Ds. B. Labee - Zondag 43

De zonde van de leugen

De vorm waarin de leugen verschijnt
De bron waaruit de leugen opkomt
De straf waartoe de leugen leidt
De kracht waardoor de leugen overwonnen wordt

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 15: 1, 3
Lezen : Jakobus 3
Zingen : Psalm 56: 1, 2, 5
Zingen : Psalm 34: 7
Zingen : Psalm 119: 15

Gemeente, aan de orde van behandeling is Zondag 43 van onze Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 112.

 

Vraag 112: Wat wil het negende gebod?

Antwoord: Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand zijn woorden verdraaie, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels vermijde, tenzij dat ik de zware toorn Gods op mij laden wil; insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprecht spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.

 

Zondag 43 bepaalt ons bij: De zonde van de leugen.

 

En dan vier aandachtspunten:

1. De vorm waarin de leugen verschijnt,

zoals er in het eerste stukje van antwoord 112 staat: ‘Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand zijn woorden verdraaie, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen.’

2. De bron waaruit de leugen opkomt,

zoals er staat: ‘Maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels vermijde.’

3. De straf waartoe de leugen leidt,

zoals er staat in één geladen zinnetje: ‘Tenzij dat ik de zware toorn Gods op mij laden wil.’

4. De kracht waardoor de leugen overwonnen wordt,

zoals er aan het slot van dit antwoord staat: ‘Insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprecht spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.’

 

1. De vorm waarin de leugen verschijnt

 

Gemeente, het negende gebod luidt: Gij zult geen vals getuigenis spreken. Wat eenvoudiger gezegd: Gij, jij, zult niet liegen.

Dat gebod is al heel lang actueel. Jongens en meisjes, vanaf het paradijs is er al gelogen. Daar is het mee begonnen, met de leugen van satan, die sprak door een slang en naar wie het eerste mensenpaar – en in het bijzonder Eva – luisterde. En aangrijpend is de ontwikkeling van deze zonde. Het werkwoord ‘liegen’ kan in alle vormen worden vervoegd: ik lieg, jij liegt, hij liegt, zij liegen…

Liegen door wat we zeggen en liegen door wat we verzwijgen. Het liegt, in kranten en in tijdschriften. Het liegt, officieel en officieus. Het liegt, schaamteloos, geraffineerd, brútaal, soms géniaal. Maar God zegt in Zijn heilige wet zo heel nadrukkelijk: ‘Jij mensje, wie je dan ook bent, jij zult niet liegen.’

Het gaat dus over allerlei soorten en vormen van liegen en bedriegen, zoals dat hier is samengevat in de catechismus: allerlei liegen en bedriegen.

 

En gemeente, mogen we dan heel kort zomaar die vormen benoemen die hier staan. Want dan staat er: dat ik tegen niemand valse getuigenis geve (dat is het eerste waar we op letten), niemand zijn woorden verdraaie (daar letten we als tweede op), geen achterklapper of lasteraar zij (het derde waar we kort op wijzen), en dan als vierde: niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen.

 

Valse getuigenis geven… Ursinus en Olevianus dachten hier aan de rechtbank waar een onjuiste verklaring werd afgelegd. Maar, gemeente, je kunt het uitbreiden. Dat is natuurlijk een gruwel, als niet naar eer en geweten gesproken wordt, naar de rechter, naar de beklaagde, naar de getuige of naar de advocaat toe. Ze kunnen alle vier schuldig zijn.

De Bijbel tekent ons de geschiedenis van Achab en Naboth. Achab wilde graag de wijngaard van Naboth hebben en toen stookte Izebel haar man op om Naboth vals te beschuldigen en ter dood te brengen. Dat is zomaar een voorbeeld van dat vals getuigenis geven voor de aardse rechtbank.

En Naboth – jongens en meisjes, jullie weten het wel – is gestenigd. Ze hebben hem vermoord. Want de koning zei het, en de koning zal het wel weten. De rechter sprak het uit en er waren getuigen gehoord. Valse getuigen, oneerlijke mensen die dat getuigenis bevestigden. Naboth sterft.

Maar zul je het niet vergeten: het heeft niet zo lang geduurd en dan sterft Achab. De honden drinken zijn bloed. Hij had in een kar, zo’n strijdwagen gelegen. Toen ze die wilden gaan uitspoelen met water, omdat hij dodelijk gewond was door een pijl die iemand zomaar onwetend afschoot (maar die bestuurd was door de Heere) dronken de honden zijn bloed.

Die andere leugenaar, Izebel, wordt uit het raam gegooid, door de paardenpoten vertrapt en door de honden gegeten.

Zult u het niet vergeten: dit is een aangrijpend voorbeeld van een echtpaar dat een vals getuigenis gaf. We kunnen mensen bedriegen, maar de Heere niet. God is een God van het recht.

 

En dan staat er vervolgens: niemands woorden verdraaie.

Dat kan onopzettelijk en ondoordacht gebeuren. Het kan door onvolledig te zijn. Het kan ook opzettelijk. Dat gebeurt soms al door iemands woorden met een iets andere intonatie of onvolledig weer te geven of door met opzet één woord toe te voegen of weg te laten. Dat is aangrijpend, gemeente, want dat gebeurt niet alleen buiten de kerk, maar ook daar binnen.

Ik sprak eens iemand die groot geworden was in de wereld, en hij zei: ‘Dominee, als het gaat om het verdraaien van woorden en over het verspreiden van een gerucht over de naaste, dan is de kroeg waar ik vaak met mijn makkers gezeten heb heilig, vergeleken met de kerk.’ Dat geeft te denken, gemeente, want dat wijst op een zonde die misschien wel op nummer één staat in de christelijke gemeente.

 

Niemands woorden verdraaie…

Daar zit iets duivels in, iets boosaardigs, om onze naaste te vernederen, zwart te maken, vals te beschuldigen, onderuit te halen.

‘Ik kan de tempel Gods afbreken en in drie dagen opbouwen.’ Ja, dat heeft Jezus van Nazareth volgens valse getuigen écht gezegd! Zo hebben ze de woorden van Jezus verdraaid. Maar Hij had gezegd: Breekt deze tempel – en daarmee had de Heere Jezus Zijn lichaam bedoeld – en in drie dagen zal Ik dezelve oprichten (Joh.2:19).

Dat hebben ze met een duivelse opzet aangegrepen om Hem te beschuldigen dat Hij het heiligdom, de tempel waar zo lang aan gebouwd was, waaraan Herodes zoveel verfraaid had, moedwillig wilde afbreken.

Niemand zijn woorden verdraaie; dat hebben ze met de woorden van de Zaligmaker gedaan.

En daarom, kinderen des Heeren, zullen ze ook uw woorden verdraaien. Dat is pijnlijk als het door de wereld gebeurt, maar het is smartelijker als het door de vrome of de oppervlakkige godsdienst gebeurt. Het zal beide uw deel zijn.

 

Maar God zegt hier ook: geen achterklapper of lasteraar zij.

Achterklapper. Het woord ‘klappen’ is een Zuid-Nederlands woord voor kletsen, praten. Achterklappen is letterlijk achter iemands rug over hem of haar praten. Achterklapper of lasteraar zijn…

Achterklappen, kletsen achter iemands rug, gemeente, wat doen we dat vaak! We vertellen zo graag en zo vaak en zo gemakkelijk nieuwtjes over een ander. Dat is aangrijpend, want daarmee hebben we de ander niet op het oog als een schepsel van God. Maar het is altijd negatief, wist u dat, altijd negatief. Weer dat duivelse, dat boosaardige.

En ‘lasteraar’ gaat nog een stapje verder. Kletsen kan nog wat oppervlakkig zijn, maar met lasteren verbreiden we allerlei kwaad dat de ander niet eens gedaan heeft.

Ik denk aan Ziba, de knecht van Saul, die Mefiboseth belasterde. Hij zei tegen David dat Mefiboseth geen zin had om voor hem op te komen, om met hem mee te reizen, om aan hem te denken. Dat was het, kort samengevat. Ziba probeerde Mefiboseth zwart te maken, terwijl we vanuit de Heilige Schrift vast geloven dat Mefiboseth, de zoon van Jonathan, echt getreurd heeft omdat hij hartelijk aan David – mag ik zeggen: aan de God van David – verbonden was.

Maar David geloofde Ziba; hij trapte er in, en hij zei tegen Ziba: ‘Deel al de bezittingen van Mefiboseth maar.’ En Mefiboseth, een echt kind van de Heere, die zoveel schade lijdt, keurt het nog goed ook. Maar gemeente, in de grote dag der dagen zal Ziba veroordeeld worden om deze daad, tenzij hij in zijn leven tot bekering is gekomen.

 

En dan staat hier als vierde punt: niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen.

Hoeveel praatjes nemen we in het leven van elke dag aan voor waar? In de kerkelijke gemeente is dat het meest pijnlijke. Hoeveel mensen zijn er door de modder gehaald, zonder dat we eigenlijk weten wat er aan de hand is; zonder dat we ons daar eigenlijk ook maar enigszins in verdiept hebben?

De klem van de Heilige Schrift moet ik u voorhouden en ik noem een paar verwijsteksten die onder dit antwoord staan. Het zijn woorden uit de mond van de Zaligmaker.

Mattheüs 7 vers 1: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Gemeente, je kunt wel meekletsen, maar doe het maar niet, zegt de Zaligmaker, opdat gij niet geoordeeld wordt.

Maar er staat nog een tekst, Lukas 6 vers 37: En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden. Zult u het niet vergeten, gemeente, als wij een ander veroordelen zonder dat we weten wat er precies aan de hand is, lichtvaardig, oppervlakkig, zomaar afgaand op het woord van een ander, zullen we straks in dat grote godsgericht komen en dan zullen we geoordeeld worden, als we hoorden bij dat lastergilde.

 

We hebben nog twee woordjes overgeslagen: tegen niemand.

Dat moet u maar eens overwegen, gemeente, want dat gaat over vriend en vijand. Dat gaat over uw naaste en over God. Dan weten we meteen dat een leugentje om bestwil een grote zonde is en dat een noodleugen echt niet deugt. Al begrijpt u wel dat er verschil is.

Jongeren, toen Rachab, de hoer uit Jericho, probeerde de verspieders te redden en daarom tegen die soldaten zei: ‘Ze zijn al vertrokken, ga ze haastig achterna, ze zullen zich wel spoeden naar de Jordaan’, dan moeten we die zonde niet goedpraten. Maar die staat toch in een ander licht dan wanneer jij tegen de conciërge liegt als je te laat bent en je wilt geen straf krijgen. Beide is verkeerd. Zonde blijft zonde, schuld blijft schuld, maar het staat wel in een totaal ander daglicht.

Zult u het niet vergeten: God is een God van recht en van gerechtigheid, het allermeest de God der waarheid.

 

Gemeente, we hebben een paar Bijbelse voorbeelden genoemd. Zult u eerlijk uw levenswandel nagaan en breken met alle zonde in het licht van het negende gebod? Zult u zich vooral afvragen – als u daar nog nooit achterkwam – wat de bron van de leugen is? Daar gaat het natuurlijk om.

Het is niet alleen de vorm waarin de leugen verschijnt, maar in de tweede plaats:

 

2. De bron waaruit de leugen opkomt

 

Er staat: Maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels, vermijde.

De gave van het woord is een bijzonder voorrecht. Dat heeft de Heere gegeven aan het pronkjuweel van de schepping, de mens. Dieren kunnen communiceren met elkaar. Er zijn prachtige voorbeelden van hoe dolfijnen aan elkaar iets duidelijk maken; hoe ze een taal kunnen spreken die dat mogelijk maakt. Maar daar bovenuit stijgt de gave van het spreken.

Ook daarmee is de mens beelddrager van God. Want de Zoon van God, Jezus Christus, wordt het Woord van de levende God genoemd, zoals u kunt lezen in Johannes 1. En gemeente, met eerbied gesproken, dat Woord heeft gesluimerd in de verborgenheid van God in Zijn eeuwige raadsplan. Daar was Zijn Zoon in de schoot des Vaders van eeuwigheid tot eeuwigheid. Dat Woord heeft God geopenbaard; Zijn grootste gave, Zijn onbevattelijke liefde. En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (Joh.1:14). Jongeren, mag ik het heel eenvoudig zeggen? Gods liefdeshart is open gegaan en Hij gaf Zijn Zoon.

De Heere spreekt door Zijn Woord, want de Heere Jezus wordt het vleesgeworden Woord genoemd. Hij is ook de Kern, de Hoofdinhoud van het geschreven Woord; de Bijbel.

 

Het aangrijpende is dat wij de waarheid Gods hebben verworpen. U en ik zijn satan moed- en vrijwillig toegevallen. Hij wordt de vader van de leugen genoemd. Wat zijn we  diep gevallen! Onze tong, die de Heere ons gaf om eeuwig Hem te loven, om Hem groot te maken, om Hem te dienen, is verworden tot… wat?

We hoorden het in de Schriftlezing uit Jakobus 3 vers 6: De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad van onze geboorte, en wordt ontstoken van de hel.

 

Waar komt de leugen vandaan? Gemeente, die komt uit de hel, bij de duivel vandaan. Daarom zegt de catechismus hier: maar allerlei liegen en bedriegen – dus al die vormen, vroom of goddeloos, opzettelijk of minder opzettelijk – zijn de eigen werken van de duivel.

Jezus Zelf, het Woord, de eeuwige Waarheid, heeft gezegd: Gij zijt uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen. Die was een mensenmoorder van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar en de vader derzelve leugen (Joh.8:44).

 

Gemeente, bent u daar wel eens bedroefd over geworden? Jongens en meisjes, zijn jullie wel eens verdrietig geworden, dat een klein kind van een paar jaar, een peuter, nu al liegt en bedriegt? Dat als je iets verkeerds hebt gedaan en je vader of je moeder roept je, dat het eigenlijk altijd door je heen flitst: hoe kan ik nu proberen om de zaak anders voor te stellen? Dat je op school misschien wel tegen de juf of meester niet eerlijk bent? Hoe komt dat toch?

 

Ja, gemeente, hoe komt dat toch? Is dat nu de smart van uw hart geworden, dat die vuile bron, uit de hel ontstoken, niet alleen leeft in de wereld; dat die niet de oorsprong is van kranten als de Telegraaf, om zomaar wat te noemen, van de boulevardbladen waar zoveel pulp in staat, maar dat het dezelfde bron is als hier van binnen? Dat u en ik die leugenaar zijn toegevallen? Dat daarom ons woord zo vaak niet deugt, dat we leugenaars geworden zijn, dat er nooit meer wat goeds uit ons komt, omdat het niet meer in ons te vinden is? Is dat uw gebed geworden?

Als de Heere u onder de beademing van Zijn Geest bij de prediking van Zijn Woord, wet en evangelie, een onbekeerd mens maakt en dat de smart van uw hart wordt, gemeente, dan ga je bidden: ‘Was, reinig mij van die vuile bron.’

 

Bent u zo’n bidder geworden? Vraagt u: ‘Verlos me van de heerschappij van de duivel die me probeert in zijn kamp te trekken’? Want er zijn maar twee kampen op deze wereld: het kamp van die gezegende Koning Jezus – daar horen we straks meer van in onze laatste gedachte – of het kamp van satan.

Gemeente, dat is nu de leugen tegenover de waarheid. Waar hoort u bij? Bij het kamp van de leugen of bij het kamp van de waarheid? Bent u nu een bedroefde zondaar geworden, omdat we ons eens uitleverden aan de leugenaar satan, of bent u door genade een onderdaan geworden van die gezegende Heere Jezus Christus, Die zegt: Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven (Joh.14:6)?

 

We moeten naar onze derde gedachte, waarin we worden bepaald bij:

 

3. De straf waartoe de leugen leidt

 

Want er staat: tenzij dat ik de zware toorn Gods op mij laden wil.

Is liegen nu echt zo erg? Natuurlijk, het is zonde, maar wat is dat vergeleken met echtbreuk of met vloeken of doodslaan? Gemeente, vergist u zich niet. Wij zouden allerlei liegen en bedriegen, lasteren over een ander, praatjes in de gemeente verspreiden, misschien scharen onder de lichte vergrijpen.

U weet wel hoe dat gaat. Dan maken wij een indeling van zware zonden, doodzonden en van lichte zonden. Is dat nu écht zo erg? Ik denk wel eens dat we de zonde tegen het negende gebod onderschatten, als we goed overdenken wat er staat.

Dat betekent dat u al dat liegen en bedriegen als eigen werken des duivels moet vermijden, moet proberen niet in die valkuil te vallen, biddend smeken of God u tot een waar, waarachtig mens wil maken.

 

Jongere of oudere, tenzij dat ik – en dan komt het heel dichtbij – de zware toorn Gods op mij laden wil.

Als wij roddelen, liegen, iemands woorden verdraaien, lelijke praatjes over onze naaste vertellen, dan zijn we bezig Gods toorn, de zware toorn van God op ons te laden. Wee degene die Gods Naam misbruikt en vloekt! Maar ook: wee degene die de naam van zijn naaste door de modder haalt!

Al zou niemand de zegsman weten van zo’n roddelpraatje, al houden we ons verre van roddelbladen en tijdschriften, Gods alwetend oog ziet het en Zijn alhorend oor hoort het.

 

De zware toorn Gods op mij lade, staat er.

Jongens en meisjes, als jullie je Bijbels dagboek – dat gebruik je toch wel? – ’s avonds op je nachtkastje leggen, dan zeg je niet: ’Ik heb het erop geladen.’ Als je ’s morgens je volle schooltas op de rug laadt of bij een verhuizing de auto volstouwt, ja, dan spreek je over ‘laden’.

Nu is het of de Heidelbergse Catechismus zegt: Denk daar toch eens aan: elke leugen, elke roddel, niet één uitgezonderd, die zal de Heere als een zware last op je leven leggen. En je zondenpak – het beeld van Bunyan waar u maar aan moet denken – dat zal zwaarder worden; je schuld zal groter worden; het oordeel vreselijker en de veroordeling, straks op de jongste dag, ontzettender.

 

Dat zegt niet alleen onze Heidelbergse Catechismus. Om maar één tekst te noemen; onder het antwoord staat Spreuken 12 vers 22: Valse lippen zijn de Heere een gruwel. Een gruwel. God gruwt daarvan.

Die ene leugen van Eva in het paradijs was zo vreselijk, dat ze weg moest uit Gods gemeenschap, om voortaan te leven met vloek en dood. De eerste leugen van Adam heeft hij later letterlijk en figuurlijk in zijn leven moeten betreuren, zwoegend en zwetend, te midden van doornen en distels.

 

Gemeente, wie zou niet denken aan de tweede Adam? Als u nu weten wilt wat de zonde en haar straf is, ook bij de overtreding van het negende gebod, kom en ga dan met me mee naar Golgotha, en hoor en zie hoe daar de tweede Adam hing aan dat vloekhout, smartelijk, smadelijk, om een vervloekte dood te sterven.

Waar ze allen Hem beschimpten en bespotten, het volk, de oversten, de geestelijke leidslieden, de soldaten, de twee medekruiselingen… Alles bespot en belastert Hem, de Zoon van God.

 

Mag ik u herinneren aan Zondag 15, vraag en antwoord 39: ‘Heeft dat iets meer in, dan dat Hij gekruisigd is geweest, dan of Hij met een andere dood gestorven was? Ja het; want daardoor – mag de levende Kerk zeggen – ben ik zeker dat Hij de vervloeking die op mij lag, op Zich geladen heeft, dewijl de dood des kruises van God vervloekt was.’

O gemeente, de Heere geve dat u beven zou. Als de Borg kroop in Gethsemané, als Hij die bange schreeuw deed horen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46), hoe zult ú dan, liegend en bedriegend mensje, het straks maken als de alwetende Rechter u zal dagvaarden in het gericht?

Met klem willen we dat op uw hart binden, als u nog altijd onbekeerd doorleeft.

Ook mensen die genade kennen, die de Heere hebben liefgekregen, kunnen in de zonde van het liegen vallen. Mag ik weer een Bijbels voorbeeld noemen? Toen Jezus voor het Sanhedrin stond, was Petrus daar ook. Een dienstmeisje zei tegen hem: ‘Jij hoort toch ook bij die Jezus van Nazareth?’ Maar Petrus zei: ‘Hoe kom je daarbij? Ik ken de Mens niet!’ Zijn lieve Meester! Petrus staat zichzelf met vloeken en zweren te distantiëren van de gezegende Borg en Zaligmaker. Hij liegt, hij bedriegt.

 

En dan het aangrijpende. Als u onverzoend zo voortreist, gemeente, onbekeerd, dan zal de Borg u eens aanzien (dat is wat om over na te denken!): wat heb je gedaan met de tong die Ik je gaf?

We moeten ook in dit opzicht denken aan de voorrechten die we krijgen. Er zijn mensen die niet of nauwelijks kunnen spreken. Er zijn stotteraars, misschien ook in het midden van de gemeente, voor wie dat soms heel lastig is, heel veel pijn ook geeft. Er zijn mensen die verstandelijk zó beperkt zijn, dat ze nooit zullen spreken. Dat is aangrijpend.

Als straks de Rechter van hemel en aarde zal vragen: ‘Wat heb je gedaan met de tong die Ik je gaf?’, dan zal Jezus u aanzien. Hij is het Woord, Dat in de eeuwigheid door God de Vader beschikt is om op deze aarde Zijn stem te doen horen en ons de woorden Gods toe te betrouwen in de meest bijzondere zin.

 

Kinderen des Heeren, wat een wonder als u door genade mag weten van Hem, Die ook Zijn kinderen als het ware weer aankijkt zoals Hij Petrus vol liefde heeft aangezien! Zou uw hart niet moeten verbreken om opnieuw te verlangen om ook dit gebod te volbrengen uit dankbaarheid?

Gemeente, smeek om die wondere ruil, voor het eerst of bij vernieuwing: Christus mijn zonden en ik Zijn gerechtigheid.

 

We moeten naar onze vierde gedachte, maar eerst gaan we zingen het zevende vers van Psalm 34:

 

Houdt dan uw tong in toom;

Dat zij nooit schand’lijk spreek’ of smaal’;

Dat nooit bedrog of logentaal

Op uw lippen koom’;

Betreedt het rechte spoor;

Veracht het kwaad; jaag naar de vree.

God ziet de vromen, en hun beê

Geeft Hij altoos gehoor.

 

In de vierde plaats letten we op:

 

4. De kracht waardoor de leugen overwonnen wordt

 

We hoorden al over de vorm waarin de leugen verschijnt, de bron waaruit de leugen opkomt, de straf waartoe de leugen leidt en tenslotte nog iets over: de kracht waardoor de leugen overwonnen wordt.

 

Gemeente, we staan in het stuk der dankbaarheid. Dat mag u niet vergeten als het gaat over dit gebod. Zondag 43 staat in het derde stuk van ons leer- en troostboek. De Heere gaf ook Zijn negende gebod ‘om die te doen uit dankbaarheid’. Waar vraagt de Heere om?

‘Insgelijks dat ik – dat is heel persoonlijk, gemeente, want er staat niet ‘dat wij’, maar ‘dat ik’ – in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprecht spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.’

In eigen woorden: ik moet altijd en overal de waarheid liefhebben, voor de rechtbank en in mijn vriendenkring. Ik moet altijd en overal oprecht spreken, eerlijk zijn. Ik moet altijd en overal de naam en de zaak van mijn naaste, zijn eer en goed gerucht bevorderen.

U weet wie uw naaste is, gemeente? Dat is degene die naast u zit in de kerkbank; dat is degene die naast je zit in de collegebank; dat is degene die naast je zit of staat of loopt op je werk. Dat is degene met wie je straks zult staan voor de rechterstoel.

 

Altijd de eer en het goed gerucht van mijn naaste voorsta en bevordere…

U moet goed opletten, het staat hier in wensende zin: liefhebbe, spreke, belijde, bevordere. Ze zijn geen ‘n’ vergeten, het staat in wensende zin. Begrijpt u het, gemeente? Is uw gebed: ‘Heere, mag het zo zijn?’ Zit u zo in de kerk? Dan heb je er zin in om dat in praktijk te brengen, van dag tot dag en van uur tot uur.

 

Hoe wordt de leugen overwonnen? Hoe gaat dat in mijn leven? Door hard te werken? Goed je best te doen? Bent u ook lid van het verbetergilde?

Natuurlijk doe je je best om Gods gebod te betrachten. Jongelui, ouderen, ik hoop dat het verlangen van je hart is: ‘Heere, dat nooit om mij Uw lieve Naam gelasterd worde. Mogen de buren maar merken dat ik mijn woord houd als ik beloofd heb een boom te snoeien of een boodschap te doen; mogen ze merken dat ik echt U wil dienen in de kleine en in de grote dingen. Ook in de wijze waarop ik mijn huisvuil sorteer.’

Dat gaat heel ver! Gemeente, dan verlangt u dat in uw handel en wandel te merken is dat u de Heere vreest.

Maar als de Heere in je leven komt, dan kom je er ook steeds meer achter hoe leugenachtig je bestaan is; dat je altijd bezig bent om je naaste, en als het kon, God te bedriegen. Dat zeg ik niet om pessimistisch te zijn, maar realistisch. En realistisch worden we, als we kennis krijgen van eigen hart en leven.

Maar, gemeente, als de Heere in uw leven komt, dan gaat u begeren, smeken of de Heere u oprecht wil maken voor Hem en de naaste. Dan ga je je hart, dat van nature vol van leugen is, uitstorten voor een God Die naar waarheid ziet, ook in het binnenste.

 

Kom, is dat geen onbekende zaak in uw leven? Gemeente, de kracht van de zonde kun je niet breken, een hart vol leugen kun je niet veranderen. Je kunt jezelf niet verbeteren. Ook het negende gebod kun je niet houden zoals je ziel dat begeert, want je bent maar een arm, stoffelijk, klein, nietig mensje, vol van dat oude adamsbestaan.

Je kunt wel wat gaan oppoetsen; het kan heel wat lijken, maar het wordt nooit wat. Maar dan toch in beginsel dat nieuwe leven, dat in Christus geopenbaard is. Het geheim ligt gelukkig niet in een mens, maar in de Borg Jezus Christus. In Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is.

 

Kinderen des Heeren, hoe heeft uw Jezus moeten lijden, niet alleen aan het eind van Zijn leven, want Zijn hele aardse wandeling voerde over een wereld die verleugend was!

Hij, de Hartenkenner, moest er dagelijks in verkeren.

Wat moet Hem dat pijn gedaan hebben, want Hij doorzag elk mens die tot Hem kwam met vrome praatjes, met zogenaamd goede bedoelingen, want Hij wist wat in de mens was!

Wat moet het Hem gekweld hebben dat het schepsel, uit de hand van de drie-enige God voortgekomen, zo verworden is in handel en wandel! Hoe heeft uw Jezus moeten lijden, met als toppunt toen ze Hem aan het vloekhout der schande gehangen hebben als een leugenaar, als een lasteraar, als een godloochenaar!

Want waarom is Jezus eigenlijk veroordeeld; waarom hebben ze Hem ter dood veroordeeld? O, die heilige, reine Middelaar heeft het moeten horen uit de mond van de leugenaar: ‘Hij heeft God gelasterd! Hij is een leugenaar, Hij is een lasteraar.’ En hij – de hogepriester - scheurde zijn kleed…

 

Daarom, kind des Heeren, misschien heeft u het in deze dienst wel gehoord, in uw adamsbestaan is geen goed voor de Heere, maar de Heere heeft gewerkt dat Zijn oordeel over uw leven over die reine, heilige Borg is gegaan. De vloek van uw verleugende bestaan is door de Borg gedragen.

De zware toorn Gods, die eeuwig op mij zou moeten branden, heeft Hij op Zich geladen, opdat ik in het gericht Gods nimmermeer kome. Zie dan maar het open graf in de hof van Jozef. Daar liggen vloek en doem, maar Jezus is er niet. Hij heeft Zijn Kerk meegenomen. Zijn allerheiligst bloed wast en reinigt van alle zonden. Ook van de zonde van de leugen.

 

Gemeente, kent u het Lam? Is Hij u noodzakelijk geworden? Gods heilig gebod wordt ons voorgehouden om u in de engte te brengen; om alle wegen af te sluiten, opdat u nergens anders heen kunt vluchten dan naar dit gezegende Lam Gods Dat de zonde der wereld, Dat de zonde van de leugen wegdraagt.

Heen gedreven naar Hem, Die ook dit negende gebod vervuld heeft, om van Hem te verkrijgen het nieuwe beginsel dat toch op de bodem ligt van zo’n twee-mens.

 

‘Ik heb een oude mens.’ Is dat ook de praktijk van uw leven, jongeren en ouderen? ‘Ik heb een oude mens, en dat is een mens met een verleugend bestaan, maar door genade ben ik een twee-mens!’ Kunt u dat nazeggen? Het beginsel van dat nieuwe leven is van de Borg; dat heeft Hij er Zélf in gelegd en dat begeert te leven in volkomen oprechtheid; ook naar het negende gebod.

Als de Heere dat uitwerkt, dan wordt onze tong, dat kleine lid, meer en meer geheiligd, opdat waarachtige woorden van de lippen mogen vloeien, tot eer van God en tot stichting van de naaste. Gemeente, dan gaat een kind van God daar wel eens naar verlangen. Dan mag zijn tong hier in beginsel weer gaan doen wat straks volkomen zal geschieden.

 

Wat zal het zijn als je onbekeerd sterft! Gemeente, dan zul je nooit je tong gebruiken waarvoor we hem eigenlijk gekregen hebben, om een drie-enig God lof te zingen. Dan zul je eeuwig God moeten vloeken. Dan zul je eeuwig je tong moeten kauwen. O, God geve dat u dit zou overdenken, opdat u zich zou haasten tot dit gezegende Lam.

 

De Kerk mag hier in beginsel door haar (door die tong) God de Vader loven. Door haar… Mag je dat wel eens doen, kind des Heeren, zingen van die lieve Borg? Hier met veel tekort, met veel gebrek, maar straks volmaakt, volkomen. Om uw God ootmoedig te eren voor het smaken van Zijn zaligheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 119: 15

 

Weer snood bedrog, o God, van mijn gemoed;

Laat Uw genâ mij Uwe wetten leren;

Ik kies de weg der waarheid voor mijn voet,

Om mij van ’t pad der zonden af te keren;

Uw rechten, die zo heilig zijn en goed,

Steld’ ik mij voor; die wil ik need’rig eren.