Ds. G.J. Baan - Mattheüs 26 : 31 - 35

Jezus en de discipelen

Ontrouwe discipelen
Een getrouwe Jezus
Overmoedige discipelen
Een ootmoedige Jezus

MattheĆ¼s 26 : 31 - 35

Mattheüs 26
31
Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geergerd worden in dezen nacht; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.
32
Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
33
Doch Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Al werden zij ook allen aan U geergerd, ik zal nimmermeer geergerd worden.
34
Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.
35
Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 47: 4, 5
Lezen : Mattheüs 26: 26-35
Zingen : Psalm 31: 9, 10, 11, 12, 15
Zingen : Psalm 22: 10
Zingen : Psalm 77: 8
Zingen : Psalm 118: 4

Gemeente, de wijze Spreukendichter Salomo heeft een keer gezegd, en dat is wel zeer van toepassing op het Woord in deze dienst: Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen en opstaan, maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen (Spr. 24:16).

Met andere woorden: er is verschil tussen het vallen van rechtvaardigen en goddelozen; het vallen in de zonde, bedoelt hij. Van rechtvaardige mensen die God dienen en die door genade gezaligd zijn, van wie al hun zonden zijn verzoend, zou je misschien verwachten dat ze nooit meer zondigen. Want als je de Heere dient en de dienst van de Heere ligt heel dicht bij je hart, dan moet je er ook niet aan denken om te zondigen, want dat geeft zoveel verwijdering tussen God en je hart en zoveel pijn in je ziel.

 

Misschien denken jullie wel, jongens en meisjes: als iemand de Heere dient dan is dat een soort heilige, iemand die nooit meer verkeerd doet. Zeker, in de Bijbel lees je wel over de zonde van Gods kinderen, maar dan toch: iemand die God dient is heilig, rechtvaardig. Salomo zegt het: de rechtvaardige. Toch spreekt hij over een vallen in de zonde. Als je het verband van die tekst nakijkt in Spreuken 24, dan lees je dat het over zonden en verzoekingen gaat. ‘Struikelingen’, noemt hij dat. ‘Zevenmaal vallen’; het getal van de volheid. Bewust kiest hij voor het getal zeven. Al zou een rechtvaardige talloze keren vallen in het kwaad, maar dan toch: hij zal opstaan. Alle keren nadat de zonde bedreven is richt God hem of haar weer op.

 

Maar de goddelozen – het woord zegt het al: mensen zonder God, god-loos, zonder de Heere – zullen in het kwaad nederstruikelen. Daar spreekt Hij niet over zeven keer vallen. Misschien maar één keer.

Van sommige goddelozen denk je soms dat ze minder zonden doen dan een kind van God. Toch: die zullen in het kwaad neerstruikelen. Eén keer komt het moment dat de goddeloze voor altijd valt, voor altijd struikelt en nooit meer opstaat.

Je zou zeggen: waar ligt het verschil in? Als je dat zou zoeken in het aantal maal zondigen, in de diepte van de zonde, dan kan het nog wel eens zijn dat iemand zonder God soms beter leeft dan iemand die mét de Heere leeft. Die voorbeelden zijn er ook in de Bijbel, en in de geschiedenis. En als je je eigen hart er naast legt, moet je misschien zeggen: ‘Heere, hoe kan dat nu met genade gepaard gaan?’ Ook daarvan zie je voorbeelden in de Bijbel: David, Salomo… Salomo wist het van zichzelf.

Dus daar kunt u het verschil niet in vinden, gemeente. Het verschil ligt in God! De Heere zal hem voor struikelen bevrijden en met Zijn heillicht voorgaan. Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd (Jes. 49:16). Soms zie je er maar één, en soms niet één. En nu zegt de Heere tegen u, tegen jou: Wie Mij vreest staat in beide Mijn handpalmen gegraveerd. Daar staan de namen, daar staan al uw namen in, en ook die van jou, en Ik haal ze er nooit meer uit. Daarom zal Ik u, of jou, met Mijn handen bewaren. De goddelozen zullen vallen en niet weer opstaan, maar de rechtvaardigen zullen worden opgericht.

 

We letten er op vanuit het evangelie naar de beschrijving van Mattheüs, hoofdstuk 26, de verzen 31 tot en met 35:

 

Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.

Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.

Doch Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden.

Jezus zeide tot hem: Voorwaar Ik zeg u, dat gij in deze zelfde nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen

Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.

 

We letten op Gods Woord dat tot ons spreekt over: Jezus en Zijn discipelen.

 

Dan letten we op vier gedachten:

 

In de eerste plaats zijn het ontrouwe discipelen, zoals we lezen in vers 31:

 

Toen zei Jezus tot hen: Gij zult allen – alle twaalf – aan Mij geërgerd worden in deze nacht; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.

 

We zullen zo zien wat deze oudtestamentisch profetie uit Zacharia 13 vers 7 betekent.

 

In de tweede plaats: een getrouwe Jezus, zoals we zien in vers 32: Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.

 

In de derde plaats: overmoedige discipelen, zoals we lezen in de verzen 33, 34 en 35:

Doch Petrus, antwoordende, zeide tot Hem : Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden.

Jezus zei tot hem: Voorwaar Ik zeg u, dat gij in deze zelfde nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.

Petrus zei tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.

 

In de vierde plaats, zoals blijkt uit de hele tekst en uit het verband van wat daarna gebeurt: een ootmoedige Jezus.

Hij werd verraden, Hij werd verlaten, Hij werd verloochend en Hij liet Zich kruisigen.

 

Jezus en Zijn discipelen.

In de eerste plaats: Ontrouwe discipelen

In de tweede plaats: Een getrouwe Jezus

In de derde plaats: Overmoedige discipelen

In de vierde plaats: Een ootmoedige Jezus

 

1. Ontrouwe discipelen

 

Inmiddels, gemeente, hebben de discipelen en de Heere Jezus de Paaszaal verlaten. De zaal waarin ze het Heilig Avondmaal hebben gevierd, waarin het Pascha nog een keer werd gehouden en waar de Heere Jezus heel veel dingen tegen hen heeft gezegd.

Een samenvatting daarvan lees je in Johannes 14 tot en met 17.

Deze vier hoofdstukken uit het evangelie van Johannes laten ons op een heel ontroerende manier zien hoezeer Jezus aan hen verbonden was. En tegelijkertijd – we kunnen het ook omdraaien – hoezeer de discipelen aan Hém verbonden waren. En die wederzijdse band van liefde en verbondenheid zou nu, naar het menselijke althans, worden doorbroken. De Heere Jezus zou gaan sterven.

Jongens en meisjes, de Heere Jezus zou aan het kruis worden gehangen; letterlijk. De nagels, de spijkers door Zijn handen, de spijkers door Zijn voeten, en daar hangt Hij, tussen de hemel en de aarde. Je zou zeggen: op de aarde was er geen plaats meer voor Hem. Zijn voeten waren boven de aarde verheven en de hemel heeft zich voor Hem gesloten.

De Heere had Hem ook direct naar de hemel kunnen laten gaan. Nee, eerst moest Jezus tussen hemel en aarde gekruist worden; er tussenin. De aarde spuugt Hem uit en de hemel sluit zich voor Jezus. En de enige manier waarop dat kon en waarom de Romeinen ook gewoon waren dat te doen, was door middel van een kruis. Alle andere manieren van sterven hadden plaats óp de aarde. Denk aan de brandstapel, denk aan het zwaard, denk aan de hongerdood. Maar de enige manier om te sterven, een schandelijke, verschrikkelijke straf waarbij degene die stierf niet meer op de aarde was, was het kruis.

 

De Heere Jezus stond er tussenin. Tussen wat? Tussen God in de hemel en tussen de mens op de aarde. De catechismus noemt dat met een moeilijk woord: Middelaar, midden in, het enige Middel om ons met God te verzoenen. Het was een prediking die werkelijkheid zal worden, gemeente, dat alleen dat kruis van het evangelie, dat kruis van het lijden, onze zonden kan vergeven. ‘Jezus, Uw verzoenend sterven’ – daar aan het kruis – ‘blijft het rustpunt van mijn hart.’

Daar wordt aan het Avondmaal over gesproken. Daar lezen we: Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden (Matth. 26:28). Het bewijst uitdrukkelijk dat al uw zonden zijn verzoend. Daar had Jezus over gesproken in de Paaszaal, zoals vooral te lezen is in Johannes 17. Daar hadden de discipelen van gezongen, zoals u kunt lezen in vers 30: En als zij de lofzang gezongen hadden – dat waren de Psalmen 113 tot en met 118: ‘Gij zijt mijn God, U zal ik loven…’ De echo, de weerklank van hun hart… ‘… verhogen Uwe majesteit! Mijn God, mijn Jezus, niets gaat Uw roem te boven, U prijs ik tot in eeuwigheid!’ Het Hallel, de hallelujapsalmen. Daar juicht het van in hun hart, dat Jezus hun Koning is en dat zij Zijn onderdanen zijn.

 

Hoewel, we zagen al eerder dat dit niet met allen zo was, en dat komt ook weer terug. Er is er ook één – en die was er inmiddels niet meer bij – Judas, die Hem zou gaan verraden. Hij was inmiddels zijn verraderlijke werk aan het doen. Legt u de andere evangeliën er maar naast: Judas was de zaal uitgelopen; ook dat komt nog een keer terug. Judas was gaan doen wat Jezus al had gezegd: Hem verraden.

Je zou denken dat de zuivering heeft plaatsgevonden tussen wel en niet, tussen waar en vals, rechtvaardig en goddeloos. Nu zullen er toch wel allemaal woorden van de Heere Jezus komen die Zijn discipelen zullen gaan prijzen hoe echt hun geloof was, hoe geweldig hun liefde, hoe volhardend hun ijver, hoe sterk hun hoop, want Judas was er niet meer bij. Maar niets minder is het geval. Toen zei Jezus tot hen (alle elf): Gij zult allen aan Mij geërgerd worden.

 

Na die aangename uren van bidden, van Avondmaal houden, van zingen, van genieten, van onderwezen worden, van liefde, van heel dicht bij Jezus zijn, komt er in één keer een geweldige, beschamende les. Ook dat is geestelijk leven; juist dat.

Jezus had het nog maar kortgeleden gezegd, in Johannes 15 vers 5: Zonder Mij kunt gij niets doen. Het was misschien twintig minuten geleden dat Hij dat zei: Zonder Mij kunt gij niets doen. En dan komt in één keer in alle massaliteit naar boven, heel duidelijk: U zult allemaal aan Mij geërgerd worden.

 

Waarom is dat nu zo nodig in deze preek? Het is toch heerlijk om dat onderwijs te ontvangen, om meer te worden in de genade, om op te wassen, te groeien in het werk van God, om meer over de Heere Jezus te leren, om meer van Hem te weten te komen, om meer geloofskracht en liefde te beoefenen? Zeker, maar dan wel in alle afhankelijkheid. Daar ontbrak het hen zo aan.

Dat blijkt wel in het vervolg. In deze nacht zult u allen – zonder één uitzondering – aan Mij worden geërgerd. Vers 31: allen. Vers 35: Zo zeiden ook ál de discipelen. Vers 56: Toen vluchtten ál de discipelen, zonder één uitzondering. Allen zwak, niemand kon er onderuit, ze zullen allemaal aan Hem worden geërgerd.

In het Grieks staat hier een moeilijk woord, dat te maken heeft met het woord ‘scandalon’. Een schandaal, zeggen we in onze taal. Het woordje ‘schandaal’ in het Grieks betekende nog wat meer. Je zou kunnen zeggen: een struikelblok, waarover je struikelt. Dat woordje wordt hier gebruikt: het blok waarover je struikelt, waardoor je vallen zult.

En wie is dat blok? Als je nog wat beter gaat kijken naar het woord dat hier staat, dan zegt Jezus eigenlijk: Je zult vallen en Mij verlaten. Dat zit er ook in. Wantrouwen, iemand als een struikelblok betitelen, dus iemand zien als een oorzaak waarom je hem verlaat. Eigenlijk is het dubbel wat er staat. ‘Je zult aan Mij geërgerd worden, je zult Mij zien als een oorzaak om Mij te verlaten.’ Dat struikelblok is de Heere Jezus Zelf. Als ze Hem straks zullen zien in de handen van de soldaten en zullen beseffen dat Hij toch gekruisigd zal worden, dan is er maar één ding dat ze doen: ze verlaten Hem allen. Dan is Hij dat ‘Struikelblok’.

 

We gaan even terug naar Psalm 118: De steen die de bouwlieden verworpen hadden – ook daar wordt zo’n blok, zo’n steen genoemd – is tot een hoofd des hoeks geworden (Ps. 118:22). Dus de Heere Jezus is een Oorzaak dat Zijn discipelen Hem verlaten. Gelukkig komen ze later weer terug, maar Jezus laat heel duidelijk zien: je zult je aan Mij ergeren. Dit is een weg die je zelf niet wilt. Ten diepste wil je Mij nog op aarde houden en Mij misschien met je wraakzwaard – denk aan Petrus – verdedigen, of Mij met je woorden voor het kruisigen bewaren. Maar als het dan toch gebeurt, discipelen, begrijpen jullie er helemaal niets meer van en jullie zullen Mij uit ergernis allemaal verlaten.

Nu moeten we deze tekst niet verkeerd gaan opvatten en uitleggen, wat je ook vaak hoort, zo in de zin van: Gods kinderen ergeren zich aan het kruis, want dat lees je hier niet. Ze ergeren zich wel aan de weg waarlangs het gaat. Ze begrijpen er niets meer van.

 

O, wat een ontrouwe discipelen! In plaats dat ze bij Hem blijven, zullen ze Hem verlaten. De Heere Jezus gebruikt een tekst uit het Oude Testament om het nog wat duidelijker te maken: Want er is geschreven… Zijn argumentatie: het staat er toch, het is voorzegd: Ik zal de Herder slaan, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden.

Het is een heel moeilijke tekst die Jezus hier aanhaalt, maar daarmee wordt bedoeld dat God, de Heere, de Herder, de Heere Jezus als de Herder, gedood laat worden aan het kruis. En als die Herder dan dood is, ja, dan hebben de schapen geen leiding meer. Die gaan alle kanten op.

Het woord ‘versplinterd’ wordt gebruikt. De schapen worden ‘versplinterd’ als een steen onder een hamer, als een glas op een stenen vloer.

Wat een ontrouw! De Heere Jezus trekt vooruit, en zij verlaten Hem. Jezus onderwijst hen, en zij begrijpen het niet. De Heere Jezus zorgt, en zij laten Hem in de steek. De Heere Jezus geeft Zijn leven, en zij redden het vege lijf. Alle discipelen. Sluit jezelf daar maar bij in, want ze verlieten Hem met hun zonde.

Met elke zonde, gemeente, elke keer dat we ontrouw zijn en de Heere verlaten en vergeten, zelf aan het werk gaan en niet rusten op het kruis van Golgotha, geen oog hebben voor het lijden van de Middelaar, hebben we Hem verlaten. Zacharia zegt het zo: Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man Die Mijn Metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen; sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden (Zach. 13:7).

Datzelfde geldt voor de discipelen die het allemaal niet begrijpen en die er eigenlijk ook niet aan willen dat Jezus sterft.

Wat geldt dat dan nog meer voor Zijn vijanden, voor allen die Hem aan het kruis hebben laten hangen, die letterlijk zeggen: ‘Weg met Jezus! Neem Hem weg!’ De Joden, voor wie Christus de Gekruiste een ergernis was, of de Grieken voor wie Hij een dwaasheid was. Wat zijn we dan allemaal ontrouw, gemeente. Wie van ons kan zeggen dat hij in de achterliggende week alleen gerust heeft op het lijden en sterven van de Heere Jezus en geen enkele zonde heeft gedaan, geen enkele verkeerde gedachte heeft gehad, alles met de Heere heeft gedaan, niets zonder Hem? Niemand. ‘Gij allen zult Mij verlaten.’ U allen; ontrouw.

En toch: de Heere Jezus werd door Zijn Vader niet verlaten. We zingen daar eerst profetisch van uit Psalm 22 vers 10:

 

Maar Gij, o Heer’, tot Wien mijn ziel zich keert,

Sta niet van ver; mijn God, Die ’t al regeert,

Ai, haast U toch ter hulp; ik word verteerd

Door al d’ ellenden.

Red mijne ziel van ’t zwaard dier boze benden

Die schrikk’lijk woên;

Ai, red haar uit hun handen,

Daar z’eenzaam ducht ’t geweld des honds, wiens tanden

Haar sidd’ren doen.

 

2. Een getrouwe Jezus

 

Tegenover deze ontrouw, zij het door zonde, ongeloof of door andere oorzaken, staat de getrouwheid van Jezus. Maar – dat woord geeft al een tegenstelling aan – nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan. Ik zal…! Al uw zonden, discipelen, al jullie ontrouw, doen Mijn trouw nooit teniet. Ik zal…! Als we op één ding aan kunnen, is het wel Gods trouw. Ik zal…!

Zo heeft de Heere Zich aan Mozes geopenbaard: Ik ben Die Ik ben, Ik zal zijn Die Ik zijn zal. Zo openbaart Jezus Zich aan Zijn discipelen: Ik zal opstaan, Ik zal u voorgaan.

En zo laat Hij Zich ook nu kennen door ons allemaal: Ik ben de getrouwe Zaligmaker Die je zaligen kan, Die je schuld verzoenen wil.

Maar toch wel bijzonder naar Zijn kinderen toe blijkt Zijn trouw. Judas is er niet meer bij. Daarom kan Jezus ook zeggen: ‘Ik zal u voorgaan.’ Allemaal.

 

Maar wat vreemd, Hij spreekt hier al over de overwinning. Het kruis moet nog komen, de dood zit er nog tussen! Het is net of Jezus dat allemaal niet noemt, alsof Hij er niet eens over nadenkt! En het kruis dan, en het sterven en de begrafenis dan? En de dood dan?

Nee, discipelen, de overwinning ligt vast. Als er één ding is waar je nooit aan moet twijfelen is het: Mijn werk, Ik zal opstaan. En na Mijn opstanding zal Ik al die verstrooide schapen die overal zitten, die overal uiteengespat, versplinterd zijn, bijeenverzamelen. En dat zal Ik doen in Galilea.

Ze komen weer terug in Galilea, de provincie waar ze vandaan kwamen, met uitzondering van Judas, maar die was er niet meer bij. Een streek waar je liever niet woonde, waar het allemaal wat eenvoudiger was, wat achter liep, waar de mensen wat onbehouwen waren, wat ruw, wat onbelangrijk. Ja, daar heb Ik jullie opgezocht, discipelen, daar komen jullie vandaan. En daar zul je Mij ontmoeten. Daar zul je Mij aanbidden. Daar zul je Mijn macht ervaren. Ik heb alle macht in hemel en op aarde. Daar word je in je ambt hersteld, Petrus: Weid Mijn schapen, hoed Mijn lammeren, weid mijn lammeren… (Joh. 21:15,16,17). Daar ontvangt u allen de belofte van Mijn eeuwige trouw, daar zal Ik u brengen.

 

Wat een trouwe Zaligmaker! Hij verzamelt en verstrooit, Hij gaat degenen die Hem verlaten voor, Hij raapt al die splinters weer op. Het is net alsof Jezus zegt: jullie verlaten Mij wel, maar Ik verlaat u niet. Jullie vallen wel in de zonde en in het ongeloof, in de vertwijfeling, maar Ik zorg dat u er nooit vanaf zult vallen. Er is wel een vallen der heiligen, maar geen afval der heiligen, want Ik heb immers voor de zonden betaald. Dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van de zonden.

Ook je ontrouw verzoen Ik aan het kruis. Om je zonden hang Ik aan het vloekhout. Het handschrift der zonden, zegt het avondmaalsformulier, dat tegen ons was, heeft Hij aan het kruis gehecht, genageld en gedood. En nu zal niemand jullie meer kunnen beschuldigen, want door Mijn lijden en sterven zal de Heere geen zonde meer zien in Zijn Jakob en geen overtreding meer in Zijn Israël.

Paulus zou het later zeggen: een reine maagd, zonder vlek en rimpel. En Petrus zal zeggen: een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden van Degene Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. (1 Petr. 2:9). Of Johannes: ‘Kinderkens, indien wij gezondigd hebben, Hij is een Voorspraak bij de Vader voor onze zonden, Jezus Christus, de Rechtvaardige.’ Ik zal…!

 

Dat is ook de toepassing, want die ligt er helemaal in: met al mijn zonden raak ik Jezus niet kwijt. Dat is geen oorzaak om te zondigen, zo van: de genade is er toch wel. Maar het is wel een reden van troost. Met al mijn ontrouw komt Hij toch weer terug. En ook hierin wordt de profetie waar uit Zacharia 13 vers 7. Ik heb u die al genoemd, maar ik lees het nog een keer voor. Daar staat: Zwaard! Ontwaak tegen Mijn Herder en tegen de Man Die Mijn Metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen; sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden. En daar hoorde nog iets achter dat ik bewust nog niet genoemd had: maar ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.

 

Kleinen; al die schapen worden hier ‘kleinen’ genoemd.

Ik las er drie dingen van, ook weer tot troost: Eerst: jonge schapen. Johannes noemt hen in 1 Korinthe 3 vers 1 en 2: jonge kinderen in Christus,die met melk gevoed worden, en niet met vaste spijs. Je zou kunnen zeggen: nog maar net op de weg van de genade. Jonge christenen; ook zij horen er bij.

Twee: onkundige of dwaze schapen. Je ziet dat wel eens in een kudde, van die dwaze, springende schapen; die rennen alle kanten uit. Soms zou je denken: ze komen nooit meer terug, ze weten niet waar ze heen moeten. Denk eens aan Thomas, was hij niet zo’n onkundig schaap? Hij zegt in Johannes 14, vlak voor het lijden: ‘Heere, we weten niet waar Gij heen gaat.’ Ik weet niet hoe het moet in mijn leven, in mijn geestelijk leven, in mijn dagelijks leven. Kleine, onkundige schapen.

Ten derde: zwakke schapen. Paulus spreekt daarover in Efeze 4 vers 14: die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met alle wind der leer. Instabiel, zou je zeggen; dan weer dit, dan weer dat. Jonge, onkundige, zwakke schapen, en zo u wilt kunnen we het samenvatten met: zondige schapen.

Kleinen… die ga Ik opzoeken! Ik zal Mijn hand naar hen wenden. Dat is gebeurd. Het eerste wat Jezus na Zijn opstanding doet is al Zijn schapen opzoeken: de vrouwen, de discipelen, Zijn eigen broeders. En Hij laat het hen allen horen: Ik zal u voorgaan naar Galilea. En Ik zal Mij niet schamen hen Mijn broeders en Mijn zusters te noemen. Al zijn ze nog zo verstrooid, Ik zal ze allemaal weer opzoeken.

 

Denk nog even aan dat voorbeeld van het glas. Als je dat op een stenen vloer laat vallen, dan spat het uit elkaar, en je moet er heel erg je best voor doen om niet één splinter in de keuken achter te laten waar je je voeten door verwondt. Meestal lukt het wel aardig al die splinters te verzamelen, maar soms vind je dagen later nog een splintertje, helemaal in de hoek van de kamer of de keuken. Dan denk je: ja, dat is van dat glas dat ik toen liet vallen.

Maar de Heere Jezus zegt: Ik zal al die splinters weer zoeken en vinden. De kleinste zal Ik er ook bij voegen. Allen zal Ik voorgaan naar Galilea. Een getrouwe Jezus.

 

Maar dan – helaas - het derde punt:

 

3. Overmoedige discipelen

 

Maar Petrus… Weer een ‘maar’. Maar Petrus… Je zou zeggen: wat een trouw onderwijs. Petrus, moet je nu niet gewoon je mond houden, zwijgen, luisteren en overdenken wat de Heere Jezus tegen je heeft gezegd? Is er niet genoeg reden om wat te wachten in plaats van weer de eerste te zijn en weer het woord te voeren?

Deels kwam dat voort uit dwaasheid en onkunde, deels ook uit ijver. En als je die twee dingen combineert, soms wat meer onkunde, soms wat meer ijver, als je die twee dingen samen neemt, dan heb je het woordje ‘overmoedig’. Als we overmoedig zijn dan doen we iets wat we denken te kunnen, maar eigenlijk kunnen we het niet.

Stel je voor dat je over een sloot wilt springen en die sloot is te breed. Je denkt: ik kan er wel overheen. Je weet niet dat hij te breed is om er overheen te kunnen springen. Je probeert het toch, en het gevolg is duidelijk: je valt in het water.

Petrus en de discipelen dachten dat de polsstok wel lang genoeg was om de sloot van de verdrukkingen over te kunnen springen. Ze hadden een stukje onkunde hoe moeilijk het was om dat zelf te doen, hoe diep dat lijden ook was, maar tegelijkertijd ook een stuk ijver. Want zonder dat voornemen, gemeente, die ijver, die wilskracht, zou je niet over die sloot gesprongen zijn, toch?

Dus een positief element: ijver, en een negatief element: onkunde. En als we die twee dingen samen nemen en het staat niet in balans, dan komt er een stukje overmoed: O, ik zal dat wel even doen. Ik zal wel heilig voor God leven, ik zal in die zonde nooit vallen. En diep in je hart kijk je misschien op een ander neer. Het kan uit ijver, uit liefde tot God of de Heere Jezus en tot Zijn dienst voortkomen, maar één ding hebben Petrus en de anderen met hem niet genoeg beseft: hoe machtig satan was. Het zijn enkele woorden, gezegd tot de Heere Jezus: Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden. En al lijkt het of Petrus zich van de andere discipelen afzondert – ik ben beter dan de andere tien, zo u wilt de andere elf – maar als u leest wat er in vers 35 staat hebben ze dat allemaal gezegd: Desgelijks zeiden ook al de discipelen.

 

Overmoedige discipelen. Allemaal. Jezus had ze in vers 31 genoemd: Allen aan Mij geërgerd. En ze zeggen ook allemaal: Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden. Allemaal maken ze onderscheid tussen zichzelf en de anderen. Alle elf discipelen stellen zich boven de anderen en plaatsen zich op de hoogste plaats: Desgelijks zeiden ook al de discipelen.

 

Daar komt nog een zonde bij. Niet alleen die overmoed, door onkunde en ijver veroorzaakt. Je zou dat nog wat kunnen vergoelijken, zo van: nou ja, goed, ze konden het ook niet weten, uit liefde willen ze met hun Heiland sterven, wat er ook gebeurt.

Maar je ziet ook dat exclusieve gedrag. Ze plaatsen zich boven alle anderen: ik beter dan zij. Dat laat ook de zonde van de hoogmoed zien. Ik ben geen psycholoog, maar ik las dat overmoed heel snel tot hoogmoed leidt. En hoogmoed wordt vaak verklaard door overmoed. Je denkt het wel aan te kunnen, en je voelt je er heimelijk of misschien zelfs wel openlijk beter door: die is zo diep gevallen, dat zal mij nooit overkomen; die is zo twijfelend, zo schuchter, ook in het geloof, het lijkt wel of dat leven niet groeit, niet méér wordt, dat zal mij nooit overkomen; die heeft zo’n lastig karakter, zo liefdeloos soms, zo haatdragend, hoe kan dat met genade gepaard gaan? Ik ben beter dan hij of zij…

 

Exclusief gedrag. Ze zeggen: ‘Ik zal nimmermeer aan U geërgerd worden! Ook al zullen ze het allemaal wél doen, ik zal nooit vallen en struikelen!’ Petrus zweert er op. ‘Zo waar helpe mij God almachtig, voorwaar, amen, ik zeg U…’ Hier gaat het even over Petrus, want die had toch wel het meest exclusieve gedrag vertoond. Je zou het van hem toch nooit verwachten, hij was zo ijverig… Judas was de belangrijkste discipel in de daden, maar Petrus misschien wel in de woorden. Altijd sprak hij, altijd een weerwoord.

Maar nu: Petrus, eer de haan voor de tweede keer gekraaid zal hebben, in de derde nachtwaak, zo om drie uur in de nacht – het was nu ongeveer elf uur – binnen vier uur zult u Mij drie keer hebben verloochend. Zo moet je die tekst lezen.

Vier, drie, twee, een: na vier uur heb je Mij drie keer verloochend met drie leugens, met twee keer een eed en met één vloek. Zelfs nadat je twee keer van Mij hebt gehoord dat je Mij zult verloochenen en dat even vaak hebt ontkend.

 

Weer komt er zo’n krachtige ontkenning: ‘Geenszins, Heere!’ Weer zo’n krachtige ontkenning: ‘In geen enkel geval zal ik U verloochen, al kost het mijn leven!’

O, wat een dwaasheid. Het is een en al overmoed van Petrus. Later zal hij zeggen in zijn brief: Zijt met de ootmoedigheid bekleed (1 Petr. 5 :5). Het valt wel op dat hij het woordje ‘de’ er bij doet. Niet ‘ootmoedigheid’, maar ‘de’ ootmoedigheid, in het Grieks heel  uitdrukkelijk: ootmoedig te zijn. Vernedert u dan onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd (1 Petr. 5:6). En in hetzelfde hoofdstuk spreekt hij twee verzen verder over satan die als een briesende leeuw zoekt te verslinden.

Laten we ons toch altijd maar vernederen. Het is nodig dat de afhankelijkheid van God leeft in onze harten. Heilig zijn dan, o God, Uw wegen. Deze wegen zullen de discipelen moeten bewandelen. We zingen het, Psalm 77 vers 8:

 

Heilig zijn, o God, Uw wegen;

Niemand spreek’ Uw hoogheid tegen!

Wie, wie is een God als Gij,

Groot van macht en heerschappij?

Ja, Gij zijt die God Die d’ oren

Wond’ren doet op wond’ren horen;

Gij hebt Uwen roem alom

Groot gemaakt bij ’t heidendom.

 

Tot slot ons laatste punt:

 

4. Een ootmoedige Jezus

 

Ootmoedig betekent dat je niet hoogmoedig bent. En dat is Jezus in Zijn hele leven nooit geweest. Hij had geen enkele reden om Zich te verheffen, Hij heeft alles gedaan om Zich te vernederen. Paulus zegt dat Hij de gestalte van een dienstknecht aannam, zeg maar: het kleed van een slaaf. En dat Hij Zich vernederde, vernietigde, tot de dood van het kruis. Die was door God vervloekt.

Jezus heeft er alles aan gedaan om de laagste plaats in te nemen, om voor ons de ereplaats in de hemel te verdienen. Tegenover de overmoed en de hoogmoed van de discipelen staat Zijn ootmoed. Twee keer leest u het woord Mij, vers 31: Gij zult allen aan Mij geërgerd worden, en ook vers 34: Gij zult Mij driemaal verloochenen. Hier is Jezus het lijdende Voorwerp. Niet zozeer taalkundig, maar wel inhoudelijk, het Voorwerp dat lijdt. Het Voorwerp dat als dat struikelblok is waarover je struikelt en waarvan je heel hard wegloopt.

Maar toch: Ik ben de biddende Hogepriester Die zojuist nog gebeden heeft: Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt (Joh. 17:11).

Gij zult Mij verloochenen -  het tweede Mij - maar Ik ben Degene, het lijdende Voorwerp, Die Mij laat verloochenen en Die, wanneer Hij gescholden wordt, niet terugscheldt.

Drie keer heeft de Heere Jezus gezegd, één keer in de Paaszaal en twee keer in onze tekst: U zult Mij verloochenen, verlaten; evenzoveel keren hebben de discipelen het weersproken, en ze nemen alle elf in vers 35 het laatste woord: Desgelijks zeiden ook al de discipelen. En toch bleef Jezus kalm, bleef Jezus ootmoedig, bleef Hij nederig van hart, bleef Hij zwijgen, want je leest geen weerwoord. Ook daarin: Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold (1 Petr. 2:23).

 

Wat een voorbeeld voor ons allemaal! Ook in het leven van iedere dag als je onterecht wordt belaagd en beticht van van alles en nog wat, zoals misschien in de achterliggende week wel is gebeurd. Dat zou kunnen. Vul je situatie hierbij maar in. Jezus werd op allerlei manieren tegengesproken door alle elf discipelen die Hij drieënhalf jaar had onderwezen. Maar je leest van Hem niet één weerwoord. Desgelijks zeiden ook al de discipelen; en dan staat er een punt achter. En dan gaat het naar het kruislijden. Toen ging Jezus met hen… enzovoort.

Wat laat Hij hier zien: al je verlaat je Mij, Ik zal u nooit begeven en Ik zal u nimmer verlaten. Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoude. En al verloochen je Mij en belijd je Mijn Naam niet, Ik zal uw naam belijden voor de mensen en voor Mijn Vader Die in de hemelen is. En al zondig je je – menselijk gezegd – duizendmaal uit dat verbond, Ik zal er voor zorgen dat je er nóóit uitgezondigd wordt. Al belaad je jezelf met al je schuld en zonde, Ik zal al die zonden verzoenen. Wat een ootmoedige Zaligmaker, Die Zich vernederde tot in de vloekdood van het kruis.

 

Maar als nu zelfs een oprechte discipel de Heere Jezus verloochent, en oprechte discipelen Hem verlaten, wat dan wel te zeggen van een onbekeerd mens? Dus als nu Petrus Hem verloochent en alle discipelen Hem verlaten, Petrus inclusief, wat geldt er dan wel van u en van jou, als je zonder genade bent en zonder Middelaar om je schuld en zonde te verzoenen? Gemeente, dan zijn wij nog veel erger. Dan verloochenen we Hem niet één keer of driemaal, we verlaten Hem niet één keer, maar heel ons leven is één grote aanklacht. Besef dat, stap er niet overheen wat de Heere van onze zonden zegt. Daarom zou ook later de apostel Paulus zeggen in Romeinen 2 en 3 dat er niemand rechtvaardig is, dat er niemand is die God zoekt.

Maar dan maak ik met u en met jou een stap naar Romeinen 6, waar Paulus in ontroerende woorden schildert hoe de Heere Jezus aan het kruis hangt. Voor wie? Voor mensen die Hem verloochenen en verlaten, verraden en verwerpen. Hem Die geen zonde gekend of gedaan heeft, heeft God tot zonde voor hen gemaakt. Verloochen die Jezus niet langer, belijd Hem! Kom tot Hem, zie op Hem, laat je leiden!

 

Kinderen van God, de les door alle punten heen, van ontrouwe discipelen en de getrouwe Jezus daartegenover, van overmoedige discipelen en een ootmoedige Zaligmaker daartegenover, is dat we niet hoog roemende mogen zijn, zoals Paulus zegt in Romeinen 11, maar moeten vrezen. Dat betekent: ootmoed!

 

En de troost van deze dienst is deze, wat de schrijver van de Hebreeënbrief vermeldt in hoofdstuk 13 vers 8: Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 118:4

 

De Heer’ is aan de spits getreden

Dergenen die mij hulpe biên;

Ik zal, gered uit zwarigheden,

Mijn lust aan mijne haat’ren zien.

’t Is beter, als w’ om redding wensen,

Te vluchten tot des Heeren macht,

Dan dat men ooit vertrouwt op mensen,

Of zelfs van prinsen hulp verwacht.