Ds. A.B. van der Heiden - Lukas 2 : 1 - 7

Vier wegen die naar Bethlehem leiden

Lukas 2
Een weg vanuit de hemel naar Bethlehem
Een weg vanuit Rome naar Bethlehem
Een weg vanuit Nazareth naar Bethlehem
Een weg vanuit ons hart naar Bethlehem

Lukas 2 : 1 - 7

Lukas 2
1
En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.
2
Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrenius over Syrie stadhouder was.
3
En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad.
4
En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was);
5
Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was.
6
En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zoude.
7
En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en leide Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Lofz. v. Zacharias: 1, 4
Lezen : Lukas 2: 1-7
Zingen : Psalm 98: 1, 2
Zingen : Psalm 89: 3
Zingen : Psalm 97: 1

Gemeente, wij mogen met u het kerstevangelie overdenken, zoals de evangelist Lukas het ons overlevert. De boodschap die geklonken heeft in de donkere nacht. Nooit is er in de wereldgeschiedenis een heerlijker, schoner en liefelijker boodschap gebracht. In die nacht zagen de herders dat de hemel openging en de engelen predikten: ‘U is heden geboren de Zaligmaker.’ De Zaligmaker, op Wie al eeuwen gewacht werd, in Wie al Gods beloften vervuld zouden worden.

Bethlehem is het stadje waarheen ons het Woord vandaag wijst. Er gaan vele wegen naar Bethlehem. Deze wegen willen we met de hulp van de Heere in deze dienst met u overdenken, naar aanleiding van het gelezen Schriftgedeelte, Lukas 2 vers 1 tot en met 7.

 

Het gaat over: Vier wegen die naar Bethlehem leiden.

 

We zullen stilstaan bij:

1. Een weg vanuit de hemel naar Bethlehem

2. Een weg vanuit Rome naar Bethlehem

3. Een weg vanuit Nazareth naar Bethlehem

4. Een weg vanuit ons hart naar Bethlehem

 

Mocht de beleving van het laatste punt waar voor ons worden, voor het eerst of opnieuw! Want dan wordt het voor ons persoonlijk kerstfeest. Een zalig en onvergetelijk kerstfeest.

 

1. Een weg vanuit de hemel naar Bethlehem

 

Bethlehem, het stadje waarvan de profeet Micha geprofeteerd heeft: En gij, Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël (Micha 5:1). Al is het dan, zo zegt de profeet, dat in Bethlehem de eenvoudigsten van het geslacht van Juda wonen, uit dat geslacht en uit die stad zal God Zijn Zoon doen voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël en Wiens uitgangen zijn vanouds, van de dagen der eeuwigheid. Deze zal heerlijk zijn in Israël.

Dit belijden we ook met de kerk der eeuwen in de geloofsbelijdenis van Nicea, waar Gods gemeente belijdt: ‘Ik geloof in de Zoon van God, Jezus Christus, Die uit de Vader geboren is, van alle eeuwen, voor alle eeuwen. Die God is uit God. Die het Licht zelf is, omdat God het eeuwige Licht is. En Die vlees geworden is, door de Heilige Geest uit de maagd Maria. Die om ons mensen en om onze zaligheid is neergedaald uit de hemel.’

 

Gemeente, dan is wat hier de kerk belijdt, de weg die vanuit de hemel naar Bethlehem loopt. Hij is nedergedaald uit de hemel. Want het is immers de eeuwige Zoon van God, Die in Bethlehem mens geworden is.

Waarom? Omdat God lust heeft in het zaligen en in het behouden van verloren zondaren. Dit heil heeft God Zelf willen uitdenken in Zijn eeuwig raadsbesluit. Om Zich uit het verloren Adamsgeslacht een gemeente te vergaderen tot het eeuwige leven en de eeuwige zaligheid.

Dit welbehagen staat als met gouden letters in de Bijbel. De engelen hebben het mogen bezingen in de donkere nacht. Zij hebben gesproken van de eer van God: Ere zij God, in de hoogste hemelen. Maar, wat een wonder, ook vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Luk. 2:14). Want er zal vrede op aarde komen. Waarom? Omdat God naar Zijn eeuwig welbehagen een welbehagen in mensen heeft.

 

En wat zijn dat nu voor mensen? Gemeente, het zijn diep gevallen en verloren mensen. Mensen die allen in Adam afscheid genomen hebben van God. Mensen die in de dood verzonken liggen. Mensen die vijanden van God geworden zijn. Zij hebben zichzelf van de gemeenschap van God beroofd. Mensen die het elke dag met hun daden betonen: Wijk van ons, want aan de kennis van Uw wegen hebben wij geen lust (Job 21:14).

In Adam zijn immers alle mensen vijanden van God geworden. Hierdoor is er niemand die vanuit zichzelf naar de Heere vraagt en zijn handen uitstrekt naar de levende God.

Gemeente, dit is nu het beeld van ons allen hier in de kerk, van jongeren en ouderen. Maar deze dag – de kerstdag – roept ons toe dat God in Zichzelf bewogen geweest is om naar mensen om te zien. Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon (het Liefste wat Hij had) gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16).

Gemeente, vandaag gaat het niet over ónze liefde, niet over óns zoeken naar de Heere, maar over de eeuwige, onbevattelijke liefde en het welbehagen van God, om uit het geslacht van Adam een gemeente bijeen te vergaderen. Dat is een wonder van Goddelijke liefde! Want niet wij hebben God liefgehad, maar God had mensen lief. Hij wil omzien naar Adamskinderen, die in zonde en schuld verloren liggen.

 

Er is dus een weg vanuit de hemel naar Bethlehem gebaand. Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave (2 Kor. 9:15). Want er was immers geen weg meer van de aarde naar de hemel terug. Alle wegen waren door de zonde vastgelopen. God zegt tot de zondaar in Zijn Woord: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal. 3:10). Kerst predikt ons dat onbegrijpelijke, nooit te bevatten, aanbiddelijke wonder dat God bewogen was om een weg van de hemel naar de aarde te banen. Omdat God in gevallen mensen een welbehagen heeft. God is mens geworden en nam ons vlees en bloed aan. Hij wilde Zijn broeders in alles gelijk worden. Hij wilde mens worden in de kribbe van Bethlehem, in een beestenstal. Er is geen lagere plaats te bedenken. Daar in een eenvoudig stadje in Juda, Bethlehem.

 

Wie zal dit wonder van Gods liefde en wijsheid ooit in woorden kunnen vertolken? God zet alles in beweging wanneer Hij de belofte van Zijn liefde, waarvan Hij gesproken heeft in het paradijs, gaat vervullen. Die belofte waar alle profeten van gesproken hebben. Als God Zijn Woord gaat vervullen, moeten alle dingen op aarde dienstbaar zijn om Zijn raadsplan uit te voeren. Dat brengt ons bij de tweede gedachte:

 

2. Een weg vanuit Rome naar Bethlehem

 

Gemeente, er loopt dus niet alleen een weg van de hemel naar Bethlehem, maar ook in Gods raadsplan een weg van Rome naar Bethlehem: En het geschiedde in diezelve dagen, dat er een gebod uitging van de keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.

 

In Rome zetelt de allermachtigste keizer. Maar deze keizer is met al zijn macht maar een nietig instrument om te doen wat God behaagt. Niet keizer Augustus laat iets van zijn glans over de kribbe van Bethlehem schijnen, maar het Kind van Bethlehem laat de heerlijkheid van Zijn macht zelfs afstralen op een man die daar in Rome denkt een god te zijn. Hij laat zich als een god verheerlijken. Voor deze keizer werden zelfs offers gebracht en tempels gebouwd. Het woordje Augustus betekent: de verhevene. Het is een bijzondere naam die men aan de keizer gegeven had.

Deze zichzelf vergoddelijkende, verheven keizer wordt door de Heere gebruikt om een gebod uit te vaardigen dat de gehele wereld beschreven zou worden. God regeert ook over deze keizer. Want zijn niet de koningen en de vorsten zo in Zijn hand, dat wanneer God hun harten neigt, ze zullen doen wat Hem behaagt?

De profeet Daniël heeft dit ook gezien in zijn wonderlijke visioen. Toen de Heere hem toonde hoe, hoog in de bergen, een steen zonder handen los werd gehouwen. Deze steen rolde voort en vermaalde al de koninkrijken van deze wereld. Alle machten en heerschappijen zullen te niet worden, maar Gods rijk zal zonder einde zijn. God laat ons in de geboortegeschiedenis van de Heere Jezus dus zien dat Hij over Rome en de machtige keizer de beschikking heeft, zoals Hij dat wil.

 

Welnu, keizer Augustus maakt een decreet – in de oorspronkelijke taal staat: een dogma – waardoor tot in de uithoeken van zijn machtig keizerrijk alles in beweging gezet wordt. De keizer wil weten hoeveel inwoners er in zijn rijk wonen. Zo zou de keizer te weten komen over hoeveel belastinggelden hij kon beschikken.

God laat in Zijn Goddelijk bestuur een bevel uitvaardigen Dit moet dienen om het Woord van God in vervulling te doen gaan. En gij Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël (Micha 5:1).

Het is alles in het eeuwige raadsplan van God om Jozef en Maria te bewegen vanuit Nazareth op te trekken naar de stad van David.

Ach gemeente, het huis van David was nog maar een afgehouwen tronk. Niets van de heerlijkheid, glans en glorie van dit koningshuis was meer te vinden in Israël. Jozef is een eenvoudige timmerman in Nazareth. Hij woont daar met Maria, zijn ondertrouwde vrouw. Nazareth is een veracht stadje in Galilea, het noorden van Israël. Een stad waarover men sprak: Kan uit Nazareth iets goeds zijn (Joh. 1:47)? Dit komt omdat Nazareth in Israël bekend stond als een stad die verzonken was in het heidendom, in duisternis en onwetendheid. Jeruzalem was immers het godsdienstige centrum van Israël, maar Nazareth lag in het Galilea der heidenen.

 

En daar, in dat verachte Nazareth in Galilea, is Gabriël, de engel Gods, aan Maria verschenen. En toen is dat onbegrijpelijke wonder vervuld: En zie, gij zult bevrucht worden (Luk. 1:31). De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden (Luk. 1:35).

Maria heeft vol eerbied en aanbidding gezegd: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord (Luk. 1:38). Wat ook de weg van God zou zijn en welke moeite en kruisen er aan verbonden zouden zijn, welke spot, oneer en verachting het voor haar heeft moeten meebrengen, Maria zei: Mij geschiede naar uw woord. Maria mag gehoorzaam de weg van de Heere volgen.

De Engel des Heeren verscheen ook aan Jozef in een droom en maakte hem bekend dat het Kind Dat Maria verwachtte uit de Heilige Geest ontvangen was en de Zaligmaker zou zijn. 

 

En dan wordt ook in Nazareth het keizerlijk bevel ontvangen dat een ieder moet gaan naar de plaats waar het voorgeslacht geboren is. Zo maakt God Zijn eigen Woord waar. Wij zouden zeggen dat Rome en Nazareth plaatsen zijn waar nauwelijks enig verband tussen is. Rome, die machtige wereldstad, is het centrum van het Romeinse keizerrijk. Dat andere stadje is een veracht en een vergeten oord in het Galilea der heidenen. Maar daar, daar in die plaats, roept God dit ouderpaar. Dit brengt ons bij onze derde gedachte:

 

3. Een weg vanuit Nazareth naar Bethlehem

 

Jozef en Maria moeten zich naar Bethlehem spoeden. De keizer wil immers dat iedereen bij de volkstelling weer teruggaat naar de plaats van het voorgeslacht. Omdat hij – Jozef – uit het huis en geslacht van David was. Opdat in Bethlehem het Woord van God vervuld zal worden. Het Woord dat de Heere gesproken heeft in het paradijs: En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad (Gen. 3:15).

In Bethlehem zal het broodhuis geopend worden en het levende Brood uit de hemel neerdalen. Daar zal de bornput van levend water gaan ontspringen. In Bethlehem, daar zal het geschieden!

 

En gemeente, het is geschied. Jozef en Maria zijn in Bethlehem aangekomen, maar er is geen plaats voor de aanstaande moeder Maria om haar Kind ter wereld te brengen. Er is geen plaats voor hen. Alle deuren zijn dicht. Alle huizen zijn vol. De herberg is ook vol. Vol van mensen die van elders zijn gekomen. Er is er niet één die zegt: ‘Kom maar binnen. Ik breng de nacht buiten door, zodat deze moeder, die op het punt staat een Kind ter wereld te brengen, onderdak heeft.’ Er is niemand die bewogen is.

Dan worden ze naar de beestenstal verwezen. Naar de plaats waar de dieren verkeren. Een lagere plaats is niet denkbaar. Wie kan zich ooit een nederiger plaats indenken? Daar moet Maria haar Kind ter wereld brengen. Daar, in die allerbitterste armoede.

 

En dan ziet Maria haar uur vervuld, dat zij baren zal. En zij baarde haar eerstgeboren Zoon. Te midden van het vuil en de onreinheid en in de allerarmoedigste omstandigheden. De stal en de kribbe prediken ons: arm geworden, daar Hij zo rijk was… Wij kunnen nooit woorden vinden om de diepte van de armoede, waarin Jezus wilde afdalen, te peilen.

Hij daalde neer in het vuil, in de ellende en de dood van diep gevallen zondaren. Hij is arm geworden voor mensen die alles kwijt zijn; doodarm, zonder God, zonder hoop en verloren in zonde en schuld. Hij is neergedaald om hen te redden en te verlossen. Opdat Hij rijk zou maken, door Zijn armoede. Want Jezus’ armoede is een borgtochtelijke en plaatsbekledende armoede. Dat predikt ons die beestenstal.

 

En daar komt het ogenblik waarop het Kindeke Jezus, de Zoon van God – maar tegelijkertijd ook de Zoon des mensen, vlees van ons vlees en been van onze beenderen – geboren wordt op de aarde. Straks zingt het engelenkoor een vreugdegezang om de lof van de drie-enige God te bezingen. Mochten wij ook vandaag met ons hart met deze engelenzang instemmen, tot eer van God. De engelen prediken ook de boodschap van vrede op aarde in een wereld verloren in zonde en schuld. Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Luk. 2:14).

O wonder van Gods ontfermende genade! Heilsfeit van onbegrijpelijke betekenis!

 

Een weg die van de hemel naar de beestenstal leidt. Want Jezus wordt niet geboren in de paleizen van de keizer, niet in de hoven van de groten van de aarde, niet in een schitterende tempelzaal in Jeruzalem, maar in een beestenstal, bij de voerbak van de dieren.

Daar wordt dit Kind, Dat God is, op Wie eeuwen is gewacht, neergelegd. Daar wordt de Schepper – Die te prijzen is tot in der eeuwigheid, Die God uit God is, Licht uit Licht is en de Schepper van de einden van de aarde en het ganse heelal – een hulpeloos Kind. Daar wordt Hij, Die de Allerhoogste is, de Allerlaagste. Dan wordt Hij, de Almachtige, een hulpeloos Kind. Daar wordt Hij in doeken gewonden, als het bewijs van armoede. En dit zal u het teken zijn: Gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe. De Allerrijkste wordt de Allerarmste.

 

Daar gaat in Bethlehem het liefdehart van God de Vader open, in het Kind, in Wie God van de hemel predikt: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16). Opdat dit heilig Kind Jezus het recht van God zou bevredigen en de toorn van God zou dragen.

Want Jezus kwam om te lijden en te sterven. Hij kwam om de toorn van God te dragen en de vloek van de vloekwaardigen op Zich te nemen. Hij kwam om de schuld van de schuldigen te betalen.

 

Wij hebben allen God verlaten. Wij zijn van nature zonder God in de wereld, door onze eigen schuld, omdat wij in Adam de gemeenschap met God verbroken hebben. Maar het Kind van Bethlehem is gekomen om ook zonder God in de wereld te zijn. Hij kwam om aan het kruis geslagen te worden. Reeds boven de kribbe van Bethlehem zien wij de contouren verschijnen van het kruis van Golgotha. Hij zal straks van God verlaten worden en op het vervloekte hout moeten uitroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth. 27:46)

Daarom mogen we nooit de kribbe van Bethlehem losmaken van het kruis van Golgotha. Die zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Jezus werd als het ware al aan het kruis geslagen in Bethlehem. Zijn lijden begon toen Hij op aarde kwam. Daarom, als de onderwijzer in de catechismus antwoord geeft op de vraag: ‘Wat betekent het woordje  ‘geleden’ in de Apostolische Geloofsbelijdenis?’, dan antwoordt hij: ‘Dat Hij aan lichaam en ziel, de ganse tijd Zijns levens, de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen heeft.’ Zo zegt ons de catechismus. In de kribbe wordt het Kind van Bethlehem al onmiddellijk de Man van smarten.

En dat geeft nu de engelen stof om God te verheerlijken. Het predikt ons de vrede die God bereid heeft. Want zo wil God het ook gaan openbaren, dat Hij in mensen een welbehagen heeft.

 

Laten wij er eerst van gaan zingen, gemeente, uit Psalm 89 het derde vers:

 

De hemel looft, o Heer’, Uw wond’ren, dag en nacht;

Uw waarheid wordt op aard’ de glorie toegebracht,

Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen;

Want wie is U gelijk bij al de hemelingen?

En, welke vorsten ooit het aardrijk moog’ bevatten,

Wie hunner is, o Heer’, met U gelijk te schatten?

 

Verschillende wegen die naar Bethlehem gaan. Wij stonden met u stil bij een weg van de hemel naar Bethlehem. Want God de Vader legt Zijn Zoon in de beestenstal, in een kribbe. Paulus roept het uit: Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave (2 Kor. 9:15).  Een weg van de hemel naar Bethlehem. In de hemel uitgedacht en vervuld in de tijd.

Daarna zagen we een weg vanuit Rome naar Bethlehem. Een gebod dat de keizer uitvaardigde.

Ten derde zagen we een weg van Nazareth naar Bethlehem. Jozef en Maria moeten de reis maken naar Bethlehem.

We letten ten slotte op:

 

4. Een weg vanuit ons hart naar Bethlehem

 

Nu kan het voor ons, voor u en jou, alleen maar een gezegend kerstfeest zijn, als er ook vandaag vanuit ons hart een weg naar Bethlehem gebaand wordt. Dan wordt het echt kerstfeest. Als we vandaag voor het eerst of opnieuw in datzelfde Bethlehem mogen komen. Als we met haast mee reizen met de herders, maar ook met de wijzen uit het Oosten, of met een Simeon en Anna. Met allen die alle eeuwen door het Kind van Bethlehem hebben gezocht en die het Kind hebben mogen vinden in de kribbe, in doeken gewonden. En ons hier over God te verwonderen, zoals Van Lodenstein het zo ontroerend gezegd heeft in één van zijn gedichten:

 

Komt, verwondert u hier, mensen,

ziet hoe dat u God bemint,

ziet vervuld der zielen wensen,

ziet dit nieuwgeboren Kind!

 

Want hier laat God van de hemel prediken dat Hij mensen bemint – liefheeft – die niet beminnenswaardig zijn.

 

Nu is er hier misschien een kind in de kerk dat zegt: ‘Wij kunnen nu toch niet meer naar de stal van Bethlehem gaan? Dat kan toch niet? De Heere Jezus is toch niet meer op de aarde?’ En toch, wat die herders gezien hebben, dat laat de Heere nu nog Zijn kinderen op aarde zien, als ze door het geloof in het Woord van God het Kindeke vinden mogen. Vraag maar of de Heere dat jou ook wil leren door Zijn onderwijs uit de Bijbel.

 

Gemeente, hier in Bethlehem gaat de eeuwige liefde van God schitteren. Daar gaat nu een weg open die eeuwig gesloten had moeten blijven. Want er was geen weg meer naar God en Zijn gemeenschap. In Bethlehem wordt de ladder van Jakob opgericht.

Nu wordt het voor ons pas werkelijk kerstfeest als wij deze ladder, op aarde gesteld, mogen zien in ons hart. Als ons zielsoog het Kind van Bethlehem mag bewonderen. Als het Kind van Bethlehem alles mag worden. Als het Kind van Bethlehem mag geboren worden in ons hart. Als de Geest van Christus dit Evangelie in zijn volle, heerlijke kracht opent in ons hart. Voor een mens die God nooit iets anders kan aanbieden dan vuil en onreinheid, schuld en zonde en ongerechtigheid. Een mens die het voor God alleen maar verderven kan.

 

Wat een wonder als het zo eens kerstfeest wordt in mijn leven! Als de Geest van God het Kind van Bethlehem geboren laat worden in de beestenstal van mijn hart. Wat een wonder als dit gebeurt in uw leven! Dan zult u het nooit meer vergeten. Dit is zo groot en niet in woorden uit te drukken.

Want dan laat God u prediken dat in het Kind van Bethlehem er zaligheid te verkrijgen is voor een rampzalige. Dat er behoudenis is voor een verlorene. Dat er verzoening is voor schuldigen. Dat er vriendschap is voor vijanden, die God de oorlog hebben verklaard. Dat er leven is voor doodschuldigen. Dan wordt het woord van Paulus waar, dat hij schrijft aan de gemeente van Efeze: En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden (Ef. 2:1).

 

O gemeente, nu kunt u, wie u ook mag zijn, jong of oud, nog met God verzoend worden.  Dan gaat er zo’n eeuwige ruimte open in het Kind van Bethlehem, Die niet in de wereld kwam om de rechtvaardigen te roepen, maar om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Nu kunt u zalig worden, omdat er op aarde een boodschap gebracht is dat God in mensen een welbehagen heeft. 

 

Het Kind van Bethlehem draagt zo’n onuitsprekelijk schone en heerlijke Naam. Niet een naam die mensen Hem gegeven hebben, maar God de Vader. En gij zult Zijn Naam heten Jezus (Luk. 1:31). Nooit is er een heerlijker, schoner, lieflijker en dierbaarder naam genoemd, dan deze Naam. Daar ligt alles in: Jezus.

 

Vandaag roept God u op door Zijn Woord. Hij dringt u, om nu alles van deze wereld prijs te geven en om heen te gaan naar Bethlehem Om dan, net als de herders, alles te verlaten en met haast te komen, om daar in Bethlehem het Kind te bewonderen.

In Hem worden al Gods beloften vervuld. Op dit Kind is eeuwen gewacht. De heiligen van het Oude Testament hebben met een innig, hijgend verlangen naar Hem uitgezien. Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, zo schrijft Jesaja (Jes. 64:1). 

In Hem is alles te krijgen: zaligheid, vrede en verzoening met God, vergeving der zonden, wederopstanding van het vlees en het eeuwige leven.

 

Wat moet je dan meebrengen? Dan kun je alleen maar jouw dood, schuld, ellende, vloek en doemwaardigheid meebrengen. Nu is er vandaag in de kerk niemand te arm. Want Jezus is nog armer geworden en Hij komt om armen met goederen te vervullen.

Dan is er niemand te slecht, niemand te onwaardig, niemand te ongeschikt, niemand te onrein, want Hij daalde in de diepste onreinheid af.

Wij denken soms dat wij ons voor Gods genade geschikt moeten maken. Een mens probeert zich daarvoor soms in duizend bochten te wringen. Maar u kunt uzelf nooit meer geschikt maken! Ik kan mij alleen maar geschikt maken voor de hel en de rampzaligheid. Maar het Kind van Bethlehem zegt: ‘Kom, ongeschikte! Kom, onwaardige! Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth. 11:28).’

 

Dat vandaag uw oog op dat Kind mocht zijn en u Hem door het geloof mag aanschouwen.

Want Hij roept het u toe, dat er in Hem zo’n volheid is, waaruit al uw leegheid, gebrek, tekort en alles wat je mist vervuld kan worden. Je bent niet te vuil, want Hij daalde af in het vuil van de beestenstal.

Denk aan Asaf. Hij had zulke verkeerde gedachten van de Heere gehad. Toen de Heere hem op zijn plaats zette, moest hij belijden: Ik was een groot beest bij U (Ps. 73:22). Weet je wat nu zo’n groot wonder is? Het Kind van Bethlehem is in een beestenstal te vinden. Hij daalde af in de beestenstal, om daar voor mensen die zich als een beest voor God leren kennen de zaligheid te verdienen. In dit hulpeloze Kind heeft God hulp besteld. ‘Ik heb hulp besteld bij een Held, Die machtig is te verlossen.’

 

Gemeente, dat uw of jouw oog dan op dit Kind mag zijn! Om Hem door het geloof te zien, te bewonderen en te aanbidden. Het is zo eeuwig groot, als het voor het eerst of opnieuw kerstfeest wordt in het leven. Dan zal de vrucht zijn: ‘Dat ik, Heere, die onpeilbare diepe liefde die U in uw nederige geboorte openbaart, in wederliefde mag beantwoorden. De wederliefde die U toekomt. U hartelijk liefhebben, omdat U mij eerder zo uitnemend hebt liefgehad!’

 

De dichter van Psalm 33 zingt: ‘Zalig moet men noemen, die hun Maker roemen.’ Die Maker mag ontmoet worden in de kribbe van Bethlehem. Als hun Heere en God, Die om mijnentwil arm geworden is, terwijl Hij rijk was.

Het zijn ontroerende, aangrijpende woorden die Paulus schrijft in 2 Korinthe 8 vers 9: Want Gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil (en dan neemt Hij al Gods kinderen daar in mee) is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.

Kun je dit ooit begrijpen? Wij kunnen wel goed begrijpen dat iemand die rijk is een ander rijk kan maken. Maar wanneer iemand nu doodarm is? Liggend in een kribbe in een beestenstal? Straks zal Jezus nog armer worden, als het allerlaatste bezit – Zijn kleed – van Hem zal worden afgenomen. Naakt zal Hij aan het vloekhout geslagen worden. Zo arm is Hij geworden. De Allerrijkste moest de Allerarmste worden, omdat wij naakte schandelijke zondaren voor God zijn. Om zo met de mantel der gerechtigheid en klederen des heils bekleed te kunnen worden.

Jezus werd ook nog met een doornenkroon gekroond. Waarom? Opdat Gods kinderen zullen zingen:

 

Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen.

 

Gemeente, de boodschap van het Evangelie is dat Jezus geboren is om armen rijk te maken. In de plaats van de schuldigen, heeft Hij Zich schuldig laten verklaren. Hij komt om de dood, waaraan wij onderworpen zijn, voor Zijn rekening te nemen. Hij zal ter dood veroordeeld worden en van God verlaten worden, voor mensen die eeuwig van God verlaten moesten worden.

 

Zo komt Hij in de beestenstal. Voor Jezus was er geen plaats in de wereld. Maar nu gaat Hij door Zijn Geest plaats maken in de harten van zondaren. Hij zoekt hen op. Wat een wonder! Hij maakt plaats bij treurigen die Hij troosten zal. Bij nooddruftigen over wie Jezus Zich ontfermen zal.

En dan wordt het wonder zo groot, wanneer we door Gods genade daarvan nu ook iets mogen leren. Als dat voor mij eens waar wordt. Als ik die arme word, die door de zonden alles verspeeld heb. Als ik die schuldige word, die door de schending van Gods wetten de toorn van God waardig geworden ben. Wanneer ik die nooddruftige, die ellendige voor de Heere worden mag. Wat wordt het dan een wonder dat er een weg is van de hemel naar de aarde, toen er geen weg meer was van de aarde naar de hemel.

Dan komt er een vluchten tot dat gezegend Kind van Bethlehem. Dan wordt het voor mij persoonlijk een zalig en gezegend kerstfeest, en mag ervaren worden:

 

Nooddruftigen zal Hij verschonen;

Aan armen, uit genâ,

Zijn hulpe ter verlossing tonen;

Hij slaat hun zielen gâ.

 

We gaan eindigen. Is het al eens kerstfeest in uw leven geweest? Jongens en meisjes, weten jullie wat het is om echt kerstfeest te vieren? Misschien zeg je: ‘Het is al zo veel jaren kerstfeest in december. Ik heb het al zo vaak meegemaakt, toen ik nog heel jong was, op school, in de kerk en op de zondagschool.’ Maar weet je wat nu een echt kerstfeest is? Echt kerstfeest is het als je als een arme, verloren zondaar het Kind van Bethlehem, de Zaligmaker mag vinden, in doeken gewonden en liggende in de kribbe.  Wanneer wij Hem zien zoals de herders Hem hebben gezien, die vol verwondering en aanbidding voor Hem zijn neergevallen, voor wie het waar geworden is wat Johannes zegt in zijn evangelie: Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid (Joh. 1:14).

Hoort u dat, gemeente? Hij is vol van genade en waarheid. Genade wil zeggen: vrijspraak, gratie voor ter dood veroordeelden.

 

Hebt u zo al eens kerstfeest gevierd? Hebt u het leven al buiten uzelf gezocht in het Kind van Bethlehem? De farizeeën en de schrifgeleerden hebben geen behoefte gehad om naar Bethlehem te reizen.  Toen de wijzen uit het Oosten in Jeruzalem kwamen wezen ze wel de weg naar Bethlehem, maar ze hadden geen begeerte om zelf die geboren Koning te aanbidden.

Gemeente, is de boodschap van het kerstfeest voor u al een onuitsprekelijk groot wonder geworden? Kent u de klacht uit Psalm 70: ‘Ik ben nooddruftig, arm en naakt, haast U tot mij, wil bijstand zenden’? Als u nu vanmorgen als zo’n arme en ellendige in de kerk zit, hoor dan! In dit Kind van Bethlehem is alles te verkrijgen wat u nodig hebt. Want Hij is van God gegeven tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en een volkomen verlossing.

 

U die de Heere vreest, dat u vandaag opnieuw uw Zaligmaker zou mogen aanschouwen. Weet dat die Man niet rusten zal, zoals eenmaal Boaz, totdat Hij Zijn bruid in Zijn zalige gemeenschap gebracht heeft. Dat dan de lof van God ten hemel zou mogen rijzen, zoals de dichter in psalm 147 zegt: 

 

Laat ’s Heeren lof ten hemel rijzen;

Hoe goed is ‘t onze God te prijzen.

‘t Betaamt ons psalmen aan te heffen,

Die lieflijk zijn, en harten treffen.

 

Ja, roep het uit: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16). Niet dat wij Hem hebben liefgehad, maar dat Hij ons eerst heeft liefgehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot verzoening van al onze zonden.

Dat doet Gods kind stamelen: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1 Joh. 4:19). Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 97:1

 

God heerst als Opperheer;

Dat elk Hem juichend eer’!

Gij aarde, zee en eiland,

Verheugt u in uw Heiland.

Hem dekt met majesteit

Der wolken donkerheid;

Hij vestigt Zijnen troon

Op heil’ge rijksgeboôn,

Vol recht en wijs beleid.