leven tot ons komen, op zoveel manieren? Als ons een ongeluk overkomt? Als we door een ziekte worden getroffen? Als we rondom ons ouderen en jongeren weg zien vallen, en we het weten: Sterven is God ontmoeten? O, gemeente, als we onder die talloze roepstemmen onbekeerd verder leven, zal dat straks zo vreselijk zijn.  

Soms komt een waarschuwing heel onverwachts. Net zoals hier bij Pilatus een hand op de schouder wordt gelegd. Misschien kreeg jij, jongere, ook wel eens zo’n roepstem. Een preek die je niet losliet of een gebeurtenis waar je diep van onder de indruk was. Een beslissend moment in je leven… Kwam je ook tot inkeer? Leg de waarschuwingen niet naast je neer. Ook in deze preek wordt als het ware een hand op je schouder gelegd, die je wil dringen om het goede spoor te gaan.

Ouderen, vraag of de Heere de vele roepstemmen heiligt aan uw hart. Of ze u aan God en aan Zijn troon mogen verbinden. Val als een arme zondaar voor de Heere neer. Of hebben we de houding van Pilatus: We zullen wel zien wat er van komt? Dat zullen we zeker zien, als we zonder genade God moeten ontmoeten. O, geliefden, slaap toch niet dodelijk gerust verder, terwijl de eeuwigheid ons ieder moment overvallen kan. Er wordt nog een hand op uw schouder gelegd, die u wil aansporen tot bekering. Ga niet voort in uw ongeloof en in de hardigheid van uw hart. Bedenk heden wat tot uw eeuwige vrede dient!

Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige. Ook al willen we hier niets met Hem te maken hebben, straks krijgen we wél met Hem te doen. Dat is misschien eerder dan wij denken. Dan zal deze Rechter oordelen over ons leven. En Hij velt een strikt rechtvaardig vonnis.

Zo komt er vanuit de boodschap van deze huisvrouw een dringende aansporing tot ons allen.

 

Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige. Er ligt nog iets heel aangrijpends in deze woorden. In het Grieks staat er: ‘Laat er niets zijn tussen u en deze Rechtvaardige.’ Hierin klinkt verachting en zelfs verwerping door. Uiteindelijk moeten ze beiden -zowel Pilatus als zijn huisvrouw- niets van de Zaligmaker weten.  

Hoe is het afgelopen met Pilatus? Hij is later naar Rome teruggeroepen en verbannen naar Frankrijk. Daar stierf hij een ellendige en eenzame dood. Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige. Hij heeft zich inderdaad met zijn hart afzijdig van deze Onschuldige gehouden. Nooit is hij in de schuld gekomen. Zonder God en Christus is hij gestorven.

Laat er niets zijn tussen mij en deze Rechtvaardige… Is dit niet ons aller leven, gemeente? We verachten God en we verwerpen de Zaligmaker. We zeggen het met onze gedachten, woorden en daden: Laat ons Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen (Ps. 2:3). Wij willen van nature niets met God en Christus te maken hebben.

Daar staat de bode op het podium van de rechterstoel… Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige. Het is ook een boodschap voor ons: Ga niet verder op het zondepad. Verwerp deze Koning niet, maar val Hem te voet. En gemeente, zo gij Zijn stem dan heden hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden. We gaan het zingen uit Psalm 95, het vierde vers:

 

Want Hij is onze God, en wij

Zijn ’t volk van Zijne heerschappij,

De schapen, die Zijn hand wil weiden;

Zo gij Zijn stem dan heden hoort.

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord,

Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

We overdenken de boodschap van Pilatus’ huisvrouw. Daarin zagen we de beroering om de Zaligmaker en de onschuld van de Zaligmaker. Nu onze derde gedachte:

 

3. De afstand tot de Zaligmaker

 

Wat zegt deze vrouw? Want ik heb heden veel geleden in de droom om Zijnentwil. Wat ze precies gedroomd heeft, staat niet vermeld. Maar wat is ze benauwd geweest! Ze is, om het zo te zeggen, zwetend van angst wakker geworden. De droom heeft haar verschrikt en beangst. Ze is erdoor uit haar evenwicht geraakt.

Want ik heb heden veel geleden in de droom om Zijnentwil. Eigenlijk klinkt het heel afstandelijk, wat ze zegt: Ík heb veel geleden om Zijnentwil. Uit haar woorden blijkt dat ze vooral met zichzelf bezig is. In paniek stuurt ze een bode naar haar man om dit over de Zaligmaker te zeggen, maar helaas horen we niet de taal vanuit een verbroken hart. We lezen niets dat ons wijst op de ingestorte liefde Gods, die haar als een verslagen zondares tot deze Zaligmaker doet vluchten. In al haar emotie handhaaft ze zichzelf.  

Gemeente, zullen we het onthouden: hevige benauwdheid op zichzelf brengt een mens nergens en houdt de Zaligmaker op een afstand. Ik heb veel geleden in de droom om Zijnentwil. Zij is meer met zichzelf bezig dan met de Zaligmaker, de Rechtvaardige. We moeten vrezen dat de kloof tussen haar en de Zaligmaker is gebleven. Ze verstaat niet Wie die Rechtvaardige is en weet niet wat die Rechtvaardige doet. Ze heeft Hem niet nodig. De Zaligmaker blijft voor haar op afstand.

 

Tegenover een algemene overtuiging staat de zaligmakende overtuiging van de Heilige Geest. Het kenmerkende van de zaligmakende overtuiging is dat er niet alleen benauwdheid gevonden wordt in het hart, maar ook droefenis. De dichter van Psalm 116 zegt: Ik vond benauwdheid en droefenis (Ps. 116:3). In de zaligmakende overtuiging van Gods Geest is er dus sprake van droefenis, de droefheid naar God.

Wanneer is er droefheid in het gewone leven? Als we iemand missen die we liefhebben. Zo is het ook als God zaligmakend werkt in het hart van een zondaar. Dan stort de Heere een druppel van Zijn liefde uit in het hart. En of dit nu gebeurt als we jong zijn of wat ouder, dat maakt niet uit. We gaan God missen en doorleven iets van Psalm 42: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen? (Ps. 42:2-3).

De zaligmakende overtuiging drijft een mens nooit in de wanhoop, maar brengt een zondaar aan de voeten van God en van Christus. Dit werk van Gods Geest houdt de Zaligmaker niet op afstand. Dan gaan we smeken, zoals de tollenaar in de gelijkenis: O God, wees mij zondaar genadig (Luk. 18:13). We krijgen de Rechtvaardige nodig!

 

Wil Jezus Christus de Rechtvaardige waarde voor mij krijgen, dan moet ik mijn ongerechtigheden doorleven. In het Oude Testament betekent het woord ongerechtigheid ‘afbuigen van de goede weg’, dus een weg gaan die steeds verder van de Heere afvoert. Als we dat gaan zien, ontstaat er smart over de zonde. Er komt een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. Dan gaan we de zonden ook haten en krijgen we er een gruwel van. We vluchten er vandaan (Zondag 33).

Kinderen, jongelui, leggen jullie je leven er ook eens naast. Herken je iets van die smart over de zonde, die haat tegen de zonde en die vlucht van de zonde? Of leef je jouw rustige leven in de zonde? Volwassenen, ouderen, is er in ons hart de droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid? Een droefheid die op God is gericht en doorwerkt in ons hele leven?

We vrezen dat Claudia Procula dit niet heeft gekend. We lezen althans niets van deze vruchten van het nieuwe leven.

Want ik heb veel geleden in de droom om Zijnentwil. Wat zijn het eigenlijk arme woorden. Deze vrouw zegt: ‘Ik heb veel geleden om Zijnentwil.’ Het zou eigenlijk andersom moeten zijn. Wil het goed zijn voor de eeuwigheid, dan moeten we leren: ‘Hij heeft heden veel geleden om mijnentwil.’

Want Wie staat hier? Hier staat de Rechtvaardige, de Borg van Sion, Jezus Christus. Hij heeft geen enkele zonde gehad of gedaan. Hij betaalt de losprijs voor Zijn uitverkoren gemeente. Om de overtreding Zijns volks is de plaag op Hem geweest. Zo staat Hij daar op Gabbatha, voor de wereldlijke rechter Pontius Pilatus.

Claudia Procula heeft veel geleden om Zijnentwil, maar het betekent helemaal niets vergeleken met wat de Zaligmaker moet lijden. Jezus heeft tegen Zijn discipelen gezegd dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, veel moest lijden, gedood en ten derden dage opgewekt moest worden (Matth. 16:21). Het woord ‘lijden’ dat Jezus voor Zichzelf gebruikt, is hetzelfde woord als in onze tekst. Het lijden van deze vrouw zinkt echter geheel in het niet bij het lijden van Christus. Hij heeft veel, ja álles geleden voor Zijn volk. Dat is de boodschap op de morgen van de Goede Vrijdag.

Daarover horen wij helaas niets uit de mond van Claudia Procula, hoewel we niet weten hoe het met haar afgelopen is. God heeft over haar leven geoordeeld.

 

In deze boodschap ligt een stille heenwijzing naar het werk van Sions betalende Borg. Hij staat hier voor Zijn rechter Pontius Pilatus. Hij wordt onder de wereldlijke rechter veroordeeld om Zijn volk van het strenge oordeel Gods te bevrijden.

Christus lijdt als Borg in de plaats van Zijn volk. De catechismus zegt erover in Zondag 15: ‘Wat verstaat gij door het woordeken ‘Geleden’? Dat Hij aan lichaam en ziel, de ganse tijd Zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, de toorn Gods tegen de zonde des gansen menselijken geslachts gedragen heeft, opdat Hij met Zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierf.’ Hij lijdt hier op Goede Vrijdag veel om hunnentwil! Dat doet Christus met het doel om Gods volk weer terug te brengen bij God.

De Zaligmaker verdient in Zijn veroordeling de vrijspraak van Gods Kerk. Zijn lijden betekent hun verzoening met God. Hij legt voor Zijn kinderen een hechte grondslag, waarmee ze straks de eeuwigheid kunnen aandoen. Alleen op het fundament van het werk van de Middelaar blijft Gods volk immers staande voor de rechterstoel van Christus. Degene Die hier door de aardse rechter Pontius Pilatus wordt gevonnist, zal dan hun Redder blijken te zijn, Die hen eeuwig tot Zich nemen zal.

 

Hoe nodig is het dat onze voeten op het fundament van het werk van Christus worden gezet. Dat gaat niet vanzelf. Dan moet de Heere ons eerst ontgronden. Hoe gaat dat? Wel, dan laat de Heilige Geest in ons leven de stroom van onze ongerechtigheden zien. Die stroom heeft een bron. Diepere ontdekking leert dat hier vanbinnen een bron van ongerechtigheden zit. We zijn in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren. De stroom is verwoestend en de bron is verdorven. Als de Heere dit ons bevindelijk leert, verliezen we alle grond onder de voeten en houden we alleen maar ongerechtigheden over. Dan komen we erachter dat zelfs onze gerechtigheden zonden voor God zijn.

 

En nu behaagt het de Heere -met eerbied gesproken- zo iemand die vastloopt met zijn ongerechtigheden, onder het lezen of verkondigen van Zijn Woord wel eens iets in te fluisteren over de Rechtvaardige. Het kan alles nog wat onbestemd zijn, maar dan krijgen ze moed en zeggen ze: ‘O, nu zou het voor mij ook nog kunnen.’ Wat een wonder, als ik duidelijker mag horen over de Persoon van die Rechtvaardige. Wat ontstaat er dan een verlangen om meer van Hem te leren kennen. Want Zijn werk is zo verborgen en moet toegepast worden in mijn leven.

Weet u wat deze mensen meer en meer gaan doorleven? Dat Gods recht betaling eist en zij niets hebben om te betalen. Deze worstelaars aan Gods genadetroon mogen soms wel eens iets horen en zien van deze Zaligmaker, maar daarmee is hun rechtszaak niet opgelost. Het is alsof de afstand tussen de heilige rechtvaardige God en hun schuldige ziel alleen maar groter wordt. Hoe moet die kloof ooit overbrugd worden? Het is hun afhankelijk gebed: ‘Heere, mag ik bij U vandaan weten dat Christus veel geleden heeft om mijnentwil? Mag ik de toepassing van de borggerechtigheid van Christus in mijn hart ervaren? Mag ik weten dat het goed is tussen U en mij?’

Wat moet er dan gebeuren? Dat kleine woordje ‘ik’ moet er tussenuit gaan vallen. Dat lijkt gemakkelijk, maar het is het niet. Want dan moet ik mezelf verliezen. Dat ‘ik’ van mij is verkeerd, verdorven, door en door zondig, vol van boosheid. Over dat ‘ik’ denk ik vaak nog zo goed. Dat ‘ik’ van mij wil ik handhaven. Gelukkig de mens, die in het verlies van zijn ‘ik’, dus van zijn eigen leven, de grondslag mag vinden buiten zichzelf, in het werk van Jezus Christus. Dan mag er iets van die geloofskennis worden ervaren: ‘Hij heeft veel geleden om mijnentwil.’ Dan wordt de gerechtigheid van deze Rechtvaardige op de rekening van de zondaar gezet, evenals had hij nooit zonde gehad of gedaan. Hij voor mij… Gelukkig degene die het bewust weten mag.

In de weg van heiligmaking zal Gods Kerk verder gelouterd worden en leren dat ze hier een ellendig en arm volk blijven. Zij zullen op de Naam des Heeren betrouwen en gedurig schuiling zoeken bij die Rechtvaardige.   

 

Gemeente, we hoorden over de boodschap van Pilatus’ huisvrouw. Deze heidin was bewogen over haar man. Ze sprak over de onschuld van de Zaligmaker, maar we moeten vrezen dat ze uiteindelijk op afstand van Hem bleef.

 

Het woord van Claudia Procula is een laatste waarschuwing voor haar man. Eens komt ook voor ons het laatste waarschuwende woord. Jongens en meisjes, vraag of de Heere je zonden wil vergeven. Jongelui, breek met de zonde en de werelddienst. Pilatus kreeg op een beslissend moment een hand op z’n schouder. Zit jij hier ook op zo’n belangrijk moment? Misschien heb je je voorgenomen om -als je straks achttien of twintig bent- voor jezelf te kiezen. Misschien heb je de knoop al doorgehakt. Maar vandaag wordt er een hand op je schouder gelegd: ‘Keer toch terug! Ga niet verder, maar keer om!’ Sla deze waarschuwing niet in de wind. Volwassenen, ouderen, ga niet verder in uw leven zonder God. Nu worden we nog gewaarschuwd. Straks is die hand er niet meer. Aan de voeten van de rechtvaardige Zaligmaker vindt een zondaar alles wat tot zijn zaligheid nodig is. Nog is daar plaats!

 

Het woord bevat ook een bemoediging: het gaat over ‘die Rechtvaardige’. Mogelijk heeft iemand gedacht: ‘Zou er voor zo’n onrechtvaardige als ik ben nog doen aan zijn?’ Jazeker, luister eens naar de boodschap van Claudia Procula: die Rechtvaardige. Dat woord heeft de Heilige Geest op haar lippen gelegd en in het Evangelie laten optekenen. En omdat Jezus Christus de Rechtvaardige is, kan en wil God nog met onrechtvaardigen te doen hebben. Is dat niet bemoedigend voor iemand die geen enkel goed kan vinden in zichzelf?

 

Tenslotte klinkt in de boodschap van de huisvrouw van Pilatus ook een rijke vertroosting door voor Gods kinderen. Gods Zoon staat hier als de Rechtvaardige voor de wereldlijke rechter Pontius Pilatus. Hij buigt onder de ongerechtigheden van Zijn volk. En dan is het alsof we op de vroege morgen van de Goede Vrijdag over dat geplaveide plein van Gabbatha al horen zingen:

 

Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen,

En Juda’s steên herbouwen uit het stof.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 69:14

 

Gij hemel, aard’ en zee, vermeldt Gods lof;

Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen;

Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen,

En Juda’s steên herbouwen uit het stof.

Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad;

God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen;

Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad,

Zij die Zijn Naam beminnen, erf’lijk wonen.