Ds. L. Huisman - Jesaja 61 : 1 - 3

Adventsevangelie naar Jesaja

Jesaja 61
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 5) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2011).

Jesaja 61 : 1 - 3

Jesaja 61
1
De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis;
2
Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN, en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten;
3
Om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 98: 1, 4
Lezen : Jesaja 61
Zingen : Psalm 146: 1, 3, 4
Zingen : Psalm 147: 1, 2
Zingen : Psalm 132: 10, 11, 12

Geliefden, het woord van onze tekst vindt u in Jesaja 61; het hoofdstuk dat we samen al gelezen hebben, de verzen 1 tot en met 3. De profeet spreekt daar aldus:

 

De Geest des Heeren Heeren is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren, en de dag der wrake onzes Gods, om alle treurigen te troosten; om de treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest; opdat zij genaamd worden eikenbomen der gerechtigheid, een planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde.

 

Dit is een tekst uit het Evangelie van Jesaja. Er is geen profeet onder het Oude Testament die meer gesproken heeft van de Messias dan Jesaja. Vooral in het tweede gedeelte van zijn boek, ongeveer vanaf het veertigste hoofdstuk. Daar wordt Jesaja echt een evangelist. Daar is het alsof hij de Christus reeds aanschouwd heeft. Alsof hij een man was van het Nieuwe Testament. Maar zo spreekt het geloof. Zo spreekt de Geest der profetie.

Zo zijn ook anderen in de tijd van het Oude Testament verblijd geweest in hun Zaligmaker: Adam en Eva, Abraham, Izak en Jakob, David, ja, allen die Hem beminnen. Zij zijn onder het Oude Testament op dezelfde wijze zalig geworden als wij. Zij hebben hun Heere en Verlosser gezien en hebben op Hem hun hoop gesteld.

 

In deze verzen van Jesaja 61 wordt ons Christus getekend als de Gezalfde en de Gezondene om het verlorene te redden. Ja werkelijk, wij kunnen dit het Evangelie van Jesaja noemen. Heeft Jesaja hiervóór gesproken over de Heere, de Eloïm, de Almachtige, de God van de hemel en van de aarde, nu voert hij – zoals men dat wel zegt – de Zoon Gods sprekende in.

We hoeven er niet aan te twijfelen of hij dit wel echt bedoelt. U weet, over sommige profetieën wordt nogal eens getwist door theologen: op welke tijd ziet dat nu? Gaat het hier werkelijk over de Middelaar Die komen zou? Maar bij deze teksten hoeven we daar helemaal niet aan te twijfelen, want de Heere Jezus Zelf heeft over deze verzen gesproken in de synagoge te Nazareth. Het gevolg van Zijn prediking over deze teksten was, dat zij Hem wilden doden!

Ik denk dat u mij wel niet zult willen doden, maar er is wel het gevaar dat u het niet geloven wilt! Dat is een reëel en ernstig gevaar. Want toen Jezus deze zelfde verzen gelezen en verklaard had, zeiden de mensen van Nazareth: ‘Wie ben jij, dat wij je geloven zullen? Wie maak je jezelf?’ En toen Hij nog verder ging en er op wees dat de profeten van het Oude Testament zelfs heidenen geholpen hebben, in het voorbijgaan van Joden, werden ze woedend. Want zij wilden immers geen zondaar zijn.

Maar als er hier mensen zijn, groot of klein, die ontdekt hebben dat ze zondaar zijn voor God en die belijdenis doen van hun zonden, dan is dit woord een heerlijk Evangelie. Zulke zondaren zullen Hem aanbidden, toen en nu. Want hoor maar wat Hij gezegd heeft: De Geest des Heeren Heeren is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen.

 

Dit is natuurlijk symbolische taal. We lezen nergens dat de Heere Jezus gezalfd is om Profeet, Priester en Koning te zijn. We lezen wel van de zalving door Maria, maar dat was ter voorbereiding op Zijn begrafenis, het was niet een ambtelijke zalving.

Onder het Oude Testament bestond de ambtelijke zalving. Daarvoor werd een speciale zalf gebruikt, die door niemand nagemaakt mocht worden. Die zalf was natuurlijk een beeld van de gave van de Heilige Geest, Die dan kwam op degene die de Heere verkozen had tot profeet, tot priester of tot koning.

We kennen verschillende van die voorbeelden. Als ik denk aan de zalving van een profeet, dan denk ik aan hoe Elia Elisa zalfde. Als ik denk aan een koning, dan denk ik aan koning David die gezalfd werd door de profeet Samuël. En als voorbeeld van priesters die gezalfd werden, denk ik aan de ingebruikname van de tabernakel, toen Aäron met zijn zonen, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, gezalfd werden tot hun ambt en gezegend werden. En zo kunt u nog meer voorbeelden in de Bijbel lezen van de ambtelijke zalving tot profeet, priester of koning.

 

Welnu, deze woorden worden nu ook gebruikt als het gaat over Christus. De Geest des Heeren Heeren is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft. Dit is bekwaammaking, dit is gewilligmaking, maar het is, omdat het over Christus gaat, ook vernedering. Want Hij is toch de enige Zoon van de enige God. Als Hij dan toch gezalfd moet worden om ambtsdrager te kunnen zijn, is dat afdalen als een knecht.

Hier zien we in die zalving reeds de contouren, de omtrekken, van het kruis. Zalving tot Knecht, tot Dienaar, tot Ambtsdrager. Geroepen en aangesteld door God Zelf. In de stille eeuwigheid heeft het geklonken: ‘Wie is er die met Zijn hart Borg worden zal voor dezen? Hoe zal Ik hen onder de kinderen zetten? En hoe zal Ik hen geven het gewenste land?’

Toen heeft deze Knecht, deze Ambtsdrager, gezegd: ‘Ik, Vader, zie hier ben Ik. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen. En Uw wet is in het binnenste van Mijn ingewand.’ En Hij kende de consequenties. Hij wist het: zou Hij Ambtsdrager zijn, zou Hij de wil Zijns Vaders doen, dan zou daar het kruis zijn, het offer en de hel!

 

Want alzo lief – wie zal het ooit kunnen begrijpen? – want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (Joh. 3:16). Alzo lief heeft Christus de wereld gehad, dat Hij gezegd heeft: ‘Vader, zie, hier ben Ik. Zie, hier ben Ik. Ik heb er lust toe om zondaren in de hemel te brengen. Om voor hen en in hun plaats de zonden te dragen aan het vloekhout des kruises.’

Hier in onze tekst staat er van Hem: De Heere heeft Mij daartoe gezalfd. Gezalfd met de Heilige Geest zonder mate. Iemand wordt altijd gezalfd om te dienen; hij wordt nooit gezalfd voor zichzelf. Christus is ook niet voor Zichzelf gezalfd.

Met eerbied gezegd en naar de mens gesproken had Hij beter niet gezalfd kunnen worden en beter in de hemel kunnen blijven, in de heerlijkheid bij de Vader en de Heilige Geest. Maar het heeft Hem behaagd om de wil Zijns Vaders te doen naar twee kanten. Aan de ene kant had Hij Zijn Vader zo lief, dat Hij zei: ‘Vader, Ik zal het doen.’ Aan de andere kant zag Hij ons, verloren zondaren, Gods schepping, die het zo diep verzondigd hadden, dat niemand – maar dan ook niemand! – tot God kon genaken. En uit liefde tot die verlorenen en uit liefde tot het werk van Zijn Vader, heeft Hij gezegd: ‘Zie, hier ben Ik.’

 

Hij heeft de loopbaan gelopen tot het einde toe. Hij heeft het dus niet alleen gezegd, maar Hij heeft het ook volbracht. Hij is gezonden uit het hart des Vaders. Hij is voortgekomen uit de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid. We hoeven niet te kiezen tussen de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Wij, die door God bemind zijn, worden bemind door de drie-enige God.

Christus hoefde de liefde des Vaders en de troost van de Heilige Geest niet op te wekken. Maar de drie-enige God was bereid. Hij heeft Zich gewillig verklaard om dwars door de val, om dwars door de zonden heen, Zich een volk te reinigen, ijverig in goede werken, dat Zijn lof zal vertellen.

De Vader heeft Zijn schepping nooit gehaat. God haat de mensen niet. De mensen haten God wel, maar God de mensen niet. Zij zijn Zijn schepping. Zij zijn het werk van Zijn handen. Maar verknoeid door de satan. Van God afgedreven door de zonden. Maar zij blijven Gods schepping. En die schepping zal God terug hebben. God zal Zich verlustigen in het werk van Zijn handen. De aarde zal weer een plaats worden waar gezongen zal worden van de wegen des Heeren. Daar zal God voor zorgen. Satan zal Hem dit niet ontwringen, en de zonden zullen Hem dit niet ontzeggen.

Maar het heeft God wel Zijn Kind gekost om alles te herstellen. Het heeft Jezus wel het leven gekost om te maken dat alle dingen weer zullen zijn tot eer van God. Hij heeft, in Zijn zelfvernedering, uitgeroepen: ‘Ik draag Uw heilige wet, die Gij de sterveling zet, in het binnenste ingewand.’

 

Om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen. Dat was het doel van Zijn komst. Hij is de Boodschap en de Boodschapper tegelijk. Jezus is Degene Die de boodschap komt brengen, want we zouden God niet kennen als Hij ons niet geopenbaard werd in Jezus Christus. Maar Hij Die de boodschap brengt, is Zelf ook de inhoud van de boodschap. Want wie de Zoon hoort, wie in de Zoon gelooft, ja meer nog, die Zijn vlees eet en Zijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven, zo getuigt Hij. Zo is Hij gekomen met een boodschap, een blijde boodschap.

‘Maar’, zult u zeggen, ‘hoe kan dat eigenlijk? Hoe kan aan een wereld, verloren in zonden en schuld, een blijde boodschap gebracht worden? Is het niet eerder nodig om de vloek te verkondigen? Is het niet eerder nodig om de mens op het hart te binden dat hij verloren is in zonden en schuld en dat de eeuwige straf hem wacht? Begint dan Jezus’ werk met een blijde boodschap?’

Geliefden, het is zeker waar wat Johannes van Hem gezegd heeft: Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden (Matth. 3:12). Maar dat geldt voor degenen die de blijde boodschap niet nodig gehad hebben of dáchten dat ze die niet nodig hadden. Dat zal het einde zijn van degenen die volharden in hun vijandschap tegen een rechtvaardig en heilig God.

 

Een dergelijke vijandschap vinden we niet alleen bij heidenen, atheïsten, hindoes en anderen, die de enige God niet eren, maar die vijandschap ligt ten diepste in ons aller hart. Wij zijn allemaal lid van de zelfverlossingsbrigade, althans we proberen het net zolang tot God ons laat verzinken en ons laat zien dat het onmogelijk is om onszelf te helpen. Dan gaan we uitroepen: ‘Heere, help mij! Wees mij genadig, o God!’

Ik hoop dat u zover gekomen bent onder de prediking van het Evangelie van Gods genade. Dat u het in uw hart gevoelt: Heere, als ik dát mis, dan mis ik voor eeuwig alles! Want er lijken ook veel mensen te zijn die gelukkig zijn met het lidmaatschap van de kerk en die er gelukkig mee zijn dat ze de naam hebben dat ze leven, maar ik denk dat Christus van velen ook vandaag nog zeggen zou: Gij weet niet dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt (Openb. 3:17).

Hoewel wij dan het voorrecht nog mogen hebben dat we leven bij de leer van onze gereformeerde vaderen, bij de leer van Luther en Calvijn en bij de leer van de Heere Jezus en de apostelen, en dat wij het Woord van God nog mogen hebben, en dat ons verkondigd wordt dat wij verloren liggen in zonden en schuld, kunnen we deze leer ook misbruiken. Vooral als de wet gepreekt wordt, los van het Evangelie – wat op zichzelf niet het doel van de prediking mag zijn – zijn er veel onbekeerde mensen die medelijden hebben met zichzelf, die steen en been klagen dat er toch zo weinig mensen bekeerd worden in deze tijd. Heimelijk geven zij God de schuld dat ze nog zijn wie ze zijn. Want ja, als de Heere hen niet wil hebben, kunnen ze er tenslotte ook niets aan doen. Ze hebben altijd de weg der waarheid geweten en ze hebben gedaan wat ze schuldig waren om te doen. En als God hen dan niet bekeert, ja, wat kunnen zij er dan aan doen?

Dat is ten diepste de vijandige ondertoon van de van God vervreemde mens. Ook de kerkmens is van nature een vijand van God, ook al wil hij dat niet weten. O, dat we uit deze banden van de duivel bevrijd mogen worden!

 

Maar toch is het waar dat het Evangelie voorop gaat. God heeft het allereerste Evangelie verkondigd aan twee mensen die naar Hem niet vroegen.

Waren Adam en Eva aan het zoeken naar God?

Welnee, ze verborgen zich voor Hem, achter vijgenbladeren, achter het struikgewas in de hof. Als God hen niet geroepen had, waren ze daar verteerd en in de hel neergezonken. Het is Gods roepstem die tot leven wekt.

Jesaja profeteert hier dat de Heere Jezus komt om een blijde boodschap te brengen. Maar als die blijde boodschap uw hart niet kan verblijden, als het Evangelie van Jezus Christus u er niet toe kan brengen om vaarwel te zeggen tegen de zonden en tegen de wereld, als die Naam van Jezus u niet afdrijft van uw ongerechtigheid, ja, dan bent u voor eeuwig verloren. Er helpt geen ander medicijn, en als het bloed van Christus uw zonden niet afwast, dan zal er in der eeuwigheid geen ander middel zijn tot behoudenis.

Dat is de keerzijde van de medaille. Dan zal de toorn van het Lam vreselijk zijn. Jezus’ Naam gehoord te hebben, Jezus’ werk gezien te hebben, Jezus’ stem gehoord te hebben, en dan te weigeren. Weigeren om te horen. Weigeren om u te bekeren. De wereld toch liever te hebben dan het Evangelie van Jezus. Ja, dan zal er een vuur zijn dat nooit wordt uitgeblust.

Maar daarmee begint de Heere niet! Hij komt met de boodschap: ‘Kom naar Mij toe. Hoort naar Mij, gij stijven van hart, en die ver van de gerechtigheid zijt. Ik breng Mijn gerechtigheid nabij en Mijn heil zal niet verre wezen.’

 

Er staat in onze tekst: Om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen.

Zachtmoedigen… Wie worden hier bedoeld?

Wel, niet mensen met een vriendelijk, handelbaar en voorkomend karakter.

Nee, zo kunnen ook ongelovige mensen wel zijn. Goede, beste, brave mensen met een edele, zachte aard.

Nee, met zachtmoedigen worden hier mensen bedoeld wier gemoed is weggesmolten, wier hardheid is verbrand in de liefde van Christus.

Een zachtmoedige is iemand die met God in aanraking gekomen is. Met de God, Die gezegd heeft: ‘Ik kom om Mijn leven te geven voor Mijn schapen.’ Als u op de een of andere manier met dat Evangelie van deze Zaligmaker in contact gebracht bent door de Heilige Geest, dan bent u werkelijk zachtmoedig geworden, al was u eerst de grootste bruut in de kerk. Dat komt door het Evangelie dat verbreekt, bij de aanvang en bij de voortgang.

 

Als God met het Woord van Zijn genade tot een zondaar komt, al is het de meest verharde, verstokte, boze, halsstarrige en hardnekkige zondaar, dan breekt hij. Dan breekt er iets stuk in hem, waardoor hij aan de voeten van de Heere neervalt. Dan gebeurt er, wat verwoord wordt in de tekst: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven (Joh. 5:25).

Die stem van de Zoon van God komt tot ons in het Evangelie van Gods genade. ‘Of weet gij niet’, zegt de apostel Paulus in Romeinen 2, ‘dat het de goedertierenheden Gods zijn, die u tot bekering leiden?’

Kom, leg uw hart er eens bij. Dan kunt u weten aan welke kant u staat, links of rechts. Dan kunt u weten bij wie u hoort. Is uw hart zo weggesmolten onder het Woord van God dat u God gelijk bent gaan geven? Dat u niet meer tegensprak? Dat u het verdiende om verloren te gaan? Daar begint God. Dat zijn de zachtmoedigen en gebrokenen van hart, om aan hen een blijde boodschap te brengen. Deze zachtmoedigen zijn handelbaar voor God en mensen. Tot zulke mensen komt nu een blijde boodschap, om te verbinden de gebrokenen van hart.

 

Gebroken van hart. U weet wel wat we daarmee bedoelen in ons gewone spraakgebruik. Iemand die gebroken is van hart, is niet iemand die tegen zijn zin moet verhuizen, of iemand die failliet gaat. Maar iemands hart breekt, als hem het liefste is ontnomen. We denken dan aan kinderen die hun ouders verloren hebben. Of ouders die treuren over het sterven van hun kinderen. Of aan een vrouw die haar man beweent, of een man die zijn vrouw mist. De band is weggevallen. Dan zeggen we: daar zitten ouders of kinderen met een gebroken hart. Daar zit een weduwe of een weduwnaar die nu alleen is, met een gebroken hart. Wat hun zo lief en dierbaar was, is van hen weggenomen. Ze zijn eenzaam achtergebleven. Welnu, zo is het in het geestelijke ook.

Om te verbinden de gebrokenen van hart. Dat zijn degenen die door de hand van God zijn aangeraakt, en die ontdekt hebben dat zij de Liefste en de Dierbaarste Die Zich aan hen geopenbaard had, niet gediend hebben, niet erkend hebben, niet gevreesd hebben en niet voor Hem geleefd hebben. Naarmate de heerlijkheid van het Evangelie hun geopenbaard is, breekt hun hart meer stuk. En ons hart breekt finaal stuk als we Gods liefde zien. Zijn versmade liefde. Gods gegeven liefde in het kruis van Golgotha. Dan blijft er geen draad meer van ons heel. Dan hebben we geen voet meer om op te staan. Dan smelten we weg in die diepe droefheid die tegelijk de baarmoeder is van de eeuwige blijdschap.

 

Kent u daar iets van? Al Gods kinderen leren er iets van kennen aan deze kant van het graf. Van dat neerliggen aan de voeten van de Heere met dat gebroken hart. ‘Moest U in Bethlehems kribbe komen, Heere Jezus, voor mijn zonden? Moest U daar in een beestenstal worden neergelegd, opdat ik een plaats op de aarde zou kunnen hebben? Moest U naar Golgotha en moest U daar sterven aan het kruis, opdat ik zou leven? O Jezus, dierbare Jezus, mijn Verlosser!’

Die verbrokenen van hart vinden in datzelfde bloed dat hun hart doet breken, ook de balsem tot genezing van hun wonden. Dan is het bloed van Jezus Christus – als we er onze zondenschuld in gelezen hebben – ook voor ons de heling; het medicijn tegen al onze zonden, tegen het eeuwige oordeel, tegen de straf die over de zonden gaat.

 

Om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis.

Zijn we dan gevangenen?

Ja, wij allemaal! Gevangenen van satan! De deur is stijf dichtgeslagen. We zijn allen onder het oordeel. Allen onder de vloek. We hebben allen gezondigd en we derven allen de heerlijkheid Gods. En we kunnen in het rijk van God niet komen, tenzij we opnieuw geboren worden. Tenzij we verlost worden. Want de sleutels van de deur van onze gevangenis zitten niet aan onze kant, maar aan de kant van Hem Die gezegd heeft: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28:18). En Ik heb de sleutels der hel en des doods (Openb. 1:18).

O, dat is een ontzaglijke tijding voor degenen die Jezus Christus niet beminnen. Maar dat is heilrijk te weten voor allen die voelen dat zij gevangen zitten in de kaken van de duivel, van de zonden en van de dood. Te weten dat er Eén is, Die machtig is om de deur te openen.

Als u dan in het Evangelie ontdekken mag dat het Jezus Christus is, dan weet u ook dat Hij gewillig is om dat te doen. Ja, dat Hij ertoe verordineerd is. Hij heeft het op Zich genomen om te doen wat Hij doet. Om de sleutels van de hel en van de dood te gebruiken. Om u die gevangen bent in de kerker van de zonde, van de satan en van de dood, te bevrijden. Om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis.

 

Er zijn weleens gevangenen die het voor elkaar krijgen om te ontsnappen door over de muur te klimmen. Maar meestal is hun vrijheid maar van korte duur. En als ze een poos niet gepakt worden door de politie, dan lopen ze toch altijd maar met een grote angst in hun hart: Vandaag of morgen, dan pakken ze me. Maar als je uit de gevangenis komt omdat de deuren wettig voor je geopend zijn, dan ga je als een vrij mens uit de gevangenis. Als een verloste. En dat doet Jezus. Om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis.

Hoe gebeurt dat dan, zult u vragen?

Wel, gemeente, alleen maar in de gemeenschap van die Held uit de stam van Juda, Die satan de kop heeft verpletterd, en Die zegt: ‘Die in Mij gelooft, die zal niet sterven tot in der eeuwigheid. Die in Mij gelooft, die zal leven. Die in Mij gelooft, zal met Mij gaan naar het eeuwige paradijs.’ Dat is het geheim. De gevangenen worden bevrijd. Bevrijd door Hem Die de sleutel draagt en de macht heeft om te openen en te sluiten.

 

We zingen nu eerst Psalm 147 vers 1 en 2:

 

Laat ‘s Heeren lof ten hemel rijzen;

Hoe goed is ‘t, onze God te prijzen!

‘t Betaamt ons psalmen aan te heffen,

Die lieflijk zijn, en harten treffen.

De Heer’ wil ons in gunst aanschouwen;

Hij wil Jeruzalem herbouwen;

Vergâren en in vreê doen leven,

Hen, die uit Isrel zijn verdreven.

 

Hij heelt gebrokenen van harte,

En Hij verbindt z’ in hunne smarte,

Die, in hun zonden en ellenden,

Tot Hem zich ter genezing wenden.

Hij telt het groot getal der starren,

Die ‘t scherpst gezicht op aard’ verwarren.

Hij roept dat talloos heir tezamen,

En noemt die alle bij haar namen.

 

Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren. Het jaar van het welbehagen, dat was het jubeljaar. U weet: de Joden hadden elk zevende jaar een sabbatsjaar. En na zeven maal zeven jaar, na negenenveertig jaar dus, kwam het vijftigste en dat was het jubeljaar. Wat gebeurde er in dat jubeljaar? Wel, dan kreeg elke Israëliet zijn verloren bezittingen weer terug. Dan werd alles weer zoals het was toen God Zijn volk in Kanaän binnenbracht.

Nu, zo wordt er ook op deze wijze symbolisch gesproken over het jaar van het welbehagen des Heeren als het jubeljaar, waarin we weer terug krijgen wat we verloren zijn.

Wat zijn we dan verloren door de zonden?

Ach, het grootste verlies is dat we God kwijtgeraakt zijn! Dat huis en dat tuintje, dat komt wel. Een beetje geld en goed en we komen wel door de wereld. Dat is niet zo erg, zeker niet in Nederland. Er wordt wel voor ons gezorgd. Maar waar niemand voor zorgen kan en wat we juist zo nodig hebben, is dat we ons verloren bezit, ons Vaderhuis weer terugkrijgen. Ja meer nog, dat we onze Vader weer terugkrijgen. Daar gaat het om. Dat we God weer terug krijgen als onze vriendelijke Vader, Die voor ons zorgt, Die ons verlost, Die ons in Zijn armen vergadert, Die ons weer terugneemt in huis, in het Vaderhuis, waar we kind van God mogen zijn. Waar we een ring mogen dragen en schoenen aan onze voeten. En waar we weer de naam hebben dat we léven. Écht leven! Dat is het jaar van het welbehagen des Heeren.

 

En de dag der wrake onzes Gods. Moet dat er nu bij? Is dat nu niet een dissonant? Is dat niet een valse toon in het heerlijk Evangelie?

Nee, gemeente, nee! Bij dat welbehagen hoort ook de wraak. Maar dan voor degenen die geen behoefte hebben aan dit Evangelie. Voor degenen die de Heere niet beminnen. Voor degenen die Hem niet zoeken.

U moet dat ook weer in oudtestamentisch licht zien. Het volk van Israël was het verkoren volk. Het volk van God. Daaromheen leefden de heidenen die God niet kenden, en die het volk van Israël altijd weer op de schouders vlogen om het te vernielen. En nu ziet Jesaja dat als Christus komt, Hij zal komen om Zijn volk weer vrijheid te geven.

Maar wee degenen die Hem niet aanvaarden. Wee degenen die ongelovig blijven weigeren om Zijn kinderen te zijn. Wee degenen die in hun onbekeerlijk leven blijven voortvaren.

Dan blijft er niets anders over dan beledigde liefde. U kunt weten uit aardse voorbeelden dat dit scherp kan zijn. Als beledigde liefde gaat haten, gaat straffen, gaat oordelen, dan kan dat heel fel zijn. Dat is in het natuurlijke al zo. Nu, zo is het als Gods liefde door u beledigd wordt en beledigd blijft worden. Dan zal de wraak van God u treffen. Daarom staat er dat het dan beter voor u is dat u het Evangelie nooit gehoord had. Dan was het beter voor u in donker Afrika geboren te zijn en daar in de nacht van het heidendom om te komen, dan hier bij de kerk behoord te hebben, waar u het Woord van Jezus rijkelijk gehoord heeft.

U moet kiezen! U zult niet kunnen zeggen: ‘Nou ja, als ik de hemel dan niet heb, dan red ik mezelf wel.' Nee, als u Christus niet bemint, dan bent u een vervloeking. Dan bent u niet een goede, degelijke, rechtzinnige man, of vrouw, of kind. Maar dan bent u een vervloeking. Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking: Maranatha (1 Kor. 16:22). Jezus komt. Wie zich niet laat vergaderen in Zijn schoot, die zal met vlammend vuur verteerd worden tot in alle eeuwigheid.

Het jaar van de verlossing, maar ook het jaar van de wraak. Het jaar van het welbehagen des Heeren, maar ook het jaar van de wraak van onze God. Laat die wraak u niet treffen, want dan is het voor eeuwig kwijt.

 

Maar nu, nu is Hij nog gekomen om alle treurigen te troosten. Om de treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest.

De treurigen van Sion. Dat is natuurlijk ook weer oudtestamentische taal. Jesaja is de profeet die gezegd heeft: ‘Mensen, er zal hier niets van overblijven. Stad en tempel zullen vergaan. Het volk zal worden weggevoerd. Dan ligt Sion plat.’ Maar toch, zelfs aan Babels stromen waren er nog treurigen Sions. Dat waren dus mensen die onder het oordeel doorgingen. Die dachten aan Sion. Hun was bekend geworden dat het door hún ongerechtigheden was dat Sion een puinhoop geworden was. Maar nochtans riepen ze: ‘Jeruzalem, eer dat ik u vergete, zo vergete mijn rechterhand zichzelf. O Jeruzalem, zo ik u niet verhoge tot het grootste en hoogste van mijn blijdschap! Want daar woont God Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen en het leven tot in eeuwigheid.’ Maar Jeruzalem ligt verwoest. Hun God is van Jeruzalem geweken. Zijn volk leeft in ballingschap.

Maar nu zegt Jesaja: ‘Zijn er daar in Babel nog mensen die treuren? Treuren omdat door hun zonden Sion verwoest is?’ Zijn er ook nog mensen in Nederland die treuren om Sion? Omdat God twist met Sion? Dan geeft de Borg en Zaligmaker Jezus Christus Zijn opdracht aan de Heilige Geest. Hij beschikt dat hun gegeven wordt sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid.

 

U weet, onder het Oude Testament was het de gewoonte, en nog wel bij oosterse volken, dat zij, als ze diep bedroefd zijn, hun kleding scheuren, of hun goede, mooie bovenkleding afleggen. Ze zitten dan met hun onderkleding in het stof of in de as. Ze nemen handenvol van dat stof en ze strooien het over hun hoofd en hun lichaam. Als teken dat ze geen vreugde meer hebben.

Abraham heeft een keer gezegd toen hij voor God naderde: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere, hoewel ik stof en as ben (Gen. 18:27). Stof en as. Zonder enige betekenis. Zonder enig nut. Uitgebrand hout of kool. Je kunt er niets mee doen. Het deugt nergens toe.

Daar zitten ze. En ze zeggen: ‘Heere, het is mijn schuld dat het met Sion slecht gaat.eH Het is mijn schuld dat Uw Heilige Geest hier en daar geweken is. Het is mijn schuld dat het er zo armelijk aan toegaat in de kerk.’ Daar zitten ze in de as. Maar de Heere zegt: ‘Ik kom en Ik zal sieraad geven in de plaats van as. En vreugdeolie voor treurigheid.’

 

Als iemand treurig was, dan gebruikte hij geen zalfolie. Die verkwikkende en welriekende olie gebruikte men in tijden van blijdschap en vreugde. Niet als men rouwde.

Maar deze treurigen zijn geen mensen die altijd maar klagen over van alles en nog wat. Nee. deze treurigen treuren om Sions wil. Omdat de Heere geweken is vanwege hun zonden. Die God kunnen ze niet missen. Hem willen ze terug hebben. En daarom treuren ze. ‘Nu’, zegt de Heere, ‘Ik zal ze hun wens doen verkrijgen. Ik zal ze vreugdeolie geven in plaats van treurigheid. En het gewaad des lofs voor een benauwde geest.’

 

Die benauwden van geest zitten, zoals ik zojuist zei, van hun opperkleed ontdaan, in hun onderkleed, in de as, grauw en vervuild, de aarden flessen gelijk gerekend. Maar God zegt: ‘Ik zal hun weer een nieuw kleed geven. Ik zal hun een feestkleed geven. Een lofgewaad voor een benauwde geest. Opdat zij genaamd worden eikenbomen der gerechtigheid, een planting des Heeren. Opdat Hij verheerlijkt worde.’

 

Zie, wie zo klaagt, wie zo neerzit, wie zo op God wacht, wie zo het Kerstfeest tegemoet gaat, wiens hart verlangt naar de Zaligmaker, naar de verlossing van zijn zonden, naar de vrede met God: aan hem geeft God een belofte: hij zal weer worden een eikenboom van gerechtigheid. Een sierlijke eikenboom waarvan het hout kostbaar is en onder wiens takken schaduw is.

Zo zal die gelovige zijn. Hij zal staan als een boom, zegt Psalm 1, die geplant is aan waterstromen en op tijd zijn vrucht geeft. Zo zal die gelovige zijn die zo naar het Kerstfeest gaat. Dan zullen de bedroefden daar getroost worden. Dan zult u het tegen alle mensen zeggen: ‘Het is vandaag mijn feestdag, want vandaag herdenk ik hoe mijn Zaligmaker geboren is, Die rijk was, maar arm geworden is om mijn tranen te drogen. Om mijn straf te dragen. Om het vuile, vieze, bemorste kleed van mij af te nemen en mij met een fijn, sierlijk kleed der gerechtigheid te bekleden.’

 

Als we in de binnenkamer treurwilgen zijn, dan zijn we naar buiten toe eikenbomen der gerechtigheid. Want denkt u eraan, kinderen van God, voor God mag u wel een treurwilg zijn, hoor. Laat uw takken maar hangen. Laat uw tranen maar vloeien. Buig maar diep, diep, voor God in het stof. Maar komt u daarna uit uw binnenkamer, verkondig dan de boodschap van verlossing en genade.

Als u daar geen vreemdeling van bent, dan weet ik zeker dat het de liefde van uw hart is om dat te doen. Wel, hef dan uw ogen op, gij vromen! Is Israël in nood? Er zal verlossing komen, Zijn goedheid is zeer groot. Hij maakt op hun gebeden, gans Israël eens vrij van ongerechtigheden. Zo doe Hij ook aan mij.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 132: 10, 11 en 12

 

‘k Zal Sions, ‘k zal der armen spijs,

Hier zeeg’nen op de ruimste wijs;

Hier zal Ik, Mijnen naam ten prijs,

De priesters met Mijn heil bekleên,

En ‘t volk doen juichen weltevreên.

 

Daar zal Ik David, door Mijn kracht,

Een hoorn van rijkdom, eer en macht

Doen rijzen uit zijn nageslacht.

‘k Heb Mijn gezalfde knecht een licht,

Een held’re lampe toegericht.

 

Wat vijand tegen Hem zich kant’,

Mijn hand, Mijn onweerstaanb’re hand,

Zal hem bekleên met schaamt’ en schand’;

Maar eeuwig bloeit de gloriekroon

Op ‘t hoofd van Davids grote Zoon.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 5) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2011).