Ds. P. Mulder - 1 Korinthe 1 : 23 - 24

Het Evangelie van de Gekruisigde

Prediking en roeping
Ergernis en dwaasheid
Kracht en wijsheid

1 Korinthe 1 : 23 - 24

1 Korinthe 1
23
Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid;
24
Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 49: 1
Lezen : 1 Korinthe 1
Zingen : Psalm 118: 11, 13
Zingen : Lofz. v. Maria: 5, 6
Zingen : Psalm 113: 4

Gemeente, wij weten hoe de Heere Saulus van Tarsen stilzette. Het behaagde de Heere Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus, in zijn hart te openbaren. De Heere riep hem tot het werk van het apostelschap, de prediking van het Woord, in het bijzonder tot de heidenen. In deze dienst gaat het over deze prediking van het Woord, de prediking van Christus.

Met de bede om de bediening van de Heilige Geest hopen we te luisteren naar de verkondiging van het Woord van God vanuit het voorgelezen hoofdstuk, 1 Korinthe 1, de verzen 23 en 24:

 

Doch wij prediken Christus de Gekruisigde, de Joden wel een ergernis, en de Grieken een dwaasheid, maar hun die geroepen zijn, beide Joden en Grieken, prediken wij Christus, de Kracht Gods en de Wijsheid Gods.

 

Het thema van de preek is: Het Evangelie van de Gekruisigde.

 

Paulus vat dit in enkele woorden samen:

1. Prediking en roeping

2. Ergernis en dwaasheid

3. Kracht en wijsheid

 

Het Evangelie van de Gekruisigde: zó staat het er, aan het begin van vers 23: Doch wij prediken Christus de Gekruisigde. Er staat niet: ‘Wij prediken Christus Die Mens geworden is’, al is dat natuurlijk waar. Er staat ook niet: ‘Wij prediken Christus de Opgestane’. Er staat evenmin: ‘Wij prediken Christus Die komen zal.’

Zo zouden wij nog vele andere benamingen aangaande Christus kunnen geven of onderwerpen met Hem kunnen verbinden. En die zijn alle waar en van grote betekenis. Maar hier zegt de apostel met nadruk: Wij prediken Christus de Gekruisigde. In hoofdstuk 2 zegt hij dit in het tweede vers opnieuw heel krachtig: Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus, en Die gekruisigd (1 Kor. 2:2). Dát is de boodschap die Paulus brengt. Dit is de kern van het eeuwig Evangelie.

 

Wij letten van daaruit op drie hoofdzaken. In de eerste plaats gaat het in onze tekst over prediking en roeping. Vers 23 begint met te zeggen: Doch wij prediken Christus de Gekruisigde. Vers 24 begint met te zeggen: Maar hun die geroepen zijn. Hier gaat het, volgens de kanttekening, over de inwendige, onwederstandelijke roeping.

 

De tweede gedachte gaat over ergernis en dwaasheid. De apostel schrijft daarover in het tweede deel van vers 23: de Joden wel een ergernis en de Grieken een dwaasheid. Een Jood, een Griek, eigenlijk bedoelt Paulus te zeggen: heel de wereldbevolking. Zou het ook ons raken? Zeker toch.

 

Dan de derde gedachte: kracht en wijsheid, vers 24, waar wij mee besluiten: Maar hun die geroepen zijn, beide Joden en Grieken, prediken wij Christus, de Kracht Gods en de Wijsheid Gods. Uit Hem komt dat heil voort dat God verheerlijkt en zielen zaligt.

 

Het thema is dus: Het Evangelie van de Gekruisigde.

 

Ten eerste: prediking en roeping

Ten tweede: ergernis en dwaasheid

Ten derde: kracht en wijsheid

 

1. Prediking en roeping

 

Op zijn tweede zendingsreis trekt Paulus opnieuw door Klein Azië heen. En dan loopt het vast. Het moet een ongekende ervaring voor hem zijn geweest. Gewoonlijk is het zo, dat de Heilige Geest een prediker zendt naar een gemeente of naar een zendingsterrein. Maar hier, zo lezen wij in Handelingen 16, laat de Geest Paulus niet toe te prediken aan de noordkant en verhindert de Geest hem ook te prediken aan de zuidzijde.

Hij komt van het oosten en vóór zich heeft hij de zee. Wat moet hij nu? Hij weet het niet meer. Dat is wel te begrijpen: als de Heilige Geest de arbeidsterreinen afsluit, wat moet een geroepen prediker dan toch?

 

Maar dan ontvangt Paulus een nachtgezicht. Een man op Europese bodem roept: Kom over in Macedonië en help ons (Hand. 16:9). Dat is voor Paulus een duidelijke aanwijzing. Hij besluit dan ook dat de weg naar Europa leidt. Zo komt hij in Griekenland op Europese bodem: eerst in Filippi, dan in Athene. Maar hier valt het niet mee. Ondanks dat Paulus best wel op niveau met de filosofen kan discussiëren, bevalt zijn boodschap hen niet. Het is dwaasheid in hun ogen om over een Opgestane te spreken en na te denken. Zij keren zich dan ook van hem af. Daarom verlaat Paulus de stad der geleerdheid.

 

Hoewel er door het wonder van Gods genade toch nog enkele mensen tot bekering gekomen zijn, gaat hij Athene uit en reist hij naar Korinthe. Dat is wel het tegendeel. Athene was de stad van beschaving, geleerdheid en fatsoen. Maar Korinthe, een grote havenstad, is heel anders.

Er was een spreekwoord dat zei, als iemand heel werelds en bruut leefde: ‘Hij leeft op z’n Korinthisch.’ In deze stad was van alles te vinden aan ondeugden, zedeloosheden, afgoderij met occultisme vermengd. Een stad vol goddeloosheid en normloosheid.

Paulus moest naar deze stad. Misschien heeft de vraag wel in zijn hart geleefd wat hij daar nu moest doen. Als er in Athene eigenlijk geen opening is voor het Woord, zou die opening er dan in Korinthe wel zijn? En als hij in Korinthe is, komt er veel tegenstand van de kant van de Joden. Dan keert hij zich tot de heidenen. De Heere weet kennelijk dat Paulus het niet zo gemakkelijk heeft. Want Hij bemoedigt hem nadrukkelijk dat hij niet hoeft te vrezen, maar met vrijmoedigheid zal spreken. Zelfs geeft de Heere er een rijke belofte bij: Ik heb veel volks in deze stad (Hand. 18:10). Wonderlijk toch. Het is een uitlating van verkiezende liefde: ‘Daar, uitgerekend in die goddeloze stad, heb Ik veel volk.’

 

Paulus gaat prediken in Korinthe. Wij worden in deze dienst bepaald bij de kerninhoud van zijn boodschap. In Korinthe is een voor die dagen grote gemeente ontstaan. De apostel Paulus heeft twee brieven aan de Korinthiërs geschreven. Uit deze brieven kunnen we opmaken dat er niet alleen in de stad, maar dat er ook in de christelijke gemeente van alles aan de hand was.

Er waren er die het geloof in de opstanding uit de doden in twijfel trokken. Aan de Avondmaalspraktijk mankeerde heel veel. De handhaving van de tucht vanwege de zonde tegen het zevende gebod gebeurde niet zoals het moest. Zo zijn er nog meerdere onderwerpen te noemen.

In de brieven aan de Korintiërs moet Paulus voortdurend terechtwijzen en vermanen. Elke keer moet hij zeggen: ‘Zo is het niet goed. Zo verdwalen en verderven jullie en daar kan de Heere niet in mee komen.’ Máár desondanks toch: veel volk in die stad!

 

In 1 Korinthe 1 kondigt Paulus zichzelf aan als apostel en Sósthenes als schrijver van deze brief. Dat doet hij in de Naam des Heeren. Hij begroet de gemeente met een zegenwens in vers 3: Genade zij u en vrede van God onze Vader en de Heere Jezus Christus. Hij schrijft hoe verwonderd hij is over het heil dat de Heere in de gemeente werkt. Er zijn mensen die God vrezen en waar de Heere het werk van Zijn genade in verheerlijkt. Wat is er veel reden om klein te zijn en zich in God te verblijden.

 

In vers 10 komt hij al tot de eerste problematiek. Hij moet helaas zeggen dat er onder hen scheuringen en twisten zijn. Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt in één zelfde zin, en in één zelfde gevoelen.

 

Vers 12 is heel schrijnend. De een zegt: ‘Ik ben van Paulus!’ Misschien dachten zij dat Paulus zich daardoor vereerd zou voelen, maar zij hadden het helemaal mis. Hij vindt het verschrikkelijk. Anderen zeggen: ‘Ik ben van Apollos.’ Hij was immers een geweldige redenaar. Weer anderen zeggen: ‘Ik ben van Cefas.’ Misschien dacht men: Petrus heeft persoonlijk met de Heere gewandeld en was de belangrijkste apostel; en wat heeft hij een grote en bijzondere zaken meegemaakt?

Weer een ander zegt: ‘Ik ben van Christus!’ Dan moet iedereen toch wel zwijgen. Als men dit durft zeggen, zet men zich op een voetstuk waar niemand aan zal durven komen.

 

Maar Paulus valt voor geen van deze vier groepen. Integendeel. Hij bestraft ze scherp: ‘Is Christus gedeeld? Of is Paulus voor u gekruist? Of heb ik misschien in mijn eigen naam gedoopt?’ De doop is natuurlijk wel belangrijk en deze mogen we niet verachten. Maar de apostel stelt dat de doop niet de kern is waar het om gaat. Het gaat om de prediking van de gekruiste Christus.

Paulus is niet gezonden om te dopen. Het is net alsof Paulus zegt dat de doop een bijkomende zaak is. Wij moeten de doop niet zo in het centrum zetten. Er zijn baptisten en andere mensen die van de doop te zeer een bijzonder hoogtepunt maken. Maar zij vergissen zich. Ze leggen dan andere accenten dan de Heere Zelf doet. De doop is teken bij het Woord. Het Woord, de prediking van Christus, is het middelpunt. En de doop is daarbij en daarvan een teken.

 

Moest Paulus dan niet dopen? Ja, natuurlijk moest hij dat doen. Gaat dan heen, onderwijst alle volken, dezelve dopende (Matth. 28:19). Alleen is de doop niet belangrijker dan de prediking van het Woord. Christus heeft hem niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen. Daarbij gaat het er niet om dat hij dat doet met wijsheid van woorden. Het gaat niet om een schone rede of een prachtige verhandeling, om een bijzondere uiteenzetting of een geweldige voordracht. Dat zou zelfs het kruis van Christus kunnen verijdelen.

Het luistert zo nauw. Wij kerkmensen schuiven zo snel bepaalde punten naar voren en geven die extra accent. Zelfs een prediker kan het kruis van Christus verijdelen. Wat zou dat erg zijn. We moeten bang zijn om dat te doen. Het kruis van Christus, dáár gaat het om. Paulus wil dit sterk benadrukken.

 

We lezen in vers 18: Want het woord des kruises is wel degenen die verloren gaan, dwaasheid. Nee, dat Woord is geen dwaasheid. Dat maken mensen ervan. Judas deed dat, evenals de mensen op de Areopagus. De prediking van de gekruiste Christus is juist de wijsheid Gods. En ons, die behouden worden, is het een kracht Gods (1 Kor. 1:18).

Mag dat ook voor u gelden? Komt u met uw wijsheid steeds meer bij eigen dwaasheid terecht? Komt u met uw kracht steeds zwakker uit? Of hebt u zelf nog wel een beetje kracht of wijsheid? De kracht Gods en de wijsheid Gods worden gepredikt, zegt Paulus.

 

Vers 19 en 20: Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan (denk aan Athene; hun wijsheid zal vergaan) en het verstand der verstandigen zal Ik tenietmaken. Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid dezer eeuw niet dwaas gemaakt?

En dan lezen we vanaf vers 22: Overmits de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken; doch wij prediken Christus.

 

In de prediking gaat het om Christus. Dan gaat alle menselijke wijsheid en werk er aan. Want een mens zalig maken is een eenzijdig werk van de Heere en van Zijn Christus door Zijn Heilige Geest.

Christus wordt geproclameerd. Hij wordt als de Gekruisigde verheven. Zoals Mozes in de woestijn de koperen slang verheven heeft, zo moet dit met Christus gedaan worden in de prediking. Mozes moest die koperen slang hoog opheffen, zodat iedereen die slang kon zien. Er moest rond geroepen worden: ‘Bent u gebeten? Bent u gewond? Bent u ten dode met gif ingespoten? Ziet op naar de koperen slang. Want al wie haar aanziet, zal leven.’ Dat is Gods boodschap: dat een ieder die in de gekruisigde Christus gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven zal hebben. Dat wordt gepredikt aan u, aan jou, aan alle door de slang gebeten zondaren: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh. 3:36).

 

Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. U kunt doen wat u wilt. U kunt doen wat u denkt te moeten doen, te zullen doen. Al gaf u uw leven om verbrand te worden, wanneer u de oprechte liefde en het ware geloof niet hebt, zult u eeuwig omkomen.

O, bedenk toch wat tot uw vrede dient! Want dit is de belofte van het Evangelie dat een ieder die in de gekruisigde Christus gelooft niet zal verderven, maar het eeuwige leven hebben. En deze belofte wordt ieder gepredikt met bevel van bekering en geloof (Dordtse Leerregels hoofdstuk II, paragraaf 5). Bekeert u dan en gelooft het Evangelie.

 

Of bent u zo lauw, dat u niet eens weet dat u arm, blind, jammerlijk en naakt bent? Dat kan. Dat kan zeker. Een mens weet dat niet. Vanuit onze natuur weten wij niet dat wij arm, blind, jammerlijk en naakt zijn. Zo erg is het met ons dat we onze ellende niet eens verstaan.

Toch raadt Christus dat u van Hem koopt goud, beproefd, komende uit het vuur. Christus raadt u dat u van Hem ogenzalf begeert, zodat u zien mag. Dat u van Hem klederen des heils vraagt om de naaktheid van uw schande te bedekken. Dit wordt aan mensen aangeraden die het niet meer weten.

 

En dan de roeping. Daar gaat het vervolgens ook over in onze eerste gedachte. Waar de Geest komt en het Woord krachtig maakt in het hart, worden mensen inwendig geroepen. Dat is de uitwerking van het verkiezend welbehagen Gods in Christus. Een geestelijk dode zondaar wordt inwendig geroepen en levend gemaakt door Geest en Woord. Of dat nu een Jood is uit de Joden (denk maar aan Paulus zelf), of dat het nu een Griek is (denk maar aan Timotheüs, die een Griekse vader had) of wie dan ook. Als de levendmaking uit de dood inwendig gebeurt, de wedergeboorte, dan wordt het geloof door het gepredikte Woord door de Heilige Geest in het hart geplant. En dan gaat een mens geloven.

Wat gaat hij geloven? Gelooft hij meteen dat zijn zonden vergeven zijn en dat hij een kind van God is? Zo ging het bij Saulus van Tarsen niet. En ook niet bij de stokbewaarder en de pinksterlingen. Nee, daar begint het niet mee. Wat geloven ze dan wel meteen? God is God. Het Woord is waarheid in alles. Ik ben schepsel. De schepping was goed in het paradijs, maar wat ben ik verdorven. Wat tekent het Woord mij als een zondaar en vloekdrager. Want: Vervloekt is een ieder die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal. 3:10).

Als u inwendig geroepen bent, leert u iets van de vloek verstaan. Wat is dat aangrijpend. Vervloekt is een ieder die God niet liefheeft boven alles en de naaste als zichzelf. Dat Woord is wáár. Het wordt geloofd en maakt bedroefd. Het strekt tot verootmoediging, tot breking van het hart en vernedering van de ziel.

O God, wees mij zondaar genadig (Luk. 18:13). Dat wordt het geloofsgebed! ‘O God, U doet geen onrecht als U mij voorbijgaat, maar is er nog een weg, is er nog een middel?’

Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden! (Hand. 16:31). Als de Heilige Geest dit Evangeliewoord in het verslagen hart brengt en het hart werkzaam maakt, vindt de ziel verlichting, verruiming. Dan komt er verwachting vanwege deze enige Naam onder de mensen gegeven tot zaligheid.

 

Wij gaan naar onze tweede gedachte.

Het gaat over het Evangelie van de Gekruisigde. In de eerste gedachte ging het over de prediking van dat Evangelie en van die Naam. En over de roeping, inwendig en krachtdadig door de Heilige Geest, vanuit het welbehagen des Vaders. Opdat Christus loon zal zien op Zijn arbeid.

 

Ten tweede gaat het over:

 

2. Ergernis en dwaasheid

 

Doch wij prediken Christus de Gekruisigde, de Joden wel een ergernis, en de Grieken een dwaasheid, zegt onze tekst. Paulus predikt Christus de Gekruisigde. Het gaat over het Woord des kruises. Waarom wordt dit toch zo in het centrum geplaatst? Gemeente, Christus is gekomen, zegt onze belijdenis, is Mens geworden om te lijden en te sterven. Zonder kruis is Christus geen Christus. Het kruis maakt Hem tot de Zaligmaker. Naar ’s Vaders welbehagen. Ter verheerlijking Gods. Waarom? Omdat de zonde zo bitter en gruwelijk, zo verwoestend is. De zonde roept Gods toorn op en brengt de vloek over de mens. De zonde is tussen God en mens in komen staan door onze schuld. De zonde is het grootste kwaad.

 

Als Mozes in de woestijn, waar zovelen gebeten worden door die vurige slangen, de opdracht krijgt om het Evangelie der redding zichtbaar te maken, dan krijgt hij een bijzondere opdracht. Hij moet een koperen slang verheffen.

Is Christus dan te vergelijken met een slang? Wie zou dat durven zeggen? In de Bijbel is een slang toch steeds weer, zoals wij lezen in Genesis 3 en ook in Openbaring, het beeld van de duivel? Dat is waar. Maar wij moeten de slang hier niet met de duivel verbinden, maar met de zonde. Christus is tot zonde gemaakt en Hij is de broederen in alles gelijk geworden, hoewel Hij nooit zonde gedaan of gedacht heeft. Hij is een vloek geworden, hangend aan het hout. Zo is Hij de Gekruisigde.

Hij is een Vloekdrager geworden om zo Gods deugden op te luisteren en aan Gods recht te voldoen. Hij is Vloekdrager geworden om aan God alle genoegdoening te geven. En om in deze weg de deugden van Gods barmhartigheid, genade en liefde, volkomen verheerlijking te bereiden. Dit in vereniging met alle deugden Gods. Om daar als de Gekruisigde Zich te onderwerpen aan de dood der schande. Zo heeft Hij God verheerlijkt. Zo heeft Hij voor schuldigen en vloekdragers de verzoening en het leven aangebracht. Deze Christus, de Gekruisigde, is voor Paulus de ganse inhoud van zijn boodschap.

Natuurlijk, het gaat over het verkiezend welbehagen des Vaders in Christus dat door de doorboorde handen van Christus voortgang heeft. Het gaat over het werk van de Heilige Geest, Die het uit Christus neemt en het in verloren zondaarsharten toepast. Maar dat ganse werk van de verheerlijking Gods in de zaliging van zondaren heeft hier als kern: Jezus Christus en Die gekruisigd. Dit is de boodschap, welke Paulus zo lief geworden is. Zo is hij zelf behouden uit al de strikken van de duivel. Zo is hij zelf gered uit vloek en doem om prediker te mogen worden van vrije genade.

 

Wat gebeurt er nu als in de prediking Christus geproclameerd wordt? Als Christus voorgesteld en aangeboden wordt? Dan komt er ergernis bij de Joden. Waarom ergernis? Ze struikelen erover. Miljoenen zijn er over gevallen. En dat gebeurt nog. Waarom toch?

Een Jood gelooft niet dat de zonde zo erg en diep is, dat er een wonder van genade moet gebeuren. Een Jood gelooft daarom niet dat de Christus, de Messias, de Gekruisigde zal zijn. Dat er voor de schuld betaald moet worden.

Maar zo zal een mens, ook een nakomeling van Abraham niet zalig kunnen worden. Wie zichzelf niet verloochent en zijn kruis opneemt, die heeft geen deel aan Christus. Of hij een gedoopte christen is of een besneden Jood is, wie geen gemeenschap heeft aan de Gekruisigde zal eeuwig buiten blijven en nooit tot de zaligheid komen.

Het is voor de meeste Joden een ergernis tot op de dag van vandaag. Wij mogen wel met Paulus bidden of het deksel van hun aangezicht weggenomen wordt. Want er liggen beloften dat de Heere dat doen zal. Dat kunnen wij niet bewerken, al moeten wij hun wel met liefde het Woord brengen. Ook hun moet het eerlijke Evangelie van zonde en genade gebracht worden, de eerlijke prediking van Christus de Gekruisigde, en niet anders. Als zij zich blijven ergeren, zullen zij over Christus vallen tot in de eeuwige dood.

Dat zal verschrikkelijk zijn. Dat mogen we ook wel op onszelf toepassen. Want hoe staat met ons heel persoonlijk?

 

Ergernis bij de Joden, want het kruis begeren zij niet. Zij willen bevestigd worden in de gedachte dat zij een bevoorrecht geslacht zijn, dat zij Abrams kinderen zijn. Zij willen bevestigd worden in de gedachte dat zij met hun werken, hun goede godsdienstige gedachten, al een heel eind op weg zijn naar de hemel. Zij ergeren zich eraan dat de Heere niet met hen meegaat.

Met zulk een godsdienst komt de Heere niet mee. De Heere Jezus zegt tot Abrams kind: ‘Tenzij gij wederom geboren wordt…’ Deze boodschap zal ook zo aan de Joden gebracht moeten worden.

 

Zijn wij de Joden niet gelijk? Wij moeten ook wederom geboren worden. Dat geloven wij wel, maar zien wij de ernst van de zonde? Zuchten wij eronder? Wij weten het goed met ons verstand. En dat moeten wij niet weggooien. Maar het moet een zaak van het hart zijn of worden. Mijn zonden… Wee mij dat ik zo gezondigd heb tegen God, tegen Zijn goedheid, rechtvaardigheid, heiligheid en majesteit. Maar ook tegen de predikte Christus, de Gekruisigde.

Weet u hoe groot uw zonden en ellenden zijn? Of ergert het u eigenlijk dat God de zonde zo ernstig neemt? Of vindt u dat u niet zo tegen Christus zondigt en dat u wel op de goede weg bent? Wat is ons ontdekkend licht nodig, opdat we ons leren schamen over onze ergernis. Jesaja wist reeds: Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht (Jes. 53:3). Wat is dat een beschamende les. Petrus moest dat ook leren. Terwijl hij dacht zoveel voor de Heere over te hebben. Totdat het erop aankwam. Toen bleef er niets van hem over.

 

Of ergert u zich aan de Gekruisigde? Vindt u eigenlijk nog steeds dat u gewilliger bent om bekeerd te worden, dan de Heere gewillig is om u te bekeren? Met die gedachte staat u echt aan de verkeerde kant. De Heere is gewillig en bekwaam. Maar hoe staat het met onze wil dan wel onwil, met onze kunde dan wel onkunde? Bedenk uw zonde en vervloeking en hoort het Evangelie des kruises. Want juist dat Evangelie is tot redding van verloren zondaren.

 

Het is de Grieken een dwaasheid. Deze geleerde mensen filosofeerden over het leven en het leven na de dood; ook over de ziel, over haar herkomst en over haar voortbestaan. Allerlei beschouwingen en wetenschap dachten ze bijeen te hebben gebracht over deugd en deugdzaam leven. En dan een Gekruisigde Die opgestaan is, Die Rechter zal zijn over alle mensen. En in dat licht een oproep tot bekering? Daar hebben zij niets mee; dat vinden zij dwaasheid. Zij vinden het dwaas dat er een Redder komt voor zondaren. Zij kunnen niet begrijpen dat daar eeuwige wijsheid in is. Zij keren zich af van het Evangelie en richten zich op de dingen waar zij volop mee bezig zijn, die hun leven vullen.

 

Misschien komt het nu toch wel dichtbij. Wij keren ons ook af van de boodschap des heils en houden ons steeds maar weer bezig met de dagelijkse dingen. En zo achten ook wij het Evangelie van de Gekruisigde dwaasheid. Mogelijk niet met deze woorden. Het Evangelie dwaasheid; dat zouden we niet graag zeggen. Maar wat blijkt uit ons leven? Uit de mate waarin we ernst maken met de boodschap des heils?

Maakt u er ernst mee? En jij? Of ben je te druk; er is zoveel anders wat je aandacht vraagt. Wat je hart heeft. En hoe is dat bij u, ouderen? Zoekt eerst het Koninkrijk Gods, klinkt het ons toe. Is dat praktijk? Of moet u eerlijk zeggen dat het zo niet is? Spreekt dan niet uit uw levenspraktijk dat u het Evangelie ten diepste dwaasheid acht?

O, bezint u toch eer het te laat is. Vertrouw toch niet op de wijsheid van de wereld. En ook niet op de wijsheid van uw eigen godsdienstigheid. Al het onze schiet tekort; eeuwig tekort. Leert dat maar erkennen voor Gods aangezicht.

Want het Evangelie van de Gekruisigde is voor hen die geroepen zijn een kracht Gods en tot wijsheid Gods!

 

Wij komen bij onze laatste gedachte, maar gaan eerst zingen uit de Lofzang van Maria het vijfde en het zesde vers:

 

Die stout zijn op hun macht                                                                                                                     Heeft Hij versmaad, veracht,                                                                                                        Gestoten van de tronen.                                                                                                                    Maar Hij verhoogt en hoedt                                                                                                                Het nederig gemoed,                                                                                                                         Waarin Zijn Geest wil wonen.

 

Hij heeft, na lang geduld,                                                                                                                   Met goederen vervuld                                                                                                                           Der hongerigen monden;                                                                                                                                 Hij zag geen rijken aan,                                                                                                                      Maar heeft z’ in hunne waan                                                                                                                  Gans ledig weggezonden.

 

Het Evangelie van de Gekruisigde.

De eerste gedachte ging over prediking en roeping.

De tweede gedachte ging over de ergernis voor de Joden en dwaasheid volgens de Grieken.

En nu in de derde plaats:

 

3. Kracht en wijsheid

 

We lezen in vers 24: Maar hun die geroepen zijn (het gaat hier over de inwendige roeping) prediken wij Christus, de Kracht Gods en de Wijsheid Gods. Voor het woord ‘kracht’ staat er ‘dunamis’. Daar komt ons woord dynamiet vandaan. Zo heeft Saulus van Tarsen dat wel ervaren. Hij zat zo vast in de Joodse godsdienst, dat er dynamiet voor nodig was om hem daaruit te halen.

Wat is nu een kracht Gods, een ‘dynamiet Gods’? Als er iets ontvangen wordt van de liefde vanuit de Drie-enige. Dan wordt het hardste hart verbrijzeld. Wat zei immers de opgestane Christus, toen Hij Saulus, dat briesende paard, arresteerde op de weg naar Damascus? Saul, Saul, (…) het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan (Hand. 9:4-5). U slaat achteruit, Saulus. U slaat met uw pezen tegen de prikkels; zo slaat u ze stuk. Dat is tot uw verderf.

Wat was dat een wonderlijke gebeurtenis. God sprak met kracht en het was met Saulus gebeurd. Christenen vervolgen deed hij niet meer, want dat kon en wilde hij niet meer.

Waren van toen af alle zonden helemaal dood in zijn leven? Helaas, het lichaam der zonde en des doods is hij blijven omdragen tot zijn laatste snik toe. Wel kreeg de zonde de doodsteek, vooral zijn boezemzonde.

Wat is er een kracht van God in zijn leven gekomen. Een kracht om het werk van God in hem te volbrengen. Die kracht was zo zielsinnemend, hartveroverend en verootmoedigend. Plat op de grond liggend en in het stof gebogen had hij zelf geen woorden meer. Hij kon alleen nog maar smeken, roepen, klagen over zichzelf en bedelen om genade.

 

Als de kracht des Geestes het Woord gaat toepassen, wordt een mens klein, heel klein. Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand. 9:6). Spreek, Heere, want Uw knecht hoort (1 Sam. 3:9). Trek mij, wij zullen U nalopen (Hoogl. 1:4).

De kracht des Geestes is zó onweerstaanbaar. Die geeft Godskennis, zelfkennis en Christuskennis, want die kracht is gemengd met de wijsheid Gods. Het is een gegeven wijsheid van de hemel uit Christus. Want er staat immers van Christus dat Hij van God gegeven is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing (1 Kor. 1:30).

 

Die dwaasheid der prediking is inderdaad wijsheid Gods. Anderen kunnen daar niets in zien of horen. Zij vragen: ‘Wat zit daar nu in?’

Als u echter door het waarachtig geloof, door verlichting van de Heilige Geest, Christus erin mag horen, wat gaat er dan een kracht van Hem uit. Als het geloof Christus zien mag, misschien van verre, door de traliën van het Woord, dan gaat Hij trekken. Zo wordt ons iets getoond van Zijn schoonheid en van Zijn dierbaarheid.

 

Door Zijn kracht geeft Hij die zondaar zelfkennis. Als een mens wedergeboren wordt, zou hij graag alle zonden willen nalaten en zou hij wel heilig voor God willen leven. Daartoe gaat hij ook zijn best doen. Van harte en met ingespannen krachten. Maar door de wijsheid Gods gaan ze alle hoop en verwachting van hun eigen werk en van hun ijver verliezen. Want ze gaan leren dat er in die weg geen oplossing komt.

En zo, door de wijsheid Gods, worden zij arm, nederig, leerzaam en ontvankelijk. Ze voelen zo diep hun verlorenheid en zijn in eigen ogen zo schuldig, ja vloekwaardig. Daarmee leren zij buigen voor God. Zij leren erkennen de straf en het oordeel waardig te zijn.

Zo maakt de Heilige Geest door Zijn kracht en wijsheid plaats voor Christus. Christus’ kracht is tot bevrediging van Gods recht en tot voldoening van Zijn eisen. Niets van de mens, maar alleen wat van Christus is strekt tot verheerlijking van God. Deze Christus wordt, in Gods wijsheid, geschonken aan armen.

 

Wie trekt Hij in Zijn kracht naar Zich toe? Hongerenden, dorstenden, nooddruftigen, armen, naakten, ellendigen, schuldigen, goddelozen in eigen ogen. Vijanden die zich daarover schamen. In Zijn wijsheid laat Hij hen zien hoe heerlijk Hij is. Hoe volzalig en beminnenswaardig Hij is. Hij laat hen echter ook zien hoe heilig, rechtvaardig, geducht en vol majesteit de Heere, de eeuwige God is. Zo verheven dat Hij de zonde moet, wil en zal straffen. Zo worden ze te meer om Hem verlegen. Maar hoe zal Hij de hunne worden?

In de weg van het waarachtig geloof ontvangen zij de boodschap: U is heden geboren de Zaligmaker, Welke is Christus de Heere, in de stad Davids. En dit zal u het teken zijn… (Luk. 2:11-12). Wat een ruimte mogen ze dan in het geloof in Hem zien.

En verder op de weg en in de tijd; dan mag Thomas, hoe verstrikt hij is in zijn zwaarmoedigheid en ongeloof, door de wijsheid van Christus de Opgestane ontmoeten. Door Zijn kracht breekt Hij de banden van het ongeloof. Dan mag hij zeggen: Mijn Heere en mijn God! (Joh. 20:28).

 

Christus Zelf gaat verklaren dat Hij moest lijden en sterven voor de zonden. En dat Hij is opgestaan tot rechtvaardigmaking. Want in de wijsheid en de kracht Gods vindt de verheerlijking van God plaats. En daarin mogen zondaren uit vrije ontferming delen.

 

Hij weet door kracht en in wijsheid de gelovige te brengen op een weg waar een dwaas nog niet kan verdwalen. Deze weg is soms wel door de kracht Gods met doornen omtuind. Hoe komt het dat dit nodig is? Omdat wij zo’n verziekt, dwaalziek bestaan hebben en steeds weer weg willen lopen. Daarom zet de Heere een doornhaag om het levenspad; dan moet Gods kind wel blijven op het spoor van de wijsheid Gods.

Wat weet de Heere allerlei wegen en middelen te gebruiken. Soms met krachtige tuchtiging of innerlijke overtuiging, maar vooral ook door Zijn Geest en Woord, om in de verdergaande weg aan Zijn Woord te verbinden.

 

Hoe ligt dat bij ons, gemeente? Hebben wij behoefte aan de kracht en de wijsheid Gods? Is het zo in uw ziel geworden, dat u zegt: ‘Bij mij is niet meer dan dwaasheid en krachteloosheid’? Wat is het een wonder dat God Zijn Christus gaf tot kracht en wijsheid. En welk een eeuwig wonder wanneer deze Christus door de Heilige Geest in het hart wordt gebracht. Dan mag persoonlijk geloofd worden de kracht en de wijsheid die uit, door en in Hem is.

 

Het is zo nodig om als een arme, ellendige op Hem te leren steunen en te leunen. Bij Hem te mogen schuilen. En zo Christus, de zeer Dierbare te mogen ontvangen. Want voor hen die geloven is Hij zo dierbaar en beminnelijk. Hij heeft alles gegeven. Hij heeft Zijn bloed gegeven. In dat bloed des kruises wordt God verheerlijkt. En door dat Evangelie des kruises wordt de Kerk gezaligd.

 

Laat het u toch niet ergeren, laat het u toch niet tot dwaasheid zijn. Het Evangelie des kruises wordt gepredikt, opdat slechten, verlorenen, schuldigen door Hem tot God worden bekeerd. Opdat dezulken in Hem zullen geloven en tot het eeuwige leven en de zaligheid komen zullen. En dat vanwege de eeuwige verkiezende liefde van de Vader. Zo zal het zijn tot de verheerlijking Gods in Christus.

 

Bent u niet bereid om aan Zijn voeten te komen? Hebt u de wijsheid niet om deze dingen recht te onderscheiden? Christus wordt gepredikt als de Kracht en de Wijsheid Gods. Deze kracht hebt u nodig, in al uw krachteloosheid, in al uw weerstand, in al uw onmogelijkheden. Zijn kracht alleen kan redden. Zijn wijsheid alleen kan verlichten. Hij is de enige Naam onder de hemel gegeven door Welke wij kunnen zalig worden. En door welke Naam Gods Kerk zeker zalig zal worden. Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heere (1 Kor. 1:31).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 113:4

 

Wie is aan onze God gelijk,

Die armen opricht uit het slijk?

Nooddruftigen, van elk verstoten,

Goedgunstig opheft uit het stof?

En hen, verrijkt met eer en lof,

Naast prinsen plaatst en wereldgroten?