Ds. J.B. Zippro - Romeinen 11 : 25 - 26

De heerlijke toekomst van Israël

Een grote verborgenheid
Een bereikte volheid
Een beloofde zaligheid

Romeinen 11 : 25 - 26

Romeinen 11
25
Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.
26
En alzo zal geheel Israel zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 98: 2, 4
Lezen : Romeinen 11: 1-26
Zingen : Psalm 130: 1, 2, 4
Zingen : Psalm 87: 4
Zingen : Psalm 72: 10

Gemeente, het Woord van God voor deze dienst, waarbij we u, met Gods hulp, willen bepalen, kunt u vinden in het u voorgelezen Schriftgedeelte, Romeinen 11 en daarvan bijzonder de verzen 25 en 26:

 

Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.

En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.

 

Wij horen in deze tekst van: De heerlijke toekomst van Israël.

 

1. Een grote verborgenheid

2. Een bereikte volheid

3. Een beloofde zaligheid

 

1. Een grote verborgenheid

 

Geliefden, we hebben samen gezongen:

 

Hij heeft gedacht aan Zijn genade,

Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt.

 

Als de dichter van Psalm 98 denkt aan Gods grote heilsdaden, dan zegt hij: ‘God is getrouw! God is trouw aan Zijn Israël!’ In de onberijmde psalm staat: Hij is gedachtig geweest aan Zijn goedertierenheid en Zijner waarheid aan het huis van Israël (Ps. 98:3). God is gedachtig aan Zijn verbond. Dat is gebleken uit de wonderlijke daden in de geschiedenis. Maar daar getuigt ook het heden van. En dat staat ook vast voor de toekomst!

En wat de dichter van Psalm 98 zingt, dat mag nu ook Paulus schrijven in dit indrukwekkende hoofdstuk dat we gelezen hebben uit de Romeinenbrief. Ook voor Paulus staat het vast: God is getrouw aan Zijn volk. God heeft Zijn volk niet verstoten en zal ook in de toekomst nog grote dingen doen aan Zijn Israël.

 

Wat heeft Paulus veel mogen inblikken in de raad van God! Wat heeft hij ver mogen zien in de toekomst. Niet met het natuurlijke oog, maar met de verrekijker van het geloof. Hij spreekt van een verborgenheid. Er staat letterlijk in het Grieks: een mysterie. Het is een zaak die tot nog toe aan weinigen is bekend geweest (zie kanttekening 17 van onze Statenvertaling). Maar God heeft dit mysterie aan Zijn knecht bekendgemaakt. Voor Paulus is het nu geen geheime zaak meer.

En Paulus wil dit mysterie niet voor zichzelf houden, zo van: ‘Ik weet iets wat jullie niet weten… en ik vertel het jullie ook niet.’ Nee, Paulus wil deze verborgenheid bekendmaken! Hij wil de gemeente van Rome, die bestaat uit christenen uit de heidenen en uit de Joden, deelgenoot maken. Hij zegt in vers 25: Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt bij uzelf). Hij wil het vertellen, hij wil het met anderen delen.

Zo is het vaak in ons leven ook. Jongens en meisjes, als je een nieuwtje heb, wat doe je dan? Meestal wil je dat gelijk delen met anderen. Dan zeg je, of je stuurt een berichtje: ‘Weet je het al...?’ Zo wil Paulus deze verborgenheid ook delen.

 

Maar Paulus voegt er nog een waarschuwing aan toe: Opdat gij niet wijs zijt bij uzelf.  Paulus heeft al eerder moeten waarschuwen, in vers 18 en 20. Kennelijk is er het gevaar van hoogmoed in de gemeente. Velen menen dat zij als christenen een streepje vóór hebben. Ze verheffen zich boven de Joden die zich verharden. Er is een roemen tegen de afgebroken takken van de olijfboom! Maar is daar reden toe? Het is toch enkel genade als God een mens bekeert?

Zijt niet wijs bij uzelf. Dat is de waarschuwing. Die geldt ook ons. Paulus kent het mensenhart. Van nature zijn we wijs bij onszelf. We willen niet geleerd zijn. Van nature zijn we vol van eigen-wijsheid. We weten het beter dan anderen, we weten het beter dan God Zelf. Maar als de Heere het ons laat zien door het ontdekkend licht van Zijn Geest, dan wordt het tot smart. Als God een mens bekeert, dan weet hij het niet meer.  Door de levendmakende bediening komt de zondaar tot zichzelf en roept uit: ‘O God, wees mij zondaar genadig!’

Paulus zelf wist er ook van. Op de weg naar Damascus werd hij gearresteerd. Hij werd zondaar voor God. En toen? Toen wist hij het niet meer. Toen werd hij met al zijn vermeende wijsheid een grote dwaas voor God. Maar toen ging hij bidden om genade en licht. Want zie, hij bidt (Hand. 9:11). Gemeente, is dat ook al in uw leven gebeurd?

Maar ook na ontvangen genade kunnen we nog zo wijs zijn in onze eigen ogen. We hebben Zijn genade voortdurend nodig om ons klein te houden. O, dat gevaar van onze oude mens: ik weet het wel, ik hoef niet geleer, ik ken de Bijbel al, ik weet wel hoe de Heere werkt… enzovoorts. Psalm 25 is een blijvend gebed: ‘Heere, ai maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend.’ We blijven blind in onszelf, en we moeten maar steeds geleerd worden.

 

Paulus moet de gemeente van Rome erop wijzen: Opdat gij niet wijs zijt bij uzelf. En juist als het gaat om de toekomst van Israël, wat is er dan veel menselijke wijsheid. Misschien waren er christenen in Rome die dachten dat het afgelopen was met Gods trouw aan Israël. Vandaar dat deze waarschuwing op zijn plaats is.

Maar deze waarschuwing geldt ook voor ons. Als het gaat om de toekomst van Israël, dan weet de een het soms beter dan de ander. Maar wat is wijsheid? Kunnen wij de geschiedenis van het lijden van de Joden verklaren? Kunnen wij de concentratiekampen verklaren? Waarom moesten zoveel Joden, mannen, vrouwen en kinderen, omkomen? Als het gaat om Israël en de toekomst van Israël, dan kunnen wij alleen maar uitroepen: ‘O diepte des rijkdoms, hoe onderzoekelijk zijn Zijn wegen! Wie heeft de zin des Heeren gekend?’

 

We mogen wel bidden om licht en wijsheid van boven om Romeinen 11 en bijzonder deze verborgenheid van vers 25 te verstaan. We mogen wel bidden ook voor Israël en voor het volk der Joden, dat hun ogen geopend mogen worden. Dat hun eigenwijsheid weggenomen wordt en zij de wijsheid van boven mogen ontvangen.

Het was het gebed van Thomas Boston voor Israël. Het was het gebed van Robert Murray McCheyne. Het was het gebed van Bernardus Smytegelt en Theodorus van der Groe, de mannen van de Nadere Reformatie, om bekering van Israël. Dat waren toch geen ‘nieuwlichters’, maar dat zijn onze eigen oudvaders!

 

Romeinen 11 maakt deel uit van drie hoofdstukken: Romeinen 9, 10 en 11. Zij vormen een eenheid en je moet ze ook als zodanig lezen. In Romeinen 9 begint Paulus met zijn smart en droefheid over de verharding van velen van de Joden. Toch blijft hij vasthouden dat God Zijn welbehagen volvoert. Het is immers niet al Israël wat Israël genaamd wordt. Het gaat om het juiste evenwicht tussen verbond en verkiezing.

In Romeinen 10 wijst Paulus op de verantwoordelijkheid van de mens. En dan komt Romeinen 11. Paulus worstelt met de vraag waarom zovelen van de Joden van zijn dagen de Messias verwerpen en waarom de verharding voor een deel over Israël gekomen is.

 

Paulus gaat dit probleem niet zelf oplossen door te stellen dat er twee wegen zijn. Vandaag zijn er mensen die dat stellen. Voor Israël is er dan de weg van de Thora en voor de heidenen het geloof in Christus. Maar dit zou in flagrante strijd zijn met de rest van de Schrift. En we moeten een tekst altijd lezen in het verband van de hele Godsopenbaring. Alleen in en door Christus kan een mens behouden worden! Jood of heiden, de zaligheid en verlossing ligt alleen in Hem. Hij heeft niet gezegd: ‘Ik ben een Weg en een Waarheid’, maar Hij heeft gezegd: ‘Ik ben dé Weg, dé Waarheid en hét Leven!’

Nee, Paulus wijst op iets anders. Er is inderdaad verharding bij een deel. Maar dat is niet het einde van het volk van Israël. Dit betekent niet het einde van de verbondsopenbaring. God heeft daarmee niet definitief met Zijn volk afgerekend. Paulus zegt in vers 5: Alzo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden naar de verkiezing der genade. Dus vanwege de verkiezing heeft God nog steeds Zijn volk! Vanwege de verkiezing zijn er ook in de dagen van Paulus nog steeds Joden die in Christus geloven. Paulus zelf is daar een heerlijk voorbeeld van. Verbond en verkiezing hangen nauw samen. Vanwege de verkiezing houdt God Zijn Israël vast en in die zin mogen we zeggen dat Hij Zijn volk niet verstoten heeft.

Enerzijds moet Paulus met smart constateren in vers 7: Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen hebben. Maar anderzijds zegt hij dat God Zijn raad volvoert: Maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden. Zo worden de Schriften ook vervuld en hij verwijst dan naar twee Schriftplaatsen: Deuteronomium 29 en Jesaja 29. Dwars door de afval heen zal God Zijn Woord  en Zijn raad vervullen. Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jes. 46:10). Wie zal Gods wijs beleid doorgronden?

 

Israël is gevallen, opdat er plaats zou komen voor de heidenen. Paulus zegt in vers 11: Maar door hun val is de zaligheid de heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.

De zaligheid is aan de heidenen geworden. Dat zien we bijzonder na de Pinksterdag. Het Evangelie wordt verspreid onder de heidenen en vindt rijke vrucht. In de eeuwen die volgen komt de kerk tot grote uiterlijke bloei in de heidenwereld. Ook in ons land mag er nog een kerk zijn. Nog mogen wij dat Evangelie der zaligheid horen. Nog mogen wij horen van die ene Naam onder de hemel gegeven, door welke wij zalig moeten worden. Wat een voorrecht: de zaligheid is aan de heidenen geworden! En verder: Israëls val is de rijkdom der wereld. Israëls vermindering is de rijkdom der heidenen (vers 12). En Israëls verwerping is de verzoening der wereld (vers 15). Maar het is ook waar: Wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden? De kanttekening van de Statenvertaling zegt hier dat er velen van de Joden tot Christus zullen geleid worden. Wat een wonder!

 

Maar Paulus wijst ook nog op iets anders. De heidenen hebben de zaligheid ontvangen om hen (dat zijn de Joden) tot jaloersheid te verwekken. Jaloers? Maar is jaloers zijn dan goed? Is jaloersheid geen grote zonde? Ja, dat is het zeker. Wat erg als we in ons leven gedreven worden door jaloersheid. De broers waren jaloers op Jozef. Ezau was jaloers op Jakob. Het kan ons naar de afgrond leiden.

Maar hier gaat het om een ‘heilige jaloersheid’. Je mag wel jaloers zijn op de genade. En zo bedoelt Paulus het. Een jaloersheid bij de Joden om de gaven die de heidenen hebben ontvangen, ook te verkrijgen.

En dan komt de vraag hier naar voren: kunnen de Joden nu jaloers worden op de christelijke kerk? Als je de kerkgeschiedenis leest, dan is er in veel gevallen reden om niet jaloers te worden. Wat een zonden, wat een schuld! Dan mogen we wel uitroepen: ‘Verzoen de zware schuld, die ons met schrik vervult, en bewijs ons Uw genade.’ Maar het was ook de zuivere intentie van Paulus om door zijn bediening nog mensen tot jaloersheid te verwekken.

 

Dan gaat Paulus in de verzen 16 tot en met 24 een aantal beelden gebruiken. Het beeld van de eerstelingen en het deeg en de wortel, die uitgroeit tot een olijfboom.

Er is sprake van een goede olijfboom, waarmee Israël bedoeld wordt, en een wilde olijfboom, wat op de heidenen ziet. Nu zegt Paulus dat sommige takken uit de goede olijfboom zijn afgebroken, zodat er plaats is voor de takken van de wilde olijfboom. Wat moeten wij hieronder verstaan? Calvijn zegt hier: ‘Waaruit volgt dat de roeping der heidenen gelijk is aan enting of inplanting, en dat zij niet anders tot Gods volk geworden zijn, dan zover zij in Abrahams geslacht zijn geworteld.’ De wortel is dus Abraham. God heeft met Abraham en zijn zaad Zijn verbond opgericht. En nu is het wonder dat er mensen uit de heidenen mogen worden ingelijfd in datzelfde genadeverbond. Dat is alleen door wedergeboorte en geloof in Christus. Dat is het wonder van de inlijving in Christus. Dan wordt de zondaar afgesneden van de oude Adamswortel en ingelijfd in Christus. Dat is nodig voor ons en onze kinderen.

Maar als dit wonder gebeurd is in ons leven, dan is er ook geen enkele reden om ons te verheffen. Dan moeten we niet denken dat we iets beter waren dan een ander. Wellicht was dit de geest bij sommigen in de gemeente van Rome. Maar Paulus zegt: ‘Roemt niet tegen de takken! Wie roemt, die roeme alleen in de Heere.’ Het is alleen een wonder van Zijn eenzijdige liefde, als de Heere naar je omziet. Daar valt de mens geheel buiten.

 

2. Een bereikte volheid

 

Maar wat is nu eigenlijk die verborgenheid en dat mysterie, waar Paulus van spreekt? Dan moeten we verder lezen: Dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. Dat is het geheim. Er is verharding, maar het is een verharding voor een deel. Er is verharding, maar het is niet altijddurend. Het is niet het einde van Israël. Er komt een einde aan de verharding. Er zullen nog grote wonderen gebeuren!

Er is een ‘totdat’! Totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. Dan zal een belangrijk punt bereikt worden. Dat zal een wending zijn. Als de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. Het ziet op het volle getal van de uitverkorenen uit de heidenen. Het zijn al degenen die God van eeuwigheid heeft liefgehad met een eeuwige liefde. Hun namen zijn opgetekend in het boek des levens en des Lams. Hun getal is bij God bekend. Maar Paulus zegt hier dat er een tijd komt dat het getal van volheid zal zijn bereikt. Denk erom, gemeente van Rome, als dit getal vol is, dan gaan er nog wonderen gebeuren met Israël!

 

De vraag is: wanneer breekt dit punt dan aan? Er zijn al twintig eeuwen kerkgeschiedenis voorbij. Hoe velen zijn al uit de heidenwereld toegebracht. Over de lengte en breedte der aarde. Van oost tot west, van noorden en van zuiden. Ook uit de lage landen bij de zee. Het Woord is hier gekomen door de zendingsarbeid van Willibrord en Bonifatius. Neêrlands kerk heeft bloeitijden gekend en velen kwamen tot bekering. Van de tijd van Smytegelt is bekend dat er in Middelburg in bijna elke straat vele kinderen van God woonden. Nederland werd wel genoemd: het Israël van het westen.

En ook heeft het zendingswerk rijke vrucht gedragen. De negentiende eeuw wordt ‘de grote zendingseeuw’ genoemd. Ook in de twintigste eeuw is het Woord van God verspreid, met grotere snelheid als ooit te voren. Door de moderne communicatiemiddelen en andere hulpmiddelen heeft de vertaling van Gods Woord in de verschillende landstalen en stamtalen een hoge vlucht genomen. God gaat door met Zijn Woord. Er zijn niet zoveel ‘witte vlekken’ op de kaart aan te wijzen, waar het Woord van God niet gepredikt is. De volheid der heidenen zal spoedig aanbreken.

Het gaat naar de wederkomst. Die dag weten wij niet. Wij mogen er geen berekeningen op loslaten, en wij moeten voorzichtig zijn in onze uitspraken. In de zeventiende eeuw waren er puriteinen die dachten dat het met de Rooms-Katholieke Kerk snel gedaan zou zijn en dat spoedig Israël tot bekering zou komen. Die voorspellingen zijn nog niet uitgekomen. Maar op Gods tijd zal de volheid der heidenen aanbreken.

 

Nog laat de Heere het Evangelie verkondigen. Nog gaat de roepstem uit: Bekeert u! Bekeert u! Waarom zou u sterven? God heeft geen lust in onze dood. Het Evangelie moet gepredikt worden tot een getuigenis van alle volken, en dan zal het einde zijn. Het Woord zal vóór ons getuigen als wij het mochten aannemen. Maar hetzelfde Woord zal tégen ons getuigen als wij niet hebben gehoord en net als een deel van Israël ons hebben verhard.

 

Verharding is een oordeel van God. De Bijbel waarschuwt op vele plaatsen voor deze zonde. Farao verhardde zijn hart. Ook vinden we de uitdrukking: de nek verharden. Dat is een nek die niet wil buigen voor God. We willen niet buigen onder God. We staan recht overeind en gaan onze eigen weg.

Zo was het leven van Saul. Aanvankelijk leek het alsof hij een ander hart had ontvangen, maar het einde van zijn leven laat zien dat hij nooit een nieuw hart had ontvangen. Wat een erge zonde!

Er is ook verharding te zien in het Nieuwe Testament. Er is verharding in Jeruzalem als de apostelen het Woord des levens prediken. Als Stefanus zijn rijke getuigenis geeft, dan lezen we dat het Sanhedrin bewust de oren stopt. Hun harten barsten van woede. En in het boek Handelingen der apostelen zien we helaas steeds dat als Paulus het Woord predikt in de synagogen, dat vele Joden zich afkeren en zich verharden. Paulus heeft er grote droefheid over. Daarom moet hij met grote smart zeggen dat de verharding over Israël gekomen is.

 

Verharding is echter ook een gevaar voor ons. Verharding is een langzaam proces. Het is net als de modder die door de zon gedroogd wordt. Dat gaat ook niet in één keer. Eerst luister je nog naar het Woord. Je leest ook nog wel mee in de Bijbel. Maar dan komt de fase van onverschilligheid. Je toont geen interesse. Je laat de Bijbel dicht. Het zegt je niets meer. Er zijn geen emoties meer. Ook als er nog liefdevolle nodigingen komen. Je laat het langs je heengaan. Je zit nog wel in de kerk, maar je wilt bewust niet luisteren en denkt: laat die dominee of ouderling maar praten. O, wat een vreselijk oordeel! We mogen wel bidden en smeken: ‘O Heere, bewaar me voor het oordeel van de verharding. Geef mij niet over aan mijn dwaze hart!’

Maar de Heere is machtig om het hardste hard te breken. Dat kan de Heere doen. Hij verwekt doden zondaren tot het leven. Harde harten worden verbroken en versmelten door Zijn goddelijke liefde. Als de Heere in je leven komt, dan moet je de strijd opgeven. Ook David hield het nog lang uit tegen de Heere na de vreselijke zonde met Bathseba. Ook hier zien we het gevaar van gewenning en verharding. Maar o wonder, dan zendt God Nathan en hij komt met de boodschap: ‘Gij zijt die man!’ En dan moet David de strijd opgeven. Hij moet van zijn troon afkomen. Hij wordt zondaar voor God. Hij belijdt zijn schuld en zonde. Daarvan getuigen verschillende psalmen.

God bewaart voor de totale verharding. Hij schenkt op Zijn tijd een verbroken hart en een verslagen geest.

Het mag wel een voortdurend gebed zijn: ‘Heere, onderwijs me door Uw Woord en Geest.’ Dat Woord is zo vol van onderwijs. Wat leven we er dan vaak ver bij vandaan! Ons hart kan zo dor gesteld zijn. We kunnen zo weer opgaan in de dingen van deze wereld. Maar wat een wonder als we weer eens voedsel mogen vinden in het Woord van God.

De dichter van Psalm 119 zingt:

 

Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis,

door Zijnen smaak, én hart én zinnen strelen.

 

De Heere wil dat wij op Zijn Woord acht geven. Ook vandaag nog ! Hij komt nog met Zijn Woord en zegt: ‘Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet, maar laat u leiden!’ En waarom zegt de Heere: ‘Heden, vandaag’? Omdat het morgen te laat kan zijn! En dan voor eeuwig te laat… Geen gelegenheid meer om het Woord te horen. Wat is de genadetijd kostbaar. Maar wat is het leven ook broos en vergankelijk. Het kan morgen de laatste dag zijn. En dan heb ik vandaag de Heere laten nodigen en kloppen op de deur van mijn hart.

 

De volheid der heidenen is nabij. Maar zijn wij al toegebracht? Misschien schrikken we en zeggen we: is het al te laat? Nee, het is nog niet te laat. Maar het is wel laat. En de tijd is kort. We moeten haasten en spoeden om geborgen te zijn. Zullen de heidenen in andere delen van deze wereld ons voorgaan? Kijk eens wat een honger er is naar het Woord van God in de huisgemeenten in China! Het mag wel ons gebed zijn: ‘O Heere, God van Abraham, Izak en Jakob, wil me als een dode tak inlijven in de Wijnstok Christus!’

Christus laat nog een liefelijke nodiging uitgaan! Hij nodigt tot de zaligheid en Hij werkt ook die zaligheid uit in uw hart.

Smytegelt zegt in een preek over het gebed voor Israël: ‘Geestelijke zaligheid is het wanneer God in u een zuiver werk van het geloof werkt, zodat u zegt: ik werp mij alleen in de genadige armen van de Heere Jezus, de Zaligmaker, en zeg tot Hem: ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp.’

 

De verharding is voor een deel over Israël gekomen, totdat... Totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En dan zullen er nog wonderen gebeuren. Maar daarop letten we in onze derde gedachte, maar zingen we eerst Psalm 87 vers 4:

 

God zal ze Zelf bevestigen en schragen,

En op Zijn rol, waar Hij de volken schrijft,

Hen tellen, als in Isrel ingelijfd,

En doen de naam van Sions kind’ren dragen.

 

3. Een beloofde zaligheid

 

Gemeente, laten we nu eens de tekst geheel uitlezen. Want Paulus zegt: als de volheid der heidenen zal zijn ingegaan, alzo zal geheel Israël zalig worden. Het laatste is het meest wonderlijke! We mogen wel met heilige eerbied vervuld zijn als we dit lezen.

De verborgenheid waar Paulus van spreekt, is nu geheel bekendgemaakt! Nu valt de sluier geheel weg. Als het getal van bekeerde heidenen vol zal zijn, dan zal de Heere Zich opnieuw tot Israël wenden! De verharding die voor een deel over Israël gekomen is, betekent niet dat het afgelopen is met Israël. Wij kunnen ons vergissen, maar de Heere vergist Zich niet. Deze verborgenheid zij ons niet onbekend! We mogen niet doen alsof dit niet in de Schrift staat. We mogen niet wijs zijn bij onszelf! De Schriften zullen worden vervuld.

 

Paulus vervolgt: Gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. Paulus verwijst dus naar Jesaja 59 vers 20 en Jeremia 31 vers 34.

Theodorus van der Groe zegt in een preek over deze tekst: ‘Dat wil zeggen, dat onze Heere Jezus Christus Jakob of het Joodse volk met Zijn genadige en machtige hand weer zal bekeren, in Zijn verbond en zalige gemeenschap zal herstellen en al hun zonden en snode goddeloosheden van hen zal wegdoen. De getrouwe Verlosser zal tot hen komen op een zeer genadige en heerlijke wijze; niet lichamelijk, maar geestelijk.’

 

We kunnen hier nog meer leren. Het leert ons ook dat de oudtestamentische profetieën nog niet ten volle zijn vervuld en dat er nog een laatste vervulling zal zijn. Zo spreekt Paulus van de beloften. En zo kunnen en mogen we dus zeggen dat er in die zin nog beloften voor Israël zijn. En we mogen bidden om de vervulling van die beloften voor Zijn Israël.

 

Alzo zal geheel Israël zalig worden. Alzo! Dat betekent: op die wijze. Langs die weg. Wij kunnen deze weg niet narekenen. Wij kunnen ons alleen maar verwonderen. Op Gods tijd zal Hij Zich opnieuw over Zijn Israël ontfermen.

Gods werk is soeverein. Daar valt de mens toch buiten. Ook in de weg van God met Israël zien wij iets van die soevereiniteit. Wie zijn wij, nietige mensenkinderen, dat wij God de weg zouden kunnen voorschrijven?

 

Maar een andere vraag: betekent dit nu werkelijk dat geheel Israël zalig zal worden? Waar ziet dit eigenlijk op? Er is hier ook wel verschil van uitleg. Er zijn verklaarders die Israël verstaan als het geestelijk Israël; het volle getal van al Gods kinderen uit Jood en heiden. Anderen zien het als de uitverkorenen uit de Joden, door de geschiedenis heen. Weer anderen laten het slaan op het aardse Israël. Welke keus moeten wij hier maken?

In Romeinen 9 tot en met 11 wordt behalve in vers 26 nog tien keer over Israël gesproken en dan altijd in de betekenis van het Joodse volk. Dus het gaat echt over Israël en de Joden.

We voelen ons meest aangetrokken tot kanttekening 25 van onze Statenvertaling, die hier opmerkt: ‘Dat is, niet enige weinigen, maar een zeer grote menigte, en gelijk als de ganse Joodse natie.’

God zal velen van hen toebrengen. Dat zal niet hoofd voor hoofd zijn. Dat lezen we nergens in de Bijbel. Ook niet in andere tijden. Er is altijd kaf onder het koren, en dat zal er altijd blijven.

 

Wat zien wij daarvan vandaag? David Zadok, de bekende voorganger van Grace and Truth, zei tijdens een bijeenkomst: ‘Groot is het aantal Messiasbelijdende Joden niet. Nog minder dan 1 procent van de bevolking. Er is geen opwekking. Maar hun aandeel groeit wel. Er gebeuren in Israël momenteel dingen die we nooit eerder hebben gezien.’ (Reformatorisch Dagblad, 27 september 2016).

Dus we mogen niet dóórslaan als we over Israël spreken. We moeten blijvend voorzichtig zijn. Maar het moet ons wel bezighouden. Het moet ons uitdrijven in het gebed. Wat goed dat er liefde is voor Israël onder ons. Laat die liefde onder ons mogen blijven. Maar laten we ons geen zand in de ogen laten strooien.

Paulus doet dat ook niet. Hij zegt in vers 28 dat zij vijanden zijn aangaande het Evangelie. Vijanden! Scherper kan het niet gezegd worden. Dan mogen wij niet doorslaan. Zeker, de Joden zijn ‘de beminden om der vaderen wil’, maar het zijn vijanden van het Evangelie. Vele orthodoxe Joden willen niet eens het gesprek aangaan. Ze spugen op de grond als ze de Naam van Jezus horen. Vijanden!

Maar… vijanden worden met God verzoend! Dat hebben we nodig, zowel de Joden als wij. Nogmaals: Christus is de Weg en de Waarheid en het Leven. Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Dat blijft staan! Voor Israël en voor ons.

 

Maar de Heere gaat door met Zijn werk. Dan is er hoop voor Israël. Kernachtig zegt Paulus in vers 29: Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk. Vele Joden zijn nu nog ‘onder de ongehoorzaamheid besloten’, maar God zal op Zijn tijd Zijn volk opnieuw roepen uit de doden. De dorre doodsbeenderen zullen tot leven komen en Hij zal er velen tot Christus leiden!

Is het ook ons gebed? Hebben wij Israël al tot een artikel van ons gebed gemaakt, zoals de oude dominee Fraanje eens schreef? Het zou een wonder zijn.

 

Romeinen 11 eindigt met een lofzang op God en Zijn wonderlijke beleid. De wegen van God zijn ondoorgrondeliijk en niet na te rekenen.

Maar God zal Zijn welbehagen volvoeren. God zal alle eer ontvangen. De Kerk zingt ervan: ‘Door U, door U, om het eeuwig welbehagen!’ Want: Uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 72: 10

 

Dan zal, na zoveel gunstbewijzen,

’t Gezegend heidendom

’t Geluk van deze Koning prijzen,

Die Davids troon beklom.

Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,

Bekleed met mogendheên;

De Heer’, in Israël geprezen,

Doet wond’ren, Hij alleen.