Ds. S.W. Janse - Exodus 16 : 15

Dankdag in de woestijn

Exodus 16
Verzadiging
Beproeving
Herinnering

Exodus 16 : 15

Exodus 16
15
Toen het de kinderen Israels zagen, zo zeiden zij, de een tot den ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood, hetwelk de HEERE ulieden te eten gegeven heeft.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 81: 1, 12
Lezen : Exodus 16: 13-21
Zingen : Psalm 78: 12, 13
Zingen : Psalm 105: 22, 24
Zingen : Psalm 75: 1

De tekst voor de preek is Exodus 16 vers 15:

 

Toen het de kinderen Israëls zagen, zo zeiden zij de een tot de ander: Het is Man; want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood hetwelk de Heere ulieden te eten gegeven heeft.

 

Het thema van de preek is: Dankdag in de woestijn.

 

Drie gedachten:

1. Verzadiging

2. Beproeving

3. Herinnering

 

1. Verzadiging

 

Hoe moet dat? Het eten is op! Daar lopen ze door de woestijn. Wie? De kinderen van Israël. Het zijn twee-en-een-half miljoen mensen. Ze zijn uit Egypte gegaan en nu lopen ze op weg naar de Sinaï. En nu is er bijna geen eten meer. Denk het je eens in, jongens en meisjes, dat je vanmorgen de kast opendeed en er stond niets meer in. De koelkast is leeg, de kelder is leeg, en in de supermarkt is er geen eten meer. Hoe moet dat dan? Je kunt wel begrijpen dat die mensen in nood zijn. Ze weten niet hoe het verder moet.

 

Zo zie je de kinderen van Israël gaan. Ouderen, jongeren en er zijn ook kinderen bij. Ze zijn door die machtige hand uitgeleid. Ze komen nu net bij Elim vandaan. Ze gaan door de woestijn Sin naar de berg Sinaï. Daar zal de wet gegeven worden.

Het is zo’n anderhalve maand geleden dat de Heere hen uitgeleid heeft. Je zou zeggen: Nu ben je net bij Elim geweest. Wat is daar gebeurd? Er waren twaalf waterfonteinen. Daar hebben ze vers water gedronken. Ze hebben in de schaduw gezeten bij de zeventig palmbomen. Heeft de Heere gezorgd of niet? Heeft de Heere al die tijd alles voor hen gedaan of niet? Toch wél?

Maar het lijkt wel of ze alles vergeten zijn als het eten op is. We lezen in vers 2: En de ganse vergadering der kinderen Israëls murmureerde tegen Mozes en tegen Aäron in de woestijn. Wat is ‘murmureren’? Dat is mopperen. ‘Murmureren’ is klagen, klagen en nog eens klagen. ‘Murmureren’ is ontevreden zijn. Misschien ben je dat ook wel eens als je aan tafel zit, als er eten op tafel staat en je onder het deksel van de pan kijkt en zegt: ‘Hebben we dat nu wéér al? Dat hebben we pas gegeten.’ Dan ben je eigenlijk ontevreden over het eten. Of een ander doet er nog een schepje bovenop en zegt tegen zijn moeder of tegen zijn vader die het klaargemaakt heeft: ‘Had u niks anders kunnen bedenken?’

Ontevredenheid werkt aanstekelijk. Dat is hier ook zo. Het is net als bij een rotte appel in een kist. Na verloop van tijd blijft er van die kist appels niets meer over. Ze zijn allemaal aangetast.

 

Wie er met murmureren begonnen is weten we niet. Maar er is iemand mee begonnen. Het duurt niet lang of heel de vergadering staat tegen Mozes en Aäron op. Dat valt niet mee. Heel de gemeente moet maar eens naar de pastorie komen en tegen je opstaan. Dan heb je het niet zo breed. Mozes en Aäron hebben het niet zo breed. Het volk is boos en opstandig. Het is een volk dat het niet eens is met wat de Heere doet, en dat de Heere eigenlijk wantrouwt en ongelovig is. De Heere heeft toch altijd gezorgd? Zou Hij het dat dan nu niet kunnen doen?

 

Ze gaan in hun opstand en bitterheid vreemde dingen zeggen. Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des Heeren! Ze zeggen: ‘Waren we maar door de hand van de Heere gedood. Die engel van het verderf ging toch door de straat in het land Gosen? Waren we maar geveld door die engel, dan waren we hier niet in de woestijn geweest, en dan hadden we dit niet mee hoeven te maken. In Egypte was het veel beter! In Egypte had je tenminste eten. Er waren in Egypte vleespotten; kookpotten waar het vlees in gekookt en gebraden werd. Dat was nog eens eten. Dat was nog eens een uitgebreid menu. Daar kon je kiezen uit ajuinen en komkommers en knoflook en pompoenen. Maar hier hebben we geen eten.’

‘Wat hebben jullie ons uitgeleid in deze woestijn om ons te doden door de honger? Hebben jullie het daarom gedaan, Mozes en Aäron?’ Is dat waar? Heeft Mozes hen uit Egypte geleid, kinderen? Nee, dat heeft de Heere gedaan. Ze schelden Mozes uit, maar ten diepste schelden ze God uit. Ze staan tegen het gezag van deze twee ambtsdragers op. Ten diepste staan ze tegen het gezag van de hoogste Ambtsdrager op. Ze zeggen: ‘Heere, U had het toch veel beter kunnen doen? U had het toch wel anders kunnen doen?’

 

Misschien is dat ook jouw leven wel. Het kan moeilijk zijn om dankdag te houden. Er kunnen zorgen zijn in je gezin. Er kunnen zorgen zijn in je huwelijk. Het kan moeilijk zijn om dankdag te houden als je geen werk hebt. Als je vragen hebt. Als je op een ziekbed ligt of aan een ziekbed staat. Wat kunnen er noden zijn, ook in psychisch opzicht. En dan dankdag houden?

‘Onmogelijk’, zegt u. Het is zeker waar, dat valt niet mee. Nu zegt de Heere: ‘Tel ook je zegeningen eens. Vergeet ook geen van Zijn weldadigheden, vergeet ze niet, ’t is God Die ze u bewees.’

Dat volk is alles vergeten. Ik hoor ze er in dit hoofdstuk niet over dat ze door de Rode Zee gegaan zijn. Ik hoor ze er ook niet over dat ze aan de overkant dat lied gezongen hebben. Ze zwijgen erover dat ze na Mara een Elim kregen. Op dít ogenblik is er tegenslag. Ze mopperen tegen God en ze vergeten Zijn wonderen. De vuisten gaan naar de hemel.

Wat is een mens eigenlijk als de beproeving komt? Laten we maar bij onszelf beginnen. Wat zijn we vaak morrende, ondankbare en ontevreden schepselen. De Heere heeft beloofd dat Hij in zes benauwdheden verlost en dat Hij dat in de zevende ook zal doen. De Heere heeft gezegd: Doe uw mond wijd open. Dan staat er niet ‘misschien’, maar: Ik zál hem vervullen (Ps. 81:11). Dat maakt Hij waar in het leven van de Zijnen. Maar wat vergeten we het vaak, gemeente. Wat houden we God verdacht in Zijn liefde, in Zijn trouw en in Zijn almacht.

 

Als het gaat over zegeningen, dan zijn we net als kinderen die hun naam in het zand schrijven, zo las ik ergens. Misschien doe je dat wel eens. Als het daarna wat gaat waaien, stuift het zand zo over de letters. Dan zie je niet meer wat er staat. Er kan ook iemand over de geschreven letters heenlopen. Dan kun je die letters ook niet meer lezen. Zo gaan wij om met zegeningen.

Maar als het nu gaat over beproevingen en tegenslagen? Die staan als het ware in ons hart geschreven. Ze zijn in ons leven gegrift. We vergeten ze niet. Maar de zegeningen vergeten we wel. Daarom gaat de Heere hen beproeven.   

 

2. Beproeving

 

Wat lezen we dan? De Heere zegt iets tegen dat volk. Wat zegt de Heere? Hij zegt in vers 4: Zie, Ik zal voor ulieden brood uit de hemel regenen; en het volk zal uitgaan en verzamelen elke dagmaat op haar dag, opdat Ik het verzoeke, of het in Mijn wet ga of niet. De Heere zegt tegen dat volk dat moppert: ‘Ik ga wonderen doen!’

Dat moet u zich eens even indenken, gemeente. Mensen die klagen, mensen die ontevreden zijn, wat zou de Heere daar nu mee moeten doen? De Heere zou de hemel moeten openen. In een ogenblik zou Hij het hele volk kunnen verteren.

 

Heb je dat ook wel eens doorleefd, gemeente? Dat je moet zeggen: ‘Heere, het zijn Uw goedertierenheden dat ik niet vernield ben. Heere, het is een wonder dat ik in de kerk mag zitten vandaag. Dat ik mag luisteren naar de prediking van Uw Woord. Want ik had vernield kunnen zijn.’ Hoe komt dat? Vanwege je zonden. Vanwege je misdaden. De Heere had in één ogenblik vlammen uit de hemel kunnen zenden en Zijn toorn kunnen uitgieten, grimmig kunnen worden. Dan was het nog eerlijk geweest ook. Dan hadden ze niet kunnen zeggen: ‘Heere, U doet het niet goed.’ Nee, dan hadden ze kunnen en moeten zeggen: ‘U bent volmaakt rechtvaardig.’

 

Maar… er komt geen vuur uit de hemel. Er komt geen zwavel uit de hemel. Het volk wordt niet verteerd. De Heere gaat iets schenken. Wat? Brood uit de hemel! De Heere had hun de mond kunnen snoeren. Nu verzadigt Hij hun mond met iets wat bij Hem vandaan komt.

Het volk doet net of God niet meer bestaat. Ze zeggen: ‘Mózes heeft ons toch uitgeleid?’ Ze negeren God. Dat kunnen wij ook doen, net doen of de Heere lucht is. Tussen bid- en dankdag leven alsof er geen God is. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God (Ps. 14:1). Wat zijn we vaak dwaas, gemeente.

De Héére heeft hen uitgeleid uit Egypteland. Dat zullen ze weten. Aan de avond, dan zult gij weten dat u de Heere uit Egypteland uitgeleid heeft. ‘Dat hebben wíj niet gedaan’, zeggen Mozes en Aäron. Die machtige Koning met Zijn machtige arm, Díe zal de eer krijgen van dat wonder!

 

De Heere gaat eten geven. Aan de avond van de dag krijgen ze vlees en aan de morgen brood. Ze krijgen een goed belegde boterham uit de hemel. De Heere zorgt voor vlees en brood. Dat is Gods antwoord op dat mopperen. Is dat geen lankmoedigheid? Is de Heere niet langzaam tot toorn? Heeft de Heere geen geduld? Hij is taai van geduld, lankmoedig en genadig. De Heere doet de hemelschuren open. De sluizen van de hemel gaan open. Nee, niet zoals bij de zondvloed, waar het water hen verdierf. Nee, ze krijgen brood van boven. Daar gaat het over in deze geschiedenis.

 

Voordat de Heere dat geeft, laat Hij het volk iets voelen. We lezen in vers 7: En morgen, dan zult gij des Heeren heerlijkheid zien, dewijl Hij uw murmureringen tegen de Heere gehoord heeft. Er staat niet: ‘Dewijl Hij uw gebeden gehoord heeft.’ Want ze hébben niet gebeden. Er staat niet: uw smekingen. Nee, ze hébben niet gesmeekt. Ze hebben verwijten geuit. Die heeft de Heere gehoord. De Heere laat een wonder zien. Hij laat ook zien dat Hij niet met Zich laat spotten.

Zie je de kinderen van Israël gaan, jongens en meisjes? Ze moeten voor God verschijnen. Nadert voor het aangezicht des Heeren, want Hij heeft uw murmureringen gehoord. Ze moeten hun gezicht naar de woestijn draaien. Ze zien een wildernis, een zandwoestijn, een rotswoestijn. Onbegaanbaar. Boven in de lucht zien ze de wolkkolom. We lezen: En de heerlijkheid des Heeren verscheen in de wolk.

Die wolkkolom was met hen meegegaan. We lezen daarover in hoofdstuk 13. Die wolkkolom was hun geleide. Bij dag en bij nacht was hij hun gids. Nu laat de Heere iets zien in die wolk: de heerlijkheid des Heeren. De Heere laat iets oplichten in die wolk. Ze zien een helle vuurgloed, midden op de dag. De Heere laat het licht dat ’s nachts aangaat in de wolk, nu overdag schitteren. Dat vuur spreekt van Gods toorn. Van Gods majesteit. Van Gods rechtvaardigheid.

Het is alsof de Heere zegt: ‘Kijk nu maar eens omhoog. Jullie krijgen straks brood, jullie krijgen straks alles, maar denk niet dat Ik zomaar over de zonden heenstap. Mopperend volk, Ik ben lankmoedig, maar het houdt een keer op.’

 

De Heere waarschuwt hen. Wat heeft de Heere dat al vaak gedaan tussen bid- en dankdag. Misschien heb je wel een ongeluk gehad. Misschien op een haar na, en het was eeuwigheid geweest. Misschien een ziekbed dat een sterfbed zou worden, maar de Heere heeft het ten goede gekeerd. Een waarschuwing. Zo ook bij het volk. Dan gaat de Heere Zijn genade en Zijn barmhartigheid laten blijken.

Het wordt opeens zwart. Er komen kwakkels aan, jongens en meisjes. Patrijzen, zouden wij zeggen. Vogels die in het najaar naar een warm land zijn vertrokken en nu in april of mei weer terugkomen. Die vogels zijn moe. In de woestijn vallen ze neer om rust te zoeken. Het ziet zwart van de vogels. ‘Hier hebt u eten,’ zegt de Heere, ‘vlees! Het is voor u bestemd.’

 

Maar de Heere geeft nog wat. Die vogels kregen ze aan de avond van de dag. In vers 14 lezen we: Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo zie, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm op de aarde.

De mensen komen ’s morgens vroeg uit hun tent. Als de dauw opgetrokken is, zien ze allemaal kleine korreltjes liggen. ‘Manna!’ Dat woord betekent: ‘Wat is dit?’ Anderen vertalen het met ‘gave’ of ‘geschenk’. Het is eigenlijk een uitroep: ‘Wat is dit? Dat hebben we nog nooit gezien! Wat is dat voor bijzonders?’

Manna is wit. Als de zon erop schijnt lijkt het één goudgele zandwoestijn. Er liggen ontelbare korreltjes. Het is net als rijm. Het lijkt op korianderzaad. Als het bij ons sneeuwt, ligt er soms rijm op de takken. Wat een prachtig gezicht als de zon erop schijnt. Het glinstert.

Mozes geeft het volk uitleg over het manna. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood hetwelk de Heere ulieden te eten gegeven heeft. ‘De goede, getrouwe, almachtige God geeft u goud uit de hemel. Hij geeft u hemels brood.’ Dat was bijzonder, want het gebeurde nooit. Het is een wonder. Het is ‘man’.

 

Daar staan de kinderen van Israël buiten hun tent. Ze staan oog in oog met het wonder. Dat is Gods antwoord op hun murmureren. De Heere richt een tafel aan in de woestijn. Het ‘man’ is bruikbaar om er voedsel van te bakken en te koken.

 

De Heere heeft nog een ander doel met het manna. Hij beproeft (‘verzoekt’) hen. In dit hoofdstuk lees je verschillende voorschriften die de Heere geeft. Hij zegt iets over de hoeveelheid die ze mogen nemen. In vers 16 lezen we: Verzamelt daarvan een ieder naar dat hij eten mag: een gomer voor een hoofd, naar het getal van uw zielen; ieder zal nemen voor degenen die in zijn tent zijn.

Je ziet de kinderen van Israël uit hun tenten komen. De ene heeft een schep, de ander een doos en een derde een bakje. Dan rapen ze het manna op. De Heere had gezegd: Een gomer voor een hoofd. Dat is ongeveer drie-en-een-halve liter per persoon. Er ligt voor iedereen genoeg. Het ligt voor het oprapen. Als ze weer terug in de tent komen, neemt vader een kan en dan meet hij de opgeraapte korreltjes af. Wat is het wonder? Het klopt precies. Niemand heeft wat over en niemand heeft wat tekort. Iedereen heeft precies die hoeveelheid die de Heere voorgeschreven had. Doch als zij het met de gomer maten, zo had degene die veel verzameld had, niets over, en dien die weinig verzameld had, ontbrak niet; een iegelijk verzamelde zoveel als hij eten mocht. Dat is Gods leiding. 

 

Wij zijn zo vaak bezorgd. Dat kan ook nu op dankdag. Misschien vraag je: ‘Hoe zal het gaan tot de biddag?’ De Heere zegt in Zijn Woord: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth. 6:33).

Mag ik het op de man af vragen: Heeft het u aan iets ontbroken? Het is misschien niet makkelijk geweest met de recessie, maar bent u iets tekort gekomen? Is de Heere geen Waarmaker van Zijn Woord? Zijn Zijn handen geen Vaderhanden? Voor dit zondige volk daalt er brood uit de hemel neer en ze komen niets tekort. De Heere heeft het gebed ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ waar gemaakt, naar Zijn eigen woord.

Dat staat nu haaks op ons leven. Wij willen graag voor tien dagen tegelijk hebben. Dat blijkt ook wel uit de geschiedenis. Wij willen niet afhankelijk zijn van de Heere. We willen onafhankelijk onze eigen weg gaan. We hebben de Heere ten diepste niet nodig, zo denken we, als het gaat over het tijdelijke leven en zeker niet als het gaat over het eeuwige leven.

Maar deze mensen mogen uit de hand van de Heere leven. Ze leven van het gegevene. Alles komt bij God vandaan. Je hoeft niet te rekenen en te redeneren en te beredeneren. Je mag het aan de Heere overlaten. Dat wil niet zeggen dat we niet moeten zorgen en niet moeten werken. Dat is wat anders. Maar wat zijn we veel met ons verstand bezig. De Heere spreekt in Zijn Woord over ‘heilig onbezorgd zijn’. We moeten God alles laten doen.

 

De kinderen van Israël moeten bij de dag leven. Ze moeten in afhankelijkheid leven. Het manna valt elke dag. Nu waren er mensen die het daar niet mee eens waren. Doch zij hoorden niet naar Mozes, maar sommige mannen lieten daarvan over tot de morgen. Toen wiesen er wormen in en het werd stinkende; dies werd Mozes zeer toornig op hen.

Ze rapen het manna ’s morgens vroeg op. Ze bakken er brood van. Ze eten er pap van. Het wordt avond. Dan is het eten op. Iedereen gaat met een volle maag naar bed. Niemand kreeg te weinig. Als de Heere iets doet, doet Hij het goed. Hij doet geen half werk. Maar ja, dan heb je niets meer in huis. Dan ben je weer net zo arm als voordien. Dan heb je niets meer om te eten. Zou het manna morgen wel weer vallen? Zou de Heere morgen wel weer zorgen? Of zou Hij het volk vergeten?

Er zijn mensen die denken: Laat ik maar een dubbele portie nemen. Laat ik maar wat extra’s nemen. Laat ik nog maar wat bewaren in de hoek van mijn tent. Daar is het een beetje koud. Daar zal het wel goed blijven. Wat gebeurt er dan? De wormen komen erin. Het bederft. De Heere zegt: ‘Niet hamsteren, niet oppotten; je moet leven van genade alleen. Je moet leven van Mijn goedheid. Niet twijfelen! Niet wantrouwen in ongeloof en zeggen: Zou het er morgen wel weer liggen?’

Dat is een beproeving. Dat is een oefenschool voor het volk van Israël. En dan, de volgende morgen, ligt het er weer in overvloed. En de volgende morgen wéér. Veertig jaar lang. Totdat ze de Jordaan overgegaan zijn en ze in het land der belofte zijn. Toen hield het Man op, zo lezen we in Jozua 5. Toen was het niet meer nodig. Toen mochten ze van het overjarig koren van het land Kanaän eten.

 

Wanneer mochten ze wél een voorraad aanleggen? Inderdaad, op de sabbat. Op vrijdag viel er dubbel manna. We lezen dat in vers 22: En het geschiedde op de zesde dag, dat zij dubbel brood verzamelden, twee gomers voor één; en al de oversten der vergadering kwamen en verkondigden het Mozes. In vers 23 lezen we: Morgen is de rust, de heilige sabbat des Heeren. De Heere geeft extra, omdat het Zijn wil is. Hiermee geeft Hij aan dat Hij het goed vindt dat ze dat doen. Hij geeft precies wat ze nodig hebben.

 

Gemeente, liggen daar geen lessen in?

Wat wordt er nu met dit manna bedoeld, als het gaat over uw en jouw leven? Als we het Nieuwe Testament openslaan en Schrift met Schrift vergelijken, dan lezen we in Johannes 6: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, Mozes heeft u niet gegeven het brood uit de hemel, maar Mijn Vader geeft u het ware Brood uit de hemel (Joh. 6:32). Waar wijst het manna op? Jongens en meisjes, het wijst op de Heere Jezus. Dat manna valt niet tussen de tenten. Het valt buiten het legerkamp. Het wijst op de Zaligmaker Christus Jezus Die naar deze wereld gekomen is. Waar is Hij gekomen? In Bethlehem. Wat is Bethlehem? Dat is ‘broodhuis’. Daar is het Brood des Levens neergelegd in de kribbe.

Dat Brood valt op dit moment ook hier. Je zegt: ‘Dat is nogal wat!’ Tegen wie zegt de Heere Jezus dat in Johannes 6? Hij zegt het tegen de farizeeën, tegen de schriftgeleerden: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren (Joh. 6:35). Zaten die farizeeën en schriftgeleerden te wachten op dat Manna? Nee. Ze waren net als het volk van Israël: mopperaars, rebellen, opstandelingen. Mensen van wie in Johannes 6 vers 60 geschreven staat dat ze Zijn rede te hard vinden. Ze geloven niet in Hem. Ze gaan weg. Ze vinden het veel te zwaar. Ze vinden het veel te moeilijk. Ze vinden het veel te somber. Het ligt hen gewoon niet zo. Tot díe mensen zegt de Heere dat het Brood uit de hemel is nedergedaald, opdat het de wereld het leven zou geven.

De Heere laat Brood regenen uit de hemel. Christus valt neer tussen de banken. Overal ligt dat levende Brood. Het is voorhanden. Het is beschikbaar. Het is nog te krijgen om niet! Het volk van Israël moest de tent uitkomen. Het brood viel niet zomaar naast hen. Ze moesten bij het legerkamp vandaan en de woestijn in. Daar mochten ze het oprapen. Het geschenk van de hemel.

 

De Heere roept ook ons op, gemeente: Verlaat de slechtigheden en leef (Spr. 9:6). De Heere roept ons op om de middelen der genade te gebruiken. Daarom zit je hier in de kerk. Daarom heb je een Bijbel. Je hebt handen gekregen om ze te vouwen. Je hebt een mond gekregen om tot God te spreken. Je hebt ogen gekregen om naar boven te kijken. ‘Heere, U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren.’

Het Manna Christus is bereikbaar voor wie dan ook. De Vader heeft Zijn eigen Zoon naar deze aarde gezonden. Die Vaderhanden laten dit hemelse Brood neervallen.

Hoe vaak is dat Manna al gevallen? Elke keer als je in de kerk zit, valt dat Brood. Elke keer als je op de catechisatie zit. Elke keer als je je Bijbel leest. Je opent Gods Woord toch wel? Het Brood valt. Je ruikt het Brood. Het manna rook naar honing. Het smaakte ook naar honing. Het is zoet. ‘Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door Zijnen smaak én hart én zinnen strelen.’

Heb je de smaak van dat Woord wel eens te pakken gekregen? Zeg je: ‘Heere, ik heb mijn Bijbel van harte lief’? Hoe komt dat? Omdat je de Heere lief hebt. Het vleesgeworden Woord Christus, het hemelse Manna.

 

Gemeente, dat smaakt naar meer! Daar krijgen Gods kinderen geen genoeg van. Ze hebben aan deze Zaligmaker nooit genoeg. Ze willen steeds méér. Ze zien steeds uit naar méér voedsel in Gods huis. Smaakt en ziet dat de Heere goed is voor slechten!

Deze Spijs Christus is de meest algenoegzame Spijs. Dat geeft échte voeding. De wereld reikt je ook wat brood aan. De zonde en de duivel zeggen ook: ‘Je moet dít eens eten en dát eens proeven en dát smaakt best.’ Maar je blijft ten diepste even leeg. Het laat je arm. Je komt om van eeuwige honger.

 

De Heere laat dat Brood nog aanbieden, ook nu. Hij nodigt tot het Manna om er gebruik van te maken. Zijn er nu hongerigen? Zijn er mensen die zeggen: ‘Heere, ik heb honger gekregen naar Uw Woord. Ik zie uit naar verzadiging. Verzadiging met Uw gunst. Verzadiging met Uw gemeenschap. Verzadiging met Uzelf. O Heere, zou U mijn honger willen stillen, want ik verga van honger!’

Mag ik wijzen op het hemelse Manna, op Christus? Wat liggen er in Hem rijke lessen. Het volk moest buiten de legerplaats. Christus heeft buiten de legerplaats geleden. Gods kinderen mogen van Zijn kruisverdienste eten tot verzadiging. Hij heeft op Golgotha gehangen. Daar heeft Hij Zijn bloed gestort.

U die de Heere mag vrezen, ga uit naar Hem! Ga buiten de legerplaats en proef van Zijn wonden en smaak van Zijn bloed. Want Zijn vlees is waarlijk spijs, en Zijn bloed is waarlijk drank. Naar welk voedsel gaat uw hart uit?

 

Wanneer moesten ze dat manna verzamelen? ’s Morgens vroeg. ’s Morgens vroeg mocht je dat manna oprapen. Wanneer moet je nu dat Manna zoeken, jongens en meisjes? Wanneer moet je de Heere zoeken? Zo vroeg mogelijk. Ben je vier, acht, twaalf jaar? Zoek Jezus veel, zoek Jezus vroeg. Wie Jezus heeft, die heeft genoeg! De Heere zegt: Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden (Spr. 8:17). Daarom hebben we gezongen: ‘Opent uwe mond, eis van Mij vrijmoedig…’ De Heere zegt: ‘Doe je mond maar wagenwijd open!’ Als je je mond open doet, is hij leeg. Daar kan de Heere wat in doen. Hij kan die mond vervullen. Hij kan hem vol maken. Wat doe je met je mond? Daarmee kun je bidden. Daarmee kun je tot God spreken. Ga op je knieën!

De Heere vroeg zoeken betekent: niet uitstellen, jongelui! Niet zeggen: ‘Dat komt wel een keer, komt tijd komt raad, we zullen wel zien. Als ik getrouwd ben misschien…’ En als je getrouwd bent dan? ‘Als ik eens een gezin heb…’ En als je een gezin hebt dan? ‘Eerst nog maar eens wat geld verdienen, dan kunnen we een groter huis kopen. En dan… dan zal ik God wel gaan zoeken.’ En als het huis er staat? Dan word je misschien ziek… ‘Ja, dan ga ik God zoeken.’ Misschien heb je dan geen krachten meer om naar God te vragen. Zo gaat het vaak. Van uitstel komt afstel…

 

De Heere zegt: ‘Gedenk aan je Schepper in de dagen dat je jong bent.’ Waarom dán? Nu heb je nog veel meer tijd. Hoe ouder je wordt, hoe meer zorgen je krijgt. Dat is niet pessimistisch, maar dat is zo.

Misschien zeg je: ‘Ik heb het druk.’ Misschien ben je altijd online. Ga nu eens op je knieën liggen voor je bed en zeg: ‘Heere, ik heb U nodig.’ Misschien zeg je: ‘Ik heb de Heere niet nodig.’ Zeg dan maar tegen de Heere wat er in je hart leeft. Zeg maar: ‘Heere, ik wil U helemaal niet hebben. Heere, mijn hart is keihard. Ik dien veel liever de zonde en de wereld.’ Zeg dat allemaal maar tegen de Heere. Dat is de beste plaats. Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.

Weet je waar Gods kinderen spijt van krijgen? Dat ze de Heere te laat zijn gaan zoeken. Ze zeggen: ‘Had ik de Heere maar eerder gezocht, dan had ik al die zonden niet gedaan.’ Wanneer je de Heere vroeg mag dienen, vrezen en liefhebben, bewaart dat voor veel zonden, jongelui. Over de zonden die je niet gedaan hebt hoef je ook geen rekenschap af te leggen. Daar hoef je ook geen verdriet over te hebben.

De Heere roept jongelui. Hij zoekt nog jonge onderdanen. De banier van Koning Jezus wordt opgeheven in de prediking. Het manna valt vroeg. Stel het niet uit! Dus je moet in je jeugd God zoeken.

 

Het betekent ook letterlijk vroeg. Ga morgenochtend op tijd je bed uit. Zet je wekker eens een kwartier of half uur eerder. Een half uur overwerken vinden we niet zo erg, maar nu een half uur eerder ons bed uit om onze Bijbel te lezen, om een goed boek te pakken…?

De Heere vroeg zoeken! Waarom vroeg? Dan is het nog stil in huis. Na verloop van tijd komt iedereen uit bed, en dan? Je zegt: ‘Het komt nog wel eens een keertje.’ Heb je er ’s avonds dan nog tijd voor? Je zegt: ‘Dan ben ik moe. Dan ben ik versleten. Dan ga ik naar bed. Dan vallen mijn ogen dicht. Dan weet ik niet eens wat ik gelezen heb.’ Van huis uit zijn we allemaal hetzelfde, gemeente.  

Psalm 63 zegt: ‘Mijn God, U zoek ik met verlangen, zo ras wij het morgenlicht ontvangen, bij het krieken van de dageraad.’ Het eerste is dan niet je mail checken of een appje versturen. Je gaat op je knieën. Dat andere komt straks wel. Daar heb je nog tijd genoeg voor. Geef dít nu eens voorrang in je leven. Verzadig ons in de morgenstond met Uw goedertierenheid (Ps. 90:14).

Het valt me op dat er zo vaak over ‘de morgen’ wordt gesproken in de Bijbel. Het wijst op stilte en eenzaamheid om met de Heere te zijn. Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn (Ps. 104:34).

 

Het manna werd vroeg gegeven. Ze kregen het per dag. Kinderen des Heeren, je zou graag willen hebben dat de Heere je voor tien keer tegelijk hielp, toch? Zo is het niet. ‘Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.’

Deze mensen konden geen zakken vol bewaren in de kast. Ze konden het daar niet uithalen als ze er zin in hadden. De Heere geeft het per dag. Anders kwamen er wormen uit. Zo kan het ook bij Gods kinderen zijn. Wat kunt u zich op de been houden met wonderen die de Heere, misschien jaren geleden, gedaan heeft. De vraag is: hoe is het nú? Zijn er nú inkomsten uit de hemel? Teert u misschien op oud brood? Teert u misschien op bedorven voedsel? Of zijn er nieuwe blijken van Gods gunst? Dat is nodig in uw leven.

Misschien zegt u: ‘Het is zo dor, zo doods, zo mager, zo geesteloos in mijn ziel.’ Dat ligt niet aan de Heere, want er valt elke dag manna. Ruimschoots! De Heere is geen karig God. ‘Al wat u ontbreekt schenkt Hij, zo gij het smeekt, mild en overvloedig.’ Maar misschien zit u zo vast aan uw boezemzonde. U zit zo vast aan uw ongeloof. U geeft de satan zoveel plaats. Weet je wat de Heere nu zegt? De Heere zegt: ‘Kom nu maar met lege handen. Buk nu maar buiten het legerkamp.’

 

Ze moesten door de knieën om dat manna op te rapen. Het waren elke dag opnieuw bedelaars. Net als Luther die op zijn sterfbed zei: ‘Wij zijn bedelaars, dat is waar.’ Ga buigend, bedelend je weg. Dan zal de Heere uit Zijn volheid vervullen. Hij zal u verzadigen met het goede van Zijn huis en met het heilige van Zijn paleis. U mag bij de dag leven. ‘Moede kom ik, arm en naakt, tot de God Die zalig maakt.’ Strek uw handen uit tot Hem. Hij zal hongerigen met goederen vervullen.   

 

We zingen nu eerst Psalm 105 vers 22 en 24:

 

Zij werden daag’lijks begenadigd;

Met manna, hemels brood, verzadigd.

Gods hand bracht, in dat dorre oord,

Rivieren uit een steenrots voort;

Hij dacht om ’tgeen Hij aan Zijn knecht,

Aan Abraham had toegezegd.

 

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,

Opdat het altoos Hem zou vrezen;

Zijn wet betrachten, en voortaan

Volstandig op Zijn wegen gaan.

Men roem’ dan d’ Oppermajesteit,

Om zoveel gunst, in eeuwigheid.

 

3. Herinnering

 

We lezen in vers 32: Voorts zeide Mozes: Dit is het woord hetwelk de Heere bevolen heeft: Vul een gomer daarvan tot bewaring voor uw geslachten, opdat zij zien het brood dat Ik ulieden heb te eten gegeven in deze woestijn, toen Ik u uit Egypteland uitleidde.

Wat doet de Heere, jongens en meisjes? De Heere zegt tegen Mozes: ‘Pak eens een kruik.’ Uit de Hebreeënbrief weten we dat het een gouden kruik is geweest. De Heere zegt: ‘Doe dat manna erin, doe de kruik dicht en bewaar deze kruik als herinnering aan wat er gebeurd is in de woestijn.’ Mozes moet deze kruik bij de ark des verbonds leggen. Die wordt later in gebruik genomen bij de tabernakel. Waarschijnlijk speelt dit zich dus later in de tijd af. Dat zie je wel meer in de Bijbel, dat er sprongen worden genomen in een hoofdstuk.

Als de tabernakel er is, legt Mozes de kruik daar voor Gods aangezicht. Later is hij in de ark neergelegd; in de ark des verbonds des Heeren. Opdat zij zien het brood dat Ik ulieden heb te eten gegeven. Dus nu mag Mozes wel wat bewaren. Dat mocht anders niet. We hebben gezien dat er mensen waren die in ongeloof manna bewaarden. Dan kwamen er wormen en maden uit. Maar nu zegt de Heere: ‘Dit is Mijn gebod. Nu mag je het wel bewaren ter gedachtenis.’ Waarom? Ze worden eraan herinnerd hoe goed God is.

Zit je zo in de kerk vandaag? Dat je, terugziend op de tijd tussen biddag en dankdag, zegt: ‘Heere, er zijn toch mijlpalen in mijn leven. Er staan stenen die ik in die periode opgericht heb. Omdat U mij doorgeholpen hebt. Om U te loven. Om U te verheerlijken. Het leeft in mijn hart: En gij, mijn ziel, looft gij Hem bovenal!’

Deze kruik werd gegeven om te bewaren. Om God daardoor groot te maken. Gemeente, als we nu terugzien en ons leven eens overzien, wat moet je dan zeggen? ‘Maar, trouwe God, Gij zijt het Schild dat mij bevrijdt, mijn eer, mijn vast betrouwen.’

 

Het is niet altijd makkelijk geweest voor dat volk in de woestijn, dat is duidelijk. Maar dat lag niet aan de Heere. Dat was vanwege hun zonden. Vanwege hun gemopper. Het leven is een woestijnreis. Je zegt misschien met één van de psalmdichters: ‘De Heere geeft mij brood der verdrukking, de Heere geeft mij tranenbrood.‘ Dat valt niet mee. Maar als je vandaag eens hogerop mag zien, als je omhoog mag blikken op Hem Die trouw is, Die de Onveranderlijke is… Wanneer je het hoofd eens uit de gebreken omhoog mag heffen en mag zien op Christus, het hemelse Manna… Hij is verbroken. Als het Avondmaal bediend wordt, wordt het brood gebroken. Dat wijst op Zijn lichaam. Het beeldt af dat Hij geleden heeft, veel dieper dan wij. Dat Hij de benauwdheid is ingegaan. Hij werd van God verlaten.

 

Het kan zijn dat je met Paulus dankdag mag houden: ‘Ik roem in mijn zwakheden.’ Dat je met Job op de puinhopen van je leven niet alleen dat eerste couplet mag zingen: De Heere heeft gegeven. En niet alleen dat tweede couplet mag aanheffen: De Heere heeft genomen. Maar ook dat derde mag uitjubelen, misschien zachtjes: De Naam des Heeren zij geloofd (Job 1:21). Dat is vrije genade alleen!

 

Kom, als ik je nu een kruik zou geven, zo’n gouden kruik, jongens en meisjes, en je zou die kruik moeten vullen, wat zou er dan allemaal in komen? Denk eens terug: Wat heeft de Heere je allemaal gegeven? Je zegt: ‘Ik heb nog een vader en een moeder.’ Dat is een voorrecht. Dat is fijn dat je die hebben mag. Je zegt: ‘Ik heb een broer en een zus thuis.’ Je zegt: ‘Ik heb speelgoed genoeg. Ik heb heel veel van de Heere gekregen. Mijn kruik zou zo vol zitten. Misschien heb ik wel veel te weinig aan één kruik.’

Gemeente, wat is de Heere goed geweest! Over onszelf kunnen we alleen maar slecht spreken. De Heere zegt: ‘Vergeet het niet!’ Die kruik lag in de ark. Ze werden er aan herinnerd. Mozes vertelt later: ‘Jozua, weet je het nog? Er was geen eten in de woestijn en God schonk eten.’

Wat zijn wij vergeetachtig. Wat lijden we aan geheugenverlies. Daarom is een dankdag zo goed. Daarom is een dankdag nódig. ‘Heere, U bent onuitsprekelijk goed geweest!’

 

Kinderen des Heeren, als het gaat over het manna, dan lees ik nog wat in het laatste Bijbelboek: Die overwint… Wie zijn dat? Die zwakke strijders die zo vaak moeten zeggen dat ze niet genoeg strijden, maar die in Christus mogen overwinnen. Die zullen straks iets krijgen. Wat? Het Manna Dat verborgen is (Openb. 2:17). Mag ik het zo zeggen: dan gaat de Heere dat kruikje met manna open doen. Hij verzadigt u volledig in de eeuwige heerlijkheid. Hier was de hemel wel eens op de aarde. Straks bent u volmaakt en volkomen bij de Heere. Dan mag u proeven en smaken, zoals nooit tevoren, dat Christus álles is. Dan gaat die kruik open. Dat Manna was bedekt. Dat Manna was verborgen. Maar dan gaat Hij Zich in al Zijn heerlijkheid openbaren. Aan wie? Aan murmureerders. Aan mopperaars. En dan wordt het beste voor het laatst bewaard. Daar krijgt u nooit genoeg van!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 75:1

 

U alleen, U loven wij;

Ja, wij loven U, o Heer’!

Want Uw Naam, zo rijk van eer,

Is tot onze vreugd nabij;

Dies vertelt men, in ons land,

Al de wond’ren Uwer hand.