Ds. J.W. Verweij - Openbaring 21 : 5

Onderwerp

Van de eerste dingen die voorbijgegaan zijn en van alle dingen die nieuw worden
Haar luisterrijke heerlijkmaking
Haar eeuwige verzadiging
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Het einde der tijden’ van ds. J.W. Verweij (Uitg. Hoekman, Goes).

Openbaring 21 : 5

Openbaring 21
5
En Die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 68: 2
Lezen : Openbaring 21: 1-8
Zingen : Psalm 61: 2, 3, 4
Zingen : Psalm 16: 3, 4
Zingen : Psalm 73: 12

Gemeente, de tekst voor dit morgenuur kunt u vinden opgetekend in het u voorgelezen schriftgedeelte Openbaring 21 vers 5:

 

En Die op de troon zat, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.

 

Dit tekstgedeelte spreekt ons van de eerste dingen die voorbijgegaan zijn en van alle dingen die nieuw worden.

 

Wij letten op een tweetal gedachten:

1. Haar luisterrijke heerlijkmaking

2. Haar eeuwige verzadiging

 

1. Haar luisterrijke heerlijkmaking

 

Gemeente, op de eerste dag van het nieuwe jaar zijn wij samen onder Gods Woord. Veel vragen en zaken kunnen ook ons hart weer bezetten aangaande de toekomst, die voor ons menselijk oog verborgen is. En hoevelen zijn er het oude jaar uitgegaan met hun verwachting van de dingen van de aarde, en zijn het nieuwe jaar begonnen met dezelfde verwachting van alle dingen die voorbijgaan. Maar alles wat hier op de aarde gebeurt, en alles wat hier op de aarde passeert, dat predikt ons dat alle dingen voorbijgaan.

De wereld, onder de misbruikte heerschappij van de zondige mens, heeft zich van God losgemaakt. En de mens, die de wereld liefheeft, daarvan zegt Gods Woord: die zal met deze vergaan. Daarom gaat ze voorbij, omdat de zonde in haar beslag vindt, omdat de zonde in haar haar heerschappij openbaart, omdat God straks de zonde teniet zal doen en af zal rekenen met alles wat ongerechtigheid werkt, zoals onze tekst zegt: Maar de vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al de leugenaars, is hun deel in de poel die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.

Maar door dit alles heen gaat de Heere Zijn gang en volvoert God Zijn raad, zal de Heere het bevestigen, wat er staat in onze tekst: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal, zal straks aan de morgenstond van de nieuwe dag er komen. Ja, het gaat naar de eeuwige toekomst van de Koninkrijk der hemelen, wat door niets en door niemand tenietgedaan zal worden. En dat Koninkrijk zal geen einde hebben. Zijn heerschappij zal zijn tot aan de einden der aarde. Het oude zal door vuur gelouterd worden en het nieuwe zal er eeuwig blijven, zonder dat het tenietgedaan zal worden.

De nieuwjaarsmorgen van dat Koninkrijk zal aanbreken. Straks zal er geen tijd meer zijn. Dan zal de nieuwjaarsmorgen, die nooit zal eindigen, aanbreken. En de eeuwige dag zal er blijven. God zal daar alles in allen zijn.

Hoe zal dat geschieden? In het boek Openbaring kunt u lezen hoe het einde aller dingen komt, en hoe er aan het einde van het oordeel Gods een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal zijn en geopenbaard zal worden.

 

Zie, Ik, Die op de troon zit, maak alle dingen nieuw. Het zijn de laatste woorden van dit tekstgedeelte, en ze openbaren de majesteit van Hem Die op de troon zit. Ze openbaren de heerlijkheid van Hem Die dat alles doet en dat alles bewerken zal tot de komst van Zijn Koninkrijk. Ja, ze openbaren de heerlijkheid van Hem Die in de hemel zit op de troon ter rechterhand Gods. Hij Die op de aarde was in lijden, sterven, maar uit de dood is opgestaan en de dood verslonden heeft tot een eeuwige overwinning, Hij Die gezeten is om uit de majesteit Gods nu Zijn Koninkrijk te bouwen hier op de aarde. O geliefden, Die Zijn kerk verlost heeft en nog verlossen zal van de zonde, van de dood en van het verderf; Hij Die Zijn ganse kerk door Zijn bloed gekocht heeft, en Die niet één van de Zijnen teniet zal laten gaan, maar Die ze allen zal behouden als door vuur. Dat zal de toekomst zijn van het Koninkrijk des Heeren.

 

Zal uit deze chaos een nieuwe hemel en een nieuwe aarde kunnen voortkomen? Zal in deze wereld, waar de machten elkaar bestrijden en alles op de ondergang schijnt uit te lopen, zal daar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde uit voortkomen?

O, Hij Die op de troon zit en Die leeft tot in alle eeuwigheid, zegt het: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En de kerk hier op de aarde, die in het zwart gaat vanwege des vijands onderdrukking, zal het ervaren, dat de druk en de strijd niet zal vermogen om haar van de toekomst van dat Koninkrijk te ontroven.

De bruid zal door de Bruidegom met de schoonste bruiloftstooi worden toegerust. Hoe ondoorgrondelijk is de liefde van de Koning van de kerk, en dat tot een schuldig, en dat tot een zwart, en dat tot een verloren volk in zichzelf. Voor dezulken die geen waarde vinden in zichzelf, voor wie het wonder bij de aanvang, bij de voortgang, zo groot wordt, dat God met zulk mensenkind te doen wil hebben.

 

Maar hoe zullen wij deel krijgen aan dat Koninkrijk? Hoe zullen wij daar gemeenschap aan hebben? Hoe zal dat onze toekomst zijn? Is dat de vraag van uw hart geworden, ook aan het begin van het pas begonnen jaar: ‘Heere, hoe zal ik rechtvaardig verschijnen voor God?’ Hij Die op de troon zit, zegt: Ik maak alle dingen nieuw. En dat begint bij een nieuw hart.

Jongens en meisjes, kinderen in ons midden, dat begint bij een hart om de Heere te vrezen, om de Heere te dienen. Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En als Hij, Die alle dingen nieuw maakt in ons leven, dat begin, die wortel van de zaak, inplant in ons hart, dan zal de heerlijkheid die Johannes geopenbaard is op Patmos, de onze worden.

 

Zie, Ik maak alle dingen nieuw. O, de gaven van God veranderen in ons leven niet iets, maar alles. Want die in Christus Jezus is, die is een nieuw schepsel; al het oude is voorbijgegaan; ziet, het is alles nieuw geworden.

Zonder die vernieuwing is er geen levende verwachting voor de toekomst. Zonder die vernieuwing is er geen levend uitzien naar de dag, naar de nieuwjaarsmorgen van dat Koninkrijk. Zonder die levende vernieuwing is er enkel een verwachting van onszelf, een verwachting van de aarde, een verwachting van alle dingen die voorbij zullen gaan.

En ondanks de teleurstellingen die wij ervaren, houden wij vast aan al het oude; weigeren wij om het oude los te laten, en om door hartvernieuwende genade in ons leven te laten arbeiden. O geliefden, wij kennen onze ellenden niet, en wij kennen de armoede van ons bestaan niet. Maar Hij Die alle dingen nieuw maakt, door Zijn Woord, plant in het harde zondaarshart door Zijn Goddelijke liefde het levende geloof, schenkt Goddelijk leven, wat uitgaat naar Hem, en wat Hem doet zoeken, en wat Zijn toekomst en Zijn Koninkrijk doet verwachten.

 

Wij zijn slaven van het oude. Wij zijn slaven van de zonde. Wij zijn slaven van de vorst der duisternis. Wij zijn slaven van hetgeen wij in Adam geërfd hebben. O, de zonde laat niets en niemand onaangetast, ook in ons aller leven. Maar de zonde vernietigt, de zonde verdeelt, de zonde scheidt, de zonde brengt twist en tweedracht en brengt eeuwige rampzaligheid.

Wij hebben geleerd kwaad te doen. En zomin een moorman zijn huid kan veranderen en de luipaard zijn vlekken, zomin kunnen wij, die geleerd hebben kwaad te doen, goed doen. Wij staan schuldig voor het aangezicht des Heeren. Wij zijn onderworpen aan het oude. Wij zijn onderworpen aan het rechtvaardige vonnis van een drievoudige dood.

 

Maar hoe, hoe wordt zo’n slaaf van de zonde, hoe wordt zo’n oude mens nu een nieuwe mens? Zie, Ik… Hoort u het? De grote Ik, Hij Die Zijn leven gaf om Zijn kerk te kopen met de prijs van Zijn bloed, zegt: Ik maak alle dingen nieuw. Dat begint bij de enkeling. Dat begint persoonlijk in ons leven. Dat is zeer persoonlijk. Daar mag u ook zeer egoïstisch in zijn, want het gaat om uw eeuwig zielenheil.

Ik maak alle dingen nieuw. Hoe doet Hij dat? Dat is een wonderwerk Gods. Dat doet Hij zonder ons in ons. Dat is een wondere zaak. Daar komt geen mensenhand aan te pas. Dat doet Hij naar Zijn vrijmachtig, naar Zijn soeverein welbehagen. Naar Zijn grote kracht waarin Hij uitblinkt als een sterke Held, Die Zijn vijanden neervelt, om ze door genade te sterk te worden en om ze zo te behouden. Nee, niet om ze te verderven, maar om Zijn vijanden te behouden en ze voor God te vernederen.

 

O geliefden, hier is het beginsel van die hartvernieuwende genade Gods. Ik maak alle dingen nieuw. Dan gaat een mens die blind was, zien. Dan gaat de zondaar die dood was, leven. Dan gaat de vijand die zich tegen God verheven heeft, zich neerbuigen in het stof. Dan mag uit de nood van ons goddeloze bestaan een noodgeschrei tot de Heere opklimmen.

Ja, dan worden alle dingen nieuw. Dan krijgen wij nieuwe oren, dan krijgen wij nieuwe ogen, dan krijgen wij een nieuw gezicht, wij krijgen een nieuw hart en wij krijgen nieuwe uitgangen des levens. Alles wordt nieuw.

O, dat alles is de vrucht van de wederbarende, van de hartvernieuwende genade die Christus zonder ons in ons werkt. Dan zal Hij, Die alle dingen nieuw maakt, het bevestigen: dat kan Ik alleen; dat doe Ik alleen. Ja, Ik kan en Ik wil en Ik zal het schenken, en dat zal door geen mensenkind te keren zijn.

Gelukkig dat Hij het zegt, want als wij het zouden zeggen kwam er niets van terecht; dan was er voor het nieuwe jaar geen verwachting. Maar omdat Hij, Die op de troon zit, Die de Getrouwe is en Die de Eeuwigblijvende is, de Onveranderlijke, omdat Hij het zegt, daarom zal Zijn Woord voortgang hebben.

 

Daarom zegt Hij tot Johannes: Want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. Een waarachtig en een getrouw woord te midden van alle dingen die ons ontvallen en die voorbijgaan. Hij, Die op de troon zit, Die de zonde, de dood, de satan overwonnen heeft, en hem zijn kop vertreden heeft, hebt u Hem leren nodig krijgen? ‘Schep in mij een nieuw hart, en vernieuw in mij een vaste geest.’ Is dat het uitzien van uw hart ook voor het nieuwe jaar; dat de Heere door ontdekkende genade, maar meer en meer in ons midden zou arbeiden?

Het is niet zo erg hoor, als u van uzelf wordt afgebracht. Het is niet zo erg als u van de troon van uw eigengerechtigheid wordt afgestoten. Het is niet zo erg als u de minste mag zijn. Maar het is zo zalig om niets te zijn. Het is zo’n voorrecht om te buigen aan de voeten des Heeren en het voor God te mogen verliezen.

Door die vernieuwing van Hem worden alle dingen nieuw. In het oude geldt dat de bezoldiging van de zonde de dood is; dat is het oude. Maar in het nieuwe geldt het door hartvernieuwende genade, dat de dood een doorgang is tot het eeuwige leven.

 

Jongens en meisjes in ons midden, hoor je dat de bezoldiging van de zonde de dood is? Het loon van de zonde, de uitbetaling van de zonde, dat is de dood. O, de wereld heeft je hart, we weten het, en de lust van je hart is naar de dingen van de tijd, naar de dingen die voorbijgaan. Gisteravond is gewezen op de ernst van het leven, maar ook bij vernieuwing vanmorgen willen wij op de noodzakelijkheid wijzen dat Hij, Die alle dingen nieuw maakt, ook in uw leven uw hart zou vernieuwen, opdat je jonge leven vervuld zou mogen zijn met een heilbegerig verlangen om Hem te mogen kennen, Die alle dingen nieuw maakt.

Dan krijgt de toekomst waarde. Dan krijgt de toekomst perspectief. Ja, de toekomst krijgt glans. Ja, de toekomst krijgt inhoud en krijgt doel. Dan krijgt de toekomst datgene wat de Heere zegt: ‘Zie, Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; zie, Ik maak alle dingen nieuw.’

Geliefden, bid om een nieuw hart, want als Hij Die alle dingen nieuw maakt, dat hart vernieuwt, nee, niet verandert, maar dat hart vernieuwt – en dan is die vernieuwing hier ten dele – dan zal de toekomst niet onzeker zijn. Maar die vernieuwende genade Gods zal doorgaan.

 

Indien iemand in Christus Jezus is, die is een nieuw schepsel. Dat ‘iemand’ is onbepaald, dat geldt voor allen die door wederbarende genade van zichzelf hebben mogen afzien, en die met de ondragelijke last van dat oude – zulk een last van zonden en plagen, niet te dragen, drukt mijn schouders naar beneên – over de aarde gaan. Die aan de weet zijn gekomen dat ze in het oude, in dat zondige bestaan, in dat goddeloze bestaan, voor God zullen moeten omkomen. Die aan de weet gekomen zijn dat ze zo God niet kunnen ontmoeten, maar dat ze nodig hebben om in Christus geborgen en behouden te worden.

En welk een wonder als we als vrucht van die levensvernieuwende genade, mogen buigen aan de voeten des Heeren. Welk een wonder, als het in het leven praktijk mag worden dat we mogen buigen aan Zijn voeten en mogen eigenen wat we verdiend hebben door de zonde, en als die weg, waarin Hij alle dingen nieuw maakt, in ons leven geopenbaard wordt in Christus alleen.

 

Dan wordt alles nieuw. Dan wordt de ruimte gekend die er is van het zalig worden door Hem, Die alles nieuw maakt. Dan wordt de zonde gedood, de zondelust vernietigd. Dan wordt al hetgeen in ons leven Hem tegenstond, ten onder gebracht. Ongeloof krijgt een doodsteek, klein geloof wordt veranderd in groot geloof, we mogen boven onszelf en boven onze vijanden uit zien, door het geloof, op Hem Die alle dingen nieuw maakt.

O geliefden, alles wat ons zo moede maakt, alles wat ons zo mat maakt, alles wat ons de kracht en de lust tot het leven benam, dat zal nieuw worden door Zijn toekomst. Dan deelt de ziel in het beginsel van de eeuwige heerlijkheid, die gekend wordt als ze Christus tot haar deel en tot haar zaligheid mag leren kennen. In het verleden te mogen terugblikken, dat ondanks onze zonde, de Heere Zijn genade, Zijn trouw aan dezulken bewezen heeft; in het heden te mogen ervaren dat Hij groot is van goedertierenheid; in de toekomst te mogen vertrouwen op mijn God. Het ga zo het wil, stel u gerust, zwijg Gode stil, want Zijn hulp zal blijken.

Dat zal de Heere bevestigen in het leven van degenen aan wie Hij bevestigd heeft: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. Dan kan de dood, het graf en de hel ons, wanneer het geloof in oefening is, niet verschrikken. Want wanneer wij de vastigheid van zalig worden mogen vinden in Hem, dan kunnen alle dingen die ons in de weg staan en die een belemmering schijnen te zijn, ons niet meer deren. Want: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. Ja, dan zal Hij het waarmaken wat Hij beloofd heeft: ‘Zie, Ik kom haastelijk.’

 

Johannes zag met verlichte ogen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarop gerechtigheid wonen zou. O, Christus zal het aangezicht van de aarde en van de hemel veranderen. De zonde en de heerschappij van de zonde zal door vuur gelouterd worden. Daar zal een zalige opstanding zijn uit de doden voor hen in wiens leven het aan deze zijde van het graf waar is geworden: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. Maar wat door de zonde niet volkomen was, dat zal tenietgedaan worden, maar de volkomen heerlijkheid en haar luisterrijke heerlijkheid zal straks geopenbaard worden. Ja, dan zal er storeloze harmonie zijn tussen Schepper en schepsel. Tussen Hem Die alle dingen nieuw gemaakt heeft en alle dingen geschapen heeft, en hen die het voorwerp zijn van Zijn welbehagen.

 

O geliefden, de tekenen der tijden prediken ons dat alle dingen voorbijgaan en dat ze voorbij snellen; dat de tijd voorts kort is; dat er nog maar een ogenblik van genade is in uw en in mijn leven, en dat we nog nodig hebben om door Zijn hand, voor het eerst of bij vernieuwing, alle dingen nieuw gemaakt te zien, door Hem, Die dat verdrukte, door onweder voortgedreven volk op de aarde, hier, nee straks, haar stenen gans sierlijk zal leggen en in die gemeenschap met de drie-enige God hersteld te mogen worden en door Zijn genade alle dingen die nieuw zijn te mogen ervaren en in Hem te mogen eindigen.

 

En de zee was niet meer. Dat wil wat zeggen. Want de zee is het teken van onrust. De zee staat nooit stil. De zee is altijd in beweging. En in het boek Openbaring is het de grote draak, die de antichrist aangordt met macht om zijn werk op de aarde te openbaren. De zee, die haar vuil en haar modder omhoog brengt. In Gods Woord worden de goddelozen genoemd als een voortgedreven zee, die wateren en slijk voortbrengen.

Als de zee niet meer is, dan zal er een einde gekomen zijn aan het rijk van de antichrist. Dan zullen allen die de komst van het Rijk van Christus en de vernieuwing van alle dingen hebben tegengestaan, tenietgedaan worden. Dan zal het einde gekomen zijn van hem die zo verraderlijk en zo listig en op zo’n duivelse wijze dat Koninkrijk Gods heeft trachten te vernietigen.

Troostvol vooruitzicht voor de kerk Gods hier op de aarde, die het onderwerp is van de bestrijdingen van de vorst der duisternis, van hem die als een woelige zee zijn macht openbaart hier in het leven van Gods kinderen. Daar zal een einde komen. En de zee was niet meer.

Hoe menigmaal, onder de verschrikkingen van het woeden van de vorst der duisternis, menen Gods kinderen te bezwijken. Hoe menigmaal denken zij in de hand van Saul nog om te komen. Hoe menigmaal vrezen ze dat het einde aller dingen nabij is en dat het voor eeuwig te laat zal zijn. Maar ongeloof en de vijandschap van hem die de zee bewoont zal ophouden, want de zee was niet meer.

En zoals een bruidegom zijn bruid opwaakt, zo zal de bruid, door de genade van de Geest van Christus, toebereid worden hier op de aarde, door haar Bruidegom, en ze zal door Zijn Geest uit mogen zien naar de dag van de volledige huwelijksgemeenschap dat ze samen, samen zullen ontvangen wat de begeerte was van de Bruidegom, maar wat ook de begeerte geworden is, door de Bruidegom, van de bruid, om de dag van Christus te verwachten en naar die dag uit te zien.

 

Dan kan de toekomst voor ons natuurlijke oog duister zijn, en die ís duister, en die zal steeds donkerder worden. En laten we geen doekjes eromheen winden, want de werkelijkheid is niet anders, dat de aarde zal ondergaan, zoals ze er nu is, maar dat straks, in dat eindgericht, die gelouterde aarde straks zal verschijnen als een nieuwe aarde en als een nieuwe hemel, waarop gerechtigheid wonen zal.

O, de tijd wordt steeds somberder, en de toekomst is niet rooskleurig en zal nooit rooskleurig worden, maar zal steeds ellendiger, steeds meer dat het einde en de noodzaak van hetgeen God in Zijn Woord liet optekenen en tot troost van Zijn kerk hier op de aarde, zal gezien worden, opdat de komst van het Koninkrijk hier op de aarde van Christus zal gezien worden.

O, door de verdrukking heen zal Sion naar huis gaan, naar dat Vaderhuis met zijn vele woningen. Door de verdrukking heen zullen allen die het voorwerp werden en het onderwerp mochten zijn van Zijn genade, Zijn Woord, dat getrouw en waarachtig is, tot hun troost en tot hun zaligheid mogen leren kennen. Want Zijn Woord is getrouw. Ook aan het begin van het pas begonnen jaar wordt het bevestigd dat alle woorden van mensen tenietgedaan zullen worden. Maar het Woord onzes Gods bestaat tot in der eeuwigheid, tot in de hemelen.

 

Dat hebben wij nodig, onder de bediening van de Geest van Hem Die alle dingen nieuw maakt, ook nieuw gemaakt te worden. Niet eenmaal, maar van die levensvernieuwende genade zegt de catechismus: dat is een afsterven van de oude mens, maar dat is ook een opstanding van de nieuwe mens. Dat is een dagelijks sterven aan onszelf, maar dat is een dagelijks leven door Hem, opdat Hij de grootste plaats in onze harten zou mogen verkrijgen, en wij door genade Zijn dag, die nieuwjaarsdag, die nieuwjaarsmorgen, zouden verwachten, om haar luisterrijke heerlijkheid, niet met de ogen des geloofs zoals wij hier in beginsel iets van de schoonheid van dat Koninkrijk hebben mogen aanschouwen, maar om de heerlijkheid met de ogen te mogen zien. Zalig zijn ze, die Hem gezien hebben en die Zijn toekomst verwachten.

Daar zingen wij samen van uit Psalm 16 vers 3 en 4:  

 

Getrouwe Heer’, Gij wilt mijn goed, mijn God,

Mijn erfenis en ’t deel mijns bekers wezen;

Gij onderhoudt gestaag het heuglijk lot,

Dat Gij, zo mild, voor mij hebt uitgelezen.

De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren;

O heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.

 

Ik zal de Heer’, Die mij getrouwe raad

Gegeven heeft, met psalmgezangen prijzen,

Daar ’t Godd’lijk licht mij toestraalt vroeg en laat,

Mijn nieren zelfs bij nacht mij onderwijzen.

Ik stel die Heer’ gedurig Mij voor ogen;

Zijn rechterhand zal nooit Mijn val gedogen.

 

Letten wij een ogenblik op onze tweede gedachte:

 

2. Haar eeuwige verzadiging

 

Wij lezen in het derde vers: En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Zie, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. Dat ziet op hetgeen op die nieuwe hemel en die nieuwe aarde het deel zal zijn van allen die daarop zullen wonen. Dat wijst op die innige levensgemeenschap die daar zal zijn tussen God en tussen Zijn kerk. Dat wijst ons naar de gelukstaat van het nieuwe paradijs, waar nooit een einde van zal zijn. Dat wijst ons op de herstelling van hetgeen wij door de zonde verwoest hebben en wat Christus door herstellende en door vernieuwende genade heeft aangebracht.

Hier op de aarde mogen Gods kinderen wel eens een ogenblik iets van die vreugde, van die vrede, van die blijdschap kennen die daarin te vinden is. Uren, die kort duren. Maar daar is geen tijd meer. In de hemel zijn geen uren meer. Daar staat geen klok meer die aanwijst hoe lang het zal duren. Maar daar zal het eeuwig, eeuwig zo zijn, dat de Heere Zelf bij hen zal tabernakelen, wonen, gedurig, eeuwig, blijvend, ongestoord, zonder zonde en altoos.

 

O, daar staat: Zie. Weet u wat dat zeggen wil? Dat mag uw aandacht hebben, dat mag uw verwondering wel hebben. Zie, de tabernakel Gods is bij de mensen. Dat wonder, dat de Heere weer bij Zijn volk kan wonen en bij Zijn volk wil wonen.

Door de zonde is er scheiding, een eeuwige scheiding gevallen. Door de genade van Christus is de eeuwige scheiding voor hen, in wiens leven alle dingen nieuw worden, tenietgedaan. De Heere zal er wonen en daar zal eeuwige blijdschap zijn. Daar zal eeuwige zaligheid zijn. Daar zal eeuwige heerlijkheid zijn. Want in Zijn nabijheid zullen treuring en zuchting wegvlieden.

Dat is de nieuwjaarsmorgen. Dat predikt ons een nieuwe dag. Dat predikt ons een morgenstond. Dat predikt ons de toekomst. Daar, daar gaat het naar toe. Alle dingen zullen uitlopen op datgene wat Johannes mocht aanschouwen: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal.

 

O geliefden, als dat in het leven van Gods kinderen de beste uren waren, dat zij hier op de aarde, door Goddelijke gunst en gemeenschap, in Christus zich in God mochten verblijden, wat zal het dan zijn als zij straks eeuwig, ongestoord, die zaligheid van Gods tegenwoordigheid zullen mogen genieten, en dan eeuwig de lofzang tot de verheerlijking van Zijn Naam mogen aanheffen.

Hier blijft de zonde, hier blijft een droefheid, hier blijft de smart, hier blijft alles wat verbonden is aan dat oude bestaan dat strijdt tegen ons nieuwe bestaan. Maar toch zal het waar worden wat er staat in onze tekst: En God zal alle tranen van hun ogen afwissen.

Daar worden op de aarde wat tranen geschreid, en niet in het minst door het volk van God. De ganse wereld is als in barensnood tot nu toe. Wie zal de smart van een ieder mensenkind persoonlijk kunnen peilen en kunnen dragen, want ieder huis heeft zijn eigen kruis. Maar Gods kinderen hebben nog een kruis, en dat is dat kruis dat zij nooit kunnen leven zoals zij dat door dat nieuwe leven begeren. Dat is een gedurig kruis. Dat is dagelijks hun kruis. Dat altijd dat zondige, dat goddeloze hart, van God af wil. Daarom zullen er geen binnengaan die zullen kunnen zeggen dat zij zoveel waarde hadden in zichzelf. Maar daar zullen mensen ingaan die moeten zeggen: goddeloos, goddeloos, goddeloos, maar geschapen, vernieuwd door Hem. O, dan zal het waar worden: God zal alle tranen van hun ogen afwissen.

Als u een kind hebt en dat kind is gevallen, dan neemt u dat kind tot u en u veegt de tranen van dat kind zijn gezicht af. Dat doet u uit liefde, bewogen met de smart en met de pijn van dat kind. Straks zal het waar worden dat die God, Die in Christus Jezus mijn Vader is, alle tranen van mijn ogen afwist.

 

O geliefden, dan is het nodig dagelijks, telkens weer opnieuw te sterven aan die oude mens, opdat die nieuwe mens zal uitzien en zich zou uitstrekken naar die dag waarop alle dingen nieuw gemaakt zullen worden. De toekomst van onze Heere Jezus Christus, Zijn Rijk, Zijn heerlijkheid, die komt en die zal geen einde hebben.

Zullen uw tranen van uw ogen afgewist worden? Of zult u in de buitenste duisternis eeuwig moeten schreien: ‘Had ik, had ik…’? Dan zullen waterbeken uit uw ogen afvlieten, maar ze zullen de tijd die u voorbij liet gaan, dat kostelijke heden der genade, niet doen terugkeren. Maar het zal voor eeuwig te laat zijn.

Daarom, vanmorgen laat Hij, Die op de troon zit en Die alle dingen nieuw maakt, u bij vernieuwing weer prediken: Ik maak alle dingen nieuw. O geliefden, als wij geen andere boodschap hadden te prediken, dan zouden wij vanmorgen zeggen: ‘Gemeente, ga maar naar huis, want je kunt niet zalig meer worden.’ Maar wij mogen prediken, in Hem en door Hem, dat Hij in het midden van de gemeente, ook in de komende zondagen, Zijn wonderen zal verheerlijken, tot de verheerlijking van Zijn Naam en tot de komst van Zijn Koninkrijk. Zult u daar ook bij zijn?

 

En volk van God, als u dan te klagen hebt over dat oude, als u dan te klagen hebt over die zonden, als u dan te klagen hebt over dat goddeloze bestaan en over die wortel van verdorvenheid, vlucht dan tot Hem, Die zegt: Ik maak alle dingen nieuw. Dan zal straks, wanneer het einde daar is, en de tijd zal ophouden, dat oude bestaan achterblijven. Dan zal er een nieuwe hemel en aarde mogen zijn, waarin u de heerlijkheid, de eeuwige verzadiging van vreugde, door Zijn hand, zult mogen ontvangen. Dan zult u uw wens verkrijgen, want uw blijdschap zal dan onbepaald, door het licht dat van Zijn aanzicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen.

Daar heb ik geen woorden voor, wat dat zal zijn, eeuwig bij God, eeuwig met Hem te mogen verkeren, eeuwig in Zijn zalige gunst en nabijheid te mogen zijn, en dat alles tot Zijn eer en tot onze zaligheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 73:12

 

’k Zal dan gedurig bij U zijn,

In al mijn noden, angst en pijn;

U al mijn liefde waardig schatten,

Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.

Gij zult mij leiden door Uw raad,

O God, mijn heil, mijn Toeverlaat,

En mij, hiertoe door U bereid,

Opnemen in Uw heerlijkheid.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Het einde der tijden’ van ds. J.W. Verweij (Uitg. Hoekman, Goes).