Ds. B. Labee - Zondag 1

De enige troost

De vraag naar de troost
De inhoud van de troost
De weg bij de troost

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 6
Lezen : 1 Petrus 1: 1-19
Zingen : Psalm 33: 10, 11
Zingen : Psalm 146: 3
Zingen : Psalm 27: 7

Gemeente, de stof van de prediking in deze dienst is het onderwijs van Zondag 1 uit ons leer- en troostboek, de Heidelbergse Catechismus. We lezen u vraag en antwoord 1 en 2.

 

               Vraag 1: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?

Antwoord: Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmaker Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft, en alzo bewaart, dat zonder de wil mijns hemelse Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.

 

Vraag 2: Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in deze troost zaliglijk leven en sterven moogt?

Antwoord: Drie stukken. Ten eerste, hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Ten andere, hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost worde. En ten derde, hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn.

 

Het thema van de preek is: De enige troost.

 

1. De vraag naar de troost (naar aanleiding van vraag 1)

2. De inhoud van de troost (vanuit het eerste antwoord)

3. De weg bij de troost (naar aanleiding van vraag en antwoord 2)

 

1. De vraag naar de troost

 

Gemeente, de inleiding van ons leer- en troostboek, de Heidelbergse Catechismus, is eigenlijk een inleiding op de 51 Zondagen die hierop volgen. Deze Zondag voert ons naar de hoogte van een christen. Van een echte christen, die mag spreken van de Rots, van het Fundament van zijn leven en van het Anker van zijn hoop. En dat doet hij naar aanleiding van een indringende en ook een ontdekkende vraag: ‘Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?’

Gemeente, toen ons troostboek – één van de mooiste namen van onze Heidelberger – geschreven werd, was er veel armoede en veel kindersterfte. Toen waren de omstandigheden van de gemiddelde burger, ook in ons land, heel wat anders dan vandaag. Toen leefde men ook in de tijd van vervolging, veel sterker dan in onze tijd. In onze dagen is wel sprake van verdrukking. In de wereld zult gij verdrukking hebben (Joh. 16:33), maar in die tijd rookten de brandstapels nog, jongens en meisjes. Gods kerk werd verdrukt en vervolgd. Dan is die vraag naar troost niet zo vreemd.

Maar ook in onze eeuw, met welvaart, met rust en vrede in ons vaderland, met ruimte voor het uitoefenen van onze godsdienst, is die vraag naar troost toch wel op zijn plaats. Schrijven filosofen niet juist in onze en ook in de vorige eeuw met afkeer en met walging over het leven? En heeft de Stichting Uit Vrije Wil, waar mensen de keuze kunnen maken om hun leven als niet zinvol meer te bestempelen, niet heel veel aanhang?

En – veel belangrijker – zegt de Heilige Schrift bij monde van Mozes: En het uitnemendste van die (dat is van uw en van mijn leven) is moeite en verdriet (Ps. 90:10). Dat is geen gesomber, maar dat is realiteit. Het uitnemendste van ons leven is moeite en verdriet. En dan is deze vraag zo passend: ‘Wat is uw en jouw enige troost, beide in het leven en sterven?’

 

Jongens en meisjes, als je aan Adam in het paradijs gevraagd had: ‘Adam, wat is nu jouw troost?’, dan had hij niet geweten wat je bedoelde. Want Adam had geen troost nodig. Dat woordje ‘troost’ staat in ons woordenboek sinds wij moed- en vrijwillig de paradijspoort verlaten hebben. Sinds wij het paradijs uit moesten in ons verbondshoofd Adam, hebben wij de paradijselijke heerlijkheid achter ons en een ellendige afgrond voor ons.

En die weg tussen dat paradijs, waar Adam in leven mocht en wij in hem, en die eeuwige afgrond – de hel – dat is een weg waar wij aan allerhande ellendigheid onderworpen zijn. Je bent je leven geen dag zeker, in het verkeer niet, en je kunt ook ineens ongeneeslijk ziek worden. Er is pijn, er zijn handicaps, er is ruzie, er is gebrokenheid in huwelijken, grote spanningen in gezinnen. Wat zijn wij aan veel moeiten onderworpen!

 

En dan ten slotte komt de dood. Dat is het meest aangrijpende, gemeente. Als je niet wist dat er iets anders was, zou je wanhopig worden. Kunt u zich dat voorstellen? ‘Waarom ben ik op deze wereld? Wat doe ik hier eigenlijk?’ En dan die vreselijke afgrond, waar de Schrift zo eerlijk over is. Als je niet wederom geboren wordt, dan kun je het Koninkrijk Gods niet zien, laat staan ingaan.

Nu is het alsof onze vaderen, Ursinus en Olevianus – de opstellers van ons troostboek – mensen wakker willen schudden. Is dat voor u misschien ook nog nodig? ‘Mens, waar bent u mee bezig? Waar reist u naar toe? Mens, doorzie uw lot! Hoe zult u rechtvaardig verschijnen voor God? Mens, zou u niet gaan verlangen naar die troost? Wie heeft lust de Heere te vrezen, het allerhoogst en eeuwig Goed? God zal Zelf zijn Leidsman wezen en Trooster zijn in tegenheden en in smart.’ In dat kader moet u deze vraag lezen. ‘Wat is nu uw enige troost, beide in leven en sterven?’

 

Troost is niet hetzelfde als afleiding. Er zijn mensen die afleiding zoeken in hun werk. Daar mag u van genieten. Werk is een opgave, maar ook een gave. Er zijn mensen die dat weten, omdat ze het zelf missen. U mag genieten van uw gezin, ook in blijde dagen. U mag genieten van uw familie. Ook vakantie is niet verkeerd. Maar troost is wat anders dan afleiding.

Er zijn mensen die altijd een soort verdoving zoeken, waardoor de pijn van de rauwe werkelijkheid een klein beetje verdoofd wordt, zodat ze de pijn niet voelen. Maar daar gaat het niet om bij troost. Het gaat om ware troost, echte troost. Er staat ook ‘enige’. Behalve die enige troost, is er geen troost. Hoor je dat, jongeren? Geen troost van de aarde en geen troost van de hemel.

O, kinderen des Heeren, als u een waar gelovige mag zijn, dan bent u van een kind des toorns nu een getroost kind van God geworden. Vraag u dan vandaag weer eens af wat nu het enige Fundament onder uw voeten is; uw enige troost, ten diepste uw enige houvast, beide in het leven en sterven.

 

Laten we nu letten op de volgorde. Er zijn mensen die graag getroost willen worden als ze sterven. De ziekentroost. Het is groot als u getroost wordt op uw sterfbed, maar om getroost te sterven moet u in dit korte poosje dat u op aarde bent, die troost in uw leven leren kennen.

Gemeente, het gaat niet alleen om troost in uw leven. Er zijn ook mensen die alleen een troost in het leven kennen. Maar wat heb ik daar aan als mij dat bij het sterven ontvalt? Het gaat om een troost in leven én sterven. Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen (1 Kor. 15:19). Een ware christen mag spreken over zijn troost in het leven van elke dag. Niet alleen een zondagsgodsdienst, maar in het leven van elke dag. En dat is diezelfde troost die een Sioniet straks ontvangt in het sterven.

 

Het gaat om úw troost. Zult u dat ook niet vergeten? Jóuw enige troost. Eigenlijk is het met deze vraag alsof u huisbezoek krijgt. En dan wordt er gevraagd: ‘Wat is uw of jouw enige troost?’

Die troost kunt u zichzelf niet aanpraten. U heeft niets aan troost die u zichzelf aanpraat. Die kunt u zich niet aanmatigen. Dat is ook verkeerd. Die troost komt bij God vandaan. Misschien zit er wel iemand in de kerk, of is er iemand die meeluistert, die zegt: ‘Ja, dat is nu net mijn nood. Ik ben troosteloos. Het is zo donker in mijn leven, want ik mis die troost.’ Weet u, we mogen spreken over die enige troost omdat die troost nog te verkrijgen is. Als u moet zeggen: ‘Ik ben onbekeerd, ik dwaal zomaar over deze wereld en ik ken die troost niet, ik ken die hoop niet, dat fundament ken ik niet’, weet dan: die troost is nog te verkrijgen, want de Heere laat het u verkondigen.

 

Jongens en meisjes, het is net als een vitrinekast achter de etalageruit van een juwelierswinkel. In zo’n kast kan heel veel moois staan, maar je kunt er niet bij. Zo’n etalageruit van een juwelier is namelijk zwaar beveiligd. Als nu de Bijbel – de catechismus is een verwoording van de Bijbel – spreekt over troost, dan is dat omdat het nog te verkrijgen is voor treurenden. Voor mensen die buigen onder de Heere. Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden (Matth. 5:4). Niet alleen treuren over de gevolgen van de zonde, niet alleen over uw ziekte, niet alleen over uw werkeloosheid, niet alleen over de beperkingen in uw leven, maar over de oorzaak daarvan: ‘Heere, het is mijn eigen schuld.’

Hebt u dat weleens mogen zeggen, gemeente? ‘Het is mijn eigen schuld. Want ik ben zo’n wegloper uit het paradijs. Ik heb het Vaderhuis verlaten. Ik heb de Vader op het hart getrapt. Ik heb geen zin om terug te keren.’ Daartegenover wil de Vader u laten verkondigen van die troost voor troostelozen. Opdat ze getroost over deze aarde zouden gaan. Opdat ze niet zonder hulp naar hun eeuwige bestemming – dat is het paradijs – zouden gaan, waar geen inwoner meer zal zeggen: ‘Ik ben ziek’, want het volk dat daar zal wonen, zal vergeving van ongerechtigheid hebben, en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.

 

Onze eerste gedachte was: de vraag naar troost. We gaan naar de tweede gedachte:

 

2. De inhoud van de troost

 

‘Wat is uw enige troost, beide in leven en sterven?’ Dan volgt er een hele lange zin. Jongeren, hier moet je proberen de kern te vinden. En als ik die kern aanwijs, dan worden het maar een paar woorden. Een waar gelovige zegt: ‘Weet je wat mijn troost is? Ik ben het eigendom van Jezus Christus. Ik ben van Hem, namelijk van Jezus.’

Dat is zo’n groot geheim! Een Adamskind, dat van God is afgevallen, dat eigenlijk slaaf is geworden… Kwam u daar al achter, gemeente? Wij zijn slaaf van satan geworden. Dienstknechten en dienstmaagden van de zonde. En wij zijn van nature op reis naar het eeuwige verderf.

 

Gemeente, het kan anders worden! Het kan van randkerkelijk naar trouw kerkelijk. Van een beetje werelds naar godsdienstig. Maar hier gaat het niet om iemand die anders is geworden, het gaat om iemand die vernieuwd is. Het gaat om iemand die het eigendom van een Ander is geworden. Van dé Ander. Het eigendom van Jezus Christus.

De christen van Zondag 1 zegt: ‘Ik ben niet meer van mezelf. Ik leef niet meer voor mezelf, maar ik ben van een Ander. Ik lig voor rekening van een Ander. Niet alleen naar de ziel, maar ook met mijn lichaam.’

Dan spreek je niet makkelijk over het lichaam van de zonde, want dan wordt de zonde je kwaad en bitter. De apostel schrijft in Romeinen 12 vers 1: Ik bid u dan (…) dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehaaglijke offerande.

 

Met lichaam en ziel ben ik het eigendom van Jezus, mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus. Daar hebt u de kern. Gemeente, dat klinkt zo teer. Dan zinkt en zingt het op de bodem van je ziel: ‘Ik ben het eigendom van Hem, Hij is de mijne geworden, mijn getrouwe Zaligmaker, Jezus Christus. Mijn Heere, mijn God!’

 

Hij is getrouw. Weet u wat dat zeggen wil? Dat Hij zo anders is dan ik. Hebt u dat ook geleerd? Wij zijn zo ontrouw. Ik was een slaaf van satan, en ik ben nu een dienstknecht van Jezus Christus. Ik was het eigendom van de vader der leugenen. Dat zijn we allemaal. Maar ik ben het eigendom geworden van de Vader van alle goeds, van de Vader van onze Heere Jezus Christus. Ik behoor Hem toe.

Gemeente, dan moet er een wonder gebeurd zijn, want wij veranderen niet zomaar van eigenaar. Kwam u daar ook achter? Deze christen spreekt over dat wonder. ‘Ik ben gekocht en betaald met de prijs van Jezus’ dierbaar bloed. En Hij is zo getrouw. Ik ben overgegaan van de vorst van de duisternis tot de Koning van het licht. Ik mag Hem kennen.’

Waar mag u Hem in kennen? ‘Ik mag Hem kennen in Zijn trouw. Ik ben zo vaak ontrouw, ook na de genade die ik ontvangen heb, ook met al mijn goede voornemens.’ Maar hier mag een christen zeggen: ‘Hij, Jezus Christus, laat mij nooit meer los. Hij laat niet varen wat Zijn hand begon. Dat ligt vast in Zijn Naam Jezus: Zaligmaker. Hij zal Zijn volk – dus mij ook – zalig maken van al de zonden. Dat ligt vast in Zijn Naam Christus. Van God de Vader is Hij gezalfd tot mijn Profeet. Ik ben zo dwaas, maar Hij onderwijst me. Hij is gezalfd tot mijn Priester. Ik heb geen penning om te betalen, maar Hij heeft de kooppenningen verdiend om aan Gods recht te voldoen. Hij is gezalfd tot mijn Koning, Die me leidt, Die me regeert, Die voor me strijdt, Die satan straks voor eeuwig aan mijn voeten zal leggen. Ik ben het eigendom van Hem. En Hij is zo getrouw als sterk, Hij zal Zijn werk ook voor mij voleinden.’ Gemeente, het ligt vast in Jezus Christus!

 

Hier gaat deze christen zeggen wat hij nu aan zijn Zaligmaker heeft.

Hij noemt vijf dingen:

Zijn Zaligmaker heeft betaald. ‘Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft.’ Jezus heeft voor mij betaald.

Hij heeft mij verlost. ‘En mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft.’ Christus heeft mij verlost van de duivel.

Hij bewaart me. ‘En alzo bewaart dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet.’

Hij verzekert me door Zijn Geest. ‘Waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert.’

Hij maakt me van harte willig en bereid. ‘En Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.’

 

Dus: Christus heeft betaald. Christus heeft verlost. Christus bewaart. Christus verzekert me door Zijn Geest. Christus maakt me van harte willig en bereid.

 

Valt u iets op? We horen een klein mensje in Zondag 1, die moet zeggen: ‘Heere, ik ben eigenlijk niets. Niets met al mijn vroomheid en niets met al mijn godsdienst.’

Gemeente, we zijn niets. We zijn zo dwaas en zo blind. En Hij is alles. Hij doet niet íets voor me, maar Hij doet álles voor me! En dan hoef ik er niets meer aan toe te brengen. En tegelijk word ik een gewillige dienstknecht, heel mijn leven. Ik begeer de grootmaking van Zijn Naam en het dienen in Zijn Koninkrijk. Want dat is Hij waard. Maar daarin verdíen ik niets. Dat heeft Hij gedaan. Alles uit Hem, niets uit ons.

 

Van alle vijf zaken wil ik kort iets zeggen:

 

1. Christus heeft betaald.

Dat is een wonder, als je een hemelhoge schuld hebt en je ingeleefd hebt dat je geen penning kunt betalen, geen eurocent, jongens en meisjes. Hier gaat het om een zondaar die leerde: mijn tranen, mijn bevindingen, mijn gebeden en mijn vroomheid kunnen allen niet voor mij betalen. Ik sta bij God in de schuld en ik kan niet voldoen.

En nu heeft mijn getrouwe Zaligmaker voor mij betaald aan de Vader, met de hoogste prijs. Daar hebben we van gelezen in de schriftlezing. Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandel, die u van de vaderen overgeleverd is. Hoe dan? Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. (1 Petr. 1:18-19).

Gemeente, is dat bloed u dierbaar geworden? Een echte christen mag zeggen: ‘Ik ben betaald. Volkomen betaald. Er is voor mij betaald. Mijn hemelhoge schuld is afgerekend en dat heeft Christus voor mij betaald met de hoogste prijs, de prijs van Zijn leven. De prijs van Zijn bloed. Ik heb het er doorgebracht, maar Christus is de Volbrenger. Ook voor mij.’

 

2. Hij heeft mij verlost.

‘En mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft.’ Zojuist hoorden we wat Christus vóór de zondaar gedaan heeft, en nu horen we vooral wat Hij ín de zondaar doet. Hij is een Middelaar van verdienste en van toepassing. Satan was heer en meester over mij. En ik luisterde naar hem, maar ik ben verlost.

Jongeren, dan zie ik in de tijd dat er slavenhandel was een slaaf staan. Zo’n slaaf verwisselde soms van eigenaar. Het gebeurde wel eens dat er slaven waren die door een echte christen gekocht werden om zo die slaven te verlossen. Dat was een wonder. Moet je je voorstellen, zo’n slaaf in de boeien, met een hard leven. Vaak een naar leven met veel beperkingen. En dan een echte christen, die de boeien los liet maken, die de zweep kapot brak en zo iemand een goed nieuw leven gaf.

En nu Christus. Hebt u uzelf leren kennen? U was geboeid in de macht van satan. Dan kunt u proberen om uzelf te verlossen. Kwam u er achter dat het niet lukte? Je kunt wel wat rammelen met je kettingen, maar kwam u er achter dat het niets hielp? Maar toen dat wonder! Toen heb ik die Borg leren kennen. Hij had de sleutel van mijn boeien. Hij heeft mij verlost. Hij heeft me vrijgekocht. Hij heeft me vrijgemaakt en satan moest wijken.

Hebben Gods kinderen dan nooit meer last van satan? Dat zouden ze wel willen. Kinderen des Heeren, satan kan u benauwen, hij kan proberen om te briesen, rond te gaan, zoeken u te verslinden, maar hij ligt aan de ketting. Satan is de hond die aan de ketting ligt. En hij wordt gebruikt. Weet u waarvoor? Hij wordt gebruikt om de echte schapen naar de Herder te drijven. Want de macht van satan is gebroken op Golgotha, waar hij is verpletterd. En we verwachten het ogenblik dat hij ten volle gebonden, geworpen zal worden in die poel die brandt van vuur en sulfer.

Gemeente, bent u ook verlost? Of bent u zelf uit de gevangenis gelopen? Hebt u uzelf verlost? Dat is een groot verschil. Want dan komt u weer in de boeien terecht. Dan wordt u op een gegeven ogenblik weer gegrepen. Maar als u door Hem verlost bent, dan is het waar: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? (Rom. 8:35) O, de boeien zijn gebroken en laat satan vrij woeden, maar hij zal me slechts drijven in de handen van Hem Die mijn Losser is, Die mijn Verlosser is, want Hij heeft me verlost!

 

3. Christus bewaart.

Hoe bewaart Hij? ‘Dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet.’ Als u uzelf leert kennen als een albederver, als een doorbrenger, als zo’n dwalend schaap, dan komt u er nooit! Hoe zou zo’n schaap door de woestijn van het leven ooit aankomen in Sion, terwijl hij in de huilende wildernis door wolven, door leeuwen, door satan omringd wordt? Als ik mijzelf moest bewaren, was ik al duizendmaal verongelukt. Wij bewaren onszelf niet, maar Immanuël breidt Zijn doorboorde handen uit, en die schragen en ondersteunen in eeuwige liefde, in onbevattelijke trouw. Die handen leiden op de levensweg.

Mag u zo wel eens achterom kijken? ‘Mijn Heiland is het, Die mij op weg bewaart.’ En dan zijn er heel veel leeftijdsgenoten in figuurlijke zin verongelukt. Die leven in de wereld. Die drinken de zonde in als water. Die lijken overgegeven te zijn aan het eeuwige verderf. ‘Maar Heere, U hebt mij bewaard. U hebt mij vastgehouden. U hebt mij geleid over die levensweg. Uw trouw is groot.’

‘Alzo, dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan.’ Gods kinderen hebben wel strijd. Het is geen triomferende kerk, het is ook geen rustende kerk. De rust is elders. Er vallen wel haren, maar ze zijn alle geteld. Ze vallen niet buiten Gods wil. ‘O gij duivel, wereld van binnen en buiten’, roept Kohlbrugge, ‘gij kunt me niet in het minste krenken. Zelfs niet één haar valt op de grond, of het is de wil van mijn hemelse Vader.’

Mag u dat ook weten? Er kan niets met mij geschieden naar lichaam of ziel, of het is naar de wil van God. Nee, dat staat er niet. Er staat zo teer: ‘van mijn hemelse Vader’.

Een aardse vader kan je teleurstellen. Vaders, zult u leven zoals het moet? Zult u zich gedragen zoals het hoort? Zult u een goede vader zijn, als de Heere u het vaderschap schonk? Ook vaders zijn maar gebrekkige zondaren. Maar die hemelse Vader, die Fontein van al het goede, zorgt zelfs voor de haren van mijn hoofd. Als u dat geloven mag, dan heeft u een best leven. Dan kan u niets gebeuren, werkelijk niets, of de Vader weet er van.

En als er dan tóch haren vallen en als er tóch dingen zijn die het diepst van de ziel beroeren, dan staat er nog iets: ‘Ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet.’ Hoort u het? Alle dingen in dit leven. Dat kun je bijna niet geloven, jonge mensen. Als je werkeloos moet worden, is dat van de Heere? Als je ongeneeslijk ziek moet worden, is dat van de Heere? Dat er van die vreselijke dingen in je leven zijn, is dat van de Heere? ‘Ja’, zegt een echt gelovige, ‘alle dingen die ik meemaak in die twintig, veertig of honderd jaar dat ik leef, worden mij toegeschikt van mijn hemelse Vader.’

En wat is het doel? In de strijd zie ik dat niet, maar bij tijden mag ik het zien: ‘Die zijn tot mijn nut en zaligheid.’ Als u dat geloven mag, dan kunt u begrijpen waarom ze zingend op de brandstapel stonden: ‘Ik zal Zijn lof, zelfs in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht.’ Dan kunt u begrijpen dat een kind des Heeren blijmoedig dat kruis mag dragen achter Jezus aan, terwijl Hij gebogen gaat onder dat grote kruis. Ziende op die getrouwe Zaligmaker, Die hem nooit meer loslaat. Ziende op de wil des Vaders, Die altijd wijs en goed is, al begrijp ik er niets van.

 

4. Waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert.

Hoe weet ik dat nu allemaal? Dat moet u geloven, ja dat is waar. Maar weet u, ik zou het nooit kunnen geloven als het niet van Boven geschonken wordt. U wel? En hoe geeft de Heere dat aan Zijn kinderen? Dat maakt Hij hen zeker in hun ziel. Hoe? Dat doet Hij door Zijn Heilige Geest.

De Heilige Geest is het, Die u ontdekt aan uw zondaarsbestaan en Die u doet staan voor de spiegel van Gods heilige wet. U bent een zondaar. Het is diezelfde Heilige Geest, Die licht laat vallen op Jezus Christus. Het is diezelfde Heilige Geest, Die bidt met onuitsprekelijke zuchtingen, als een kind van God het niet meer kan. Als het nacht is, als het donker is.

Hoe maakt Hij Gods kinderen op aarde daar zeker van? Niet door een droom en niet door een visioen. Dat doet de Heere hier, gemeente, onder de verkondiging van Zijn Woord. Onder de leesdiensten, onder de preekdiensten wil de Heere dat leren. Waar Hij Zijn Woord door Zijn Heilige Geest brengt in uw ziel en u de zekerheid van Hem doet verstaan.

De Heilige Geest werkt altijd op Christus aan. Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen (Joh. 16:14). Hij maakt mij daar zeker van, zodat ik in mijn hart mag weten: ‘Het is geen ingebeeld geloof. Het is niet iets wat ik mijzelf zomaar oppervlakkig geef, maar het is gewerkt in mijn ziel door de Geest van Christus, Die ook uitgaat van de Vader.’

 

5. En Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.

‘Om voor Hem te leven’, zo mag u het ook lezen. Dit is het laatste wat deze christen mag belijden van zijn enige troost. Misschien verwondert dat laatste u. Die eerste vier weldaden klinken zo anders. Hoe is nu dat nieuwe leven voor de Heere? Troostvol! Een leven voor jezelf vervult niet. Een leven aan de leiband van satan is een hard en een bitter leven. Maar een leven dicht bij de Heere is een zoet en een goed leven. Waarom?  Dat is een leven dicht bij de Borg. En als ik dicht bij Hem ben, dan ben ik bijna Thuis. Dan ben ik bijna op die plaats waar ik nooit meer onder die zegenende handen weg hoef. Waar ik mijzelf nooit meer verlies in de dingen van het hier en nu. Waar ik nooit meer weg zwerf. Maar waar ik eeuwig zal genieten. Waar ik eeuwig zal zingen van Gods goedertierenheden.

De christen zegt niet: ‘Ik ben gewillig en bereid.’ Die mensen kom je ook tegen. Zij zeggen: ‘Ik ben zo gewillig. Ik ben zo bereid. Ik ga mijn leven besteden in de dienst van de Heere.’ We mochten er wel eens wat meer van hebben. En toch is dat het niet. Wij zijn zo onwillig als dat we groot zijn. Dat moet ook een dienaar des Heeren belijden, dat moeten ambtsdragers belijden en dat moeten kinderen van God belijden. Nee, niet: ‘Ik ben zelf zo gewillig’, maar: ‘Híj maakt mij gewillig.’

‘En Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.’ Dat doet Christus, door Zijn Geest. Hij maakt mij gewillig en Hij maakt mij bereid. Mocht u dat ook leren? Dan ga ik de levensles leren om achter de Borg aan te wandelen. Om mijn kruis op me te nemen. Ziende op Hem, dan zal het gaan. En dan word ik vertroost. Dan is het zoet en goed om in de voetstappen van Hem te volgen. Want waar gaat Hij heen? Hij zal me leiden tot het Vaderhuis. ‘Gij zult mij leiden, trouwe Zaligmaker, door Uw raad. Gij zult mij leiden door Uw liefde, en mij, hiertoe door U bereid, opnemen in Uw heerlijkheid.’

 

Daar hebt u de inhoud van de troost. We gaan naar onze derde gedachte: de weg bij de troost. Maar eerst gaan we zingen van Psalm 146 en daarvan het derde vers:

 

Zalig hij die, in dit leven,

Jakobs God ter hulpe heeft!

Hij, die, door de nood gedreven,

Zich tot Hem om troost begeeft;

Die zijn hoop in ’t hach’lijkst lot

Vestigt op de Heer’, zijn God.

 

De enige troost. We hoorden van de vraag naar troost, de inhoud van de troost en nu onze derde gedachte:

 

3. De weg bij de troost

 

Vraag 2 luidt: ‘Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in deze troost zaliglijk leven en sterven moogt?’

Eigenlijk is de vraag: ‘Nu spreekt u van heel grote dingen, van een heel rijke troost, maar welke dingen, welke aspecten, welke stukken horen daar bij? Hoe heeft u dat beleefd? Welke dingen zijn nodig op de levensweg bij die troost?’

Het antwoord luidt: Het werk van de zaligheid is ten diepste het eigendom te zijn van Jezus Christus. Dit werk kunt u onderscheiden – niet scheiden, maar ónderscheiden – in drie delen. Het is net als bij een bloem. De kelk, de kroonbladen, de meeldraden en de stamper kunt u wel ontleden, maar als u ze uit de bloem knipt hebt u geen bloem meer. Die delen kunt u wel bekijken, u kunt ze onderscheiden, u kunt ze benoemen, maar ze horen bij elkaar.

 

Nu staan er in het antwoord drie dingen heel kort, ze zullen nader worden uitgewerkt in de komende Zondagen.

 

Ten eerste: hoe groot mijn zonden en ellende zijn.

De Heilige Schrift laat ons keer op keer zien dat de Heere daarmee begint. Deze orde treft u ook in de Romeinenbrief aan. En dat is de sleutel, zo schrijven onze kanttekenaren, om heel de Bijbel te verstaan. Als u de Romeinenbrief gaat bestuderen, treft u deze drie stukken aan: ellende, verlossing en dankbaarheid. Ook Psalm 130, Mattheüs 11 en Psalm 51 verwijzen naar die drie delen.

Hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Mijn ellende, mijn zonden… Mijn! Niet van een ander. Mijn! Weer dat persoonlijke.

Hoe groot mijn zonden en ellende zíjn… Zijn! Ziet u het? Zijn, niet waren. Het is geen gepasseerd station. Het is niet: ‘Nu ben ik verlost en nu ben ik geen zondaar meer.’ Zo zal het in de hemel wel zijn.

Onderzoek ten eerste wie u bent, en kom er maar weer achter dat u zo’n albederver bent. Zo’n dwaalziek schaap. ‘Gelijk een schaap heb ik gedwaald in het rond, dat onbedacht zijn getrouwe Borg en Zaligmaker weer heeft verloren.’ De Zondagen 2 tot en met 4 zullen dat verder uitwerken.

 

Ten andere: hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost worde.

Van ál…! Gemeente, dat geeft de diepte en de grootte van mijn zondaarsbestaan aan. En dan staat er weer: ‘verlost worde’. Ze zijn de letter ‘n’ niet vergeten. Het is een doorgaand proces. Om meer en meer te leren: mijn zonde en vervloeking. Misschien moesten we dat wel wat meer leren. Dan zou de verlossing die in Christus Jezus is, ook meer schitteren. Opdat ik niet genoeg zou hebben aan een hélpende Zaligmaker, maar opdat Hij voor mij álles zou zijn. Opdat ik zondaar zou zijn, dat is het oude bestaan dat nooit meer sterft. En tegelijkertijd rechtvaardig, namelijk in mijn Borg, mijn getrouwe Zaligmaker.

 

En ten derde: hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn.

Drie keer een vraag. Ik weet van nature niet hoe ellendig ik ben. Ik weet het na ontvangen genade meestentijds ook niet. Ik moet steeds meer leren hoe ik verlost zal worden. Dat heb ik voor het eerst geleerd, maar dat moet ik steeds meer en steeds weer leren. En hoe dichter ik nader tot het huis van mijn Vader, hoe meer ik hijg, hoe meer de benauwdheid me kan vervullen: ‘Zou het wel waar zijn?’ Hoe sterker soms ook de aanvechting van satan. Maar wat een wonder, het is een doorgaand proces in het leven van de genade.

 

Hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn.

Dat moet ik ook leren, gemeente. We denken zo makkelijk over dankbaarheid. Maar ook dat moet ik blijkbaar leren. Bent u ook zo’n ongelukkig mens? Zegt u: ‘Ik weet niet eens hoe ik dankbaar moet zijn’? Hebt u uzelf ook zo leren kennen?

Weet u wat zo groot is? In de Zondagen 32 tot 52 zal gesproken worden over hoe dat moet. De tien geboden, om die te doen uit dankbaarheid. Het gebed: ‘Heere, ik breng er niets van terecht, maar mag in Jezus Christus - in U - mijn Borg gevonden worden, opdat ik in Christus rechtvaardig, maar ook in Christus heilig zal zijn en zo mag wandelen?’

 

Gemeente, u kent Zondag 1 misschien wel uit uw hoofd. Kennen jullie hem, catechisanten? Het is goed om dit stukje van de catechismus uit je hoofd te leren. Maar het moet niet alleen in je hoofd zitten, maar in je hart. Bid je daar de Heere om?

Als u dat mist, dan bent u troosteloos. Dan gaat u straks de kerk weer uit en dan bent u echt troosteloos. Als u die enige troost mist, dan leeft u voor eigen rekening. Zonder God, zonder hoop en zonder toekomst. Op reis naar die eeuwige afgrond.

Ik waarschuw u en ik wijs u op die getrouwe Zaligmaker. Zijn werk is nog niet af. Hij werkt nog door Zijn Geest, in albedervers. Opdat ze het leren zouden: hoe groot mijn zonden en ellende zijn, hoe ik daarvan verlost zal worden, en hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn.

 

Kinderen des Heeren, u leert het nooit. Het is zo’n wonder, want keer op keer is daar die getrouwe Zaligmaker. ‘Weet je het weer niet, Mijn kind? Ik zal je onderwijzen. Ik zal je leren alles wat je nodig hebt in je ellendige bestaan. Graaf maar dieper, maar zie ook meer uit naar de schat van Mijn genadige verdienste. En leef door de kracht die Ik je verleen, in dat nieuwe leven, in het stuk van de heiligmaking.’

Misschien mist u wel eens de zekerheid daarvan. Dan is er veel geloofsstrijd en veel geloofstwijfel. Maar dat deze troost zou zingen in uw ziel! Hoe het allemaal moet? Ik kan geen dag voor me uit kijken. Het geeft ook niet. Want mijn oog ziet op die getrouwe Zaligmaker, Wiens eigendom ik ben. Wat een wonder als dat de taal van uw hart is. ‘Nu reis ik getroost, getróóst, onder het heiligend kruis, naar het erfgoed daarboven, naar het Vaderlijk huis.’

En de oorzaak? ‘Gij, o Lam Gods, hebt ons Gode gekocht met Uw bloed!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 27:7

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op de Heer’, godvruchte schaar, houd moed;

Hij is getrouw, de bron van alle goed;

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;

Wacht dan, ja, wacht; verlaat u op de Heer’.