Ds. J. IJsselstein - Openbaring 22 : 17a

Het verlangen van de Geest en de bruid

Zij roepen om de komst van Christus
Zij kloppen op het hart van zondaars
Deze preek is met toestemming overgenomen van www.leespreken.nl

Openbaring 22 : 17a

En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 103: 8, 9
Lezen : Openbaring 22
Zingen : Psalm 102: 14, 15, 16
Zingen : Psalm 34: 6
Zingen : Psalm 89: 19

Gemeente, een van de kenmerken van het leven met God is het verlangen naar de tijd die komt. Er zijn mensen die altijd over vroeger praten. Weet je nog van toen, en toen...? Dat zijn mensen die alleen maar achteromkijken. Maar een oprecht christen is een mens die vooruitkijkt. Immers, het beste komt nog. Het leven met de Heere hier is onuitsprekelijk gelukkig. De droefheid over de zonden en het heimweeverlangen naar God zouden we voor geen goud willen ruilen met al het geluk van de wereld. Maar, hoe nameloos gelukkig je ook bent als je aan de voeten van de Heere Jezus mag buigen als een zondaar, hoe intens gelukkig je ook bent als Hij spreekt tot je ziel, hoe goed het leven met de Heere in deze wereld ook is, toch is het zo: het beste komt nog. En als het goed is ziet ieder kind van God daarnaar weleens verlangend uit. 

En tegelijkertijd doet die roep om de komst van Christus, ons temeer de nood beseffen van de zielen van hen die ons lief zijn. De doodsnood van de mensen om ons heen. 

 

Dat verlangen naar de toekomst des Heeren, en tegelijkertijd dat verlangen naar de bekering van anderen, die beide dingen worden vertolkt in onze tekst. U kunt die vinden in Openbaring 22, het zeventiende vers, het eerste gedeelte. Daar lezen we het Woord van God als volgt:

 

En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom!

 

Het thema van de preek is: Het verlangen van de Geest en de bruid.

 

1. Zij roepen om de komst van Christus

2. Zij kloppen op het hart van zondaars

 

1. De Geest en de bruid roepen om de komst van Christus

 

Jongens en meisjes, als je in de tijd van het Nieuwe Testament een gemeentelid zou tegenkomen van de gemeente van Filippi of van de gemeente van Kolosse, zomaar op straat of op de markt, en je zou vragen: ‘Zeg, man, hoe is het leven hier? Hebt u het een beetje naar uw zin in deze stad...?’ 

Dan zou die man misschien in eerste instantie zeggen: ‘Nou, jongen, het woont hier prima. Ik heb een goed huis, de omgeving is mooi, ik heb een goede baan... of... of... jongen, wat bedoel je eigenlijk precies, want om eerlijk te zijn kan ik je vraag ook anders uitleggen. Heb ik het hier naar mijn zin in deze stad, ben ik hier thuis? Dit is wel mijn geboortestad, maar of ik me hier thuis voel...? Jongen, ik zal je eerlijk zeggen, het klinkt misschien een beetje raar, maar toch is het zo: ik ben hier niet thuis, mijn thuis is in de hemel. Ik verwacht de Zaligmaker, ik zie uit naar Zijn komst, om dan altijd bij Hem te mogen zijn. In de hemel, daar is mijn thuis.’

Ja, van zo’n antwoord moet je wel even slikken. Zeg jongens en meisjes, waar is jullie thuis? Hier of daar? Hier beneden of daarboven? 

Als het goed is tussen God en je hart voel je je in deze wereld, met dat zondige hart, niet thuis. Dan kunnen er momenten zijn dat je zomaar ineens intens verlangt om echt ‘thuis’ te komen. Thuis bij God. Nooit meer zonde doen, nooit meer last hebben van jezelf… God altijd in het middelpunt… Omhelsd en binnengedragen in de hemel door Hem Die je kocht met Zijn kostbare bloed... 

Intens verlangen… En in stilte zeg je… of hebt u dat nooit gezegd? ‘Kom! Kom, Heere Jezus!’ Of… zegt u dat nooit? 

Daarover gaat de preek van vanavond, jongens en meisjes, althans in het eerste deel. Twee zijn er die zeggen: Kom! Kom terug, Heere Jezus Christus, zoals U beloofd hebt terug te zullen komen.

 

In de eerste plaats is het de Heilige Geest. De Heilige Geest zegt: Kom! 

Kun je dat begrijpen? Waarom zegt de Heilige Geest dat? 

De Geest van God zegt ‘kom’, omdat Hij het zuchten van de schepping ziet.

Het ganse schepsel tezamen, schrijft Paulus, zucht, en is tezamen als in barensnood tot nu toe. De Geest ziet dat de schepping, die ooit volmaakt uit Gods hand gekomen is, iedere dag zucht onder zware pijn, vanwege de last van de zonde van de mens. 

Denk maar eens terug aan het afgelopen jaar.

Wat heeft de schepping gezucht, onder aardbevingen, grote branden, orkanen, tyfoons,

onder besmettelijke ziektes… Wat al niet een oorlogen, geweld en terroristische aanslagen… 

En wat heeft de vervolgde kerk gezucht onder dreiging en geweld…

 

Maar er is ook nog een andere, een tweede reden waarom de Geest zegt: Kom!

Hij wordt gelasterd in de wereld. Zijn werk is het verheerlijken, het grootmaken van de Heere Jezus Christus. Maar de natuurlijke mensen (zoals wij van onszelf allemaal zijn) hebben daar helemaal geen oog voor. Sterker nog, we willen er niets van weten.  Misschien geldt dat ook wel van uw eigen leven, als u terugkijkt naar het afgelopen jaar… 

 

Maar er is nog reden, een derde reden waarom de Geest zegt: Kom!

Dagelijks klopt hij op het hart van onbekeerden. Hij roept aan de poort van hun hart:  Doe Mij open! Gij slechten, Gij slechten! Hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing… Maar… de meeste mensen luisteren niet.

Zeg, jongens en meisjes, hoe vaak heeft de Heilige Geest al niet geklopt aan de deur van jouw hart…? 

Toen je klein was, zat je op papa’s knie, te luisteren naar de verhalen uit de kinderbijbel. Het was de Geest Die klopte aan je hart…

Je mocht mee naar de kerk in het afgelopen jaar. Misschien wel iedere zondag. Het duurde altijd wel lang, en het was moeilijk om stil te zitten, maar je hoorde en je wist wel waar het over ging. De Heere riep je om je knieën te buigen voor Hem. Hij vroeg je in alle vriendelijkheid om te zeggen: ‘Ja, Heere, U hebt gelijk, mijn leven is vol van zonde. Wilt U me alstublieft vergeven?’ Het was de Geest Die klopte aan je hart…

Je ging naar catechisatie. Niet altijd met evenveel zin. Achteraf had je misschien wel spijt, dat je niet oplette, of je zat te vervelen, maar je hebt het wél gehoord. Zomaar, die enkele zin, die enkele opmerking. En je voelde: het was waar. 

Dat was Gods zegen in het afgelopen jaar. Dat Gods stem klonk in jouw leven. Het was de Geest Die klopte aan je hart…

 

Plotseling, onverwachts was daar het sterven van je klasgenoot, van je broer of zus, van opa of oma… Je schrok. Even voelde je de ernst en de kortheid van het leven. Het was de Geest Die klopte aan je hart…

Wat een zegen en voorspoed van de Heere. Je examen gehaald, verkering met een lieve vriend of vriendin, een goede baan in het vooruitzicht. Het was de Geest Die klopte aan je hart…

 

En de Geest werd moe van al dat kloppen. Want… je deed niet open. Zie, Ik stond aan de deur, en Ik klopte… maar…? Niets…!

 

Begrijp je waarom de Geest zegt: Kom, Heere Jezus! Het is Mijn werk om U, Heere Jezus, groot te maken, maar Ik word (om het menselijk te zeggen) moe van dat kloppen. Ik heb weer 365 dagen en nachten geklopt, maar… er is zoveel verzet, zoveel vijandschap, zoveel onwil. 

 

Zo vaak heeft de Geest met liefde geklopt, maar zo vaak bleef u onbewogen… Ja, ik heb het over u… 

U zucht en zegt: ‘Ik zoek de Heere, ik bid en ik vraag mijn hele leven lang al om bekering, maar ja… de Heere hoort me niet. Jammer. Misschien komt het wel omdat ik niet uitverkoren ben…’

U zucht op deze oudejaarsavond, zoals zo vaak… om God… Maar… waar haalt u de moed vandaan? Want, weet u? De Geest zucht om u! En Hij zegt: ‘U zegt dat u Mij zoekt…? Maar dat is niet waar! Want Ik zie u nooit in het verborgen op uw knieën om uw tranen uit te storten voor het aangezicht van de Heere. Ook dit jaar niet. U liegt! U zoekt Mij helemaal niet! En u maakt weer, zoals u dat al jaren doet, misbruik van Mijn raad om Mij de schuld te geven van uw eigen onbekeerde hart!’

Snapt u dat de Geest zegt: Kom! Dan is dat werk van kloppen voorbij. Ik word moe… van u! 

 

Maar er is nog andere reden, een vierde waarom de Geest zegt: Kom!

Hij heeft Zijn intrek genomen in de harten van Gods kinderen. Door wedergeboorte zijn ze gemaakt tot een tempel van de Heilige Geest. Maar wat bedroeven we de Geest vaak. Iedere dag, 365 dagen per jaar. Paulus schrijft niet voor niets aan de gemeente van Efeze: En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Welke gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing.  

Opgezocht, in vrije en Goddelijke ontferming. Gewassen door het bloed van het Lam. U durft dat misschien wel niet zo hardop te zeggen, maar dat is toch wat gebeurt als een mens wederom geboren wordt. 

En maar door zondigen… En maar door dwalen…. En maar doorgaan met het vergeten van God… Laten we het maar niet mooier maken dan het in werkelijkheid is. Of hebt u het beter met uzelf getroffen? Dan bent u beter dan Paulus. Ik ellendig mens, roept hij uit, wie zal mij toch verlossen van het lichaam der zonde en des doods? Dat is de droeve balans aan het einde van dit jaar…

 

De Geest, Die dat wonderlijke doel heeft in al Zijn werk, om Christus te verheerlijken, wordt (om het menselijk te zeggen) moe. Moe van al dat zondigen, moe van dat altijd maar weer vertrouwen op eigen werken, moe van al die hoogmoed, moe van al die hardleersheid. De Geest wordt niet alleen moe van onbekeerden, maar vooral van de kinderen van God. 

Na weer 365 dagen kloppen, sturen, bewaren, oprapen, terugbrengen, vermanen… zegt de Geest: ‘Kom! Kom, dan is alles voorbij. Dan zullen ze nooit meer zondigen, dan zullen ze nooit meer dwalen.’

 

De Geest zegt: Kom! En de bruid zegt ook: Kom!

De bruid? Wie is dat? Dat is de Kerk, met een hoofdletter. Dat zijn alle kinderen van God. Vind je het geen mooie naam, jongens en meisjes? De kinderen van God worden ‘bruid’ genoemd.

Als je die woorden hoort, bruid en bruidegom, dan denk je vast, jongelui, aan je eigen aanstaande trouwdag, komend jaar. Nog even, nog even wachten… Dat is ook goed. Maar dan…? Dan komt de dag! 

Ik hoop dat je een prachtige dag zult hebben, het begin van een lange tijd waarin je samen één bent in alles. 

En ik zeg dat, juist omdat ik denk aan de Heere Jezus en aan Zijn Kerk. Hij is de Bruidegom, en Gods kinderen zijn de bruid. 

 

En die bruid, wij zouden zeggen: dat meisje, verlangt naar de dag van de bruiloft. Welke dag is dat? Nou, dat is de dag dat de Heere Jezus, de Bruidegom, komt. Op die dag neemt Hij Zijn bruid mee naar een nieuw huis. Welk huis? Het huis in de hemel. 

En als die bruid nu vooruitkijkt, en denkt aan de mooie dag, en alles wat er daarna komt, dan zegt ze hartgrondig: Kom!

 

Waarom zo hartgrondig? Omdat de bruid, de kinderen van God, ook meezuchten met de schepping. Ze lijden mee met alle andere mensen. Ziekte, verdriet, verlies, gebrek… Ze zuchten mee. In stilte misschien wel, maar toch... 

En ze zeggen: Heere, wanneer komt nu die dag, dat ik dit zieke en zwakke lichaam achter me mag laten? Dat ik geen last meer heb van die diepe depressies, van al die angsten, van al die paniek? Wanneer komt de dag dat ik dat moeilijke verleden voor altijd vergeten mag? En in stilte klinkt het, bijna onhoorbaar: Kom, Heere!

 

Maar er is nog een reden, een tweede reden waarom de bruid zegt: Kom!

Gods kinderen zuchten onder de last van de zonde. We willen het goede doen, maar het kwade is zo dichtbij. Het leeft in ons hart. We willen zo graag de Heere dienen en vrezen, maar ons hart… O, dat hart, dat wil niet! Het kan niet geloven, het kan niet vertrouwen.

Het dwaalt, het vergeet de Heere zo vaak. En hoe vaak val ik niet in de zonde? O, wanneer komt die dag, dat ik verlost zal worden van dit hart, van dit lichaam der zonde? O, wanneer komt de dag, dat ik nooit meer zal hoeven zondigen, dat ik altijd en ongestoord God dienen mag? 

 

We zeggen: Kom, Heere Jezus… En terwijl we dat zeggen kijken we om ons heen… en zien we zoveel mensen, van wie we zoveel houden... En we weten dat ze nog onbekeerd zijn: onze kinderen, onze broers, onze zussen, onze ouders, je man, je vrouw... 

En we zien en we weten hoe gevaarlijk hun leven is. 

Als de dag van onze bruiloft komt, o, wat zal er dan toch van hen worden? Hoe zult u toch staan voor de grote witte troon? Hoe zult u toch staan voor het Lam, als de rechtvaardige toorn uit Zijn ogen bliksemen zal? 

Ik gedachten zien we uw verstarde blikken, zien we uw gezichten vol van afgrijzing, we horen uw kreet van wanhoop. We horen uw: Ach nee! Had ik maar…! Nu is het te laat! Ik heb met al die vrome woorden mezelf bedrogen!

 

En we huiveren. En we beven. Hoe moet het toch met u? Hoe moet het toch met jou? 

Nog steeds onbekeerd. En die dag komt, onherroepelijk!

De dag van de bruiloft, de dag waar de bruid (en ook de Bruidegom) zo naar uitziet. Maar altijd, altijd als we zuchten in ons hart: ‘Kom, kom toch, Heere Jezus’, altijd is daar weer die knagende gedachte: ‘O, maar als U komt, hoe moet het dan met die, met die…? Hoe moet het dan met jou? Met u?’

 

En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom!

Dat brengt ons bij de tweede gedachte: De Geest en de bruid roepen niet alleen om de komst van Christus, zij kloppen ook op het hart van zondaren! En die het hoort, zegge: Kom!

We gaan eerst samen zingen uit Psalm 34 vers 6. Daar hoort u dezelfde roep waar ons tweede punt zo meteen over gaat: Kom! Kom, kinderen, hoor naar Mij! 

 

Komt, kind’ren, hoort naar mij;

Neemt mijn getrouwe raad in acht;

Ik leer, opdat g’ uw plicht betracht,

Wat ’s Heeren vreze zij.

Hebt gij in ’t leven lust,

In dagen waar men ’t goed’ in ziet,

Waarin men vrij is van verdriet,

Waar niets ons heil ontrust?

 

2. De Geest en de bruid kloppen op het hart van zondaars

 

Eerst klinkt de stem van de Geest: Kom! 

Dan van de bruid als geheel, eenstemmig uit de mond van de Kerk met een hoofdletter:

Kom, Heere Jezus!

Maar dan ineens is daar als het ware ook de stem van de individuele gelovige, van het kind van God, persoonlijk, afzonderlijk: En die het hoort, zegge: Kom! 

Het is een vriendelijk, liefdevol, maar dringend, ja gebiedend woord: Kom! 

Het klinkt, het mag klinken, het moet klinken uit de mond van al Gods kinderen: Kom! Kom, zoals de Samaritaanse vrouw tegen haar dorpsgenoten: Kom, zie een Mens, Die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?

Nee, wij prijzen geen Christus aan die over de zonden heen stapt. Maar wij prijzen, van harte, met alle liefde van ons hart, de Mens aan, de Mens Christus Jezus, Die ons alles  verteld heeft wat wij gedaan hebben. Die ons de schuld en zonde aanwees. Die ons onze dood en verlorenheid aanwees. Die alles aanwees, waardoor we niets meer overhielden. Kom, is Deze niet de Christus? Kom, ga met ons, en doe als wij! Kom, ga mee, buig toch ook aan Zijn voeten. Er is zoveel zaligheid, vrede en blijdschap te vinden in Hem. Die het hoort, zegge: Kom!

 

Het klinkt misschien vrijblijvend, maar dat is het niet. Het is een bevel! 

Beste vrienden, om uws levens wil: Kom! 

Dit bepaalt uw eeuwige bestemming. Het is een van twee: straks bent u eeuwig binnen of eeuwig buiten. U zult of eeuwig zingen bij het ruisen van de harpen van miljarden engelen, of u zult eeuwig roepen om verkoeling van uw tong, terwijl uw ziel en lichaam smarten lijden in de altoos durende vlam van Gods toorn. 

Daarom gaat onze roep (nog eenmaal, aan het eind van dit snel vervolgen jaar) uit tot allen die nog buiten zijn: Kom! 

De deur staat nog wagenwijd open! Nog is het tijd van komen!

 

Bedenk ondertussen: deze roep is geen roep die vraagt om een ondoordacht antwoord. De praktijk laat zien dat de meesten die plotseling uitspreken een keuze voor God en Christus te maken, wel kiezen met hun verstand, maar niet komen met hun hele hart. U die u gedrongen voelt om te komen, besef toch dat u van nature een opstandeling tegen God bent, die door al uw zonden God vertoornd hebt. 

Bedenk, u die komen mag, dat u een vijand bent. En toch wordt u genodigd.

Besef dat u leeft in een staat van oorlog tegen God. Dat u leeft onder Zijn vloek vanwege uw schuld. 

Bedenk dat u al Gods geboden zwaar en menigmaal hebt overtreden. 

Bedenk, o misdadiger, dat u de eeuwige dood verdiend hebt. 

O bedenk, u die komen mag, dat u komen moet als een ter dood veroordeelde.

Er worden van u geen voorwaarden verwacht, die u vervullen moet. Maar de weg die u gewezen wordt is deze: komen zoals u bent, ellendig, arm, jammerlijk, blind en naakt.

Als een ter dood veroordeelde. 

 

En die het hoort, zegge: Kom!

O, kom, ter dood veroordeelde vrienden, vijanden van God. 

Bedenk, o komenden, dat er geen waarde is in al uw gerechtigheid. Niet in uw goede werken, niet in uw tranen, niet in uw gebeden, niet in uw komen. Uw gerechtigheid is schijn, het is als een wegwerpelijk kleed. 

Er is in u niets. Geen oprechte liefde tot God, geen wil, geen vermogen, niets. O, werp u toch, als niet kunnende komen en toch getrokken, als niet willende komen en toch geleid, o werp u toch als een dode en verloren zondaar aan Zijn voeten.

 

Hoewel u Gods toorn verdiend hebt, en waard bent om weg gestoten te worden, o zie toch: God is gewillig om u met Hem te verzoenen door het kostbare bloed van Zijn Zoon. 

En die het hoort, zegge: Kom!

Hoe vaak hebt u dat niet gehoord in het afgelopen jaar? 

Zondag aan zondag hebben de kerkklokken u genodigd. Ze riepen u toe: Kom! De open deuren van dit gebouw waren een zichtbaar teken, zondag aan zondag, van de geopende weg. Ze riepen u toe: Kom!

Een stem heeft u zondag aan zondag van deze kansel toegeroepen: wij dan, zijnde gezanten Christus’ wege, wij bidden u, alsof God door ons bade, wij bidden u van Christus’ wege: Laat u met God verzoenen en kom!

 

Uw ziekte, uw ernstige ziekte, de dood van uw lieve man of vrouw, van uw lieve vader of moeder, dat alles riep u toe: Kom!

En tegelijkertijd wees dat sterven u op de werkelijkheid van uw leven: Ziet, Hij komt! Schik u om uw God te ontmoeten!

 

Kom! Ik dwing u, naar het bevel des Heeren, met de gebiedende wijs van deze tekst:

Kom! U hebt geen recht om achter te blijven. Kom!

Dit woord zal uw oordeel verzwaren, als u opnieuw weigert te komen!

Het ‘gaat weg van Mij’ dat eerdaags klinken zal, zal u tot in alle eeuwigheid herinneren aan dit ene woord: Kom!

Het is een woord dat komt uit Gods hart, en we zeggen het na met al de liefde van ons hart: Lieve medezondaar, kom!

 

Werp toch uw verloren leven op Hem. Het is nog niet te laat. Velen zijn gered, die vele malen slechter waren dan u. Zo ook de man die voor u staat.

In de Naam van de allerhoogste Heere van hemel en aarde, in de Naam van de Christus der Schriften, Wiens gezant ik ben, ik bid u: Kom!

 

Nog een klein ogenblik, en Hij Die leed en stierf als misdadiger, zal verschijnen op de wolken met grote kracht en heerlijkheid. En alle oog zal Hem zien. Ook uw oog! Hij heeft het beloofd: En zie, Ik kom haastiglijk, en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.

Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. 

En wij zeggen met Johannes: Amen. Ja, kom, Heere Jezus. 

En die het hoort zegge: Kom! O, komt u toch ook!

 

Wij verwachten die dag, de dag van de komst van Christus, van de bruiloft met Hem, met groot verlangen. Droefenis en zuchting zullen wegvlieden. Zonde zal er niet meer zijn. Tranen zullen gedroogd worden met een zachte doek. De armen van Christus zullen ons voor eeuwig omhelzen, en onze armen Hem. En onze stem zal zich mengen met die van miljarden engelen: Gij, o Lam Gods, hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.  Dat is ons vooruitzicht. 

 

En daarom zeggen we voor het laatst, voor de laatste keer, aan het eind van dit  voorbijgegane jaar… Vergeet het nooit…!  U zult het nooit vergeten. Ook al weigert u, ook al komt niet. Welk excuus u ook gebruikt om dit woord te ontkrachten. U zult het nooit vergeten. Het zal tot in alle eeuwigheid in uw geheugen gegrift staan en na-echoën in uw gedachten. 

Dit laatste woord, deze laatste nodiging. Deze laatste, misschien wel allerlaatste lokstem van het Evangelie. Tot u gesproken, vanuit de grond van Gods hart. 

O, onbekeerde vrienden, dit ene woord: Kom! 

Kom, o vijanden, buk en buig, ja, kom, voordat het te laat is!

                                                 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89:19

 

Gedenk, o Heer’, hoe zwak ik ben, hoe kort van duur;

Het leven is een damp; de dood wenkt ieder uur.

Zou ’t mensdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen?

Wie leeft er, die de slaap des doods niet eens zal slapen?

Wie redt zijn ziel van ’t graf? Ai, help ons, als tevoren,

Gelijk Gij bij Uw trouw aan David hebt gezworen.

 

 

Deze preek is met toestemming overgenomen van www.leespreken.nl