Ds. J.J. van Eckeveld - 1 Korinthe 13 : 13

Onderwerp

Kerstfeest als het feest van geloof, hoop en liefde
De grond van het Kerstfeest
De fontein van het Kerstfeest
De bron van het Kerstfeest

1 Korinthe 13 : 13

1 Korinthe 13
13
En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Lofz. v. Zacharias: 4
Lezen : 1 Korinthe 13
Zingen : Lofz. v. Maria: 1, 3, 5
Zingen : Psalm 130: 4
Zingen : Psalm 133: 3

Gemeente, we willen in deze dienst terugzien op het Kerstfeest dat achter ons ligt. We doen dat naar aanleiding van onze tekst uit 1 Korinthe 13 vers 13:

 

En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.

 

We letten op: Kerstfeest als het feest van geloof, hoop en liefde.

 

Drie gedachten:

1. De grond van het Kerstfeest; dan gaat het over het geloof.

2. De fontein van het Kerstfeest; dan gaat het over de hoop.

3. De bron van het Kerstfeest; dan gaat het over de liefde.

 

1. De grond van het Kerstfeest

 

Kerstfeest, het ligt weer achter ons. We zien erop terug. We mogen zeggen: het feest van geloof, hoop en liefde. Dat zijn de drie bekende christelijke deugden, eigenschappen. Het ware christenleven komt in die drie eigenschappen samen. Paulus schrijft erover in het bekende hoofdstuk 1 Korinthe 13, het hoofdstuk van de liefde. Maar dan noemt hij ze alle drie: geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.

In het vorige hoofdstuk, 1 Korinthe 12, heeft de apostel gesproken over verschillende gaven van de Heilige Geest in de gemeente, de zogenaamde charismata, de bijzondere gaven van de Heilige Geest. De gave van de gezondmakingen, de gave van het spreken in tongen en in talen, de gave van de uitlegging daarvan. Het zijn allemaal gaven, zegt de apostel, van de Heilige Geest.

Maar de apostel wijst een weg die nog uitnemender is, zo eindigt het vorige hoofdstuk, en dat is de liefde. Bij elke gave van de Heilige Geest mag die liefde niet ontbreken. Die bijzondere Geestesgaven, die charismata, waren het deel van de gemeente Gods in het begin van het christendom, zo die eerste tijd, toen de Bijbel nog niet compleet was. Maar toen de Bijbel compleet was, heeft de Heere die bijzondere gaven des Geestes teruggetrokken. Paulus zegt het ook in dit hoofdstuk, dat ze ophouden. Maar wat níet ophoudt, is dit: geloof, hoop en liefde, deze drie; en de meeste van deze is de liefde.

Die liefde heeft eeuwige betekenis. En die gaven van geloof en hoop zijn doortrokken met de liefde. Neem de liefde weg, en je neemt alles weg. In het ware christenleven vinden wij die gaven terug, door de Heilige Geest, Die het uit Christus neemt en Die het brengt in het hart en in het leven. Opdat geloof, hoop en liefde er zijn zouden, is het Kind gekomen, en heeft het Kind Zijn middelaarswerk op aarde willen beginnen in die kribbe van Bethlehem.

 

Nu willen wij terugzien op het Kerstfeest, vanuit het gezichtspunt van die drie gaven, eigenschappen, deugden, zo mag u het ook allemaal noemen: geloof, hoop en liefde. Allereerst dus het geloof. Dat is de grond waaruit het kerstgebeuren heerlijk wordt. Dat is de grond, en daar willen we allereerst op letten.

Kerstfeest, het feest dat achter ons ligt, is het feest van het geloof. De geboorte van Christus in Bethlehem vraagt geloof. Dat was al zo toen Hij in deze wereld kwam, en dat is vandaag nog zo. Als u denkt aan het Kerstfeest en het geloof, dan moet het u duidelijk zijn: bij het Kind van Bethlehem maakt het geloof scheiding.

 

Ik noem twee voorbeelden. Aan de ene kant de herders, aan de andere kant de inwoners van Bethlehem. Die herders kwamen met haast naar de kribbe, want ze geloofden, en ze hebben alom verkondigd wat hen van dat Kind gezegd was. Liep het storm in de stal en in de kribbe? We lezen niet dat er ook maar één kwam uit Bethlehem. Ziet u dat het geloof scheiding maakt? Die herders kwamen, want ze mochten geloven. Vanuit Bethlehem lezen we niet dat er één kwam. Het geloof maakt scheiding bij dat Kind.

Ik noem nog een voorbeeld. Als Maria en Jozef in de tempel komen – u weet het wel, de kinderen kennen die geschiedenis ook wel van de voorstelling van het Kind in de tempel – dan valt er weer die scheiding. Dan komt daar een Simeon, die de lof van het Kind gaat zingen en die zeggen mag: ‘Nu hebben mijn ogen Uw Zaligheid gezien, dat Kind is Uw Zaligheid!’ En die priester die diende bij de voorstelling in de tempel, zag er helemaal niets van. Het geloof maakt scheiding bij dat Kind.

 

Zonder geloof is het onmogelijk om waarlijk, werkelijk Kerst te vieren. Daar zijn duizenden, miljoenen mensen op deze wereld die de afgelopen dagen het Kerstfeest gevierd hebben, op allerlei manieren, maar zonder geloof. In de wereld, maar ook in de kerk.

U hebt het kerstevangelie misschien al vaak gehoord. Jullie hebben het ook gehoord, jongens, meisjes. Maar hebben we ons de vraag gesteld: welke plaats neemt het Kind in mijn hart en in mijn leven in? Is er geloof? Moeten we niet zeggen, gemeente, als u werkelijk, waarachtig geloven zou dat alleen dat Kind u zalig kan maken, zou er dan in uw leven niet een vluchten zijn naar die Christus? Als dat er niet is, dan is er geen geloof.

 

Wat is het eigene, als ik het zo zeggen mag, van het christelijke geloof? Wel, dat geloof is gegrond in het ‘er is geschied’. Van het Kerstfeest geldt: Er is geschied. U moet er maar op letten dat er in dat kerstevangelie steeds staat: Het geschiedde. Het is geen verhaaltje, het is geen sprookje, het is werkelijkheid. Christus is neergedaald uit de hemel, midden in de geschiedenis van deze wereld. Het geloof, het ware geloof leeft niet bij ideeën en bij allerlei opvattingen en stelsels en hoe je het ook noemen wilt, maar dat leeft bij feiten. Als het feit wegvalt, dan valt het fundament van het geloof weg. Daarom moet de kerk de wacht betrekken bij de heilsfeiten. Wanneer de heilsfeiten worden aangetast, het feitelijke van die heilsfeiten, dan wordt de grond des geloofs weggeslagen. Het geloof vindt zijn grond in het feit van het Kerstfeest.

 

U hebt weleens gehoord van die gereformeerde professor, professor Kuitert, die in de jaren zestig begon het Schriftgezag aan te tasten, en het ging al verder en al verder. En het is erop uitgelopen in zijn laatste boek, dat er alleen maar een vraagteken overblijft: is er wel een God? Een vraagteken… Kuitert heeft gezegd dat het heel goed mogelijk is dat hij straks op zijn sterfbed zal zeggen: ‘Ik heb een hersenschim nagejaagd toen ik geloofde dat de Bijbel waar is.’ Dat is aangrijpend, gemeente. Als u de heilsfeiten wegneemt, dan blijft er een hersenschim over.

Paulus zegt in dat verband, en dan gaat het over dat andere heilsfeit, Pasen, maar het geldt evenzeer Kerst: als het feit wordt weggenomen, dan is uw geloof ijdel (1 Kor. 15:14). Als het gaat over het Kerstfeest, dan heeft dat geloof allereerst betrekking op het feit als zodanig.

We hebben daarbij stilgestaan: de Zoon van God, God wordt mens. Je kunt het nooit begrijpen, kinderen, dat kleine Kind in de kribbe, heel gewoon, een kleine Baby, dat is de Zoon van God. Maria’s Kind was Gods Kind, haar Middelaar, haar Zaligmaker. Dat is toch wel iets heel bijzonders geweest. Er is maar één vrouw in heel de wereldgeschiedenis die dát zeggen kon: ‘Mijn Kind is mijn Zaligmaker.’

Dat kunnen we met ons verstand niet begrijpen. Dan gaan we vraagtekens zetten, net als Kuitert. Is dat nu wel waar? – vraagteken.

 

Het Kerstfeest dat we weer mochten beleven met elkaar, dat vraagt kinderlijk geloof. En daarom heeft de Heere Zelf voor die boodschap gezorgd. Boven de velden van Efratha heeft het geklonken, in dat machtige engelenkoor: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Luk. 2:14). Maar daar heeft het ook geklonken, de engelenboodschap, de hemelboodschap aan de herders, dat u heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus de Heere (Luk. 2:11). En tweeduizend jaar later is die kerstboodschap ook weer tot ons gekomen.

Maar gemeente, dat is een boodschap die geloofd wil worden. Geloofd niet alleen met je verstand, want dan blijft je hart erbuiten, dan is het allemaal nog zo vrijblijvend, dan blijft het bij een historisch geloof; het is een boodschap die geloofd wil worden met het hart. Als de Heere dat geloof geeft, dat is dan een gave van de Heilige Geest, dan gebéurt er wat. Dan komt er beweging in de dorre doodsbeenderen van je verloren leven. Dan komt er beweging naar het Kind toe.

 

Zie het aan die herders. Ze bleven daar niet in die velden van Efratha, ze kwamen met haast om te zien het woord dat geschied was. Hoort u het, het woord dat geschied was! Dat is wat anders dan ‘zien óf het geschied is’. O nee, die herders gingen in een door die Geest geschonken geloof dát het geschied was. En ze gingen om dat te zien. En Maria was hen in dat geloof al voorgegaan, als die engel Gabriël de boodschap brengt dat ze de moeder des Heeren worden zal: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede – hoort u het – mij geschiede naar uw woord (Luk. 1:38). En Elisabet zei een paar maanden later: Zalig is zij die geloofd heeft (Luk. 1:45).

 

Jongelui, jullie vragen je misschien weleens af: wat is het geloof? De kerstgeschiedenis kan je leren wat het geloof is. Kijk naar die herders, kijk naar Maria, kijk naar Elisabet, kijk naar Simeon, en laat het je gebed zijn: ‘Heere, geef ook mij dat geloof.’

Kerstfeest is het feest van het geloof in die geboren Christus. We kunnen allerlei beschouwingen houden over het Kerstfeest en allerlei theorieën aanhangen en allerlei visies, maar dat is het niet. Alleen wie op het Kerstfeest gelóóft, die wordt zalig gesproken. Zalig is zij die geloofd heeft. Het gaat hier om het ware, het zaligmakende geloof, dat als een gave van de Heilige Geest gewerkt wordt door middel van het Woord in het zondaarshart.

 

Dat geloof kent zijn oefeningen, zijn voortgang. We zouden kunnen zeggen, als het gaat over die weg van de geloofsoefeningen, en dan gaat het hier in de terugblik op het Kerstfeest om het Kind, de Zaligmaker, dan is die weg vaak zo dat er eerst geloof is in een Zaligmaker, dan in de Zaligmaker, en ten slotte in mijn Zaligmaker. Daar moet je eens over nadenken: een, de, mijn Zaligmaker.

 

Als er geloof is in een Zaligmaker, dan heb ik iets van die Zaligmaker gezien, dan is er weleens een evangelielichtstraal gevallen op Hem. Maar een Zaligmaker, dan heb ik ook nog zoveel andere zaligmakers.

Ik denk aan die dochters van Jeruzalem die tegen de bruid in het Hooglied zeggen: Wat is uw Liefste meer dan een andere liefste? (Hoogl. 5:9) Ze hadden nog zoveel andere liefsten, die ze niet kwijt wilden. Nog zoveel andere zaligmakers.

Dan zoek je toch je zaligheid ook nog zo in je tranen en in je gevoelige leven. Dan zou je zalig worden met Jezus in de ene arm en Mozes in de andere arm. Dan zijn er nog zoveel wettische werken waar we de zaligheid voor een deel zoeken. Een Zaligmaker, maar ik heb ook nog zoveel andere steunsels buiten Jezus.

 

Vervolgens de Zaligmaker. Weet u wat dat betekent? U hebt dat boek De viervoudige staat van Thomas Boston misschien weleens gelezen. Dan beschrijft Boston die twaalf bijlslagen waarmee al die andere zaligmakertjes, al die andere leunsels en steunsels worden weggeslagen, zodat er niet anders overblijft aan mijn kant dan zonde, zonde, schuld, zelfs in mijn beste werken.

Dan zegt Boston: Nu is het niet zo dat ieder precies in die volgorde die twaalf bijlslagen mee moet maken, daar is de Heere vrij in, als het maar zo is in je leven dat je afgesneden wordt van alle gronden en grondjes en zaligmakertjes buiten het Kind van Bethlehem. Als dan het licht mag vallen op Hem, zoals Hij Zich in het Evangelie openbaart, dan is Hij niet alleen een Zaligmaker, maar de Zaligmaker. De Enige Die mij verlossen kan, de Enige Die mij met God verzoenen kan. Dan wordt het een schreeuw naar Hem: mocht ik weten dat de Zaligmaker ook mijn Zaligmaker is!

Dat is het derde, als de Heere geloofsoefeningen geeft, altijd door Woord en Geest, om de Zaligmaker te leren omhelzen, en als ik mag stamelen: ‘Ook mijn Zaligmaker!’ Dat mocht Maria zeggen: ‘Mijn Zaligmaker.’ De Grond van mijn behoud.

 

Ik heb alles verloren,

Maar Jezus verkoren,

Wiens eigen ik ben.

 

Dan komt er vastheid in het geestelijke leven, wanneer het anker mag worden vastgemaakt in die Zaligmaker.

Het Kerstfeest is het feest van het geloof. Dat geloof vindt haar grond in die Zaligmaker, Die in de kribbe de weg naar het kruis begon. Maar het is ook het feest van de hoop.

 

2. De fontein van het Kerstfeest

 

Gemeente, u zou kunnen zeggen: hoop is geloof voor de toekomst. Het geloof leert zich richten op het Kind, maar de hoop door het Kind op de toekomst. Dat zie je zo duidelijk bij Simeon. Als Simeon dat Kindeke in de armen heeft, dan zegt hij: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede. Dan mag hij naar de toekomst kijken, naar het ogenblik dat hij sterven zal. Met het Kind in de armen mag hij zeggen: ‘Dan zal sterven winst voor me zijn, een heengaan in vrede.’ Dat is hoop, met het oog op de toekomst.

 

Toen Christus geboren werd, kregen allen die de vertroosting Israëls mochten verwachten en die dat Kind mochten leren kennen, hoop en moed. Ze mochten geloven: in het Kind is Gods werk tot de zaligheid begonnen. In dat Kind is de Heere begonnen Zijn belofte te vervullen. Dan zegt de hoop, als het leven mag in het hart: Dan zal Hij niet rusten – en dan kijkt de hoop naar de toekomst – voor al Zijn beloften vervuld zullen zijn.

Hun hoop was ingezonken; vierhonderd jaar was er geen profetie geweest, het huis van David was een afgehouwen tronk geworden, de Romeinen heersten; o, wat moest er ooit van terechtkomen? Maar hun ingezonken hoop herleefde, toen ze dat Kind mochten aanschouwen.

Wel was bij velen van hen de hoop nog zo verkeerd gericht. Denk aan de Emmaüsgangers: Wij hoopten dat Hij was Degene Die Israël verlossen zou (Luk. 24:21). Ze hadden nog zo’n aardse verwachting van dat Kind. Ze gaven aan die verlossing nog zo’n verkeerde inhoud.

Dat is een les voor allen die de Heere vrezen. De Heere kan door Woord en Geest de hoop in het hart weleens opwekken dat de Heere wonderen zal doen in de omstandigheden van mijn leven, maar dan maken we soms zulke verkeerde voorstellingen van hoe God Zijn verwachting en Zijn woord vervullen zal. Ze zeiden vroeger wel: ‘Dan maken we een verkeerde toepassing.’ We denken vaak zo aards en zo menselijk van de manier waarop God Zijn woord in mijn leven vervullen zal, waarop Hij mij verwachting heeft gegeven. Als de Heere de vervulling schenkt, dan overstijgt het zo vaak al mijn verwachtingen en al mijn gedachten. Want God is groot, en wij begrijpen het niet (Job 36:26).

Kerstfeest, het is ook het feest van de hoop. Waarom? Omdat Kerstfeest het feest van het geloof is. Ik heb vaak een oude dominee horen zeggen op de preekstoel: ‘Heere, geef ons toch geloof om te geloven.’ Want het geloof mag wel gewerkt zijn, maar het gelooft niet altijd. Dan is het zo ingezonken en zo verduisterd. Maar als het geloof werkelijk geloven mag, dan brengt het geloof hoop mee.

Het Kerstfeest, dat weer achter ons ligt (en we hebben er bij stilgestaan), dat is het begin van het werk Gods, om zo te zeggen, in en door het Kind hier op deze aarde, het werk van Gods verlossing. En het geloof leert daarop hopen.

 

Gemeente, zo is het toch ook in het hart? Dan kan het zijn dat je Kerstfeest mag vieren, tot in het diepst van je ziel, dat je de ruimte en de zaligheid mag zien in dat dierbare Kind, als de stof van je eeuwige vreugde.

Maar dan kan het ook zijn dat je voor jezelf zegt: ‘Ja, ik durf niet te zeggen, nog niet te zeggen: Hij is mijn Zaligmaker.’ Hoewel, op het moment dat het geloof werkelijk geloven mag, dan ligt alles eronder. Maar als het dan weer wegzakt, ‘mijn Zaligmaker’? ‘Ik durf het niet te zeggen, ik mis zo die verzekerdheid van het geloof.’

Maar als dan de hoop naar boven komt, dan mag die hoop toch weleens zeggen: ‘Maar de Heere zal het toch voor mij voleindigen.’ Zó dat het ook Goede Vrijdag mag worden in mijn leven, en dat het Pasen mag worden. Heel die lijn van de heilsfeiten wordt door het geloof in zijn oefeningen gevolgd. Daarin vindt het vastheid.

 

Maria, Zacharias, Simeon, ze hebben gehoopt, en vanuit die hoop hebben ze hun lofzangen mogen zingen. Ze zagen dat God Zijn belofte ging vervullen. Dat gaf hen moed voor de toekomst. Dat is de hoop.

 

Wij staan twintig eeuwen na de geboorte van Christus. Het Kind ligt nu niet meer in een kribbe in Bethlehem. Dat begrijpen jullie wel, kinderen, daar kun je de Heere Jezus niet meer vinden. Maar jullie weten toch wel waar de Heere Jezus nú is: in de hemel, aan de rechterhand van God, in heerlijkheid. Daarom is het Kerstfeest juist nu ook het feest van de hoop.

Wie die hoop niet kent, die levende hoop, die verstaat ook niet de diepe betekenis van het Kerstfeest. Dan blijft er alleen maar een stukje kerstsfeer en kerstromantiek en wat gezelligheid over, maar wat is de hoop vanuit het feit van Kerst? Weet u wat dat is? Dat God Zijn werk voleindigen zal. Dat het komen zal tot de grote dag der verlossing, de dag waarop het Kind voor de tweede keer zal komen, met de wolken.

 

In de Kerstnacht werd Gods vrederijk geproclameerd door de engelen. Vrede op aarde. Het is door miljoenen mensen gezongen over heel deze wereld zonder te beseffen wat ze eigenlijk zongen. Vrede op aarde. Wat zie je ervan, gemeente? Vluchtelingen, terreur, bloed, tranen, spanningen tussen de volkeren, bombardementen, bomaanslagen, en ga zo maar door. Vrede op aarde?

Toch kan het, gemeente. Het kan toch dat, terwijl de bommen en de granaten om je heen ontploffen, bij wijze van spreken, er vrede is in het hart.

Maar de levende hoop kijkt uit naar de volle vrede op aarde. De engelenzang is de proclamatie Gods voor het heden, hier kan er al vrede zijn in het hart, maar ook voor de toekomst. Want Christus, het Kind, komt nog een keer. Jullie weten wel wanneer, kinderen. Wanneer komt Jezus nog een keer? Op die grote dag van de wederkomst van Christus.

Als we op het Kerstfeest alleen maar terugkijken en niet vooruit leren zien, dan begrijpen we de diepte van het Kerstfeest niet. Die levende hoop leert uitzien naar de toekomst. Nog eenmaal zal Hij komen, als de Rechter van het heelal. Hij zal komen, Hij moet komen, want anders zou Zijn eerste komst voor niets zijn geweest. In Bethlehem is Zijn middelaarswerk op aarde begonnen, en de hoop, de levende hoop, mag het zeggen: Hij zal Zijn werk voltooien! Want het is onmogelijk dat Christus half werk zou doen.

En die hoop doet leven. Die hoop geeft kracht in alle strijd en in alle verzoeking en aanvechting. Die hoop doet het hoofd opheffen.

Het feest van de hoop. Op het Kerstfeest begint Christus het werk der verlossing hier op aarde, en dat werk zal voltooid worden.

 

Zo is het toch ook in het hart? Dan is er een begin van de verlossing, maar de volkomenheid nog niet. Ach, er is zoveel te leren. Kerstfeest, de heilsfeiten zijn maar één keer gebeurd, die herhalen zich niet, maar het geloof leert van stap tot stap de waarde van de heilsfeiten verstaan, en dat verlevendigt de hoop. Goede Vrijdag, gestorven om mijn zonden; Pasen, opgewekt tot mijn rechtvaardigmaking; Hemelvaart, de weg gebaand naar het nieuwe Jeruzalem, dat boven is. Je komt er nooit in uitgeleerd en nooit mee klaar. Maar dit weten Gods kinderen: de ondervinding des geloofs van het begin der verlossing doet hopen op de voltooiing.

We gaan naar onze derde gedachte, maar we willen eerst zingen Psalm 130 vers 4:

 

Hoopt op de Heer’, gij vromen;

Is Israël in nood,

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot;

Hij maakt, op hun gebeden,

Gans Israël eens vrij

Van ongerechtigheden;

Zo doe Hij ook aan mij!

 

3. De bron van het Kerstfeest

 

Gemeente, in het Kerstfeest ligt dus de grond van het geloof, de fontein van de hoop, maar ook de bron van de liefde. Allereerst van de liefde Gods: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16). En diezelfde Johannes heeft geschreven: Niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft (1 Joh. 4:10).

Dat is toch wel het diepste geheim van Kerst: liefde. Liefde waar geen bodem in zit. Liefde zonder dat er ook maar enig aanknopingspunt voor die liefde was in de wereld, in de kerk, in het zondaarshart. Liefde zonder enige voorwaarde van de kant van de mens. Dat is de diepte van Kerst. Het Kind in de kribbe is het Kind van Gods onuitsprekelijke liefde. Dat Kind in die kribbe is de daad van Gods liefde. Zó handelt de liefde Gods. Zie het in de kribbe, dat Kind is het bewijs van Gods liefde. In een wereld vol haat en zonde en ellende, legt God de Zoon van Zijn liefde.

 

Dus allereerst de liefde van God de Vader, maar ook de liefde van Christus Zelf. Zijn geboorte is maar niet iets wat Hem overkwam, zoals onze geboorte. Daar hebben wij niet om gevraagd, dat we op die en die datum geboren zouden worden. Maar Christus is geboren omdat Hij geboren wilde worden; de daad van Zijn liefde. Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde, want over de kribbe valt de schaduw van het kruis.

 

Zie hier ook de liefde van de Heilige Geest. Die Geest heeft in Zijn Goddelijke liefde het lichaam van Christus toebereid in de moederschoot van Maria.

 

Gemeente, wie zal in staat zijn om die liefde te peilen? Liefde van de Vader, van de Zoon, van de Heilige Geest.

 

En ik hoop zo dat u het weten mag, vanuit uw eigen leven: als iets van het kerstwonder het hart vervult, dan gaat dat hart om zo te zeggen branden van wederliefde. Dat is maar niet wat slappe medemenselijkheid, een beetje lief zijn voor elkaar en zo, nee. Dan zegt men: ‘Ja, kijk, die heeft een dienstbaar leven gehad, die stond altijd klaar voor een ander, daar is hij wel goed mee.’ Maar, gemeente, zo ligt het niet. Allen die het geheim van het Kerstfeest leren, beginnen te leren… Weet u wat ze ook geleerd hebben? Hun eigenliefde, hun vijandschap, hun inwonend verderf, en dat wordt al meer, hoe verder je op de weg komt, een hart dat God niet liefheeft, maar dat de zonde liefheeft.

En dan het wonder dat God zo’n vijand heeft liefgehad! Zie het in dit Kind. Zou het hart dan niet gaan branden van wederliefde, als dat wonder werkelijkheid mag worden, door Woord en Geest, in de oefening van het geloof: Hij heeft ook mij liefgehad. Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken (Jer. 31:3). Getrokken tot de kribbe van Bethlehem, getrokken tot de heuvel des kruises, getrokken tot in de hof van Jozef van Arimathéa. Allemaal heilsfeiten vol van de liefde van de drie-enige God. Als je er maar het kleinste kruimeltje van proeven mag, dan kun je het wonder al niet op. Dan ga je er al iets van begrijpen dat Paulus het zeggen kon: Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke liefde. Dan is die God al mijn liefde waardig.

 

Maar dan zullen we ook onze naaste hartelijk lief krijgen. Want mijn naaste lag met mij op één en dezelfde zondaarshoop. Kerstfeest vieren, en in haat en nijd met je naaste te leven, dat kan niet. Maar als die liefde gaat leven in het hart, die in het mensenhart altijd wéderliefde is, dan gun je ze allemaal aan die Koning.

Je gelooft toch ook wel dat die herders heel Bethlehem hadden willen meenemen naar die kribbe? Ze verkondigden alom wat hun van dit Kindeke gezegd werd. Ze wilden heel Bethlehem wel meenemen. En je leest niet dat er één kwam…

Gemeente, wat een wonder dat God eraan te pas komt, om zondaren te brengen bij die kribbe, en om daar te leren dat geloof, hoop en liefde alles te maken hebben met het feit van Kerst.

 

Kerstfeest, het feest van geloof, hoop en liefde. Maar wat zegt Paulus? De meeste van deze is de liefde. Begrijpt u dat, gemeente? Als je 1 Korinthe 13 thuis nog eens rustig doorleest, dan kan het je duidelijk worden.

Het geloof houdt een keer op; dat gaat over in aanschouwen, als het Kind voor de tweede keer zal komen, in heerlijkheid, met de wolken.

Ook de hoop houdt een keer op; die hoop zal overgaan in vervulling, wanneer dat Kind terugkomt als de Koning der koningen.

Maar de liefde zal pas haar volle opbloei vinden in het nieuwe Jeruzalem dat boven is. Kinderen Gods, dan zullen we Hem liefhebben zoals Hij het waardig is. Daar kom je hier alles aan tekort, maar dan zal er geen tekort meer zijn. Dan zullen we Hem al die liefde en eer toebrengen die Hem toekomt.

Hier kan dat niet. Dat inwonend verderf (hebt u daar nooit last van?), dat inwonend verderf doet ons met Asaf zeggen: ‘Ik ben een groot beest bij U.’ (Ps. 73:22) Wat een wonder dat Hij kwam in een voerbak voor de beesten. Ik kom in mezelf niet verder dan een groot beest, en dat zo’n beest dan past bij het Kind, dat is nooit te begrijpen! Dat kan ik hier niet bewonderen, maar straks zullen de verlosten het eeuwig bewonderen.

 

Gemeente, dan wordt het geloof ook gunnend naar de naaste toe. Dan gun je de duivel er niet één. Maar boven alles gunnend naar God toe. Dan gun je de drie-enige God alle lof, eer en aanbidding; alle liefde!

 

Geloof, hoop en liefde, maar de meeste van die is de liefde.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 133: 3

 

Waar liefde woont, gebiedt de Heer’ de zegen;

Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen,

En ’t leven tot in eeuwigheid.