Ds. D.W. Tuinier - Mattheüs 1 : 22 - 23

De Naam Immánuël

Oudtestamentisch voorzegd
Door God de Vader gegeven
In God de Zoon vervuld
Door God de Heilige Geest ontvangen

MattheĆ¼s 1 : 22 - 23

Mattheüs 1
22
En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van den Heere gesproken is, door den profeet, zeggende:
23
Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Emmanuel; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 46: 4
Lezen : Mattheüs 1: 18-25
Zingen : Psalm 124: 1, 2, 3, 4
Zingen : Psalm 98: 2
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 4

Gemeente, Gods Woord komt tot ons in het aan u voorgelezen gedeelte uit het evangelie van Mattheüs. Ik vraag uw aandacht voor de verzen 22 en 23:

 

En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen van de Heere gesproken is door de profeet, zeggende: Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en gij zult Zijn Naam heten Immánuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.

                                                                                             

We schrijven onder de tekst en boven de preek: De Naam Immánuël.

 

We letten op vier aandachtspunten:

1. Oudtestamentisch voorzegd

2. Door God de Vader gegeven

3. In God de Zoon vervuld

4. Door God de Heilige Geest ontvangen

 

1. Oudtestamentisch voorzegd

 

Stel: u krijgt deze week een geboortekaartje in uw brievenbus. Wat doet u daarmee? Ik stel me zo voor: u bekijkt het, u leest het meerdere keren. Het staat te pronken op de schouw in de kamer, voor iedereen zichtbaar. Heel belangrijk vindt u de naam van het kind. Ja toch? Dat is één van onze eerste vragen. Hoe heet de nieuwe wereldburger? En de aanstaande ouders zijn hier al lange tijd voor de geboorte mee bezig. Hoe gaat ons kindje heten? Dat is belangrijk, want met je naam moet je een leven lang doen. Met je naam word je aangesproken.

 

Zeker in het oude Israël, wanneer Gods Zoon geboren wordt, is de naamgeving van een kind een zeer belangrijke aangelegenheid. Want in de naam wordt iets van het wezen van het kind uitgedrukt. Zoals de naam van het kind is, zo is het kind. Bij de mensen gaat dat lang niet altijd op, maar Jozef en Maria denken niet lang na over de naam van hun Kind. Want God Zelf heeft Hem een Naam gegeven, zelfs meer dan één. In de Bijbel staan meer dan tweehonderdvijftig namen, als het gaat om Gods Zoon Die mens is geworden.

Tot twee keer toe laat God de Vader vanuit de hemel de geboorte van Zijn Zoon aankondigen. Met daarbij uitdrukkelijk het bevel: Gij zult Zijn Naam heten Jezus. In onze

tekst komen twee namen voor, maar het gaat nu om de tweede naam: Immánuël. God laat de keus van de naam van Zijn Zoon niet aan mensen over. Ook moeder Maria mag Zijn naam niet bedenken. God Zelf wil dat de persoonsnaam van Zijn Zoon volkomen weergeeft Wie Hij is en wat Zijn werk op aarde is. Zijn Kind en de naam van Zijn Kind moet een openbare prediking, een proclamatie zijn voor heel de wereld. Daarom Zijn Goddelijk bevel: ‘Gij zult Zijn Naam heten Jezus, Immánuël, God met ons.’ Dat wordt zowel Jozef als Maria meegedeeld.

 

Het is niet zo gemakkelijk voor Jozef. Er komt een moment dat hij merkt dat zijn verloofde zwanger is. Wat schrikt hij! Dat kunt u begrijpen. Wat een schok! Wat een ontnuchtering! En, zo lezen we in vers 19: Jozef, alzo hij rechtvaardig was – hij wil zijn meisje niet in het openbaar te schande maken – was van wil haar heimelijk te verlaten. Reken maar dat het veel strijd heeft gekost!

Dan, in de nacht, komt de hemelboodschapper tot hem in zijn droom. Zijn boodschap is: ‘Jozef, Maria zal de moeder van Gods Zoon, de Zaligmaker worden. Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Zijn Naam zal Jezus zijn. Dit is in het Oude Testament voorzegd.’ Daarom schrijft Mattheüs: En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen van de Heere gesproken is door de profeet, zeggende... ‘Jozef, alles wat Ik tegen je zeg, dat is niet anders dan vervulling van de oudtestamentische profetie.’

 

Dan herinnert Mattheüs, de schrijver van dit evangelie, ons aan de geschiedenis uit de profetie van Jesaja, het zevende hoofdstuk. Jesaja wordt door de Heere naar de goddeloze koning Achaz gestuurd. De koning is op dat moment wanhopig. Waarom? Juda wordt van drie kanten aangevallen door de vijand. Het is, in één woord: hopeloos! Het volk is radeloos, Achaz is redeloos.

Dan mag Jesaja als een boodschapper van de hemel het radeloze volk een troostboodschap brengen. Hij zegt: ‘U hoeft niet bang te zijn, want de Heere is met u. Hij zal u niet begeven en Hij zal u niet verlaten. Wilt u een teken?’ Maar koning Achaz schudt beslist zijn hoofd, in ongeloof en vijandschap. Hij wil geen teken. Hij wil iets anders. Hij wil een monsterverbond sluiten met andere koningen. Hij heeft de God van Israël niet nodig.

Dat is aangrijpend, geliefden! Toch – ondanks die brute weigering – geeft God een teken. Dan wijst Jesaja in Jesaja 7 vers 14 op een jonge vrouw. Zij is maagd. Zij zal zwanger worden. Ze loopt op alle dag. Zij draagt een Kind onder haar hart. Zij draagt het Kind in haar moederschoot. En dit Kind, koning Achaz, deze Zoon die zij zal baren, is een bovennatuurlijk Kind. Zijn ontvangenis en geboorte zal een buitengewoon Godswonder zijn.

 

Zij zal haar Kind Immánuël noemen. Dat betekent: God met ons. De God van de geslachten, de God van Abraham, Izak en Jakob, de Jahweh, zal op Zijn tijd en op Zijn wijze het volk Israël verlossen. Immánuël zal komen om Israël te verlossen uit al zijn benauwdheden.

Deze oudtestamentische woorden zullen in vervulling gaan: En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen van de Heere gesproken is door de profeet, zeggende: Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en gij zult Zijn Naam heten Immánuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.

Een maagd zal zwanger worden! Kan het onmogelijker? Een maagd gaat een kind ter wereld brengen. Hét Kind. En Zijn Naam is een openbare, internationale, wereldwijde proclamatie van Gods eeuwige, onveranderlijke en eenzijdige zondaarsliefde en trouw. Want Zijn Naam zal zijn: Immánuël, God met ons.

 

Het thema van de preek is: De Naam Immánuël. We hebben in de eerste plaats gezien dat deze naam oudtestamentisch is voorzegd. We letten in de tweede plaats op:

 

2. Door God de Vader gegeven

 

Reeds in de moederbelofte klonk deze heerlijke Naam. Op elke bladzijde in het Oude Testament komt u Immánuël tegen. Als u maar diep genoeg graaft en verlegen bent om ogenzalf. Hij is zichtbaar gepredikt, afgeschilderd en geprofeteerd door de patriarchen, in de ceremoniële eredienst en de profeten.

Achter elke oudtestamentische belofte klinkt: ‘Immánuël!’ Achter elk oudtestamentisch offer klinkt:Immánuël!’ Achter elke geloofsoefening onder de oude bedeling, elke vertroosting klinkt: ‘Immánuël! God met ons!’

Onder de oude bedeling zijn er velen geweest die, al hebben zij de vervulling niet meegemaakt, toch door het geloof met verlangen hebben uitgezien naar de vervulling. Ze zagen uit naar de Vervuller van de belofte. Door het geloof hebben ze Hem gezien en omhelsd, al was het van verre. Dat is hen tot grote troost geweest. Daarom roept Lamech uit met Noach in zijn armen: Deze zal ons troosten (Gen. 5:29). Daarom roept Jakob uit op zijn sterfbed: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere (Gen. 49:18). Ondanks de aanvechtingen en de strijd, ondanks alles wat er tegenop komt, vervult God Zijn beloften, dwars door al het onmogelijke van onze kant heen.

 

Wat in het Oude Testament is beloofd, wordt in het Nieuwe Testament volkomen vervuld. ‘Jozef,’ zegt de engel Gods, ‘dit is wat door Jesaja is geprofeteerd: Zie, een maagd zal zwanger worden!’

Gemeente, wat zal Jozef bevestigd zijn in zijn geloof. De zon breekt door. Het wordt licht in zijn ziel: ‘Ik heb het zelf uit Zijne mond gehoord.’

Hetgeen van de Heere gesproken is door de profeet: ‘Een maagd zal zwanger worden en een Zoon baren’, dat wordt vervuld, door het onmogelijke heen. God is een God van wonderen. En gij zult Zijn Naam heten Immánuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.

 

God met ons. Laat deze woorden eens tot u doordringen! Dan past ons verootmoediging en diep ontzag. We spreken het zo gemakkelijk uit. Weet u wat Maarten Luther hiervan zegt? ‘Als mijn verstand dit Godswonder vatten wil, dan staat het vol eerbied stil.’ Gods kinderen hebben een eeuwigheid nodig om dat wonder ‘God met ons, Immánuël’ uit te wonderen.

God doet geen onrecht als Hij het menselijk geslacht in de verdoemenis laat liggen. Dan moet de hand op uw mond. Gods Geest leert u daarvan iets, bij de aanvang of verdere voortgang. Dan wordt kerstfeest ook het feest van de boetvaardigheid. Want kerstfeest wordt alleen een wonder als God u aan Zijn voeten brengt, in de diepte, waar u een verloren mens wordt en blijft. Dan doet God geen onrecht als Hij u aan uw lot overlaat. Maar in de vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog, heeft Hij een weg van heil en verlossing uitgedacht en geopend in het zenden van Zijn Zoon naar deze wereld. Dat heilsfeit, dat grote wonder herdenken wij. Daar wordt ook Jozef bij gebracht. Dat Kind zal Immánuël heten, God met ons.

 

We gaan er eerst samen van zingen uit Psalm 98, het tweede vers:

 

Hij heeft gedacht aan Zijn genade,

Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt;

Dit slaan al ‘s aardrijks einden gade,

Nu onze God Zijn heil ons schenkt.

Juich dan de Heer’ met blijde galmen,

Gij ganse wereld, juich van vreugd;

Zing vrolijk in verheven psalmen

Het heil, dat d’ aard’ in ‘t rond verheugt.

 

De Naam Immánuël. We hebben eerst gelet op: Oudtestamentisch voorzegd. Daarna hebben we gezien dat deze Naam door God de Vader is gegeven. We letten nu op:

 

3. In God de Zoon vervuld

 

Het lijkt er niet op dat God Zijn eeuwige raad vervult. Het lijkt onmogelijk dat Zijn beloften waar zijn. De toestand van land en volk, vorst en onderdaan, is verre van rooskleurig. Maatschappelijk en vooral ook kerkelijk ziet het er niet best uit.  Er is van Godsvreze in die dagen nauwelijks sprake. De Romeinen zijn de baas in het land. Een Edomiet zit op de troon. Vier eeuwen is er geen profetenstem meer gehoord. Keizer Augustus had het in de toenmalige wereld voor het zeggen. Van het huis van David is vrijwel niets overgebleven; slechts een afgehouwen tronk.

 

Ziet u de lijn naar vandaag? Het ziet er vandaag niet beter uit, integendeel! Maar juist dan, in het donkerst van de nacht, naar de mens gesproken onmogelijk, gaat God werken. Hij baant de weg. Hij opent Zijn hart. Hij ontsluit de hemel. In Zijn ondoorgrondelijke raad gebruikt Hij de machtige Augustus uit Rome als Zijn loopjongen. Want door het keizerlijk gebod komen Jozef en Maria in Bethlehem terecht. En daar wordt op Gods tijd en wijze Immánuël geboren. De door God de Vader gegeven Immánuël, God met ons.

Lukas schrijft het eenvoudig en sober in zijn evangelie: En het geschiedde als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou. Dan wordt de profetie van Jesaja vervuld. Immánuël wordt geboren. En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg (Luk. 2:6-7).

 

Voordat Maria haar Kind in doeken windt en neerlegt in de kribbe, drukt zij Het tegen zich aan. Ze kust Hem en stamelt door het geloof: ‘Immánuël…’ Van Hem heeft ze gezongen in haar lofzang: Mijn ziel maakt groot de Heere (Luk. 1:46). Want God, Die God was, is God gebleven en Hij is mens geworden. Nederiger kan het niet. Armer is ondenkbaar. Zo arm en zo nederig, dat Hij Zich zo diep wilde vernederen en zo diep moest afdalen! Hij, Die de hemelse heerlijkheid heeft verlaten. Hij, God uit God en Licht uit Licht. Hij, de Hoge, de Verhevene, de Heilige, de almachtige Majesteit, van Wie Jesaja uitroept in zijn profetie: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is (Jes. 6:5).

Verstaat u daarvan iets, geliefden? Petrus zinkt aan de voeten van zijn Meester en zegt: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens (Luk. 5:8). Dat hoort ook bij kerstfeest, gemeente! Dan juist wordt Immánuël groot, heilig, zo vlekkeloos rein, zo volzalig en algenoegzaam in Zichzelf. Hij heeft Zichzelf vernietigd. Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn, maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; en in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, de dood des kruises (Filip. 2:6-8). Ja, tot in de dood des kruises. Immánuël. Wat een heilig mysterie, God met ons.

 

Weet u wat daarvoor nodig was? Dat God de Vader tégen Hem zal zijn. Nee, niet alleen op Golgotha – dat is het dieptepunt – maar reeds bij Zijn nederige geboorte is Immánuël Sions vernederde Borg. Over de kribbe van Bethlehem hangt de schaduw van het kruis op Golgotha. Daar zal Hij de volle last van de toorn van God tegen de zonde dragen en doordragen. Daar zal Hij uitroepen in de diepe Godsverlatenheid: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth 27:46) ‘Waarom bent U tegen Mij?’

Dat moest! Dat kon niet anders! Anders zou Hij nooit de Immánuël kunnen zijn. Zijn nederige geboorte is een voorspel. Het gaat vooraf aan Zijn diepe, smartelijke lijdensweg. De smadelijke kruisdood.

Maar daarbij is het niet gebleven; Sions betalende Borg is ook Sions gezalfde Koning. Hij kón niet in de dood blijven. Zijn Vader, Die een volkomen welbehagen heeft aan Zijn offer, zal Hem opwekken. En in Zijn heerlijke opstanding, waarin Hij dood en graf en hel heeft verslonden tot een eeuwige overwinning, ligt nu de garantie dat Hij de Immánuël is.

 

God met ons. God gaf Zijn Zoon. De Zoon geeft Zichzelf borgtochtelijk. Hij is gekomen tot het Zijne. Hij is heel dicht naar ons toe gekomen. Hij komt ook vandaag in de prediking naar u toe: God met ons! De diepe kloof die er geslagen is, de ontzaglijke breuk tussen God en u, heeft Hij hersteld. De afstand die ik door mijn zonden heb gemaakt tussen een heilige God en mezelf, heeft Hij overbrugd. Hij is de God met ons.

Hij verlost van het grootste kwaad (dat is de zonde) en Hij brengt tot het hoogste goed (dat is de zalige gunst en gemeenschap van Zijn Vader).

 

Zo heeft Hij oudtestamentisch als de Immánuël reeds onder Zijn oude bondsvolk gewoond. Hij was er wel, al was het nog verborgen. Hij was in de ark, onder het verzoendeksel. De heerlijkheid des Heeren was daar.

De heerlijkheid van Immánuël was ook in de wolk boven het heilige der heiligen. Als het volk van Israël uit Egypte gaat, dan is er in de nacht de vuurkolom en op de dag de wolkkolom. Immánuël heeft al die jaren voor hen gezorgd tijdens de woestijnreis. Alles in de woestijn was een zichtbare preek van de komende Immánuël. Het manna dat uit de hemel neerdaalt, de koperen slang, het water uit de steenrots, alles was een zichtbare preek: ‘Immánuël komt!’

Al was het dan nog van verre, toch mochten Gods kinderen onder de oude bedeling Hem in de beloften zien, aanschouwen en omhelzen.

 

Maar nu, in de volheid van de tijd, gaat de hemel open. De engel zal de heerlijkste boodschap op aarde brengen: Zie, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus de Heere, in de stad Davids. En dit zal u het teken zijn: Gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe (Luk. 2:10-12).

Immánuël ligt daar in het donker in het beestenverblijf. Zijn volk, Zijn kinderen, de herders staan in het volle licht! De hemelse heerlijkheid ombliksemt hen. Daarin ziet u de diepe betekenis van Immánuël. God moest tégen Zijn Zoon zijn. De Zoon van Zijn eeuwige liefde. In die weg kon Hij Immánuël zijn. Om nu op aarde te komen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Daarvan roept de apostel Paulus uit tot Timótheüs: De verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees (1 Tim. 3:16).

 

God met ons.

Gemeente, Hij komt zó dicht naar u toe. Zo dicht dat Hij zelfs op onze 2 euromunt staat. Op de zijkant staat geschreven: ‘God met ons’. Zo dicht komt God naar ons toe. U hebt de kerstboodschap in uw binnenzak: God met ons! Het is de prediking dat Hij geen lust heeft in uw dood, maar daarin dat u zich bekeert en leeft.

 

We gaan naar de laatste gedachte:

 

4. Door God de Heilige Geest ontvangen

 

Er wordt veel gezongen deze dagen. Misschien heeft u ook wel meegezongen:

 

O kom, o kom Immánuël!

Naar U ziet uit Uw Israël.

Verduisterd is ons hart door angst;

de nacht der wereld is op ‘t bangst.

Verheug, verheug u, Israël;

Hij komt, Hij komt, Immánuël.

 

Leeft dat nu werkelijk zo in uw ziel? Dan wordt het echt een gezegend kerstfeest. Gods Geest leert u: ‘Ik heb gezondigd, ik ben tegen Hem opgestaan. Ik heb de levende band met Hem doorgesneden. En na ontvangen genade verknoei ik het steeds opnieuw. God doet geen onrecht als Hij mij voorbijgaat.’

Maar dan komt er ook het verlangen om Hem te leren kennen en vervolgen te kennen. Als u dan hoort dat er bij God vandaan een weg van heil en behoud geopend is, in uw onmogelijkheid en verlorenheid, dan wordt het kerstfeest. Gods Geest maakt plaats voor Immánuël. De Geest gaat Immánuël openbaren en verklaren aan uw ziel.

Voor al Gods kinderen wordt het een keer Immánuël in hun leven. De één mag daar meer van kennen dan de ander. De Heere is daar vrij in. Maria zingt van Hem. De oude Elisabet roept het uit: Vanwaar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? (Luk. 1:43) Dan is het Immánuël! Dan is het kerstfeest. Simeon gaat straks van Hem zingen. En de herders gaan Hem prediken.

En vergeet u de engelenzang niet. Onder het Oude Testament zijn de engelen begerig in te zien in het heilige der heiligen. Zij begrepen niet hoe de vloekende wet zwijgen kon. Maar in de velden van Efratha hebben ze het verstaan: Het is door Immánuël! Dan klinkt het hoogste lied uit hun mond: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Luk. 2:14).

 

Immánuël, God met ons! Calvijn zegt: ‘God heeft Zich in Christus aan ons te genieten gegeven.’ U vraagt: ‘Is dat ook voor mij mogelijk?’ Mijn antwoord is: ‘Ja!’ Het is voor de Heere niet te groot u dit grote geschenk te geven. Hij wordt van het geven niet minder en van het inhouden niet meer. Dan wordt het een onvergetelijk kerstfeest! Paulus roept uit: ‘Zo God voor ons is, in deze Immánuël, wie zal dan tegen ons zijn?’ Al zal de strijd hier altijd blijven. Het is hier het land van de rust niet. En toch: Wie zal ons scheiden van de liefde Gods, die geopenbaard is in Immánuël, in Jezus Christus? Niets! Niets zal u kunnen scheiden!

 

Gemeente, zoek Immánuël te kennen. Zoek meer en meer in Hem geborgen te zijn. Want de andere kant is ook waar: Wee u, als u onbekeerd bent en onverzoend sterft! Dan zal God tégen u zijn.

Daarom heb ik aan het begin van de preek gezegd: ‘U krijgt een geboortekaartje.’ Leg het niet naast u neer! U moet er wat mee doen. U gaat toch wel op kraambezoek? Het zou wel hoogst onfatsoenlijk zijn als u niet op de uitnodiging ingaat.

 

De herders zijn straks de eerste bezoekers in de stal. Wat zal dat voor Maria en voor Jozef geweest zijn! Zij hebben er iets van begrepen. Ja, dit is Immánuël, in de kribbe van de stal van de herders. Daarin ligt het ware Brood des levens. De herders zien Hem. Zij zinken bij Hem neer. Zij bewonderen Hem. Zij mogen Hem aanschouwen in hun eigen  kribbe! Ze zijn verzadigd. Ze gaan van Hem zingen. Ze gaan Hem verkondigen, alom. Alles predikt Gods welbehagen, Zijn borgtochtelijke liefde en het toepassende werk van God de Heilige Geest. De Drie-enige God met ons. U zij al de eer!

 

En jongens en meisjes,

Zoek Immánuël veel,

zoek Immánuël vroeg;

wie Immánuël heeft,

die heeft genoeg.

Ja, die heeft álles!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Lofzang van Zacharias: 4

 

Dus wordt des Heeren volk geleid,

Door ’t licht dat nu ontstoken is,

Tot kennis van de zaligheid,

In hunne schuldvergiffenis;

Die nooit in schoner glans verscheen

Dan nu, door Gods barmhartigheên,

Die, met ons lot bewogen,

Om ons van zond’ en ongeval t’ ontslaan,

Een ster in Jakob op doet gaan,

De zon des heils doet aan de kimmen staan.