Ds. M. Karens - Psalmen 134 : 3

Een gezegend nieuw jaar

Psalmen 134
Van Wie deze zegen komt
Wat deze zegen inhoudt

Psalmen 134 : 3

Psalmen 134
3
De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 121: 1, 4
Lezen : Numeri 6: 22-27
Lezen : Psalm 134
Zingen : Psalm 134: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 20: 1
Zingen : Psalm 122: 3

Gemeente, het Woord van God, dat we in deze eerste uren van dit nieuwe jaar samen willen overdenken, vindt u in Psalm 134 en wel het derde vers. Het Woord van God en onze tekst voor deze dienst luidt aldus:

 

De Heere zegene u uit Sion, Hij Die de hemel en de aarde gemaakt heeft.

 

We schrijven onder deze tekstwoorden: Een gezegend nieuw jaar.

 

We letten onder biddend opzien tot God, en onder de leiding van de Heilige Geest, op twee gedachten:

1. Van Wie deze zegen komt

2. Wat deze zegen inhoudt

 

1. Van Wie deze zegen komt

 

Gemeente, deze psalm is de laatste van de vijftien liederen Hammaäloth. Een lied Hammaäloth, dat wil zeggen: een lied van de opgangen. Dit zijn de bedevaartsliederen die werden gezongen als de Israëlieten uit alle steden en dorpen optrokken naar de grote feesten in Jeruzalem. Bij het opgaan van de heuvel waarop de tempel lag, werden deze liederen gezongen. Pelgrims op weg naar Sion. Feestgangers op weg naar het heiligdom. Drie keer per jaar trok men op naar Jeruzalem, om in de tempel de grote feesten te vieren.

De Psalmen 120 tot en met 134 vormen de liederen Hammaäloth. Je zou van Psalm 134 kunnen zeggen dat het de slotzang is. Als die pelgrims daar in Sion zijn, dan klinkt de slotzang.

Die pelgrims, die feestgangers naar Sion, zijn ook een beeld van mensen die naar een onbekende toekomst onderweg zijn. Daarom is deze psalm op deze nieuwjaarsmorgen zo toepasselijk.

 

Het is de slotzang. De laatste, en de kortste, maar zeker niet de minste van de liederen Hammaäloth. Het is een beurtzang. Dat wil zeggen dat deze korte psalm in twee gedeelten uiteenvalt. In de verzen 1 en 2 zijn de pelgrims aan het woord. In beide verzen zingen de feestgangers om de priesters en de Levieten op te wekken om God te loven, maar ook om te bidden.

De pelgrims zingen in deze verzen de priesters en de Levieten, Gods knechten in de tempel, toe. Want er staat in de eerste twee verzen: Zie, looft de Heere, alle gij knechten des Heeren; gij die allen nacht in het huis des Heeren staat. Heft uw handen op naar het heiligdom, en looft de Heere.

Deze lofzang van al die feestgangers op het tempelplein is dus eigenlijk een verzoek, een gebed. Want over die knechten des Heeren zeggen de kanttekenaren: ‘Versta hierdoor de knechten des Heeren, voornamelijk de priesters en de Levieten. Welker ambt het was om bij nacht te staan om te dienen voor de Heere.’

 

Dus de feestgangers die in deze laatste liederen van Hammaäloth gereed staan om naar huis te gaan, wekken de priesters in het huis des Heeren op om de Heere te loven. Omdat Hij het zo waard is. Omdat dat eigenlijk het doel van ons aller leven is.

Denk daar vandaag eens aan, met een nieuw jaar voor ons, met een onbekende toekomst. Het is het doel van ons leven om de Heere te loven, te dienen. Dwars door al uw plannen en berekeningen heen voor dit nieuwe jaar. Mocht de Heere het vanmorgen eens afdrukken in uw en jouw ziel.

Wat is nu het grote doel van ons leven, en van dit jaar? Dat is om de Heere te loven. Dan hebben we waarachtige bekering nodig. Dan hebben we vernieuwing door de Heilige Geest nodig. Dan hebben we een nieuw hart, een nieuwe  tong en een nieuw leven nodig. Dat dat vandaag toch bovenaan zou mogen staan. Want die in Christus is, die is een nieuw schepsel. Dat is echt oud en nieuw. Dan is het oude voorbijgegaan, en ziet, het is alles nieuw geworden.

 

Die pelgrims wekken de priesters en de Levieten ook op om biddend de handen op te heffen naar God. De priesters en Levieten moeten bidden voor het volk. Zij moeten bidden voor de feestgangers die weer teruggaan naar huis. Ze moeten bidden tot de Heere, om bewaring, om verzoening, om vergeving.

De zesde kanttekening zegt bij de woorden: Heft uw handen op naar het heiligdom, en looft de Heere: ‘Dat is: roept de Heere aan en bidt voor het volk.’ De priesters en Levieten worden dus opgewekt om te bidden om een zegen voor het volk. Een onmisbare zegen.

 

Heft uw handen op naar het heiligdom. Gemeente, wat ligt in deze woorden een teer beeld. Heft uw handen op naar het heiligdom. Dat geldt niet alleen voor de priesters en Levieten, maar moge dit in deze eerste uren van het nieuwe jaar in Gods huis ook voor u en voor jou werkelijkheid zijn. Heft uw handen op naar het heiligdom. ‘Mijn beê met opgeheven handen, klimt voor uw heilig aangezicht, als offers die des avonds branden.’ Wat is dat een teer beeld, die gebedshouding onder Israël.

Heft uw handen op naar het heiligdom. Als je iemand zo ziet staan, wat denk je dan? Dan denk ik aan een hulpeloos kind. Dan denk ik aan iemand die het niet meer weet. Heft uw handen dan op naar het heiligdom. Lege handen, vuile handen, bezoedeld met de zonden. Maar nu klinkt de oproep: ‘Heft dan uw handen maar op naar het heiligdom.’ Die lege handen. Met alle vragen. Bange vragen misschien.

Gemeente, in afhankelijkheid van de Heere de handen opheffen naar het heiligdom. Dat is de beste plaats op nieuwjaarsdag. Dat is de beste plaats in de eerste uren van een nieuw jaar, wanneer de toekomst zo verborgen is. Heft uwe handen maar op naar het heiligdom. Naar het heiligdom. Dat is de plaats waar de Heere woont.

 

O, wat een gezegende plaats, als je hier je handen mag opheffen naar het heiligdom. ‘Slaat naar het heiligdom uw oog.’ Als we in afhankelijkheid onze ogen opheffen naar de Heere, naar het heiligdom, onwetend van wat er gaat gebeuren in dit nieuwe jaar, dan is dat een teken van het hart dat uitgaat naar de Heere.

 

En dan volgt vers 3. In dat vers antwoorden de priesters. Het is immers een beurtzang. Als de pelgrims hebben gezongen: Looft de Heere, alle gij knechten des Heeren; gij die allen nacht in het huis des Heeren staat. Heft uw handen op naar het heiligdom, en nog een keer: looft de Heere; dan komt het antwoord. Dan gaan de priesters en de Levieten zingen: De Heere zegene u uit Sion, Hij Die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Dus voordat de pelgrims weer teruggaan naar hun woonplaats, zingen de priesters hen toe: De Heere zegene u uit Sion.

Die priesters hebben geofferd. Zij hebben de offers gebracht bij het brandofferaltaar en bij het reukofferaltaar. Want zonder een offer kan er nooit zegen zijn. Zij hebben eerst geofferd en gebeden bij het reukwerk; daarna klinkt het: De Heere zegene u uit Sion.

Dan verlaten de feestgangers het huis van God. Zij gaan op weg, de onbekende toekomst in. En terwijl het avondoffer nog brandt, terwijl het reukwerk op het tempelplein nog opklimt naar boven, zullen ze de dag erop de terugreis weer aanvaarden.

Ze weten niet hoe de weg zal zijn. Ze weten niet wat ze zullen ontmoeten. Vult u het zelf maar in, in uw eigen leven. Maar daar spreken de priesters in opdracht van de Heere het uit: De Heere zegene u uit Sion. In de naam van de allerhoogste God leggen zij hen de zegen op.

Die opdracht is u voorgelezen uit Numeri 6: En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israëls zegenen, zeggende tot hen: De Heere zegene u, en behoede u. Die hogepriesterlijke zegen die in het achterliggende jaar zo vaak op u gelegd is, hoewel niet op de zondagen van de leesdiensten. De Heere zegene u, en behoede u. Gemeente, u mag daarmee het nieuwe jaar weer mee beginnen. In opdracht van de Heere.

 

De Heere zegene u uit Sion. U moet nu eens goed opletten van Wie deze zegen komt. Ons eerste aandachtspunt. Van Wie moet deze zegen komen op de nieuwjaarsmorgen?

Van de Heere!

Dit is de heerlijkste Naam in de Bijbel. De rijkste Naam van de allerhoogste God. De Heere, met vijf hoofdletters. De God van het verbond. De God van het eeuwige verbond der genade.

De Heere. Hij is die God Die Zich aan Mozes bekendmaakt bij de brandende braambos in de woestijn. De Heere. Ik zal zijn Die Ik zijn zal (Ex.3:14). Ik, de onveranderlijke en getrouwe Verbondsgod, zal eeuwig Dezelfde blijven. O volk van God, Hij is die God Die in het vorige jaar hielp. Hij is die God Die vorig jaar in nood uitkomst gaf. Hij zegt vanmorgen bij de onbekende toekomst: ‘Ik ben de Heere.’ Want Ik, de Heere, word niet veranderd (Mal.3:6). Bij alle veranderingen die er zijn, het ene jaar uit en het andere jaar in. Ik ben de Heere. Ik ben Die Ik was. Ik ben Dezelfde als in vorige jaren. Hoe het ook zal gaan, Ik ben de Heere. Ik ben de onveranderlijke, getrouwe Verbondsgod. Zoals de kanttekeningen bij Exodus 3 vers 14 zeggen: ‘Ik zal zijn Wie Ik was.’ Dat wil zeggen dat God eeuwig is in Zijn Wezen, getrouw is in Zijn belofte en alvermogend in de uitvoering ervan.

O, dan ligt er in die Naam zo’n vaste grond. De Heere. Hij is de oorsprong en de bron van alle zegeningen. We ontvangen die zegen in Zijn Naam. Hij heeft de opdracht daartoe gegeven. En daarom: De Heere zegene u.

 

De Heere. Gemeente, dan is er veel onzeker. Maar het nieuwe jaar is ook het jaar onzes Heeren; het jaar waarin God Dezelfde blijft. Schrijf daarom maar bij elke dag in je agenda: ‘Zoek eerst de Heere; zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al de andere dingen zullen u worden toegeworpen.’

Zoek het toch bij deze Heere. De Bron en Fontein van alle zegeningen. Zoekt denHeere terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Heere (Jes. 55:6-7). Hij bekere zich tot de Heere. Met vijf hoofdletters.

Gemeente, zou er voor de Heere iets te wonderlijk zijn? Welke nood u ook drukt op deze nieuwjaarsdag, ziende op alle zorgen die er zijn. Welke zorg u ook neerdrukt, mijn ziel gans neergebogen… Maar zou er voor deze Heere, zou er voor deze eeuwige, onveranderlijke Verbondsgod, iets te wonderlijk of onmogelijk zijn? 

 

O, hoor die priesters en Levieten in dat koor zingen: De Heere zegene u uit Sion.

Uit Sion, staat er bij. Wat betekent dat?

Sion is de tempelberg. Sion, daar woont de Heere. In het laatste vers van Psalm 133 staat: Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de Heere gebiedt aldaar de zegen, en het leven tot in der eeuwigheid.

De Heere zegene u uit Sion. Sion is de plaats waar de offers worden gebracht. Het is de plaats waar de Heere woont. Het is de plaats waar de ark staat. Daar woont de Heere, op Sion, in het heilige der heiligen.

O, nu dalen alle zegeningen van de Heere af uit Sion. Psalm 128 vers 5 spreekt daar ook over: De Heere zal u zegenen uit Sion. De kanttekening bij dit vers zegt:Te Sion was de ark des verbonds, van dewelke Zich God de Heere openbaarde, en alwaar het volk Gods verscheen om zijn gebed te doen.’

Te Sion. Daar stijgt het gebed van die ware geestelijke pelgrims in de woestijn op. En vanuit Sion daalt Gods zegen neer.

Sion! Het is een schaduw en een beeld van het heiligdom in de hemel. Dat aardse Sion is een beeld van het hemelse heiligdom en vandaaruit vloeit alle zegen neer. Daarom gaan we straks zingen:

 

Dat op uw klacht de hemel scheure!

Dat Zich de Heer’ ontdekk’!

Hij doe in gunstrijk welbehagen,

Uit Sions tempelzalen,

Zijn zegen nederdalen!

 

De Heere zegene u uit Sion. Wat kunnen we daaruit leren, gemeente?

Wel, dat de Heere ten diepste alleen kan zegenen om Christus’ wil. Uit dat hemelse Sion, waarin de grote Hogepriester van de Kerk is gegaan. Hij heeft geofferd op Golgotha’s heuvel. Hij is opgestaan op de Paasmorgen en ingegaan in de hemel om te zitten aan de rechterhand van de Vader. Een enige Hogepriester. Van eeuwigheid af gezalfd en geordineerd tot de enige Hogepriester van Zijn Kerk. Voor schuldige zondaren, die voor God niet kunnen bestaan, die op de nieuwjaarsmorgen door de bediening van de Heilige Geest zaligmakend zijn gaan inleven, voor het eerst of opnieuw, dat zij alleen maar vloek hebben verdiend.

 

Bent u wel eens op die plaats gebracht? Waar je met het oog op het nieuwe jaar ervaart dat je alle zegen verzondigd hebt, en dat wij vanwege onze zonden en ongehoorzaamheid onder de vloek liggen? Is dat alleen belijden, of is dat beleven? Als we vanmorgen eens zouden gaan beleven dat we alles, alle zegen hebben verzondigd door onze ongehoorzaamheid en afval van God. En dat het waar is: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal. 3:10). Beleven dat we geen enkel recht hebben op enige zegen van God.

Maar als dan iets mag worden gezien van: De Heere zegene u uit Sion. Dat nu alleen vanuit de verdienste van Christus voor al zulke ellendige zondaren, die Hij van eeuwigheid heeft liefgehad, een zegen kan afvloeien. Dat de Heere nu vloekwaardige en schuldige zondaren nog kan zegenen, alleen om Jezus’ wil. Want die zegen komt van de Heere uit Sion. Uit dat binnenste heiligdom, waar Christus is, de grote Hogepriester. Hij verwierf zegeningen voor Zijn ganse Kerk, voor alle eeuwen, voor een schare die niemand tellen kan. Eeuwige zegeningen, tijdelijke zegeningen, en geestelijke zegeningen.

 

O, de Heere zegene u uit Sion. Gods kinderen mogen zich weleens een ogenblik verwonderen. Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden (2 Kor. 8:9). Hij kwam op deze vervloekte aarde. Hij droeg de vloek van Zijn Kerk. Opdat, zoals het avondmaalsformulier het zo treffend zegt: ‘En heeft alzo de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegeningen vervullen zou.’ Dan vloeit alle zegen alleen uit Sion. Uit de gezegende Hogepriester over het huis Gods.

Wat was het laatste wat Hij deed toen Hij Zijn Kerk hier op aarde achterliet? Toen hebben de discipelen Hem, die dierbare Christus, nagestaard. Zijn zegenende handen waren over Zijn Kerk uitgebreid. Zo staat Hij nu nog, op nieuwjaarsdag, aan de rechterhand van de Vader. En Hij heft Zijn handen zegenend op over Zijn kinderen. ‘Hun zal een schat van zegeningen, in Hem, ten erfdeel zijn.’

En daarom stel ik u de vraag: Bent u nu om deze zegen verlegen? Gemeente, jongelui, jonge vrienden, jongens en meisjes, is het ons in dit nieuwe jaar waarlijk om die zegen te doen? Want aan die zegen is alles gelegen. Dat leert de Heere Zijn kinderen.

Staan we nu op deze nieuwjaarsmorgen met onze lege handen opgeheven naar het heiligdom? Heffen we onze ogen op naar de hemel, omdat we alle zegen verzondigd hebben, en geleerd hebben onze hoop alleen op Hem te stellen, om Wiens wil God ons kan zegenen? Hebben we gezien wat we waarlijk verdiend hebben? Mocht dat vandaag eens waar worden!  

 

Jonge vrienden, misschien heb je heel veel goede voornemens, maar meestal zijn ze de tweede week van januari al weer ergens bijgeschreven op de rol waar niks mee gebeurt. Goede voornemens: ik stop met roken, ik ga nu aan de lijn doen, en noem maar op. Maar nu dat ene voornemen: ‘Hoelang hinkt gij nog op twee gedachten? Is de Heere het Die zegent? Is de Heere God, dient Hem dan. Is Baäl god, zo dient hem.’

De Heere werke door Zijn Geest op deze eerste dag van het nieuwe jaar die hartelijke keuze in het hart om Hem te zoeken. Om de Heere nodig te hebben. Want van Hem alleen is alle zegen afkomstig. De Heidelbergse Catechismus zegt het in Zondag 50: ‘Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor erkennen dat Gij de enige oorsprong van enig goeds zijt, en dat noch ons werk, noch Uw weldaden ons tot nut zouden zijn, zonder Uw onmisbare zegen.’

Vraag je waar die zegen vandaan komt? De bron van die zegen?

De Heere zegene u uit Sion. Wat die zegen inhoudt overdenken we in ons tweede aandachtspunt.

 

Maar eerst gaan we om die zegen bidden en zingen met Psalm 20 vers 1:

 

Dat op uw klacht de hemel scheure!

Dat Zich de Heer’ ontdekk’!

De God van vader Jakob beure

U in een hoog vertrek!

Hij doe in gunstrijk welbehagen,

Uit Sions tempelzalen,

Om u te helpen en te schragen,

Zijn zegen nederdalen!

 

Een gezegend nieuw jaar. Voor wie komt deze zegen? Voor pelgrims, voor zwervers tussen de stad verderf en Sion, die hun lege handen opheffen naar het heiligdom, en die vanmorgen beseffen dat alle zegen alleen kan komen van de Heere, van de getrouwe Verbondsgod. Mensen die hun verwachting op Hem stellen en hun ogen opslaan naar Sion. Met de klacht, de levende klacht, die we samen hebben opgezongen. ‘Dat op Uw klacht, de hemel scheure, en dat de Heere uit Sions tempelzalen, Zijn zegen doet neerdalen.’ Is het je daar om te doen? Is dat je belangrijkste begeerte?

 

Ons tweede aandachtpunt:

 

2. Wat deze zegen inhoudt

 

De Heere zegene u uit Sion. Wat wil dat nu eigenlijk zegen? Hoe vaak hebt u daarover  gezongen bij trouwdiensten, of bij andere gelegenheden? Hebben we al begrepen wat die zegen van de Heere eigenlijk inhoudt? De Heere zegene u uit Sion; wat houdt dat nu in?

Gemeente, in die zegen des Heeren zijn eigenlijk alle tijdelijke, geestelijke en eeuwige zegeningen besloten. Die zegen des Heeren is eigenlijk de samenvatting van alles wat jij, u en ik dit jaar nodig hebben. Daarin ligt dat enige nodige voor het nieuwe jaar samengevat.

In Genesis 12 vers 2 zegt de Heere tegen Abraham: Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen. In de kanttekeningen staat wat die zegen is: ‘De zegening Gods betekent allerlei weldaden, ook in het algemeen lichamelijke, geestelijke, aardse en hemelse.’ Tijdelijke en eeuwige zegeningen. Dus als er staat: De Heere zegene u, dan betekent dat alles wat u en jij nodig hebben.

 

De Heere zegene u. Dat is wat we elke dag van dit pas begonnen jaar nodig hebben. Het wordt in het gebed des Heeren treffend verwoord: ‘Dat nooit Uw zegen van ons wijk’, want die alleen maakt blij en rijk.’

 

De Heere zegene u met tijdelijke en eeuwige zegeningen. Het woord ‘zegen’ is net als veel andere Bijbelse woorden nogal wat uitgesleten, net als bijvoorbeeld het woord  ‘zonde’ en ‘zalig’. We gebruiken ze soms zo gedachteloos.

Zegen. Wat wil dat nou zeggen? Laten we het alsjeblieft niet verwarren met voorspoed, rijkdom, overvloed, en noem maar op. Want zo wordt het woord ‘zegen’ vaak opgevat. Maar: De zegen des Heeren alleen maakt rijk, en Hij voegt er geen smart bij. Die zegen des Heeren, daarvan heeft Agur verstaan: ‘ Heere, rijkdom, geef mij niet. Want dan zal ik U gaan verlaten. Armoede, geef mij dat niet, dan zal ik gaan stelen. Voed mij met het brood mijns bescheiden deels.’  

Zegen, dat is wat de dichter van Psalm 37 vers 16 zegt: Het weinige dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.

Nee, de zegen des Heeren wil niet zeggen dat het een weg vol rozen wordt. En dat je in dit nieuwe jaar alles zult ontvangen wat je hart begeert. De Heere zegene u. Dat wil zeggen dat Hij kracht geeft aan krachtelozen, dat Hij hulp geeft aan hulpelozen, die hun lege handen opheffen naar het heiligdom, dat Hij troost geeft aan troostelozen.

Gemeente, de Heere zegene u met tijdelijke zegeningen. De Heere zegene u en jou met gezondheid, met dagelijks brood. De Heere zegene u met werk. De Heere zegene jou in je studie. De Heere zegene je met vreugde; met milde zegen die u verblijdt. De Heere zegene met bewaring, voor alle gevaren die ons elke dag omringen. De Heere zegene u, en Hij behoede u voor ziekte. Hij beware ons voor het rode paard van de oorlog. Hij zegene u, en beware u voor het kwaad van de zonde. Beware u voor het afwijken van de weg des Heeren. De Heere beware u, Hij zegene u. ‘Hij is, al treft u ’t felst verdriet, uw Wachter Die uw voet voor struikelen behoedt.’

 

In de Westminster Catechismus staat als het over de vierde bede gaat: Erkennen wij dat wij in Adam en vanwege onze zonde, ons recht op alle uiterlijke zegeningen van dit leven hebben verspeeld en verzondigd. Maar daarin bidden ze: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood.’ Dat is alles wat nodig is voor ons lichaam. En tenslotte bidden wij dat we voor alles wat ons tijdelijk welzijn en onze welvaart kan tegenwerken, bewaard zullen worden. O, daar hebt u nou iets van dat ‘De Heere zegene u uit Sion’. Dat de Heere Zijn tijdelijke zegen zou willen schenken.

 

Maar, gemeente, jonge vrienden, al zou de Heere alles geven voor de tijd, dan kunnen we Hem daarmee niet ontmoeten. Met alle tijdelijke zegeningen en uitreddingen, hoe groot ook, kunnen we voor God niet bestaan. Daarom mag het vanmorgen zijn: ‘Heere, schenk mij niet alleen tijdelijke zegeningen, maar wilt U mij ook geestelijke en eeuwige zegeningen schenken.’ Want bij de Heere is een overvloed en een volheid, ook van geestelijke zegeningen. Dat is het allergrootste. Die zegeningen vloeien uit de rechterhand des Heeren. Daar weten Gods kinderen iets van. De berijmde psalm heeft het zo treffend berijmd: ‘Dat Zijn gunst uit Sion u bestraal.’ Daar gaat het om in het nieuwe jaar, wat u ook mag ontvangen of overkomen.

De pelgrims die gereedstaan om de weg naar huis te gaan aanvangen, weten niet wat er onderweg zal gebeuren, of wat hen thuis te wachten staat. Ze zullen heel lang, tot het volgende feest, niet in Jeruzalem komen. Maar dan mogen ze horen dat Zijn gunst uit Sion hen bestraalt.

 

De Heere wil Zijn kinderen zegenen met tijdelijke, maar ook met geestelijke en eeuwige zegeningen. Zou dat vandaag niet onze wens moeten zijn, onze bede, voor de jeugd en voor de ouderen? 

Wat zijn dat dan voor zegeningen? Wat houden die dan in? Dat de Heere om Christus’ wil, u genadig is. En dat Hij Zijn barmhartigheid wil bewijzen in uw leven. En dat Hij u wil zegenen met eeuwige vrede.

Weet je wat de grootste zegen zou zijn, als je nog voor eigen rekening leeft? Dat de Heere je in dit jaar zou willen zegenen met bekering. Je zou willen zegenen met het wonder van de wedergeboorte. Dat je de stem van de Zoon van God zou mogen horen en je zou mogen leven. Geestelijk leven, eeuwig leven!

Weet je wat de grootste zegen zou zijn? Dat het uur van het welbehagen des Heeren zal aanbreken. En dat voor u, misschien op hoge leeftijd, u bent misschien wel 70 of 80 jaar, het jaar van Gods welbehagen zou mogen aanbreken. Een jaar waarin de Heere u stilzet op uw levensweg. Weet u wat een grote zegen is? Waar de Heere mee wil zegenen? Met de droefheid naar God.

Misschien zeg je: ‘Nou, daar zit ik niet echt op te wachten vandaag.’ Maar het zou toch zo’n grote zegen zijn. Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering  tot zaligheid.

 

De Heere zegene u uit Sion. Hij zegene met bekerende genade. Hij zegene met de gave van Zijn Geest. Hij zegene met het werk van Zijn genade. En daarom, gemeente, hef uw handen maar naar omhoog. Dat je leven zou getekend worden in dat biddend worstelen om een zegen. Dat je thuis in de binnenkamer, maar ook in het midden van de gemeente, je hart en je oog mag opheffen tot God. Dat je niet meer genoeg zou hebben aan de weldaden voor de tijd.

Weet je wat de rijkste zegen is, waarmee de Heere vanmorgen uit Sion kan zegenen? Weet je wat de rijkste zegen is? Dat je de Heere Zelf tot je deel hebt!

Want dan kun je het nieuwe jaar in. Dan kun je het leven uit. Als je God in Christus door genade mag leren kennen als een hemelse Vader, Die voor je zorgt.

 

De Heere zegene u uit Sion. Zo’n rijke zegen, als je met Jakob in Pniël mag leren dat je schuld verzoend is. Moge dan het nieuwe jaar staan in het teken van: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent (Gen. 32:26). Want de grootste zegen is als de Heere met je meegaat, als je de Heere mag kennen als God, als de Heere je deel mag zijn, deze Heere, en Hij je gaat zegenen uit Sion, wat je ook wedervaart, wat er ook gebeurt in het nieuwe jaar.      

Zonder die Heere ben je de ellendigste van alle mensen. Zonder die Heere is de wereld een wereld vol angst. De aarde is vervuld met onrust en wrevel. Angst voor wrede aanslagen en terreur, die de wereld in deze dagen tekent. Een terechte angst! Maar het is een zegen als je de Heere mag kennen als de Toevlucht. Al is het met veel strijd en met veel vragen, maar als je dan met het oog op de onbekende toekomst mag zeggen:

 

Doch gij, mijn ziel, het ga zo ’t wil,

Stel u gerust, zwijg Gode stil;

Ik wacht op Hem; Zijn hulp zal blijken;

Hij is mijn rots, mijn heil in nood,

Mijn hoog vertrek; Zijn macht is groot;

Ik zal noch wank’len, noch bezwijken.

 

Wat een rijkdom, als je op nieuwjaarsdag mag weten: de Heere is mijn deel. Als je met David mag zeggen: ‘En daarom zal mij nu niets ontbreken, al ga ik door het dal van de schaduwen des doods.’

O, kon ik je vanmorgen laten proeven wat het zeggen wil als de Heere je zegent met eeuwige zegeningen en je mag weten dat Hij door Goddelijke genade je deel is geworden. Door het geloof te mogen weten: om Christus’ wil tot Zijn kind aangenomen. Dan geldt het op deze eerste dag van het nieuwe jaar: Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? (Rom. 8:31). Dan zijn zelfs de tegenspoeden en de tegenslagen Zijn zegen. Dan komt het uit Zijn hand. Gezondheid en krankheid. Rijkdom en armoede. Niet bij geval, maar het komt mij toe uit Zijn Vaderlijke hand.

 

O, hoe zalig is het volk, zulke geestelijke pelgrims, die vanuit Sion, vanuit het heiligdom mogen horen: ‘De Heere zegene u met eeuwige zegeningen.’ Het is heel opmerkelijk dat het in het Hebreeuws in het enkelvoud staat. Kanttekening 8 wijst er ook op dat dit gesproken is in het enkelvoud. Het betekent: De Heere zegene elkeen van ulieden, hoofd voor hoofd. Alzo heeft God de priesters bevolen het volk te zegenen in Numeri 6 vers 24.

Dus die zegen die op de gemeente wordt gelegd in het algemeen, is heel persoonlijk. De Heere zegene u. Enkelvoud. Heel persoonlijk. Die priester op het tempelplein legde dus eigenlijk niet de zegen op de gehele schare, maar ook bijzonder op elk persoonlijk. Als dat nu eens vandaag door de Heilige Geest mag worden toegepast!

De Heere zegene u. Hij make u en jou van dat heil en die weldaân deelgenoot. Hetzij klein of groot. O, om nou persoonlijk te delen in die rijke zegen vanuit Sion.

 

Op onze tekst volgt nog iets. Wat is de functie van de bijvoeging: Hij Die de hemel en de aarde gemaakt heeft? De Heere, de Verbondsgod, Hij zegent uit Sion, en Hij is de God Die hemel en aarde gemaakt heeft. Wat is de waarde van deze toevoeging?

Gemeente, het is een extra onderstreping. Want die zegen vloeit voort uit de grote Schepper en Onderhouder van ons aller leven. Het onderstreept Wie die zegen geeft. De Almachtige, de Eeuwige, Die hemel, zee en aarde, eerst schiep en sinds bewaarde.

Calvijn zegt: ‘De benaming van de Schepper is hier gebruikt om Zijn macht aan te duiden, opdat de gelovigen de vrijmoedigheid zouden hebben om nu alles vanuit Zijn hand te hopen en te verwachten.’

Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, staat er bij om te doen ervaren dat Hij God is, de Almachtige. Hij sprak; Hij schiep door te spreken. Hij is de Overalomtegenwoordige. De Heere moedigt ons en alle mensen hiermee aan om die zegen bij Hem te zoeken. Want Hij is de Schepper. ‘Ik ben God, de Almachtige, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft.’ Daarin ligt Zijn grootheid. Daarin ligt Zijn almacht. Daarin blinkt Zijn wijsheid. Als u het nou van Hem, die getrouwe Schepper en Onderhouder, mag verwachten. Zoals de Catechismus zegt: ‘En dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen zouden aftrekken, en op God, die almachtige Schepper alleen zouden stellen.’

Het wordt eraan toegevoegd. Naast Zijn Naam Heere, naast het Ik zal zijn Die Ik zijn zal, naast die Verbondsgod, is Hij ook de Schepper en Onderhouder. Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er.

 

Gemeente, als die God uw deel is, wat moet u dan op deze nieuwjaarsdag vrezen, ziende de angst die de volken bezet? Terrorisme. Allerlei angsten. Hoe zal het gaan in deze wereld? Hoe zal het gaan in ons persoonlijke leven? Hoe zal het gaan in ons gezin? Als die Heere uw God is, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft. O, deze zegen, bij alle vragen en raadsels, wat er ook zal wedervaren, hoe het ook zal gaan, te mogen ontvangen. Aanslagen, misschien wel op christelijke gemeentes, misschien wel de verdrukking van allen die naar het Woord van de Heere willen leven in het nieuwe jaar. Aanslagen van de duivel, die rondgaat als een briesende leeuw en zoekt wie hij kan verslinden. Maar de Heere zegene u. Hij doe Zijn zegen nederdalen. Die God, Die hemel en aarde schiep.

 

Gemeente, deze zegen is onverdiend. Als u dat gevoelt vanmorgen, dan gaat u de handen uitstrekken naar het heiligdom. Deze zegen is onmisbaar! Maar deze zegen is nog te krijgen. Want de zegen des Heeren, die maakt rijk en Hij voegt er geen smart bij.

Die zegen is nog te krijgen. Voor bedelaars die hun lege en vuile handen opheffen naar het Heiligdom. Open dan maar uw mond.

Jongens en meisjes, dat bekende versje. Open dan op deze nieuwjaarsdag maar je mond. ‘Eist van Mij vrijmoedig, op Mijn trouwverbond; al wat U ontbreekt, schenk Ik, zo gij ’t smeekt. Al wat je ontbreekt in het tijdelijke, al wat je ontbreekt in het geestelijke, schenk Ik zo gij ’t smeekt. Niet karig, niet een beetje, maar mild en overvloedig!’

In onze tekst is het vertaald als een wens. De zegen, die de priesters op de schare leggen – de Heere zegene u – klinkt als een wens. De Heere moge u zegenen. Maar je mag vanuit het Hebreeuws ook vertalen: De Heere laat u zegenen. Je mag zelfs deze werkwoordsvorm vertalen met: De Heere zal u zegenen. De priesters mogen het zeggen: De Heere zal u zegenen uit Sion. Neem dat mee in dit nieuwe jaar. En dat wij, jij, u en ik, om die zegen verlegen zouden zijn.

Dat wordt merkbaar en zichtbaar in je leven. Dan zul je dagelijks je handen opheffen naar het heiligdom. Dan zul je dagelijks worstelen in de binnenkamer: ‘Heere, schenk mij die zegen. Schenk mij die allernoodzakelijkste zegen van de verzoening met U, van de bekering tot U. Schenk mij de zegen van het leven in heiligmaking. Gun mij door het geloof in Christus krachten om dat te doen uit dankbaarheid.’

Het kan alleen uit Sion. Het kan alleen op grond van de offers en de altaren. Het kan alleen vanwege de genoegdoening en de verdiensten van de  gezegende Heere Jezus Christus.

Als de Heere die zegen nu eens wil doen ervaren in het nieuwe jaar, dan gaan we de Heere loven zoals deze psalm zegt. Dan zal het ook de hartelijke begeerte zijn om te leven tot Zijn eer. Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen (Jes. 43:21).

 

Zie je ze gaan? Daar gaan ze naar huis. Ze gaan de Tempelberg af. Ze gaan naar Galilea en naar het Overjordaanse. Ze trekken allemaal weg en weten niet wat hen wacht. Ze weten niet wat hen thuis zal wedervaren. Maar ze mogen gaan met die laatste bede: De Heere zegene u en Hij behoede u, Hij doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig.

O, dan mogen ze vertroost en versterkt hun levensweg gaan. De geestelijke pelgrims, de gasten en vreemdelingen op de aarde, die het geklank mogen kennen.

 

Gemeente, zo gaan we uiteen. Zo gaan we een ieder zijns weegs. Het is zo verborgen wat de toekomst ons brengen zal. U weet het niet. Jij weet het niet. Ik weet het niet. Maar zo verlaten we op deze nieuwjaarsdag het heiligdom des Heeren, de kerk, Zijn  huis, waar de bediening der verzoening is. Als nu de Heere iets geeft van Zijn rijke zegen, dan mag er een volk vertroost en versterkt de weg, de pelgrimsreis, verder gaan. Het nieuwe jaar in. Wat een gelukkig volk, dat vandaag en morgen mag geloven:

 

Want God, de Heer’, zo goed, zo mild,

Is t’ allen tijd een zon en schild;

Hij zal genaad’ en ere geven;

Hij zal hun ’t goede niet in nood

Onthouden, zelfs niet in de dood,

Die in oprechtheid voor Hem leven.

 

Zo gaan we naar huis. Mag het zijn met de bede van David. Velen zeggen: ‘Wie zal ons het goede doen zien?’ Velen zeggen: ‘Waar moet ik het zoeken in het nieuwe jaar?’

Maar wij bidden: ‘Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, Heere, o eeuwige Verbondsgod!’

Geliefde gemeente, jeugd, we gaan de onbekende toekomst in. Maar: ‘Gij zult de zegen in Mijn Naam op hen leggen.’ De Heere zegene u en behoede u; de Heere doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de Heere verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede (Num. 6:24-26). Hef dan uw handen op naar het heiligdom. Dan zal Hij ze vullen. Want Hij is zo getrouw als sterk, Hij is de Heere, en Hij zal Zijn werk voor u voleinden.

 

Deze trouwe Verbondsgod schenke ons Zijn zegen. Zijn onmisbare zegen doe Hij ons allen rijkelijk ervaren. Om Jezus’ wil.

Een gezegend nieuw jaar!   

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 122: 3

 

Dat vreed’, en aangename rust,

En milde zegen u verblij’,

Dat welvaart in uw vesting zij,

In uw paleizen vreugd’ en lust.

Om vriend en broed’ren spreek ik nu:

‘De vrede zij en blijv’ in u;

Nooit moet haar nijd of twist verkloeken.

Om ’s Heeren huis, in u gebouwd,

Waar onze God Zijn woning houdt,

Zal ik het goede voor u zoeken.’