Ds. C. Harinck - Romeinen 8 : 33 - 34

De eeuwige geborgenheid van Gods uitverkorenen

De ingebrachte beschuldigingen
De ingebrachte weerleggingen

Romeinen 8 : 33 - 34

Romeinen 8
33
Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.
34
Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechter hand Gods is, Die ook voor ons bidt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 16: 1
Lezen : Romeinen 8: 28-39
Zingen : Psalm 6: 1, 2, 3, 9
Zingen : Psalm 109: 18
Zingen : Psalm 118: 3

Gemeente, in de evangeliebeschrijvingen wordt gesproken over het feit van Pasen, Hemelvaart en Jezus’ zitten aan Gods rechterhand. Maar in de brieven van de apostelen gaat het vooral om het nut en om de zegen van de heilsfeiten. Onze catechismus wijst er ook steeds op. Voortdurend is er de vraag: Wat nut u de opstanding? Wat nut u het zitten van Christus aan Gods rechterhand? Daarom is het goed om naast de feiten uit de evangeliën ook te letten op het nut en de zegen van Jezus’ opstanding uit de doden.

 

Onze tekst kunt u dan ook vinden in Romeinen 8 vers 33 en 34:

 

Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.

 

Het gaat in deze verzen over: De eeuwige geborgenheid van Gods uitverkorenen.

 

Wij letten op:

1. De ingebrachte beschuldigingen

2. De ingebrachte weerleggingen

 

1. De ingebrachte beschuldigingen

 

Romeinen 8 eindigt met een zegelied. Vanaf vers 31 is het een lied, een hymne, wat ook in de vergadering van de eerste christenen gezongen werd. De apostel begint dat zegelied met: Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Wat zullen wij zeggen tot al de dingen waarover tot hiertoe gesproken is? Het ganse schepsel zucht, maar vooral de kinderen van God zuchten. De weg naar de hemel is er een van strijd. De kerk is nog in deze wereld met vele vijanden, is aan vervolgingen onderworpen en zal ook eens moeten sterven.

 

Wat zullen wij dan tot al deze dingen zeggen? Het antwoord is: Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Wat is dat een alles overwinnend antwoord! Het deed David zingen in Psalm 118: ‘Als God mijn Schild en Hulp wil wezen, wat zal een nietig mens mij doen?’ Hij spreekt dan over wat God gedaan heeft. Die heeft ook Zijn eigen Zoon niet gespaard. Met andere woorden: Hij heeft het grootste en hoogste tot onze behoudenis gegeven. Zal dan God ons ook niet de mindere zaken schenken? Zal Hij ons dan met Christus niet alle andere dingen schenken? Zal Hij ons dan niet alles schenken wat nodig is voor dit leven vol zorgen en moeiten?

 

Dan komt Hij toe aan onze tekst: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Het klinkt als een uitdaging aan hun vijanden. De uitverkorenen Gods, noemt de apostel hier Gods kinderen. Wanneer wij aan Gods kinderen denken, zeggen wij: ‘Dat zijn goede mensen. Zij zijn van de kwade weg gebracht op de goede weg.’ Als de apostel hun een naam geeft, dan noemt hij hen de uitverkorenen Gods. Mensen die van eeuwigheid door God geliefd en verkoren zijn.

Waarom doet hij dit in onze tekst? Waarom noemt hij deze niet gewoon ‘de gelovigen in Christus’? Waarom zegt hij niet: ‘Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de zondaar die in Christus Jezus gelooft?’ Waarom is het hier: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Het is waarschijnlijk dat de apostel de naam ‘gelovigen in Christus’ hier niet sterk genoeg vond. Dan zou de gelovige met zijn geloof al de beschuldigingen van de vijand moeten keren.

Daarom beroept de apostel zich op Gods liefde en uitverkiezing. Het is alsof hij zegt: ‘Wie kan en durft iets in te brengen tegen hen die God heeft uitverkoren en liefgehad met een eeuwige liefde?’ Het is dus inderdaad een uitdaging. Deze uitdaging houdt dan tegelijkertijd ook in dat er beschuldigers zijn. Dat er vijanden zijn, die de ware gelovigen beschuldigen en hen de weg naar de eeuwige heerlijkheid versperren.

 

De uitverkorenen, de ware gelovigen, worden beschuldigd. Allereerst door de wet. Deze treedt beschuldigend op tegen iedere overtreder. Hij roept ieder die de geboden Gods overtreedt, toe: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal. 3:10). De wet spreekt de beschuldiging niet uit in eigen naam, maar in de naam van God. In de naam van de grote Wetgever, God, Die geroepen heeft: ‘Gij zult! Gij zult niet!’ God staat achter de eisen, maar ook achter de vloeken van de wet.

Van nature trekken wij ons daar niet zo veel van aan. Het raakt ons veel minder dan een aanklacht van de landswetten. Wij hebben meer vrees voor de aardse rechter dan voor de hemelse. Of wij menen dat de wet over ons tevreden kan zijn. Wij denken alles te doen en te hebben gedaan wat de wet vordert en eist. Wij zijn gelukkig niet zo als de andere mensen.

Maar wanneer de Heilige Geest ons overtuigt en de zonden laat zien in het licht van die heilige wet, dan wordt het anders. Wij horen David zeggen: ‘Ik heb Uw wil, Uw wet, hoe heilig, stout versmaad.’ De wet begint het ons toe te roepen: ‘Jij hebt overtreden! Jij hebt gezondigd. Jij hebt God niet liefgehad boven alles en je naaste als je zelf. Daarom lig je onder de vloek en is God op jou vertoornd.’

 

Ook het geweten beschuldigt Gods uitverkorenen. In een onbekeerd mens ligt het geweten te slapen. Wij willen dat dit zo zal blijven. Zodra ons geweten zijn mond opent, dan slaan wij het op de mond. Er zijn er zelfs die hun eigen geweten als met een brandijzer hebben toegeschroeid (1 Tim. 4:2). Het geweten moet zwijgen. Wij willen dat het zo zal blijven. Wij willen onze oude zonden en ons kwaad blijvend begraven. Niemand zal deze ooit opgraven.

In de waarachtige bekering begint het geweten echter te spreken. Het wordt teer gemaakt en uit zijn slaap wakker geschud. Dan begint het ons te beschuldigen en dat kán ook omdat het ons geweten is. Het is overal bij geweest. Het weet alles van ons. Wanneer het geweten begint te spreken, worden al de zonden in onze gedachten gebracht en de verkeerde dingen van hart en leven zichtbaar gemaakt. Het geweten kiest altijd de zijde van God. Wij zouden het geweten proberen te manipuleren, zodat het onze zijde zal kiezen en zal zeggen dat wat we gedaan hebben voortgekomen is uit de omstandigheden. Of dat wij het zo kwaad niet bedoeld hebben.

Wat is het geweten een ontzettende beschuldiger. Voor de beschuldigingen van de wet kun je je oren nog toestoppen, maar voor die van het geweten niet. Hoe hard je ook loopt, het geweten haalt je altijd in. Daarom zegt Maarten Luther: ‘Een beschuldigend geweten, ik heb het erger gevonden dan duizend duivelen!’

 

Ook satan beschuldigt Gods kinderen. Hij wordt de verklager van de broederen genoemd. Hoe satanisch is juist hij in het aanklagen van de zondaar. De duivel wijst ons op onze zonden, maar niet om ons tot boetvaardigheid te brengen of om ons naar Christus te laten vluchten. Hij wijst ons op onze zonden om tot wanhoop te brengen.

Hij slaat met bange vertwijfeling dat er voor zulke mensen zoals wij zijn, bij God geen vergeving is. Hij zal het ons toeroepen dat nooit een van Gods kinderen zulke verschrikkelijke dingen gedaan of gedacht heeft die wij gedaan en gedacht hebben. Hij stelt de zonde ons voor ogen als onvergeeflijk. Zwart en donker, zonder enige hoop op Gods vergiffenis.

In zijn beschuldigingen vermengt de duivel dikwijls het valse met ware. Er is inderdaad veel waar van wat de duivel zegt. Gods kinderen hebben gezondigd. Als hun zonden alleen maar gezien worden in het licht van Gods straffende gerechtigheid, dan kan het ook niet anders dan dat straf hun deel zal zijn. Van Gods kinderen lezen wij in de Schrift dat zij voor hun bekering soms ontzettende zonden hebben bedreven. Denk maar aan Manasse en Saulus van Tarsen. Maar de duivel mengt waar en vals door elkaar. Hij zal ons vooral willen laten zien dat de zonden die wij bedreven hebben, onvergeeflijke zonden zijn.

Ook na de bekering kan hij ons van vele zonden beschuldigen. Wat is de heiligmaking van Gods kinderen gebrekkig. Wat kleven er zelfs een smetten aan onze heiligste verrichtingen. Wat is de duivel een geweldige aanklager en een ontzettende beschuldiger in het leven van Gods kinderen.

 

Zo moeten Gods kinderen met David zeggen: Ik heb vele bestrijders, o Allerhoogste! (Ps. 56:3)! Maar wat zegt nu de apostel hier? Hij durft al die beschuldigers uit te dagen en zegt: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Waarom durft hij dat? Omdat er meer vóór Gods kinderen pleit dan tégen hen.

Daarop letten wij in de tweede gedachte, als wij spreken over:

 

2. De ingebrachte weerleggingen

 

Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?

Het antwoord begint met: God is het Die rechtvaardig maakt. Daarmee is eigenlijk alles gezegd. Als God vrijspreekt en ons onschuldig verklaart, wie zal dan nog beschuldiging inbrengen? Wanneer de rechter in een rechtszaak de gedaagde vrijspreekt, wat kunnen dan de aanklagers nog doen? Maar dat is juist het onwaarschijnlijke, het onbegrijpelijke, wat in dit verband gezegd wordt. Het is toch onbegrijpelijk dat God de schuldige zondaar rechtvaardigt en vrijspreekt? Tegen God is gezondigd.

Dat weten Gods kinderen. Zij zeggen met David: ‘Ik heb tegen U, ja U alleen, misdreven.’ Van God is toch geen vrijspraak te verwachten voor de zondaar? De zondaar heeft de wet van de grote Wetgever overtreden. Toch zegt de apostel hier: God is het Die rechtvaardig maakt. Hoe is dat mogelijk? Alles beschuldigt de gelovige. In de bitterheid van zijn ziel moet de gelovige zeggen: Ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn (Ps. 143:2). Zij voelen zich verdoemelijk voor God. Satan benauwt hen. Vooral het geweten beschuldigt hen. Er is geen verbetering. Daarom schijnt er ook geen hoop te zijn.

 

Toch durft de apostel de vijand uit te dagen en zegt hij: God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Hoe durft de apostel dit te zeggen? Dan moeten wij verder lezen. Want dan lezen wij: Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. Wat de apostel hier zegt, doet de weegschaal van het recht naar de zijde van Gods kinderen doorslaan.

Vier machtige pilaren worden hier door de apostel genoemd. Op die vier machtige pilaren rust de hoop, de zaligheid en de troost van Gods kinderen.

 

De eerste toevlucht van de beschuldigde gelovige is: Christus, Die gestorven is. Dat zegt de zondaar tegen allen die hem aanklagen en dat is het eerste wat hij in het geloof zegt: Christus is het Die gestorven is.  

Is het sterven van Christus dan zo belangrijk? Dagelijks sterven honderden mensen. Soms sterven er heel belangrijke mensen. Is dat sterven van Jezus dan zo bijzonder? Ja, dat sterven is zo bijzonder omdat dit het sterven is van de Zoon van God. Hij heeft onze natuur aangenomen, Hij Die nooit zonde gekend noch gedaan heeft. Het is het sterven van de Borg Jezus. Het is de dood van het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Het is niet het sterven van een martelaar, het is het sterven van de Middelaar, de Borg en de Zaligmaker van Gods uitverkorenen.

Door het sterven van Jezus is de schuld bij God betaald en heeft Hij aan Gods gerechtigheid genoeg gedaan. Dat sterven van de Zaligmaker heeft de storm van Gods toorn gestild en de gramschap weggenomen. Wij geloven dat de ontzettende storm van Gods toorn geheel op Christus is neergedaald. Christus heeft zo volledig voor de zonde betaald, dat in Gods boek geen enkele zonde en overtreding van Gods uitverkorenen nog openstaat.

 

Christus is het Die gestorven is. Dit is het eerste wat de apostel zegt. Het is de eerste grote toevlucht van de zondaar die beschuldigd wordt.

Gemeente, dit leert ons hoe veilig zij zijn, die bescherming en gerechtigheid hebben leren zoeken bij de gestorven Heere Jezus. In de dood van Christus vindt het geloof een argument om al zijn beschuldigers tegemoet te treden en het roept zijn beschuldigers toe: Christus is het Die gestorven is. Het geloof bezit van zichzelf niets. Dat maakt het juist tot geloof. Het kan zich nergens op beroepen. Maar het moet zeggen: Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed (Jes. 64:6). Het kruis van Christus is de enige en de laatste toevlucht van een zondaar die beschuldigd wordt. Maar dit is voldoende, ja, afdoende!

Wanneer de beschuldigde dit schild des geloofs mag opheffen en zich daarachter verbergen mag, dan kan hij zeggen met de apostel: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Zoals het water van de zondvloed tien meter boven de hoogste bergtop rees, zo stijgt het offer van Christus boven onze schuld en de bergen van onze ongerechtigheid uit. De dood van Christus is overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonde. In de dood van Christus is de wet voldaan, de schuld betaald. Niemand kan meer beschuldigd worden als hij zich hierop beroept.

 

De tweede grond is: Ja, wat meer is, Die ook opgewekt is. Wij kunnen maar moeilijk geloven dat er nog iets meer is dan de reddende dood van Christus. Gewoonlijk vinden Gods kinderen meer troost bij het kruis, dan bij het geopende graf. Toch zegt de apostel: Ja, wat meer is. Meer dan Christus’ sterven is Zijn opstanding.

Allereerst omdat zonder opstanding de dood van Jezus een mislukking genoemd zou moeten worden. Dan moesten wij inderdaad zeggen wat de moderne theologen zeggen: ‘Hij bedoelde het toch zo goed en gaf toch zo’n goed voorbeeld, maar helaas, Hij is gestorven.’

Dat wil ten tweede vooral zeggen dat het offer door de Vader is aanvaard. De genoegdoening Die Christus heeft gegeven, is door God gewogen en inderdaad genoeg bevonden. De wet, de dood en de duivel worden ons in de Bijbel voorgesteld als cipiers die Jezus in het graf gevangen wilden houden. Maar zij hebben Jezus moeten laten gaan. Daarom moet de duivel, ondanks de zonde en de wet, iedere zondaar laten gaan die bij deze Christus zijn gerechtigheid zoekt.

Zo sprak God ook tot Farao: ‘Laat Mijn volk vrij. Laat Mijn volk gaan.’ Zo kan God nu in Christus opstanding prediken: ‘Laat Mijn kinderen vrij. Laat ze gaan.’

 

De derde grond is: Die ook ter rechterhand Gods is. Wat is ook dat een noodzakelijk en een troostvol deel van Jezus’ Middelaarswerk. Hij is daar in de hemel aan Gods rechterhand, op de plaats waar de zaken beslist worden. Daar is deze Jezus. Deze Jezus Die gestorven is, Die opgewekt is, Die is aan Gods rechterhand. Dat betekent voor Hem een plaats van eer en heerlijkheid, en voor de Kerk een vaste, onwankelbare troost. De vijanden vermogen niets zonder Zijn toestemming. Hij bewaart Zijn gemeente en zorgt voor Zijn kerk op aarde. Hun geloof zal nooit ophouden. Hoeveel pijlen de duivel er ook op schieten mag, door hoeveel wateren der verdrukking zij ook gaan, hun hoop zal nooit vergaan en hun liefde zal blijven. Maarten Luther heeft er van gedicht: ‘Houdt Christus Zijn kerk in stand, laat dan de hel vrij woeden. Gezeten aan Gods rechterhand, zal Hij haar wel behoeden.’

 

De vierde pilaar waarop de zekerheid en de geborgenheid van Gods kinderen rust, is: Die ook voor ons bidt. Christus bidt in de hemel. Er staat niet: Jezus bidt. Er staat dat Hij voor óns bidt. Het is ten nutte van ons. Jezus’ bidden is voorbede. Hij brengt de kracht van Zijn offer tot geldigheid en doet op grond van Zijn offer voorbede. Zoals onder het Oude Testament de hogepriester met het bloed in het binnenste heiligdom ging, zo draagt Jezus Zijn offer voor het aangezicht van Zijn Vader. Hij eist op grond van dit offer dat al hun beschuldigers niets tegen hen kunnen inbrengen. Hij eist op grond van Zijn offer dat God hen rechtvaardigen zal, dat Hij hen openlijk zal aannemen als Zijn kinderen en erfgenamen.

 

De laatste schakel in het fundament waarop de hoop van Gods kinderen rust, is echt niet de minste. Zoals de hogepriester de twaalf stammen op zijn borst droeg, zo draagt Christus de namen van Zijn kinderen op Zijn hart. Jozef werd door de schenker vergeten. Jezus, verhoogd aan ‘s Vaders rechterhand, vergeet Zijn kinderen op de aarde niet.

Beproefde gelovigen, in uw kruis en in uw strijd bent u niet vergeten. In de hemel wordt aan u gedacht. Uw kruis, uw strijd, uw aanvechting is in de hemel bekend. Jezus draagt uw naam op Zijn hart. Hij draagt uw last op Zijn schouders. Wat een troostrijke gedachte om aan Jezus te denken, als voorbede doende aan ‘s Vaders rechterhand.

 

Dit, gemeente, dit zijn de vier eeuwige pilaren waar de hoop en de veiligheid van Gods uitverkorenen op rust. Die hun onaantastbaarheid waarborgen, wat er ook tegen hen wordt ingebracht. Als wordt gezegd: Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt, moeten alle beschuldigers zwijgen.

 

Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Misschien zegt u: ‘Maar daar zit nu juist voor mij de grote bekommering. Het gaat over de uitverkorenen Gods. Ik geloof dat niemand enige beschuldiging kan inbrengen tegen hen die God van eeuwigheid heeft liefgehad en uitverkoren. Maar hoor ik daar wel bij?’

Wat is dat het struikelblok van veel bekommerde harten. Behoor ik wel tot het gezegend getal dergenen voor wie Christus Borg is geworden? Voor wie Hij gestorven en opgewekt is, aan Gods rechterhand is en voorbede doet? Zouden wij dit kunnen weten?

Geliefden, dat kunnen wij weten uit de merktekenen van de uitverkorenen. De apostel Paulus schrijft aan de christenen in Thessalonica al in het begin van zijn eerste brief, 1 Thessalonicenzen 1 vers 4: Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God. Wij zouden zeggen: Hoe wist de apostel dat nu? Had de apostel dan een blik geslagen in het boek des levens? Hoe wist hij zo zeker dat deze christenen uitverkorenen Gods waren? Paulus noemt dan drie dingen op: geloof, hoop en liefde. Hij spreekt over het werk uws geloofs, en de arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onze Heere Jezus Christus (1 Thess. 1:3).

Toen de apostel deze dingen – geloof, hoop en liefde – in de mensen in Thessalonica zag, wist hij dat zij geliefden en uitverkorenen Gods waren. Hetzelfde vinden wij terug in onze Dordtse Leerregels, als gezegd wordt dat wij kunnen weten van God uitverkoren te zijn uit de merktekenen van de verkiezing.

 

Het eerste merkteken is het geloof in de Heere Jezus Christus, en wordt ook genoemd: de kinderlijke vreze Gods, de droefheid naar God over de zonde en de lust om in Gods wegen te wandelen.

Het grote merkteken, wat boven alles uitsteekt, waarin de Bijbel steeds op terug gekomen wordt, is het geloof in onze Heere Jezus Christus. Hieraan kun je de kinderen Gods kennen over de hele wereld.

Wat is nu het geloof in Christus? Hoe werkt dat geloof? Hoe ziet dat geloof eruit? Het gaat dan over een zondaar die overtuigd is van zijn zonde en overtredingen. Een mens die gevoeld heeft dat er een grote schuld bij God open staat en dat hij zelf niet één penning bezit om te betalen. Een mens die beschuldigd wordt door zijn geweten, dat hij al Gods geboden heeft overtreden. Een mens die aangevallen wordt door de duivel. Satan die hem toeroept: ‘Je hebt overtreden. God is op je vergramd. Er is geen hoop voor zulke mensen.’

Waar kan zo'n zondaar zich op beroepen? Wat kan hij tot zijn verdediging aanvoeren, zoals de apostel roept: Wie zal beschuldiging inbrengen? Wat kan zo iemand zijn beschuldigers laten horen? Hij kan niets tot zijn verdediging aanvoeren. Hij moet Gods straffen billijken. Hij moet zeggen dat God rechtvaardig zou zijn indien Hij hem eeuwig straft

Dan gebeurt het bovennatuurlijke. Die zondaar komt in zijn nood niet om. Hij doet niet wat Kaïn deed. Hij roept niet: Mijn misdaad is groter dan dat zij vergeven worde (Gen. 4:13). Hij gaat ook niet de weg van Judas. 

Waarom komt die zondaar niet om? Omdat in deze nood de Heilige Geest het ware geloof ontsteekt. Niet een geloof dat redeneert, niet een dood geloof, maar een levend geloof, staat er in onze geloofsbelijdenis. En dit levende geloof ziet in zijn nood op het kruis van Christus. Dat zegt: Christus is het Die gestorven is. Het ziet in al zijn nood en verlorenheid, behoudenis en redding in de dood van de Heere Jezus Christus. Dat levende geloof ziet op de opstanding van Christus en roept: Wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt. Het vlucht tot zijn Zaligmaker. Hij wordt daarmee werkzaam en hij geeft zich aan de Zaligmaker over. Hij komt op de roepende stem van het Evangelie, met naaktheid, schuld en verlorenheid tot de gekruisigde en opgestane Heere Jezus.

 

Als u zegt: ‘Maar die beschuldigende wet en het ons vanbinnen veroordelend geweten dan? En al die aanvallen van de duivel dan?’ Dan moet en mag het antwoord zijn: die maken dat levende geloof alleen maar krachtiger. Die doen ons spreken wat aan het geloof zo eigen is: ‘Alhoewel ik de dood verdiend heb en ik vele bestrijders en beschuldigers heb, alhoewel ik in mijzelf niets bezit om me op te beroepen, nochtans...’ Dat nochtans des geloofs stijgt boven de bergen van schuld en zonde uit. Het verheft zich boven alle duisternissen en zegt: Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.

 

Het geloof neemt de toevlucht. Dat doet het altijd. U moet maar nooit medelijdend spreken over het toevluchtnemend geloof. Want het geloof doet nooit anders dan toevlucht nemen. Dat is de eigenschap van het ware zaligmakende geloof. Zonder enige reserve verlaat het zich op en levert het zich uit aan Christus. Het ziet te midden van de storm in Christus een veilige haven.

Dan moeten de aanklagers zwijgen, gemeente. Dan moeten al die beschuldigers hun mond houden. Waar een arm, verloren en vloekwaardig zondaar zijn toevlucht neemt tot Hem Die gestorven is, ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt, dan moeten de beschuldigers zwijgen. Wij mogen met de apostel roepen: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?

Dan mogen wij ondervinden wat de vrouw ondervond die tot Jezus werd gebracht omdat zij op de daad van overspel gegrepen was. Toen Jezus zei: Wie van ulieden zonder zonde is, werpe eerst de steen op haar (Joh. 8:7), heeft niemand een steen geworpen en zijn al de beschuldigers stilletjes weggegaan. Daarna vraagt Jezus aan haar: Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers? Heeft niemand u veroordeeld? (Joh. 8:10) Dan kan zij zeggen: Niemand, Heere (Joh. 8:11).

Hun zonde is weggedaan, de schuldenlast is afgevallen. De wet zal zeggen: ‘Ik ben tevredengesteld. Ik heb gekregen wat ik eiste. Ik ben gehoorzaamd door de allerheerlijkste Persoon, door de Zoon van God Zelf. De vloek waarmee ik dreigde, is door Hem gedragen en weggedragen.’ Satan zal dan moeten wegsluipen. Er zal geen beschuldiging meer zijn. En het geweten? De zondaar zal nu mogen zeggen: ‘Nu heb ik vrede door het bloed des kruises. Vrede met God door onze Heere Jezus Christus!’ Dan stemmen wij in met de apostel: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die rechtvaardig maakt, wie is het die verdoemt?

 

Laten wij dan nu samen eerst zingen, Psalm 109 vers 18:

 

Ik zal de Heer’ op ’t hoogste prijzen;

‘k Zal Hem bij velen eer bewijzen;

Want Hij zal Zich gewis erbarmen,

En staan ter rechterhand des armen;

Hem redden uit het snood gericht,

Waar ’t vonnis tot zijn doodstraf ligt.

 

Gemeente, het zijn moeilijke preken uit de Romeinenbrief. Maar als dominees er nooit uit zouden preken zouden zij u veel goeds onthouden. En u zou ook heel veel missen. Wat neemt de apostel een hoge vlucht, wanneer hij roept: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Wat spreekt hij op hoge toon over hun veiligheid: God is het Die rechtvaardig maakt, wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.

 

U ziet dat de heilsfeiten het fundament van het geloof zijn. Zo moet dat met de heilsfeiten gaan; het moeten de fundamenten worden waarop ons geloof rust. Wat zijn de ware gelovigen veilig. Niemand kan iets tegen hen inbrengen. Niemand kan hen iets ten laste leggen, omdat God het is Die hen rechtvaardigt. Wie zal hen dan verdoemen? De zonde kan niets tegen hen inbrengen, want deze is betaald. De duivel kan niets tegen hen inbrengen. Hij durft niets tegen hen inbrengen, want hij is verslagen. Wat zijn ze geborgen, eeuwig veilig, onaantastbaar!

 

Kent u deze geborgenheid? Kent u deze veiligheid? Want er komt een dag dat onze beschuldigers niet langer zwijgen zullen. De wet zal ons aanklagen en het geweten zal tegen ons opstaan. De duivel zal ons benauwen. Wanneer wij dan staan zullen voor Gods rechtbank, wie zal ons dan verdedigen? Want de apostel gebruikt hier een geweldige boodschap, als hij zegt: Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Maar je mag het ook omkeren: Als God nu tegen je is, wie moet er dan voor je zijn?

Gemeente, God is tegen u, zolang u de knie des harten niet buigt. God is tegen u, zolang u uzelf handhaaft in de eigen gekozen weg. Zolang u de wereld, de zonde en uw afgod liever hebt dan Hem. God is tegen u zolang u het Evangelie verwerpt en niet de toevlucht neemt tot de verkondigde Zaligmaker. Als u de liefelijke nodiging naast u neerlegt, op welk een manier dan ook, dan is God tegen u. Wie is dan vóór u? O, laat dat u dan eens verontrusten. Laat dat eens een pijl zijn die uw geweten doorsteekt, zodat u zegt: ‘God is tegen mij, en wie zal dan voor mij zijn?’

 

Wordt u aangeklaagd door de wet, de duivel of uw eigen geweten? Hebt u geen rust? Knaagt er een worm aan de wonderboom van uw welvaart? U probeert dit natuurlijk wel bedekt te houden en vrolijk verder te leven, maar is er altijd die knagende worm aan uw levensboom? Hoor dan wat de apostel zegt. Hij wijst u op een Toevluchtsoord: Christus is het Die gestorven is. Dat is het Toevluchtsoord, een gekruisigde Zaligmaker. Een Zaligmaker Die Zelf gezegd heeft: Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:14-15).

 

Wanneer de aanklager nog niet zwijgt, zegt de apostel nog meer: Die ook opgewekt is. God, de Rechter, heeft het offer aanvaard. De dood en de duivel zijn overwonnen. Dat u uw zonden voelt, is goed. Dank God daarvoor. Het is de eerste stap op weg naar de genezing. Maar dat u wanhoopt is fout. Want Christus is het Die gestorven is. Indien dat nooit gebeurd was, had u reden en recht om te wanhopen.

Maar: Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt. O, vlucht met alle aanklachten tot de gekruisigde Jezus. Vlucht met alle beschuldigers tot Hem Die voor de zonde gestorven, opgewekt en nu in de hemel is. En u zult het ondervinden: dan moeten de beschuldigers ophouden. Dan verliezen de aanklagers het recht om ons aan te klagen. In de gekruisigde en opgestane Christus is een veilige Toevlucht voor allen die beschuldigd en aangeklaagd worden.

Maar alles buiten Christus is bedrog. Je kunt zeggen: ‘Ik ben gedoopt, rechtzinnig in de leer. Ik heb netjes geleefd, geijverd voor de kerk en de zending.’ Dit zal de beschuldigers niet afkeren en hun beschuldigingen niet ontkrachten. Het brengt uw ziel geen veiligheid. Christus is het Die gestorven is. Daar is het veilig. Dat is de vrijstad. Allen die daarbinnen gaan, zullen eeuwige vrijheid genieten.

 

In de Spaanse burgeroorlog was een Amerikaanse soldaat gevangen genomen. De Spaanse opstandelingen wilden hem fusilleren. De makkers van deze Amerikaanse soldaat wisten dit. Zij wisten waar en wanneer het gebeuren zou. Zij gingen naar de plaats van de executie toe en zagen daar hun kameraad staan voor de muur, om door het peloton doodgeschoten te worden. Zij drongen door de soldaten heen en wierpen de Amerikaanse vlag over de soldaat die gefusilleerd zou worden. Ze keerden zich tot het peloton en zeiden: ‘Schiet nu maar als u durft. Want als u nu schiet, schiet u tegen Amerika.’

Gemeente, zo is het met een zondaar die in zijn nood en dood achter het bloed van Jezus schuilt. Dan mogen wij zeggen: ‘Schiet nu maar. Want u schiet tegen de Zoon van God.’ Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Wat een geborgenheid, wat een veiligheid, de eeuwige onaantastbaarheid van Gods kinderen. Het is te vinden aan de voet van het kruis. Bij Hem, van Wie de apostel zegt: Christus is het Die gestorven is.

 

Amen.

 

 

Zingen: Psalm 118:3

 

Ik werd benauwd van alle zijden,

En riep de Heer’ ootmoedig aan;

De Heer’ verhoorde mij in ’t lijden,

En deed mij in de ruimte gaan.

De Heer’ is bij mij, ‘k zal niet vrezen,

De Heer’ zal mij getrouw behoên;

Daar God mijn schild en hulp wil wezen,

Wat zal een nietig mens mij doen?