Ds. R. Kattenberg - Lukas 1 : 69

De Hoorn der zaligheid

Lukas 1
Wat die Hoorn inhoudt
Waar die Hoorn Zich openbaart
Waarheen die Hoorn wijst

Lukas 1 : 69

Lukas 1
69
En heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 147: 1, 10
Lezen : Lukas 1: 67-80
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 1, 4
Zingen : Psalm 89: 3
Zingen : Psalm 7: 9

Gemeente, het Woord van God komt tot ons naar aanleiding van de tekst uit Lukas 1 vers 69:

 

En heeft een Hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht.

 

In deze tekst is sprake van: De Hoorn der zaligheid.

 

1. Wat die Hoorn inhoudt

2. Waar die Hoorn Zich openbaart

3. Waarheen die Hoorn wijst

 

1. Wat die Hoorn inhoudt

 

God heeft grote dingen gedaan! Zacharias zal dat nadrukkelijk beamen, want hij kan weer praten. Zacharias heeft ondervonden wat het zeggen wil dat je je gedachten niet in woorden weer kunt geven.

Inmiddels behoort dat voor hem tot het verleden, want God heeft Zijn belofte vervuld. Toen Zacharias de straf van ‘s Heeren hand moest ondergaan, toen hij het Woord van de engel Gabriël niet geloofde, heeft de Heere een ‘totdat’ ingebouwd: ‘Zacharias, u zult stom zijn en u zult niet kunnen spreken, totdat deze dingen geschied zullen zijn.’ De barmhartigheid van de Heere openbaart Zich in het oordeel dat deze oude priester moest incasseren.

 

Gemeente, het is wat als je je als klein mensenkind verzet tegen de woorden van de allerhoogste God!

Gabriël komt met de indrukwekkende boodschap: ‘Zacharias, u zult vader worden op uw oude dag; en Elisabeth zal moeder worden; en het kind dat u samen zult ontvangen uit de hand van de Heere, zal de wegbereider zijn van de Messias. God is opgestaan met goedgunstige gedachten! De Heere gaat gestalte geven aan Zijn belofte dat de Verlosser der wereld Zich zal aandienen.’

Maar als de Heere zo Zijn heilshandelen openbaart, in die (zeg maar) preek, die Gabriël tot Zacharias in het bijzonder houdt, reageert deze in ongeloof: ‘Waarbij zal ik dat weten? Gabriël, u zegt dat nou wel, u blaast zo hoog van de toren, van de hemel, maar ik ben oud, en mijn vrouw is ver op haar dagen gekomen!’

Gemeente, wat ingrijpend! Ongeloof bleek verstomming te baren. Zacharias kon niet meer spreken.

 

Die tijd is inmiddels geschiedenis geworden, een pijnlijke geschiedenis, maar het is achter de rug. Het kind is geboren. Zacharias’ tong is los gemaakt en hij mag weer spreken.

Wat een genade! Als de Heere nou eens gezegd had: ‘Zacharias, nooit meer, man! Uw mond zal voor altijd gesloten blijven’, zeg dan niet al te gauw: ‘Dat zou rechtvaardig zijn!’ Het moet uzelf maar eens betreffen. Laten we maar voorzichtig zijn met onze woorden. Veel beter is het om vast te stellen: wat is de zonde van ongeloof toch een diep ingrijpend kwaad! Dat was voor Zacharias zo, maar voor ons niet minder.

 

Het ongeloof van Zacharias… Maar hoe is het met ons? Leven wij uit het geloof des Zoons van God? Of moet u zeggen: ‘Ik ben nog onbekeerd’?

God heeft u toch het heil laten prediken in Jezus Christus? De nodiging is toch ook tot u uitgegaan? In deze adventstijd wordt u de weg naar Bethlehem toch niet gewezen om dan te zeggen: ‘Maar wee u, als u uw voeten probeert te zetten op deze weg’? Dat is toch geen Evangelie? God zendt Zijn dienaren uit om te nodigen tot de bruiloft, om te nodigen tot het Brood des Levens, tot het Kind in de kribbe van Bethlehem.

Dat is toch de taak van de dienaren van het Woord? U heeft dan gehoor te geven aan die oproep. Of volhardt u in uw ongeloof? Bent u nog onbekeerd?

Wanneer zal het gebeuren in uw leven?

Dat het gebeuren moet zult u met me eens zijn. Maar nu de vraag: ‘Wanneer?’

Dat is een heel andere vraag. Maar er moet wel antwoord op komen! Wanneer denkt u dat het gebeuren moet?

De Schrift geeft er antwoord op, dus u kunt het weten!

Weet u wanneer?

Nu!

Nu?

Ja! Want het is nu de welaangename tijd; het is nu de dag van zaligheid! Hoort u het?

U zegt: ‘Ja maar…’

Gemeente, God zendt Zijn dienaren niet om op termijn te gaan preken; opdat het nog eens een keer zou mogen gebeuren!

Nee! Héden, zo gij Zijn stem hoort, verhard u niet in uw ongeloof maar laat u door de genade van God gezeggen, opdat u werkelijk spreken zult, niet alleen met uw mond, maar met mond en hart!

 

Zo ging het ook bij Zacharias. Eerst kón hij niet spreken en mócht hij niet spreken, maar nu het gaat om de grote daden van God, die hij door de Heilige Geest kenbaar mag maken, kán hij niet zwijgen. Want Zacharias, Johannes’ vader, werd vervuld met de Heilige Geest en hij profeteerde: Geloofd zij de Heere, de God Israëls, want Hij heeft bezocht en verlossing teweeggebracht Zijn volk.

Wat een boodschap! Met eerbied gezegd: nu blaast Zacharias hoog van de toren; van de genadetoren; van de geloofstoren. Nu mag hij het uitbazuinen voor wie het maar horen wil. Wat is God een God van veelvuldig ontfermen. Hij heeft naar Zijn volk omgezien! Hij heeft verlossing teweeggebracht. Dat is het grootste wat een mens zeggen kan. In geloof betuigt Zacharias het: de verlossing is er!

Nu kunnen wij zeggen: ‘Zacharias, wacht eens even, al is Johannes geboren, het is nog geen kerstfeest! Jezus moet toch nog geboren worden? Hoe kunt u dan zeggen dat de Heere Zijn volk heeft bezocht, en verlossing heeft teweeggebracht?’

Gemeente, dat is nu het rijke van het geloof. Als een verrekijker haalt het dichtbij wat op afstand ligt. Als Zacharias zijn lofzang zingt, staat hij als het ware met beide benen al in Bethlehem. Dan ziet hij het Kind al, dan ziet hij de Heere Jezus al. Het is al werkelijkheid voor hem. Hij mag het uitzingen en uitzeggen: En heeft een Hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht.

 

Wat bedoelt Zacharias met die hoorn?

Met dat woordje hoorn, hoorn der zaligheid, verwijst hij naar niemand minder dan naar de Heere Jezus Christus!

U weet dat Jezus in de Heilige Schrift tal van namen heeft. Ik noem u er enkele: de Herder der schapen, de blinkende Morgenster, de Held der hulp, de Zon der gerechtigheid. Nou, in dat rijtje past ook heel goed: de Hoorn der zaligheid!

De namen die ik noemde zijn allemaal symbolisch. Ze geven een bepaald facet weer van het werk en de gerechtigheid die de Heere Jezus heeft aangebracht. Dat is ook het geval met dat woordje ‘hoorn’.

Een hoorn is een teken van kracht, van macht, van sterkte. Denkt u maar aan een buffel, of een stier met zijn horens. Dat is de kracht van zo’n beest. Wat een klauw is voor de leeuw, is de hoorn voor een buffel. Alles wat hen in de weg komt nemen ze op hun horens. Weg ermee! Wij werpen u met één stoot ter aarde!

Kijk, dat is het beeld dat Zacharias – hij spreekt door de Heilige Geest – van toepassing verklaart op de Heere Jezus Christus. Zo is het een woord vol van majesteit, vol van kracht! Het is de werkelijkheid van een koninklijk woord, want de Koning Zelf is er in: de Heere Jezus Christus. Om Hem gaat het!

 

‘Een hoorn van macht, van kracht, van majesteit’, zegt Zacharias, ‘in het huis van David!’

Nu wordt het helemaal een onbegrijpelijke aangelegenheid: het huis van David? Wat stelt dat nou voor, Zacharias, in de tijd waarin u zingt? Kun je spreken van macht? Spreekt de Schrift niet van een afgehouwen tronk? Dat huis van David is toch niks meer? Wil je dáár nu over zingen?

Gemeente, het is regelrecht een wonder. Hoe dat mogelijk is? Omdat God getrouw is aan Zijn woord. Het huis van David mag zo’n beetje afgeschreven zijn, niks meer van te verwachten! Leeft er nog iemand uit het huis van David? Nauwelijks toch? Wie kan eigenlijk spreken over macht en majesteit als je let op dat huis?

Naar de mens gesproken: niemand. Maar God spreekt niet naar de mens, God spreekt als God. Daar ligt de belofte van God. Van oude tijden af heeft de Heere het huis van David aangewezen; vandaar zal Zijn heil uitspruiten. Hierin neemt de nodiging van het Evangelie zijn uitgangspunt. Van daaruit zal de hoogheid van het heilshandelen van God zich openbaren. Het huis van David! God heeft het beloofd! Nu het vrijwel tot niets is geworden, blijkt de genade van God des te meer. God houdt getrouw Zijn woord. Het zwakke heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke beschamen zou en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is beschamen zou.

Hier hebt u het: de Messias komt uit het huis en het geslacht van David. Al haalt iedereen dan de schouders op. Een afgeschreven zaak! Maar dáár ligt desondanks de belofte van God.

 

Zo is het ook vandaag. Al zegt iedereen: ‘Er worden geen mensen meer bekeerd, je hoeft geen verwachting meer te hebben, want het is zo dor en het is zo doods in deze wereld.’

Weet u waar de beloften liggen? Weet u waar de belofte staat geschreven?

Meisjes en jongens, op jullie voorhoofd! Al zegt de hele wereld: ‘We walsen het christendom plat onder de walsen van onze antigodsdienstige stemmingen! En we zetten de deuren van al onze winkels op zondag open zodat er geen verwachting meer zal zijn.’

Leggen wij dan het hoofd in onze schoot?

Nee! Wij heffen het hoofd omhoog, en wij zullen de eerkroon dragen! Want God is getrouw aan Zijn woord!

Meisjes en jongens, hebben jullie er erg in? Al heeft niemand er meer krediet voor, of er enige verwachting van, het is God! God doet het, als wij zeggen: ‘Het kan niet meer.’ God handelt niet naar onze mogelijkheden, maar naar Zijn beloften. Daarvan moeten ook Gods kinderen het hebben in de wereld van vandaag.

Als God naar onze mogelijkheden met ons zou handelen; wij waren al lang vergaan. Maar Hij handelt met ons naar Zijn belofte. Naar Zijn trouw. Als Juda zegt: ‘De Heere heeft mij vergeten en de Heere heeft mij verlaten’, zegt de Heere: ‘Zou het waar zijn? Als Ik u in Mijn beide handpalmen heb gegraveerd; en als u ziet op de uiterlijke omstandigheden: het huis van God in puin en de werkelijkheid van de wegvoering, dan is het tóch: nochtans!’

 

Gemeente, dat ‘nochtans’ uit het hart van God, krijgt ook zijn weerslag in het hart van een kind van God: ‘Heere, U houdt getrouw Uw woord! Geen ding zal bij God onmogelijk zijn!’

Daarvan mag Zacharias getuigenis afleggen. Dat geeft diepte aan zijn zang, en warmte aan het gebeuren. Want hier is niet zomaar iemand die een versje zingt. Nee, hier zingt iemand op kosten van het bloed van het Lam van God. Op kosten van het Kind van Bethlehem.

Hier zingt iemand die is aangegord met de kracht van de Heilige Geest, in een donkere en duistere wereld. Herodes, een Edomiet, zit op de troon. Wat kan Jakob anders verwachten dan dat hij geknecht zal worden? Donkerheid en duisternis aan alle kanten!

Maar luister nu eens! Een Gode lofzingende priester! ‘Lof zij de God van Israël; de Heer’ Die aan Zijn erfvolk dacht, en door Zijn liefderijk bestel verlossing heeft teweeggebracht!’

God heeft Zijn belofte vervuld, werkelijk vol gemaakt: Christus Jezus is er, de Hoorn van zaligheid! Hij en geen ander. Hij zal Zijn volk redden, Hij zal de vijanden van Zijn volk verpletteren en de nederlaag doen lijden.

Israël had veel vijanden. De Romeinen als overheersers, de Syriërs in het noorden en de Egyptenaren in het zuiden; eigenlijk aan alle kanten ingeklemd door volkeren die het op Israël gemunt hadden. En juist nu zingt Zacharias over een verlossing van de vijanden. Die oude priester, die als het ware op de drempel van het Oude Testament en het Nieuwe staat, ziet ook op een nationale, een uitwendige verlossing.

Zijn zang klinkt ook door in de wereld van vandaag, want er liggen voor Israël nog onvervulde beloften. De Heere zal ook in de nieuwtestamentische tijd Zijn wonderen gaan verheerlijken. Ook nadat het in 1948 weer een zelfstandig volk is geworden zijn er vijanden van alle kanten.

In onze tekst zingt Zacharias dus over verlossing. De oude bedeling is voorbij; we mogen de lijnen doortrekken naar de omstandigheden van vandaag, maar we mogen er niet bij blijven staan. Het is immers niet het enige waarvan Zacharias zingt, want hij belijdt méér in het geloof. Hij bedoelt ook geestelijke vijanden. Hij zingt ook van een innerlijke bevrijding.

Dat kunt u zien als hij aanstonds in zijn lofzang verder gaat, als hij zegt: Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving van hun zonden; om te verschijnen degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op de weg des vredes.

 

Déze lijn mogen wij ook doortrekken naar vandaag. Onze tekst predikt ons de rijkdom van het heil in Christus, de onuitputtelijke bron van de genade in God. Met die ‘hoorn van zaligheid’ wil de Heere ons duidelijk maken dat het een kracht is die God openbaart, in de weg van Zijn genade, in het Kind van Bethlehem.

Als er nu iets nodig is waarop we zicht moeten hebben, dan is het wel daar op. Juist ook in de wereld van vandaag, die zo vol is met zijn demonische en satanische krachten. De machtsontplooiing van de vorst der duisternis liegt er niet om.

De catechismus spreekt in dat verband van een driehoofdige vijand in ons leven: satan, de wereld en ons eigen vlees. Bent u ertegen opgewassen? Kunt u die drie de baas? Hebt u zoveel kracht in uzelf dat u zegt: ‘Ik overwin ze wel’?

Als je die machten ziet, en je ziet jezelf daarbij, wat blijkt dan? Dat wij ons midden in het machtsgebied van deze machten bevinden; dat wij in het krachtenveld van de vorst der duisternis liggen, gekerkerd in de donkere gevangenis van ons verzondigde leven. Het staat er niet best met ons voor.

De Heere stelt u voor de spiegel van Zijn Woord. Hij zegt: ‘Ziet u die machten, en ziet u ook uzelf?’ Meisjes en jongens, zie je ook jezelf? Je dacht zo vrij te zijn, hè? Je dacht je eigen gang te kunnen gaan, maar je bent helemaal niet vrij!

Gemeente, uw eigen gang gaan? We hebben ons verkocht aan de vorst der duisternis. We hebben het voorzichtig verdrag met de hel ondertekend, we hebben hou en trouw gezworen aan satan, die hond uit de hel. Het is veel erger dan dat wij willen weten. Het kan ons niet eens meer verschrikken, maar we stemmen wel toe: ‘Ja hoor, zo is het.’ En als een dominee het anders zegt, zodat het lijkt dat het met ons wel meevalt, dan zeggen we: ‘Nee! Het valt helemaal niet mee!’ Maar we slapen er niet minder lekker door…

Neem toch eens ter harte dat het veel erger met ons gesteld is dan we willen weten. Onze afval van God, onze zonde, is ons komen te staan op de dood. Op de dood! Dat is niet iets om lichtvaardig over te denken.

Het gaat om de scheiding van de gunst van God tot in eeuwigheid en de eeuwige dood. Wie huivert daar nog voor? Want dat is de werkelijkheid: de vorst der duisternis wil ons zo ten verderve slepen. Hij slaat met zijn klauwen op ons in, zijn vangarmen zijn als van een inktvis, zó wil de satan ons voor eeuwig dood drukken!

 

Leven buiten God, leven zonder Christus, wat betekent dat?

Gemeente, dat is al uitgesproken toen we gedoopt werden, het is niets anders dan een gestage dood; iedere dag sterven! Is het dan geen wonder dat u nu in de kerk bent? Dat de Heere laat zeggen: ‘Ontwaak toch! Hoor Mijn stem in het Evangelie van Mijn genade, dat er een Hoorn van zaligheid is, dat er kracht is in het Kind van Bethlehem.’

Satan mag dan machtig zijn, satan mag dan veel kracht openbaren, maar hij is niet de almachtige. Hij heeft het niet voor het zeggen. Hij heeft in genen dele het laatste woord. God spreekt. Hij is de Almachtige. Dat wil zeggen: Hij is vol van kracht!

Voer dan geen waardeloze discussies of Hij een steen kan maken die Hij Zelf niet tillen kan. Die kant moeten we toch niet op? Nee, Hij is vol van kracht. In onze tekst klinkt de boodschap dat door Hem een Hoorn van zaligheid is opgericht, namelijk: de Heere Jezus Christus.

 

Vaak zien we die drie doodsvijanden tegenover ons staan: de satan, de wereld en ons eigen vlees. Maar kijk eens de andere kant op. Daar staat Hij: de Held der hulpe. Daar staat Hij: het Kind van Bethlehem. Hij is het, Hij is het! Werkelijk, Hij neemt de handschoen op, en Hij zal satans kop vermorzelen!

En Hij hééft het gedaan! Hier is de Hoorn der zaligheid; geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.

Waarom?

Opdat Hij degenen die onder de wet waren verlossen zou, opdat wij, die onder de wet zijn, de aanneming tot kinderen zouden hebben.

Behoort u ook tot hen? Worstelt u daarmee, en komt u er maar niet uit? Krijgt u geen lucht en geen adem meer? Denkt u het niet te zullen halen?

Maar Hij haalt het! Hij is geworden onder de wet, omdat Hij u vanonder de wet bevrijden zou, en zou stellen in de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Daar hebt u nu Zijn kracht en Zijn majesteit. Hij is gekomen, om zondaren uit het menselijk geslacht te verlossen van de vloek van de wet.

Kan dat dan zomaar?

Nee, dat kan niet zomaar!

Hoe gaat dat dan in z’n werk?

Wel, Hij wilde een vloek worden. Nooit kan iemand van de vloek der wet bevrijd worden, als Jezus geen vloek was geworden! Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5:21).

 

Daar hebt u het weer! Daar springen de deuren open, in dit uur, ook voor u! Ook al staat u voor een gesloten deur, en zegt: ‘Heere, ik kom er niet en ik haal het niet!’ Nochtans gaat de deur open, de deur der zaligheid, en Hij bewerkstelligt wat u niet kunt doen.

Dat is het welbehagen van de Vader. Dat is de vrijheid van de genade van God. Daartoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel verbreken zou. Hoort u het? Hij, de Hoorn der zaligheid, is dus gekomen om de dood te overmeesteren. Om Overwinnaar te zijn over hel en graf. Om daar te staan op de paasmorgen, als de grote Triomfator, het Kind van Bethlehem, de Vorst van Pasen. Het is Eén en Dezelfde, hoewel eerst in de staat van Zijn vernedering en daarna in de staat van Zijn verhoging. Maar zo is de belofte van God ten volle vervuld.

Maar daar tussendoor? Of tussenin, liever gezegd?

Wel, daar is het bloed! Tussen Bethlehem en de hof van Jozef van Arimathea in, daar staat het kruis! De invulling van die Hoorn van zaligheid is het bloed van het Lam van God!

Wat heeft het Hem gekost?

Het heeft Hem álles gekost! Hij heeft Zijn leven ervoor afgelegd. Zó is de overwinning zeker. Zó is de gerechtigheid aangebracht. Zó heeft Hij Zijn gemeente bevrijd. Voor eens en voorgoed. Hij heeft de gevangenis gevangengenomen. En Hij heeft gaven genomen om uit te delen.

Aan wie?

Aan mensen die het niet verdiend hebben; aan wederhorigen.

Is dat uw advent? Heeft u in het Woord gelezen welke kracht nodig is om u zalig te maken, om u los te wrikken, om u als het ware los te bikken uit de steengroeve van deze zondige wereld? Om u los te maken uit het bestaan van zonde en van dood? Heeft u zo in deze tijd van advent iets gezien van de macht van de genade van God?

 

Als u dan terugkijkt in uw leven, wat heeft u dan een tegenstand geboden, nietwaar? Niet één van Gods heiligen heeft meegewerkt. Niemand van hen kan zeggen: ‘Heere, het is toch maar goed dat ik zo mijn best heb gedaan.’

Ja, wij hebben wel ons best gedaan, maar om Hem tégen te werken. Toch heeft Hij overwonnen. Dat maakt de zaak alleen maar veel indrukwekkender. Het is niet uit mij, het is uit Hem alleen!

Wat een kracht was er nodig om ons te trekken uit de duisternis tot het licht. Om ons over te brengen uit de dood in het leven. Onze belijdenis zegt: ‘Mens, dat is een zaak die je vergelijken kunt met de schepping van de aarde.’

Onze levendmaking? Een nieuwe schepping? Een opwekking uit de doden? Wie had dat gedacht?

Niemand, gemeente! Behalve God! Want God heeft aan Zijn genade gedacht, en wel zó dat doden zullen leven! Wat een kracht was er nodig, om uw hart te verenigen tot de vreze van Zijn Naam!

Als je daarop ziet, word je ook nooit iemand die rust op zijn bekering. Dan word je een mens die vol is van verwondering; klein en afhankelijk! Want dan zie je ook waar die kracht zich openbaart.

 

Dan nu het tweede punt waarover we samen willen denken:

 

2. Waar die Hoorn Zich openbaart

 

Waar openbaart zich nu die Hoorn van zaligheid? Wel, allereerst in de kribbe van Bethlehem. Dat is heel ontnuchterend. Maar beter kunnen we zeggen: ‘Dat is ontwapenend!’ Wie ziet er eigenlijk iets in zo’n Kind? Is dat nou kracht? Een kracht voor de zaligheid nog wel? Geen sprake van! Wat moet je nou met dat Kind van Bethlehem? Pilatus heeft het zo ook gezegd: ‘Wat moet ik ermee aan? Wilt u Hem hebben?’

We zien toch niets in Hem?

Wat is er dan nodig?

Het oog van het geloof! Want als u Hem gadeslaat met het natuurlijk oog, dan is Hij één uit velen; één van de vele baby’tjes. Daar kun je toch geen woorden over vuil maken?

Nee, totdat… totdat de Heilige Geest het u doet zien: Hij is het! Dat is nu de Hoorn van zaligheid. Dat is, zei ik al, heel ontwapenend, want u dacht dat u nog wel iets in eigen kracht kon doen, nietwaar? Zijn hulpeloosheid geeft een streep door al ons kennen en  kunnen. Opdat genade genáde zal zijn; en dan is zonde zónde. ‘Geen genade, geen heerlijkheid’, zegt de profeet Jesaja, en nochtans de Held der hulp.

Dit Kind? Dit Kind, ja!

 

Waar kunt u die kracht nog meer zien?

Ga dan mee naar Golgotha. Daar hangen er drie in hun dood te sterven…

Bij de Middelste moet u zijn! Bij het kruis van de middelste Kruiseling, onze Heere en Zaligmaker, de Man van smarten.

Een Hoorn van zaligheid?

Ze zeggen: Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen (Matth. 27:42).

Een kracht? Een sterkte van heil en van zaligheid?

‘Wij durven U rustig te bespotten, rustig te beschimpen. Kom af van het kruis, Koning van Israël, dan zullen we U geloven!’

Gemeente, wat was nou Zijn kracht?

Zijn liefde!

Kon Hij niet van het kruis af?

Jawel! Als je ziet op Zijn Goddelijke kracht en op Zijn majesteit was Hij daartoe in staat! Maar Hij is veel sterker als Hij blijft waar Hij is: aan het kruis. Dat is de kracht van Zijn allesoverwinnende liefde! Die kruisdragende Jezus, dat ten dode gaande Lam van God, is dat de kracht?

Ja!

Wilt u de kracht van de verzoening kennen in uw leven, dan zult u bij Hém moeten zijn, in het spoor van Zijn bloed. Satan kan veel. Hij kan op tegen alle kracht die u ontwikkelt. Ook in deze weken van advent, als u zegt: ‘Ja maar, ik heb toch wel dit of dat.’ Dat blaast satan zo weg! Wat u meemaakte houdt dan geen stand.

Waar kun je dan alleen veilig zijn? Wat moet dan je kracht zijn?

Jezus’ bloed! Jezus’ bloed!

Satan wijkt maar voor één ding terug, dat is voor het bloed van het Lam van God. En als u dan in deze adventstijd vraagt: ‘Waar moet ik zijn?’ Meisje, jongen, als je er niet uit komt in je leven – er zijn zoveel stemmen in de wereld, zoveel verontrustende stemmen – waar moet het dan naartoe? Waar moet je zijn?

Je moet bij het Kind zijn! Je moet bij de Man van smarten zijn! Je moet bij de Heere Jezus zijn!

Zacharias zingt het ons voor, opdat we het horen zouden: bij dit Kind van Bethlehem! Onze kinderen zijn er ook welkom. Je behoeft alleen maar door de knieën te gaan. De kribbe staat laag, als een bak vol van heil, want daarin ligt de Hoorn van zaligheid! Dat wil zeggen: de genade van God. Dáár vindt u alles wat u nodig hebt om getroost te kunnen leven, alles wat u nodig hebt om zalig te kunnen sterven. Dáár hebt u de openbaring van de zondaarsliefde van het Lam van God. Daar hebt u de kracht van Zijn liefde, in de kribbe en aan het kruis!

 

Kent u die kracht? De kracht van die Hoorn Die vol is van zaligheid en vol van heil?

Daar is kracht in Jezus’ woord. Dat heeft Hij Zelf gezegd; de kracht is in Zijn woord!

Hoe dan? Wel: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven (Joh. 5:25).

Ligt daar geen kracht in? Daar hebt u nou die Hoorn van zaligheid! Als de Heilige Geest dat Woord indraagt in ons hart, dan breken de grendels van onze ziel. Dan verliezen we het. Vraagt u het maar aan Saulus van Tarsen.

Was daar geen kracht in Jezus’ woord? Saulus had zo zijn eigen krachtsontplooiing, zijn farizeïstisch bezig zijn, nietwaar? Hij kon wel wat en hij wist wel wat. Maar op de weg naar Damascus komt Jezus in zijn leven. Hij heeft Jezus ontmoet. Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? (Hand. 9:4). Ik ben Jezus Dien gij vervolgt (Hand. 9:5).

Moet u eens kijken wat een kracht in Jezus’ woord. Want Saulus antwoordt: Wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand. 9:6).

Ziet u wel? Daar geeft hij het heft uit handen. Dat is de kracht van Jezus’ spreken.

 

Er is ook kracht in Jezus’ blik, in Zijn ogen! Dat kunt u bijvoorbeeld aan Petrus vragen als hij bij het gerechtshuis van Kajafas staat.

‘Jezus? Nooit van gehoord! Ik weet niet over Wie u het hebt!’

Vloeken en zweren… Maar dan de kracht van Jezus’ blik. Jezus zag Petrus aan. Daar zien we Petrus naar buiten gaan. En hij weende bitterlijk! Wat een kracht in Jezus’ ogen!

Er is kracht in Jezus’ kruis!

Dat mag u aan de moordenaar vragen die op Golgotha rechts naast Hem hangt. De man die het beleden heeft: Wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben (Luk. 23:41). Gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn (Luk. 23:42). Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn (Luk. 23:43).

Wat een kracht in Jezus’ bloed! Het reinigt ons van al onze zonden.

Wat een kracht in Zijn voorbede en kracht in Zijn Middelaarshart van vertroosting en  bemoediging! Wat een zaligheid voor de heiligen Gods! Het is ook voor u te verkrijgen als die kracht u ontbreekt. Het zal u tot sterkte zijn als u zegt: ‘Ja, dat is ook voor mij! Al gaf iemand mij al het goed van zijn huis, om der wille van de liefde van deze Zaligmaker, ik zou hem ten enen male verachten!’

Vanuit Zijn volheid geldt: Hij geeft de moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft (Jes. 40:29).

 

Gemeente, onderschat dat woordje ‘hoorn’ niet! Daarin ligt heel het Middelaarswerk van de Heere Jezus Christus. Het Evangelie valt er in open. Is het de hoogste lust van satan om u ten verderve te leiden, het is de hoogste lust van onze hoog geloofde Heere en Koning om u zalig te maken tot in eeuwigheid! Daar is kracht in Jezus’ Naam! Daar is kracht in Jezus’ werk!

‘Als ik nou maar van de zonde bevrijd zou zijn! Ik kom er niet van af en ik red het niet!’

U komt er ook niet van af en u redt het ook niet!

Als u zegt: ‘Heere, dat zou de vrede van mijn hart zijn, als ik U zo zou mogen dienen van ganser ziele, van ganser harte en met al mijn krachten. Maar al mijn krachten schieten tekort’, dan zegt de Heere ook vandaag: ‘Haast u dan, tot de Hoorn der zaligheid! Want het Licht is verschenen in Bethlehems kribbe, en de kracht is geopenbaard in het Kind van Bethlehem! U moet bij Hem zijn!’

 

Kom, voelt u het woeden van de zonde sterker dan de kracht van het nieuwe leven?

Dan heeft u in Jezus een trouwe Metgezel. Dan heeft u in Jezus een overste Leidsman, om tot Hem te vluchten. Opdat Hij in welgevallen op u zou neerzien, als u als een krachteloze knielt aan Zijn voeten, want Zijn kracht wordt volbracht in zwakheid. Daar schrijven we onszelf af, dan blijft er niets van ons over. Maar dan wordt nochtans de lofzang gezongen! Wij zingen die mee uit de 89e psalm, het derde vers:

 

De hemel looft, o Heer’, Uw wond’ren, dag en nacht;

Uw waarheid wordt op aard’ de glorie toegebracht,

Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen;

Want wie is U gelijk bij al de hemelingen?

En, welke vorsten ooit het aardrijk moog’ bevatten,

Wie hunner is, o Heer’, met U gelijk te schatten?

 

De Hoorn der zaligheid; we zagen als eerste wat die Hoorn inhoudt, vervolgens waar de openbaring van die Hoorn is, en we sluiten af met ons derde punt te overdenken:

 

3. Waarheen die Hoorn wijst

 

Gemeente, dan moet u denken aan de tempel, de voorhof, het brandofferaltaar. Aan de vier hoeken had God hoornen laten maken.

Waartoe dienden die?

Wel, als iemand een zwaar misdrijf had begaan, als hij een kind des doods was, dan mocht hij zijn toevlucht nemen tot die hoornen van dat altaar. Als hij die hoornen vastgreep, dan mocht hij niet gedood worden. Dus het was een kwestie van leven of dood: ‘Haal ik het of niet?’ Had hij maar zo’n hoorn beet, dan was hij veilig. Dat was, zeg maar, het asielrecht van zo iemand.

Van die hoorn ging een behoudende kracht uit. Het was immers niet zomaar een hoorn, maar een hoorn waaraan het bloed van het offerdier was gestreken; zó had die hoorn een verzoenende kracht in zich. Dus als je nu die hoorn vast had, dan deed dat bloed zijn werk en stond je vrij voor degene die je ten dode achtervolgde. Dan was je veilig en dan kon je geen kwaad wedervaren; dan had je geen kwaad te duchten.

 

Er zaten vier hoornen aan dat altaar. U zegt: ‘Eén is toch genoeg?’

Dat zou op zich genoeg zijn. Maar het zijn er vier. Laten we de wijsheid en rijkdom van Gods genade erin opmerken. Die vier hoornen, aangebracht op de vier hoeken, verwijzen naar de vier windstreken van de aarde. Alsof de Heere zeggen wil: ‘Van welke kant u ook komt, er is altijd een hoorn beschikbaar. Hier bent u veilig. Hier is de verzoenende kracht van het bloed aan die hoorn!’

Gemeente, zo staat ook de kribbe van Bethlehem in deze wereld. Hij wijst ons naar de vier hoeken van deze aarde. Het Kind in de kribbe strekt Zijn armen uit over het rond van deze wereld: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes. 45:22). Nu kan er vandaag niemand zeggen: ‘Zie je wel? Ik val er buiten.’

Vier hoornen! Als er alleen maar eentje naar het noorden gewezen zou hebben, dan had je kunnen zeggen: ‘Maar ja, wij wonen hier in het westen; dus het gaat onze deur voorbij..!’

Nee, God laat u zeggen dat er een weg terug is. De weg van bekering. Verdoemd en veroordeeld als we zijn in onszelf. Schuldig en verloren in onszelf is er nochtans een weg ten leven. Die weg leidt naar Bethlehem, naar het Kind van Bethlehem. Daar is overvloed, kracht in de Hoorn der zaligheid! Daar is het altaar.

 

Kijk maar eens door de geschiedenis heen: hoeveel mensen zijn er niet geweest die de hoorn van dat altaar, in geestelijke zin, hebben mogen beetpakken? Abraham, bijvoorbeeld, en Noach, en David, en Manasse.

U zegt: ‘Maar dat zijn allemaal hoog geplaatste figuren!’

Gemeente, het zijn allemaal zondaren. Van dezelfde lap gescheurd als u en ik. Zelfs Abraham is niet smetteloos wit in zichzelf; daarop wijst alleen al zijn tweede vrouw. Noach lag dronken in zijn tent. Van David zijn er ook zwarte bladzijden bekend uit zijn leven.

Zondaren! Maria Magdalena, Petrus, Levi, de moordenaar aan het kruis, de tollenaar, Timotheüs, noemt u ze maar op. Hoeveel handen hebben die hoornen wel niet vastgegrepen tot hun eeuwig behoud? Diezelfde handen mogen nu de citers bespelen voor het aangezicht van God en het Lam, om te zingen het lied van Mozes en het Lam. Om te zingen van de hoorn der zaligheid die vol is in het werk van de Heere Jezus Christus.

 

En uw handen? Wat of wie houdt u vast? Gaat het u om de kracht van dat verzoenende bloed? Houden onze handen die hoornen vast? Of zullen we onze handen krampachtig in wroeging moeten wringen, als we geen acht geslagen hebben op die hoorn die onze kant op wees? De nodiging van het Evangelie komt tot u met al de liefde van Gods hart. Hij meent het!

God zegt toch niet iets wat Hij niet meent! Als Hij zegt: ‘Wendt u naar mij toe, alle gij einden der aarde’, dan moet u niet zeggen: ‘Ja maar, dat meent God niet!’ Dat is het ergste wat u van Hem kunt zeggen. Als u God verdacht houdt in Zijn spreken, als Hij u de Hoorn der zaligheid laat verkondigen. Zoveel kracht, zoveel macht, zoveel sterkte…

Daarom hoeft niemand te wanhopen aan zijn heil of aan zijn zaligheid. De velen die gekomen zijn vormen een aanmoediging, ook voor u. Want ze zijn uiteindelijk allemaal gekomen met de verwondering van het hart. Er is niemand geweest die gezegd heeft: ‘Ik dacht het wel, dat ik hier komen zou, en dat ik wel een kind van God zou zijn!’

Nee, ze zijn allen des doods schuldig. Ze hebben zich het oordeel waardig gemaakt.

‘Maar God, Die rijk is in barmhartigheid…’ Hij heeft voor deze Hoorn gezorgd.

 

Vertreed dan Jezus’ bloed niet! En acht het Kind in de kribbe niet voor datgene waarvoor Hij niet geacht wil worden, maar acht Hem als de Zaligmaker van uw leven!

Boston zegt in zijn boek Een beschouwing van het verbond der genade: ‘Als u dan toch verloren gaat, hetgeen God verhoede, dan is het niet omdat u geen Zaligmaker had, want Die is er, maar dan is het omdat u van deze u aangeboden Zaligmaker in het geloof geen gebruik hebt gemaakt.’

Gemeente, haast u! De weg ligt open!

U bent welkom bij het Kind van Bethlehem.

 

De sterkte van de Hoorn, zoals Zacharias die heeft mogen bezingen, doet Zijn kracht ook in het leven van de heiligen Gods van vandaag.

Dan valt alles van ons weg.

Zacharias zingt niet: ‘Ik heb dit of ik heb dat…’, maar: ‘Geloofd zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft alles gedaan! Hij heeft bezocht en verlossing teweeggebracht voor Zijn volk en Hij heeft een Hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht.’

Hij! Hij alleen!

‘Door U alleen, Heere! Alleen door U, om het eeuwig welbehagen!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 7:9

 

Ik zal het eeuwig Wezen prijzen,

Zijn recht de schuldig’ eer bewijzen,

En zingen ’s Allerhoogsten lof,

Met psalmen, tot in ’t hemelhof.