Ds. J.S. van der Net - Lukas 1 : 39 - 45

De ontmoeting van Maria en Elisabet

Lukas 1
De aanleiding tot deze ontmoeting
Het geheim van deze ontmoeting
Elisabets lofzang bij deze ontmoeting

Lukas 1 : 39 - 45

Lukas 1
39
En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda;
40
En kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet.
41
En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;
42
En riep uit met een grote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks!
43
En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?
44
Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo sprong het kindeken van vreugde op in mijn buik.
45
En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 86: 3
Lezen : Lukas 1: 26-45
Zingen : Psalm 118: 12, 13
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 1
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 3
Zingen : Lofz. v. Maria: 1, 3

De tekstwoorden voor de bediening van Gods Woord kunt u vinden in het Bijbelgedeelte dat we samen gelezen hebben, het evangelie van Lukas, het eerste hoofdstuk, de verzen 39 tot en met 45. Ik wil samen met u nog lezen het 41e vers:

 

En het geschiedde als Elisabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeke op in haar buik; en Elisabet werd vervuld met de Heilige Geest.

 

Dit Bijbelgedeelte bepaalt ons bij: De ontmoeting van Maria en Elisabet.

 

1. De aanleiding tot deze ontmoeting

2. Het geheim van deze ontmoeting

3. Elisabets lofzang bij deze ontmoeting

 

1. De aanleiding tot deze ontmoeting

 

Gemeente, het is alweer zes maanden geleden dat de engel Gabriël bij Zacharias, de priester, in de tempel was verschenen om hem een wonderlijke boodschap te brengen. En kinderen, jullie weten wel welke boodschap dat was. Zacharias en Elisabet zouden vader en moeder worden van een kindje. Dat kindje zou later Johannes de Doper heten. Hij was een voorloper, iemand die voor de Heere Jezus uitging.

Nu krijgt de engel Gabriël een andere opdracht. Hij mag nu helemaal naar het noorden van het land gaan, naar Nazareth in Galilea. Want daar in Nazareth zal het grote wonder plaatsvinden van de ontvangenis van Gods Zoon in het vlees.

En, meisjes en jongens, bij wie moet de engel Gabriel zijn? Bij wie? Ja, jullie weten het wel. Bij Maria. En wie was zij? Zij was een jonge, heel gewone eenvoudige vrouw. Ze was afkomstig uit de familie van David. Dus van koninklijke afkomst zou je zeggen. Maar daar was niets meer van over. Ze was een heel gewoon, vergeten meisje dat in Nazareth leefde. Van het koningshuis van David was niets meer te zien. Er was een andere koning, Herodes.

En toch, bij dit eenvoudige meisje zou vervuld worden wat Jesaja al geprofeteerd had: Ziet, een maagd zal zwanger worden (Jes. 7:14).

 

Je moet je voorstellen, meisjes en jongens: Maria is in huis en ineens staat daar Gabriël. En wat zegt Gabriël? Leest u maar in uw Bijbeltje mee, vers 30 tot 32: En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten Jezus. Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God de Heere zal Hem de troon van Zijn vader David geven.

Moet u zich eens indenken wat een boodschap Maria hier krijgt! Ze is er helemaal niet op voorbereid en ingesteld. Ze zal moeder worden. En dat terwijl ze helemaal nog niet getrouwd is. En dan nog dit: haar Kindje zal de beloofde Messias zijn, de beloofde Koning uit het huis van David. Naar Hem is in al de eeuwen van het Oude Testament uitgezien. Wat een boodschap!

 

We horen Maria heel onbevangen vragen aan de engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man beken? Ze zegt: ‘Hoe moet dat nou? Dat kan toch niet? Ik ga toch niet met een man naar bed?’ Dan zegt de engel: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen.

Nou, de engel maakt het er niet makkelijker op voor Maria. Ze zal zwanger worden door de Heilige Geest en haar Kindje zal Gods Zoon genaamd worden. Deze boodschap, deze ontzaglijke boodschap, dit Woord van God, moet dat Maria niet overweldigen?

En toch gemeente, dat is het mooie, Maria twijfelt niet. Ze valt niet in ongeloof, zoals Zacharias toen hij die boodschap van de engel kreeg. Zacharias sputterde tegen, Maria niet. Maria zegt: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. Merkt u? Ze onthoudt het Woord van God door het geloof. In Maria is niets anders dan overgave. Alle vragen die in haar konden opkomen, zijn gestild.

Hoe moet dat nu, door de Heilige Geest? Hoe moet dat nu zonder man? Hoe moet dat nu in de toekomst? Alle vragen zijn verslonden door het Woord van God. Mij geschiede naar uw woord. Ze is één en al overgave.

 

Maria mag hier met zichzelf ondergaan en door het geloof alles op het altaar leggen. Want denkt u zich maar eens in: straks als ze zwanger is, dan gaan de mensen het aan haar zien. Ze was nog niet eens getrouwd. De mensen zouden haar beschuldigend aankijken. Dat zat niet goed! Jozef zou haar verstoten en denken dat ze met een andere man in zee was gegaan. Maria legt haar eer, haar naam, haar toekomst en Jozef door het geloof op het altaar.

 

Gemeente, niemand van ons zal verlost worden van zijn zonde en schuld en niemand zal de Heere Jezus ontvangen in zijn hart tot zaligheid, dan door datzelfde geloof wat Maria hier mocht beoefenen.

En wat is dat geloof? Dat geloof betekent: jezelf uitleveren, in jezelf ondergaan. Het betekent ook van onszelf loskomen en onszelf verliezen aan het Woord van God. Dat is geloof.

En nu zie ik hier een man of een vrouw in de kerk zitten, een meisje of een jongen, die denken: ‘Ja, dat is nogal wat. Van jezelf loskomen, het Woord toevallen, ja, het is nog al wat. Hoe kom ik daar aan? Hoe kom ik daar nou aan, aan dat geloof dat Maria ook had? Ik zie helemaal geen weg. Ik zie bij mezelf geen mogelijkheid en van binnen zeggen ze toch dat het allemaal niks is: jij bent zo ongevoelig, jij zit ook maar als een steen in de kerk en het gaat allemaal langs je heen.’

En een ander zegt: ‘Ja, vroeger was het wel anders bij mij. Toen was het wel gevoeliger en toen had ik weleens hoop en toen waren er bemoedigende ogenblikken. Maar dat kan ik nu niet meer zeggen. Het is nu allemaal zo donker en zo uitzichtloos en zo ellendig, zo doodsdonker.’

 

Hoe komt u nu aan dat geloof? Gemeente, meisjes en jongens, u moet goed luisteren. Weet u wat u nu níet moet doen? U moet niet wegvluchten van de troon der genade en  u in uw ellende terugtrekken. Nee, u moet blijven bidden. Schrijf de dood maar op uzelf en op alles wat van uzelf is. U heeft toch niets meer te verliezen. Laat los en gij zult losgelaten worden (Luk. 6:37). Want in die weg zal het ervaren worden: ik viel, maar ik mocht vallen in de armen van de beloften van God.

In die weg legt het Evangelie der zaligheid beslag op uw hart. En de ontledigde ziel mag zich uitleveren aan het Woord des Heeren. Juist in het verlies van jezelf vind je het leven in het Evangelie. Dat is het geloof. Het zaligmakende geloof dat zich overgeeft aan het Woord van de Heere. De Heilige Geest doet ons neerzinken, ons vastklampen aan de beloften van God.

 

Gemeente, het is zo’n voorrecht als we aan het eind mogen komen met alles wat van ons is. Met ons denken en ons doen, met ons optellen en ons aftrekken. Want dan zal Hij het waarmaken: het gebed van degene die gans ontbloot is en van degene die geen Helper heeft, zal Hij horen.

Door dat geloof mocht Maria alles op het altaar leggen en alles offeren aan God: haar eer, haar verloofde, alles. En dan zegt ze het ook: Mij geschiede naar uw woord. Smeek om dat geloof, gemeente.

 

We gaan een stapje verder. Het ware geloof heeft ook altijd versterking nodig. Want toen de engel bij Maria was weggegaan, is zij toen blijven zitten met haar armen over elkaar van: nou wacht ik het maar af? Als ze dat had gedaan, dan waren de bestrijdingen gekomen. Het zou toch zo gebeurd kunnen zijn? Ze zou zich kunnen afvragen of ze het niet gedroomd heeft of verzonnen. Of ze zou zijn gaan twijfelen of het allemaal wel echt waar is. De duivel zit nooit stil. En ook ons bedrieglijke hart spreekt dan een woordje mee.

Maar de Heere weet ook dat het geloof van Zijn kinderen altijd weer versterking nodig heeft. Die versterking geeft de Heere dan ook.

Hij geeft versterking van het geloof bij Maria door middel van een teken. De engel heeft tegen haar gezegd dat in de familie iets bijzonders is gebeurd. Een nicht van Maria is namelijk ook zwanger geworden. Dat teken mag Maria gebruiken.

Want wat doet ze? Als ze dat gehoord heeft, gaat ze gelijk naar Elisabet toe. En hóe gaat ze dan? Gaat ze eerst een poosje treuzelen en een poosje afwachten? Nee, ze gaat met haast! Dat is het haasten van Maria, door het geloof, om bij dat Woord bewaard te blijven. Dat is een haasten om in die overgave aan dat Woord bevestigd te worden. Ze treuzelt niet. Het is het haasten van het geloof.

 

Gaat u met Maria mee? Heeft u ook haast? Ja, haast hebben we allemaal tegenwoordig. Maar hebben we ook die haast om bij dat Woord te blijven en vast te houden? Heeft u ook haast? Gelooft u werkelijk dat u buiten Jezus voor eeuwig verloren bent? Want dan zult u zich, omdat u Hem niet kent, moeten haasten om uws levens wil. Want hoe zult u buiten Jezus sterven? Hoe zult u buiten Jezus God ontmoeten? Hoe zult u voortleven zonder Jezus te zoeken? U kunt alleen in Christus behouden worden van de toorn van God.

En daarom, met al de liefde van mijn hart zeg ik tot u en jou vandaag: Haast u! Haast u! Blijf niet treuzelen om de toorn van God te ontvlieden. Haast u naar Zoar heen!

 

Als de nood van de zonde ons op het hart weegt, dan zal er ook het haasten zijn om onze Rechter om genade te smeken. En als uw ogen geopend zijn voor de dierbaarheid van Jezus, zouden we ons dan niet haasten om in de Heere Jezus Christus gevonden te worden? Om door genade te mogen zeggen: ‘Hij is de mijne en ik ben de Zijne’?

Tot hen die haasten heeft Hij beloofd: Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh. 6:37).

Adventskinderen – en ik hoop dat u dat bent – hebben haast. Zij zullen kerstfeest gaan vieren. Dat haasten is hier ook bij Maria. Ze reist met haast, om bij dat Woord, dat haar hier door de engel gebracht wordt, bewaard te blijven en om in die overgave aan dat Woord versterkt te worden.

 

Dit kwam er ook nog bij. In Maria leeft het verlangen om met iemand te kunnen spreken van hart tot hart. Want dat voelde Maria: met haar nicht Elisabet kon ze praten. Verder kon ze er met niemand er over praten. Ook met Jozef niet. Dat was geblokkeerd. Elisabet, daar kon ze wel naar toe! Ze wilde met iemand praten van hart tot hart.

Gemeente, geloof zoekt altijd geloof. Genade voelt zich altijd door genade aangetrokken. En beide groeien door de ontmoetingen met elkaar heen. En aan ieder aan wie de Heere Zijn genade heeft verheerlijkt, is dat verlangen om eens echt met iemand van hart tot hart te kunnen spreken niet onbekend.

Dus gemeente, daarom wilde Maria ook graag naar Elisabet. Dat is de aanleiding tot deze ontmoeting.

 

En dan nu ten tweede: het geheim van deze ontmoeting. Maar we zingen eerst van de Lofzang van Zacharias het eerste vers:

 

Lof zij de God van Israël,

De Heer’, Die aan Zijn erfvolk dacht,

En, door Zijn liefderijk bestel,

Verlossing heeft teweeggebracht;

Een hoorn des heils heeft opgerecht;

’t Geen Davids huis was toegezegd,

Dat wil Hij ons nu schenken.

Gelijk Gods trouw, van ’s aardrijks ochtendstond,

Door der profeten wijzen mond,

Zich hiertoe aan de vaderen verbond.

 

2. Het geheim van deze ontmoeting

 

Maria komt in het huis van Elisabet en Zacharias. We lezen dat in het 40e vers: En kwam in het huis van Zacharias en groette Elisabet.

En meisjes en jongens, dan gebeurt er iets heel bijzonders. Lees maar mee in vers 41: En het geschiedde als Elisabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeke op in haar buik; en Elisabet werd vervuld met de Heilige Geest.

Hoort u dat? Horen jullie dat ook, meisjes en jongens? Maria zegt Elisabet gedag, ze groet Elisabet, en dan wordt het leven in de buik van Elisabet wakker. Het onbewuste wordt bewust. Het onmachtige wordt zó sterk, dat het opspringt van vreugde. Zo staat het ook in de Bijbel.

Nou, kinderen, dat weten jullie ook allemaal wel. In bepaalde periodes van een zwangerschap – dat is als iemand in verwachting is – dan zijn er bepaalde bewegingen van het kind in de buik. En soms kun je dat ook voelen, als je je handen op de zwangere buik legt. Als je moeder een baby’tje verwacht bijvoorbeeld, dan kun je dat voelen. Dat is heel normaal.

Maar toch, wat hier gebeurt, dat is niet normaal. Want hier gebeurt iets bijzonders, door de werking van de Heilige Geest.

 

De ongeboren Johannes de Doper verheugt zich, om het Bijbels te zeggen, in de benedenste delen van de aarde (Ps. 139:15). Dat is wonderlijk! Dit kind in de buik van Elisabet reageert eerder dan de moeder. Immers, de Heilige Geest vervult die ongeboren Johannes. En gemeente, waar de Heilige Geest is, daar is kennis. Waar de Heilige Geest is, is vreugde. Waar de Heilige Geest is, zouden zelfs de stofjes God gaan loven.

Het kindeke sprong op in haar buik. Want, gemeente, de vriend van de Bruidegom – en dat is Johannes de Doper – verblijdt zich nu reeds met blijdschap over de stem van de Bruidegom, de Heere Jezus.

 

En toch is dit geestelijk geen vreemde zaak in het leven van Gods kinderen. Het nieuwe leven ervaart de invloed van Jezus als Hij nadert. Dat is gewerkt in het hart van de zondaar door de Heilige Geest. In het hart komt een aandoening van zaligheid. Genegenheden worden van binnen bij ons opgewekt. Ons hart schreeuwt naar God. En onze ziel springt op. Dan zien we de Heere Jezus niet, Hij kan zo verborgen liggen, maar dan ondervinden we toch dat de Heere Jezus in de buurt is. En omdat we ervaren dat Jezus in de buurt is, ervaren we ook Zijn zalige trekkingen in onze ziel en Zijn zalige invloeden. Dan wordt het ons zo wonderlijk te moede. Het is beter om dit te ervaren dan het te bespreken. Dan gaat het in ons zingen, liederen zonder woorden.

 

Gemeente, verstaat u dat nu ook in uw leven? Dat u de Heere Jezus niet zag, maar dat Jezus toch in het Woord zo dichtbij kwam, dat u Hem weliswaar niet zag, maar dat uw hart ging roepen en ging zingen van deze Jezus.

 

En kijk dan hier eens: twee ongeborenen staan hier tegen over elkaar. De Bruidegom, de Heere Jezus, en de vriend van de Bruidegom, Johannes de Doper. Wat een hoog bezoek in die priesterwoning van Zacharias. Wat een afdaling van God!

Laten we hier een ogenblik met alle engelen en alle heiligen onze adem inhouden. De Bruidegom komt hier, de Heere Jezus, om Zijn leven te geven voor de bruid. En de vriend van de Bruidegom, Johannes de Doper, mag de bruid werven. En hij zal zich verheugen over de stem van de Bruidegom.

Kijk, daarvan geeft de Heilige Geest nu al een aanwijzing door de inwerking in de buik van Elisabet, zodat het kind in haar buik opspringt. Zo heeft Johannes de Doper voordat hij geboren was al eer gegeven aan Hem Die na hem zal komen.

 

Gemeente, wat is dit een wonderlijk moment in de heilsgeschiedenis. Laat het eens op u inwerken. Sions Koning wordt hier voor Zijn geboorte al gegroet en geëerd door Zijn heraut Johannes. Immanuël staat gereed om in de gestalte van een dienstknecht onder de mensen te verkeren. En Johannes zal Hem straks aanwijzen als het Lam van God, Dat de zonde der wereld wegneemt. O, wat een wonderlijk moment in de heilsgeschiedenis.

Elisabet beseft het. Elisabet gaat haar lofzang zingen, wat we overdenken in de derde plaats. Maar we zingen eerst nog uit de Lofzang van Zacharias het derde vers:

 

Hij speld’ ons dat wij t’ allen tijd,

Wanneer die blijde heildag rees,

Van ’s vijands dienstbaar juk bevrijd,

Hem dienen zouden zonder vrees,

Naar ’t heilig recht, in ware deugd.

O dierbaar kind, o stof van vreugd,

Geschenk van ’t Alvermogen!

Elk noem’ u Gods profeet, en geev’ u eer;

Gij treedt voor ’t aanschijn van de Heer’,

En baant Zijn weg door leven en door leer.

 

3. Elisabets lofzang bij deze ontmoeting

 

Elisabet wordt zelf ook vervuld met de Heilige Geest. Daardoor begrijpt ze ook wat die wonderlijke gewaarwording in haar buik te betekenen heeft. Ze wordt door de Heilige Geest geleid en weet dat de beloofde Messias in Maria hier voor haar staat. Daarom gaat ze haar lofzang zingen met een grote stem: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de Vrucht uws buiks. En vanwaar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?  

 

Wat valt ons op in die lofzang van Elisabet? In de eerste plaats de ootmoed. Want Elisabet begint niet eerst over haar eigen kindje te spreken, ook al is het een wonder dat zij een kindje mag krijgen en nu al zes maanden in verwachting is. Ze begint in de eerste plaats over het Kind van Maria en niet over haar eigen kindje. Gezegend is de Vrucht van uw buik.

O, gemeente, als deze twee aanstaande moeders elkaar ontmoeten, dan vergeet Elisabet haar eigen kindje bij dat Kind van Maria. Elisabet is vol van het moederschap van Maria. En vanwaar komt mij dit, dat de moeder van mijn Heere tot mij komt?

 

En dan gaat ze Maria nog bemoedigen, want dan zegt ze: En zalig is zij die geloofd heeft. Maria heeft geloofd, want ze mocht zich aan dat Woord overgeven. Zalig is zij die geloofd heeft, want de dingen die haar van de Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden. Hoort u? Ze mag Maria bemoedigen. En ze gaat over dat Kind van Maria spreken.

 

Gemeente, wat is het vaak dor onder Gods kinderen. Wat kan er vaak onder Gods kinderen een jaloersheid zijn, als ze soms bij anderen dingen horen die ze zelf ook zo graag zouden bezitten in het geestelijke leven. En wat maakt dat vaak dat het geestelijk leven donker en dor is. God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade (Jak. 4:6).

Nee, Elisabet is hier niet jaloers op Maria. Niet afgunstig dat Maria een grotere eer krijgt en de moeder van de Heere Jezus mag worden. Ze gaat er niet op zitten beknibbelen, zoals wij zo vaak doen. Die blijde ootmoed is de vrucht van de genade. Blij zijn met een ander, als de Heere werkt, dat is de vrucht van de genade. Ootmoed!

 

En, gemeente, die ootmoed blijkt ook verder. Want dan zegt Elisabet, ik zeg het maar met mijn eigen woorden: ‘Waar heb ik dat aan verdiend, dat de moeder van de Heere tot mij komt?’ En dan ligt de nadruk hier niet op ‘moeder’. Nee, de nadruk ligt op ‘van mijn Heere’. De moeder ‘van mijn Heere’ komt tot mij.

Dat houdt veel in. Want Wie is de Heere? Dat is de grote Schepper van het heelal. Wie is die Heere? Dat is God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God. (Geloofsbelijdenis van Nicea). En die Heere, die eeuwige machtige God, komt hier het huis van Elisabet binnen in de buik van Maria. De Heere komt hier in het huis van Elisabet binnen, in de moeder. Dat wil zeggen: die grote machtige God, God uit God, Licht uit Licht, maakt Zich zo klein en vernietigt Zich zo, dat Hij in de schoot van een gewoon mensenkind, in deze boze en zondige wereld wordt binnengedragen. Gods eniggeboren Zoon is hier verborgen in de schoot van een zondig mensenkind.

Wat een vernedering voor de Heere, die grote God. Wat een verberging. Verborgen in de moederschoot. Wat een wonder van liefde dat Hij zo laag wilde afdalen tot behoudenis van verlorenen.

Maar Elisabet ziet door deze vernedering heen, door het geloof. Ze zegt: ‘Hij is de Heere, onze God.’ Ze mag door het geloof zeggen: ‘Hij is mijn Heere. Hij is van mij.’ Ze mag Hem hier omhelzen in Zijn diepe vernedering. Dat was nu een oudtestamentische gelovige. Ze kon zeggen: ‘Hij is mijn Heere, Die in de moeder tot mij komt.’

Gemeente, Elisabet zag de Heere Jezus niet, maar ze geloofde. Door de Heilige Geest zinkt ze neer aan de voeten van de door Israëls God gegeven Koning. Ze zag Hem niet. Maar wat voor nevels er ook waren, ze zullen worden weggevaagd.

 

Wat mag dat tot bemoediging zijn, ook vandaag, voor alle uitzienden. Zitten die hier, mensen die ook uitzien naar de komst van Jezus? Omdat de Heere Jezus u alles is, u dierbaar is. Maar die misschien toch zo vaak moedeloos neerzitten, vanwege de misten die er in hun ziel zijn.

Luister, het is nu advent, en het wordt kerstfeest. En zij die zo naar Hem uitzien, zullen Hem als een Koning mogen begroeten, zoals Elisabet mocht doen. Ze mag zeggen: ‘Mijn Heere, Die in zo’n vernedering tot mij komt, tot mijn redding!’

Wat een diepe vernedering voor de Heere Jezus. Maar het kon niet anders. Anders zou er geen redding zijn.

 

En dan zegt Elisabet: ‘Ze komt tot mij. Tot mij!’ Hoort u dat? Want als ik dat Elisabet hoor zeggen, dan is het precies hetzelfde als wat haar zoon Johannes zegt. ‘Ik ben niet waard Zijn schoenriem te ontbinden, en komt Hij tot mij? Tot mij?’

Ja, maar Elisabet was toch een vrome vrouw? Ze diende toch de Heere? Ze kon toch net als Paulus zeggen: Te roemen is mij niet oorbaar (2 Kor. 12:1)? Nee, ze roemt niet in zichzelf, maar ze zegt: ‘tot mij’. En wat ligt daar in? Een diepe erkenning van onwaardigheid. ‘Tot mij? Waar aan heb ik dat verdiend, dat de Heere komt tot mij? Niet te begrijpen.’ Verstaat u dat?

Gemeente, met kerstfeest hebben wij voor onszelf aan niets anders te denken dan aan de komst van de dood en de duivel en de eeuwige dood. Dat hebben we aan onszelf te danken. Want als dat ‘mij’, waar Elisabet hier van spreekt, opengaat bij het licht van de Heilige Geest, wat gaan we dan zien? Dan gaan we zien dat ik de last draag van de zonde. Dat ‘mij’ is één en al schuld in het rechtvaardig oordeel. Dan blijft er maar één ding over: ‘Heere, help mij, ik verga! Genâ, o God, genâ!’

En toch is het zo’n voorrecht als een mens eens mag ondergaan aan zijn eigen ik. Ik wens het u allemaal toe, dat u mag vergaan aan uw eigen ik, ouderen en jongeren. Want juist in die weg wordt het wonder van het kerstfeest zo duidelijk. Het is zo’n onbegrijpelijk wonder. ‘Tot mij die de last van schuld en zonde draagt? Zie, komt Hij tot mij? Ja, tot mij!’

 

Gemeente, zouden we daaronder niet breken? Zouden we daaronder niet wegzinken? God komt tot u en tot jou. Dat is de prediking van het kerstevangelie. De Heere, over Wie Elisabet spreekt, komt vandaag tot u en tot jou. En Hij wil ook uw Zaligmaker, ook uw Redder zijn. Dat is Zijn genade, die Hij u laat preken.

En jongeren en ouderen, wanneer u nu toch voor eeuwig verloren gaat, dan zal dat niet zijn omdat er geen Zaligmaker was. Maar dan zal het zijn omdat u geweigerd hebt van Hem gebruik te maken. Dan zult u voor eeuwig verloren gaan, omdat u, omdat jij geweigerd heb om als een schuldige tot Jezus te komen. Omdat u zich niet door Hem hebt laten zaligen. Want Hij komt tot u, tot jou!

 

Nu, dat is de prediking van het kerstevangelie. En daarom, smeek allemaal of Hij dat ik, dat vreselijke ik van ons, ook bij u wil openleggen, bij het ontdekkend licht van de Heilige Geest. Opdat we gaan smeken: ‘Heere, ik verga!’ Om dan net als Elisabet te mogen zeggen: Vanwaar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? ‘Waar heb ik dat aan verdiend?’

En Maria heeft er van gezongen: ‘Rijken in hun waan zijn gans ledig weggezonden, en armen zijn met goederen vervuld.’ Armen, die net als Maria alles als schijnbezit moeten leggen op het altaar.

 

Tot mij…! Kunt u het nazeggen? Daar gaat het toch om? Dat is toch de zin van het kerstfeest? Dan kunnen we alleen maar stamelen: Vanwaar komt mij dit? Dat is alleen genade. Dat is alleen welbehagen en soevereine ontferming. Kent u die verwondering, die aanbidding? Daar is Gods kind niet vreemd aan in beginsel, om dat straks voor eeuwig voort te zetten. Eeuwig voor de troon. Eeuwige verwondering. Dat mag de toekomst zijn van Gods kinderen. Een volk dat nooit uitverwonderd raakt, vanwege het wonder van Zijn vrije ontferming.

 

Gemeente, we gaan eindigen. Rust niet – jullie ook niet, meisjes en jongens – voordat je met Elisabet kan zeggen: ‘Hoe kan het dat Hij tot mij, een schuldig mens, komt?’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Lofzang van Maria: 1 en 3

 

Mijn ziel verheft Gods eer;

Mijn geest mag blij de Heer’

Mijn Zaligmaker noemen,

Die, in haar lage staat,

Zijn dienstmaagd niet versmaadt,

Maar van Zijn gunst doet roemen.

 

Hoe heilig is Zijn Naam!

Laat volk bij volk tezaam

Barmhartigheid verwachten;

Nu Hij de zaligheid,

Voor die Hem vreest, bereidt,

Door al de nageslachten.