Ds. R. Kattenberg - Romeinen 1 : 17a

Onderwerp

De rechtvaardigheid voor God, toegespitst op het leven van Luther
Die rechtvaardigheid van God is door de wet niet te verkrijgen
Die rechtvaardigheid van God wordt in het Evangelie geopenbaard

Romeinen 1 : 17a

Want de rechtvaardigheid van God wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 29: 1, 6
Lezen : Romeinen 1: 8-17
Zingen : Psalm 46: 1, 4
Zingen : Psalm 14: 7
Zingen : Psalm 40: 8
Zingen : Psalm 136: 1

De tekst voor de preek is Romeinen 1 vers 17a:

 

Want de rechtvaardigheid van God wordt in hetzelve (dat is in het Evangelie) geopenbaard uit geloof tot geloof.

 

Het thema van de preek is: De rechtvaardigheid voor God, toegespitst op het leven van Luther.

 

We letten hierbij op de volgende punten:

1. Die rechtvaardigheid van God is door de wet niet te verkrijgen

2. Die rechtvaardigheid van God wordt in het Evangelie geopenbaard

 

1. Die rechtvaardigheid van God is door de wet niet te verkrijgen

 

Een felle bliksemstraal, rollende donder en een kreet van angst en vertwijfeling: ‘Help mij, heilige Anna, en ik zal monnik worden!’ Wie zegt dat? Dat zegt Maarten Luther op 21-jarige leeftijd. Hij heeft een bezoek gebracht aan zijn ouders en is op de terugweg naar Erfurt. Op die weg overvalt hem een hevig onweer. Tijdens die bui doet hij zijn gelofte om monnik te worden.

En u voelt u wel aan, dat dit natuurlijk niet zomaar is. Daar is meer aan de hand. 21 jaar, dan ben je nog jong. Dan sta je aan de ingang van het leven. Maar dat wil niet zeggen dat je geen problemen hebt. Ook jongeren van deze leeftijd – of nog jonger – kunnen zich vinden in Luther. Want de problemen die hij heeft, die liggen aan de binnenkant van zijn leven.

 

Luther ligt overhoop met zichzelf. De zorgen openbaren zich op het geestelijke vlak. En dat kun je heel kort samenvatten: hij heeft daarin met God te doen. Dat is wat Luther bezighoudt. Hij heeft met God te doen. Wat heeft hij veel te stellen met dat wat hij later noemen zal: de aanvechting van de droefenis. U zult straks wel beter begrijpen wat hij daar onder verstond.

Hij heeft een indrukwekkende houtsnede gezien. Het woord ‘houtsnede’ kennen onze kinderen – zeker onze kleintjes – niet. Denk maar aan een schilderij van hout. Luther zag in dat schilderij van hout het één en ander. Op jonge leeftijd heeft Luther daar aandachtig naar gekeken. Wat trof hem zo? Wel, op dat schilderij – op die houtsnede – is Christus afgebeeld als de Rechter van de wereld. En Christus zit daarbij op de regenboog. Dat kunnen we ons ook wel voorstellen: een regenboog en daarop ziet u in het midden de Christus zitten. En uit het rechteroor van de Heere Jezus bloeit een bloem, een lelie. Daaronder ziet Luther de verlosten wandelen, de gezaligden. Zij worden door de engelen geleid in de richting van het paradijs.

Er is ook een andere kant. Op die houtsnede heeft de Heere Jezus ook iets in Zijn linkeroor. Uit het linkeroor van de Heere Jezus steekt een zwaard in de lucht, een teken van het oordeel dat voltrokken zal worden aan allen die aan Jezus’ linkerhand zullen staan op de grote dag van het oordeel. De ongelovigen worden door de duivelen bij de haren uit de graven getrokken en geworpen in de vlammen van de hel.

Die houtsnede heeft altijd een diepe indruk op Luther gemaakt, met de toepassing naar zichzelf.

 

Lelie of zwaard, rechts of links, aan beide kanten zie je mensen. Eén van die mensen zal Luther zelf een keer zijn als Jezus komt om te oordelen. En waar zal hij dan staan? Rechts of links? Lelie of zwaard? Hij is nog geen 21 jaar oud als hem dat zo bezighoudt. Onze kinderen worden er door aangesproken. Heb je de Heere Jezus lief? Leef je voor Hem? Ja of nee? Waar loopt het op uit in je leven? Meisjes en jongens, jullie worden er op aangesproken. Heb je problemen aan de binnenkant van je leven, als het gaat om God? Je hebt met God te doen!

 

Luther heeft als een trouwe zoon van de moederkerk geleerd dat Christus voor de zonde heeft betaald, dat Christus heeft voldaan door Zijn kruisoffer. Maar hij heeft nóg wat geleerd. Hij heeft ook geleerd dat Christus genoegdoening vraagt van de mens. Wat wil dat zeggen? Dat de mens ook nog moet betalen of terugbetalen. De Heere Jezus heeft de zonde verzoend, maar daar moet natuurlijk van de kant van de mens wel wat tegenover staan.

Luther heeft ook geleerd dat als je die betaling van jouw kant niet gegeven hebt, je uiteindelijk toch voor God niet bestaan kunt. Je moet dus het nodige zélf doen. Je moet het nodige terugbetalen. En dat moet je zélf doen. Dat moet je hélemaal zelf doen, in de weg van boete, van berouw, van penitentie (dat is ongeveer hetzelfde als boetedoening), van het kruisigen van het vlees. Je moet zóveel aanbrengen, dat het opweegt tegen datgene wat God van je vraagt.

 

Dat was in de Middeleeuwen een groot probleem. Want daar stonden mensen voor de vraag: ‘Hoe kan dat nu? Hoe kun je nu zoveel aanbrengen dat het voldoende zal zijn in de ogen van God?’ ‘En eigenlijk,’ zeiden de mensen, ‘eigenlijk kun je dat alleen maar volbrengen als je het klooster ingaat. Als je je afsluit van de wereld om je heen en als je binnen de muren van het klooster alles in het werk stelt om die genoegdoening aan te brengen.’ De mensen zeiden: ‘Als je sterft in het ordekleed – dat wil zeggen: als je sterft in de pij, de kleren die de monniken droegen – dan ben je zeker van je zaligheid.’ Maar eigenlijk alleen dán. In al het andere bleef je toch wel tekortschieten.

Dat wist Maarten Luther ook. Maar hij hield het klooster op verre afstand. Hij in een klooster? Welnee, hij had heel andere gedachten. Hij was begonnen met een studie van de rechten. Maar het zit hem niet mee, de onrust blijft hem achtervolgen. Ook als hij studeert, gaat die tweeslag met hem mee. Rechts of links? Lelie of zwaard? Luther, waar zul je eenmaal staan?

 

En dan komt dat noodweer dat hem overvalt. Die bliksem en donder, en dan die noodroep: ‘Ik zal monnik worden!’ En dat wordt hij ook, gemeente. Op 17 juli 1505 meldt hij zich aan de poort van het oude stenen klooster in Erfurt. Daar is een kloosteroverste – de prior heet hij – die stelt Luther als hij zich aanmeldt voor het klooster eerst drie vragen. De eerste vraag is: ‘Ben je een lijfeigene? Ben je een slaaf? Ben je een horige?’ We zouden nu zeggen: ‘Ben je geen baas over jezelf?’ Dat is de eerste vraag.  

De tweede vraag is: ‘Heb je onbetaalde schulden? Sta je hier of daar diep in de schuld?’

En de derde vraag is: ‘Lijd je aan een verborgen kwaal?’

Kortom: Ben je een slaaf? Heb je een onbetaalde schuld? Lijd je aan een verborgen kwaal?

Drie keer antwoordt Luther ontkennend. Hij zegt dus drie keer ‘nee’. En toch, gemeente, als je een beetje dieper kijkt en het leven van Luther daarbij in aanmerking neemt, had hij eigenlijk drie keer ‘ja’ moeten zeggen. Want waarom kwam hij bij dat klooster aankloppen? Omdat hij eigenlijk een slaaf was van de zonde en een lijfeigene van de duivel. Waarom kwam hij? Hij moest er rust vinden, want hij had – dat is het tweede – grote onbetaalde schulden. En dan natuurlijk niet bij mensen hier of daar, maar hij wist van zijn grote schuld bij God. Dat is de ergste schuld die een mens zich maar bedenken kan. En een verborgen kwaal? Nou en of, die had hij zeker! Een slopende hartkwaal, een geestelijke kwaal, die hem te gronde dreigde te richten.

 

Ben je een slaaf, Luther? Heb je onbetaalde schulden? Heb je een verborgen kwaal? Dat waren de vragen zoals Luther die te horen kreeg uit de mond van de prior. Maar, gemeente, hoe is het met u, en met jou? Die vragen worden ook u gesteld, door middel van de prediking. En als u, als jij nu die drie vragen moest beantwoorden, wat zouden wij dan zeggen?

Zoveel eeuwen scheiden ons van het moment van de Reformatie. Zoveel jaren hebben ook wij het Woord van God gehoord. Heeft dat Woord van God je hart zó bewerkt, dat je Luther kunt aanvoelen? Dat hij, ook in het klooster, zich steeds weer die vraag gesteld heeft: ‘Waar reis ik naartoe? Hoe leef ik nu? Zo’n beetje voor het vaderland weg? Van de ene dag in de ander?’

Of is daar die ernstige vraag: ‘Hoe moet het met mijn leven? Hoe zit het met mijn bestaan? Waar loopt het op uit?’ Kunt u met uw leven zoals u dat nu leidt, gemeente, eenmaal God ontmoeten? Meisjes en jongens, kun je daarmee komen voor het aangezicht van de Hoogheilige? Kun je komen met je leven zoals dat nu is? Wanneer kan ik heilig genoemd worden? Wanneer is er genoegdoening gegeven? Wanneer heb ik een genadig God? Wanneer ben ik rechtvaardig in de ogen van God?

Kijk, dat zijn de levensvragen. Daar heeft Luther wat voor gedaan, gemeente. Wanneer ben ik rechtvaardig voor God? Dat woordje ‘gerechtigheid‘ achtervolgde hem. Daar wist hij zich als het ware door geslagen. Daar kwam hij niet van af. Waar hij ook naar toeging, altijd maar weer die gerechtigheid. Altijd maar weer: ‘Luther, je moet voldoen aan dit en je moet geven aan dat.’ Met al de kracht die in hem was, heeft hij zich geworpen op de wet. Hij zal dít doen en hij zal dát doen, om zichzelf maar klein te krijgen.

Vasten doen we nu niet meer, maar in de tijd van de Bijbel en de tijd van Luther werd er wel gevast en Luther dat ook zeker gedaan. Dit niet en dat niet, zus niet en zo niet. Hij heeft zich gemarteld, gepijnigd en gekastijd. Hij heeft zich geslagen. Hij heeft zelfs later geschreven: ‘Ik heb me bijna doodgemarteld.’ En dat klopt ook wel.

De kloosterbroeders hadden er ook wel erg in dat Luther het moeilijk had. En als hij dan alleen in zijn cel was, dan vroegen die broeders zich af: ‘Wat doet hij toch allemaal? Waar loopt dat toch allemaal op uit? Leeft hij eigenlijk nog wel, of slaat hij zichzelf dood?’ Dan keken ze door het sleutelgat van de deur van de cel waarin Luther was, om te kijken of hij nog wel leefde.

 

U voelt wel, dan ga je langs de rand van de afgrond. Dan ga je langs het randje van het ravijn. Maar de kwaal bleef. En dat zondegevoel in zijn hart wilde maar niet wijken. Steeds maar weer drong de vraag: ‘Wanneer sta ik nu niet meer bij God in de schuld? Wanneer heb ik zoveel goede werken aangedragen dat God tegen mij zeggen zal: Luther, nu hoeft het niet meer, want nu heb je de maat vol gemaakt, nu is het weer goed tussen Mij en tussen jou?’ Dat was voortdurend het spanningsveld van Luther: Wanneer ben ik rechtvaardig voor God?

 

Wat doet de mens, gemeente, die zich deze vraag gesteld ziet? Dan zoekt de mens het uit zichzelf bij de wet. Want het werken zit ons in het bloed. Kohlbrugge heeft het eens gezegd: ‘Toen we heilig waren in het paradijs, toen zijn we zondaar geworden. En nu we zondaar zijn, proberen we heilig te worden.’

Ja, toen we heilig waren, zijn we zondaar geworden. Kennen we daar iets van? We zijn zondaar. En wat spannen we ons in om heilig te zijn! U wilt toch ook meetellen? En u laat zich toch ook niet zomaar wegpoetsen? Ja, daar hebt u het! We willen wat zíjn. We willen wat betekenen. We zijn niet zómaar iemand. Wat denkt u wel?

 

Ja, gemeente, als dat toegespitst wordt in je leven – als dat meer aandacht gaat krijgen –  kom je bij de gelijkenis van de onbarmhartige dienstknecht, waar die man zegt: ‘Heere, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.’ Wat kan een mens bezig zijn om, met alles wat er uit zijn eigen leven is, God tevreden te stellen: ‘Heere, ik heb dit en ik heb dat.’ We doen hier een weinig en daar een weinig, we volgen gebod op gebod en regel op regel…

Wat kun je het bij de wet ook ver brengen! Althans, in eigen oog. We kunnen groot worden met de werken van de wet. En we kunnen machtig worden in eigen oog. Wat kan een mens een staat van dienst opbouwen, waarop we in welgevallen neerzien. Maar juist ook nu wil de Heere ons in dat opzicht zo nadrukkelijk waarschuwen. Want als u denkt dat u in de weg van de wet zalig zult kunnen worden, vrees dan! Want dan zegt het Woord u: ‘Dat is onmogelijk. Dat is onbestaanbaar.’ Door de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden voor God (Rom. 3:20). Dan komt u niet in een goede verhouding met God. Dat heeft ook Luther geleerd.

 

Je kunt tot je zaligheid doen met de wet wat je wilt, maar het zal je in eeuwigheid niet baten. Paulus schrijft in de Romeinenbrief: ‘De wet is krachteloos.’ De wet heeft geen kracht. Hoe komt dat? Door het vlees, door de zonde. ‘Die wet is krachteloos,’ zegt de apostel, maar niet om je de zonde aan te wijzen. Wij horen ook elke zondag de wet lezen, opdat we horen zullen hoe we gezondigd hebben. De wet is niet krachteloos om de zonde aan te wijzen, maar de wet is krachteloos om ons de verzoening aan te brengen. De wet is niet krachteloos om ons te vervloeken en om een mens te verdoemen, maar de wet is krachteloos om ons te zegenen en ons met God te verzoenen.

 

De wet gebiedt altijd weer met machtige stem: ‘Doe dat, mens! Doe dat, en gij zult leven!’ Maar de wet ademt geen barmhartigheid. ‘Die wet is goed,’ zegt Paulus. Denk er om, geen kwaad woord over de wet. De wet is goed en heilig en rechtvaardig, maar de wet spreekt niet van vergeving voor de overtreder.

Gemeente, als je de wet zou kunnen vervullen, dan zou je ook door de wet gerechtvaardigd kunnen worden. Dan zou je inderdaad zo hoog kunnen opklimmen dat je in de hemel komt. Dan kon je zeggen tegen de Heere: ‘Kijk, alles heb ik gedaan, alles wat U mij bevolen hebt. Dus het is weer goed tussen U en mij.’

Maar omdat wij – u en ik – enkel zondaar zijn, omdat wij vlees zijn, zegt Paulus (dat wil zeggen dat we door en door verdorven zijn), ligt alles wat van de mens is onder de vloek van de wet. Vergis je niet! Er is geen enkel goed werk in uw leven te bedenken. Alles wordt veroordeeld. Alles is met zonde bevlekt. En de wet eist vandaag en morgen altijd weer volkomen gerechtigheid.

Want: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal. 3:10). Hoort u wel? Dat is toch wat? Vervloekt ben je, als je niet blijft in alles wat de wet heeft geopenbaard.

 

Zouden we ons dat niet wat meer moeten aantrekken, gemeente? We kunnen zo gemakkelijk dergelijke woorden overnemen: ‘Ja, dat staat er, dat is de werkelijkheid.’ Voor Luther was dat ook de werkelijkheid. Maar hij kromp daarbij inéén. Wat had hij het nodig dat verhoord zou worden, wat we samen zingen uit Psalm 14 vers 7:

 

Och, daalde ‘t heil uit Sion spoedig neer

Voor Israël! Als God Zijn volk uit lijden

En banden redt, zal Jakob zich verblijden,

En Israël al juichend geven d’ eer

Aan zijnen Heer’.

 

Wanneer ben ik rechtvaardig voor God? Wanneer is het weer goed in mijn leven?

Vervloekt is een ieder die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal. 3:10). Dat wist Luther ook, en daar had hij het moeilijk mee, daar kromp hij bij inéén. Want hoe meer hij probeerde God voor zich te winnen, hoe meer God uit zijn gezichtsveld raakte, hoe meer hij bij God vandaan raakte. Zelf heeft hij daar ook het nodige over geschreven. Ik citeer daaruit: ‘Ik stond maar,’ zo schreef hij, ‘voor de gerechtigheid van God. En ik klopte, om te zien of er ook iemand was om open te doen, maar daar was niemand.’

 

Zien we hem staan in onze gedachten? Hij klopt of er ook iemand open doet bij het Woord ‘gerechtigheid’. Daar stuitte hij steeds weer op en hij zei: ‘Heere, wanneer houdt U nu eens op met mij te plagen met dat Woord?’ Want hij bleef een slaaf. Hij bleef een lijfeigene van zonde en ongerechtigheid. Zijn schuld bleef onbetaald bij God en zijn geestelijke hartkwaal werd er alleen maar erger onder. Hij worstelde in de afgrond van de vertwijfeling. En hij streed in de diepte van de aanvechting. Die aanvechting van de droefenis – rechts, links, lelie of zwaard – die aanvechting van de droefenis week niet uit zijn ziel. Die bleef hem achtervolgen, tot in de biechtstoel toe.

En wat heeft Luther gebiecht! Zó veel, dat het zijn biechtvader begon te vervelen. Zo in de trant van: ‘Hou nu maar eens een keer op.’ Luther was bezig om op te klimmen van de aarde naar de hemel, van beneden naar boven. Hij probeerde omhoog te gaan langs de sporten van de ladder van de wet. En zo liep zijn zaak hopeloos en volkomen vast. Hij had geen hoop, geen uitzicht, geen perspectief en geen verwachting.

 

En gemeente, zo is het nog altijd, als een mens probeert op te klimmen van de aarde naar de hemel. En welk mens doet dat? Dat doen we allemaal. We proberen allemaal ons beste beentje bij God voor te zetten. U gaat naar de kerk, u leest de Bijbel en u doet uw gebed, en noemt u maar op. En waarom zijn we daar zo mee bezig? Wel, wij willen heilig zijn, om rechtvaardig te worden.

Wat ik u van Luther gezegd heb, zit in ons aller leven. U wilt ook graag optellen: dit erbij en dat erbij, zus erbij, en zo erbij. Nou, nu ben ik toch wel een heel eind. Hoe ver ben ik? Kan God zeggen: ‘Nu is het weer goed tussen u en tussen Mij’? Dat is ons redeneren van de mens uit, naar God toe. En de Schrift is daar heel duidelijk in, gemeente, en heel direct ook, als het ons zegt: Dat is niet anders dan de dood. Dat is niet anders dan omkomen. Daar redt u het nooit mee. Vandaag niet en morgen niet en in der eeuwigheid niet.

‘Ja maar, hoe dán?’ Bent u er zo mee doende? Is het al uw levensvraag? ‘Hoe komt het dan weer goed? Hoe ben ik dan rechtvaardig voor God?’

Dat brengt ons bij het tweede aandachtspunt:

 

2. Die rechtvaardigheid van God wordt in het Evangelie geopenbaard

 

Het antwoord dat Luther heeft gekregen op deze vraag, dat kwam rechtstreeks uit de Heilige Schrift. Want het liep hopeloos vast voor hem. Maar dat wil niet zeggen dat het in de hemel ook vastliep. Je zou eerder zeggen: in de hemel liep het hoopvol vast! Gelukkig dat Luther het met de wet niet kan halen, en gelukkig dat hij daarmee is vastgelopen!

En dan zorgt God er voor dat Luther het Woord van God in handen krijgt en dat hij het ook gaat bestuderen. Hij bestudeert het vanuit een persoonlijke betrokkenheid. Hij doet het niet omdat het moet, maar hij weet zich betrokken op dat Woord van God. En steeds opnieuw krijgt hij te maken met dat begrip ‘de gerechtigheid van God’ en ‘de rechtvaardigheid van God’. Die gerechtigheid van God moet hem voor eeuwig veroordelen. Dat is links, de kant van het zwaard. Dat is omkomen. Zo leest hij ook onze tekst, als hij bezig is met de uitleg van de Romeinenbrief aan zijn studenten.

Hij is verworpen, hij haalt het nooit en hij komt er nooit. Het zal nooit meer goed worden tussen God en Luther. Het zal links zijn en niet rechts.

 

De Heere leidt het zo, gemeente, dat hij die tekst nóg een keer leest. Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard.

En kijk, waar het Evangelie eerst de boodschap was van dood, verderf en van ondergang, is het nu net alsof de Heilige Geest de sluier wegrukt van voor zijn ogen. Alsof er een gordijn wegschuift, krijgt hij ineens een heel andere kijk op het geheel. Want zoals hij het eerst zag, zo was het eigenlijk niet. Dat was het helemáál niet. Het ligt eigenlijk zo heel anders. Het licht gaat hem op.

De gerechtigheid van God wordt in hetzelve geopenbaard. In hetzelve, dat is in het Evangelie, in de blijde boodschap van de genade van God. De gerechtigheid die in het Evangelie wordt geopenbaard, is niet die rechtvaardige vergelding waar Luther bang voor is. Ineens ziet Luther het: die gerechtigheid van God in het Evangelie, dat is de gerechtigheid van Christus die God aan een zondig mens toerekent.

Welnu, dat is een draai van 180 graden. Zo ervaarde Luther het ook op dat moment. Hij kreeg een totaal ander zicht. Het is een uitdrukking van de genade van God. Die rechtvaardigheid van God wordt geopenbaard in het Evangelie. De genade van God wordt hem daarin gepredikt. Want de wet preekt geen verzoening en vergeving, en de wet kan geen zondaar bevrijden van schuld en van straf. Dat doet het Evangelie van Christus.

 

Gemeente, dat is de openbaring in het leven van Luther. Ik hoop dat het ook u en jou aanspreekt, als we bezig zijn om te proberen op te klimmen van de aarde naar de hemel.

‘Nee,’ zegt het Woord, ‘het komt van de hemel naar de aarde. Het komt van God, het komt bij God vandaan, naar een zondig mensenkind toe.’

Dat is het Evangelie van de gerechtigheid van God. Niet u maakt het goed naar God toe, maar God maakt het goed naar u toe. Dat is de openbaring in het leven van Luther. Het komt bij God vandaan. Met al je sloven en slaven, met al je bezig zijn, kom je geen stap verder, Integendeel! Maar wat een wonder, het is ook geen mensenwerk, het is geen menselijk bezig zijn, maar het is Gods werk. Het is een Goddelijk bezig zijn, van de hemel naar de aarde, in Christus Jezus.

Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn Zoon gezonden heeft, van boven naar beneden toe, in de gelijkheid van het zondige vlees. Opdat de zonde veroordeeld zou zijn in het vlees van Christus. Hij is namelijk afgedaald tot op de bodem van de Godverlatenheid. Hij is gekomen in deze wereld, als de Borg van het verbond. Want dien, schrijft de apostel, die geen zonde gekend heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5:21).

 

Luther, wat ben je toch met jezelf bezig! Waarom denk je in jezelf nog het nodige te moeten vinden? Het is in Hem. Het is in Christus Jezus! In Hem gaat de hemel open en in Hem kan God weer gemeenschap hebben met een schuldige zondaar. Want in Hem heeft God Zijn recht volkomen gehandhaafd. In Hem!

Gods eisende rechtvaardigheid is in werking getreden tegen Christus. Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man Die Mijn Metgezel is. (…) Sla die Herder. Luther, dat is Golgotha: Christus wordt geslagen. En verder zegt de Heere: Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden (Zach. 13:7). Dat is om Jezus’ wil!

 

Aan Christus zijn de zonden bezocht en aan Hem is het vonnis van de wet voltrokken. Hij heeft alle gerechtigheid volbracht. Hij heeft gezongen: ‘Ik draag Uw heilige wet, die Gij de sterv’ling zet (die Gij Luther zet), in ‘t binnenst ingewand.’

Luther, wat Hij gedaan heeft, dat kun jij niet. Maar Luther, wat Hij gedaan heeft, dat hóef jij ook niet te doen! Dat is nu juist de genade van God. Nu wendt zich die gerechtigheid van God ten goede, voor een schuldig mensenkind zoals Luther is. In Christus wordt de gerechtigheid geopenbaard als een gerechtigheid die aangebracht is. Die wil de Heere uitdelen, zelfs aan de voornaamste van de zondaren.

 

Luther zat met de vraag: ‘Die gerechtigheid van God, heb ik die nu?’ Maar nu met die slag in zijn leven, door de openbaring van het Woord van God, nu is het niet: ‘Heb je die gerechtigheid?’, maar nu is het: ‘Hier heb je de gerechtigheid, Luther! Niet in jezelf, maar in het Evangelie van de genade van God. Hier heb je het!’

Dat was het keerpunt in het leven van Luther. Eerst was het: ‘Heb ik gerechtigheid voor God?’ Antwoord: ‘Nee. Ik heb het niet.’ Nu, dan moet je er wat aan doen. Boetedoeningen, geselingen, en noemt u maar op. Hebt u, heb jij dan de gerechtigheid voor God? Nee. Je komt bij de wet, gemeente, en de wet vraagt: ‘Wat heb je verdiend?’ Dan kun je niet anders zeggen dan: ‘Ik heb de dood verdiend.’ Hebt u gerechtigheid? Nee. Dan kom je bij het Evangelie. En dat zegt: ‘Hier hebt u de gerechtigheid!’ Het wordt geopenbaard in het Evangelie. Openbaren, dat is bekendmaken, afkondigen. Maar openbaren wil ook zeggen: ter beschikking stellen. De gerechtigheid van God wordt ter beschikking gesteld in het Evangelie.

 

Wat een openbaring, gemeente! Alle werken van de mensen bij elkaar zijn nooit toereikend. Daar komen we nooit mee klaar. Met onze werken komen we voor eeuwig om. Dat is een doodlopende weg. Maar hier in het Evangelie wordt de rechtvaardigheid van God geopenbaard, van hogerhand. God zegt: ‘Hier hebt u de genade.’

 

En dan komt er tegenstand. Want als we op de weg gezet worden van het werken – je moet dit doen en je moet dat doen – daar krijg je de mens in mee, maar als het nu genade is, gemeente, dan komt er vanuit de mens van nature tegenstand, want je wordt er helemaal buiten gezet.

Maar als de gerechtigheid Gods in het Evangelie wordt geopenbaard, dan komt van uw werk niets in aanmerking. Rechtvaardigheid van God, in Christus en in Zijn werk. Voor wie in banden zit, is het bevrijdend, verblijdend en verhelderend.

 

Als Luther ontdekt dat Paulus met het Woord ‘rechtvaardigheid’ niet de rechtvaardigheid bedoelt die God van de mens eist, maar de rechtvaardigheid die God aan de mens ten deel doet vallen in Christus, dan schrijft hij het volgende: ‘En ineens zag ik het. Ineens zag ik het. Wij leven niet door ons doen, maar door Gods schenkende gerechtigheid in Christus. Toen werd die tekst van Paulus mij tot een deur van het paradijs.’

Hij stond toch te kloppen? En niemand was er om open te doen. Maar toen ging de deur open. ‘Ja,’ zegt hij, ‘toen was ik verlost.’ Niet door de vrijspraak van een paus of door een aflaat, maar door het geheim van de prijs van Christus.

 

We gaan zingen van Psalm 40 het achtste vers:

 

Verheug het volk, verblijd hen allen, Heer’,

Die naar U zoeken t’ elken stond;

Leg steeds Uw vrienden in de mond:

‘De grote God zij eeuwig lof en eer!’

Schoon ’k arm ben en ellendig,

Denkt God aan mij bestendig;

Gij zijt mijn hulp, mijn kracht,

Mijn Redder, o mijn God!

Bestierder van mijn lot,

Vertoef niet, hoor mijn klacht.

 

U voelt wel, gemeente, die gerechtigheid van God was een heel ding voor Luther. Maar dat was ook een heel ding voor Paulus. Paulus is er ook zo diep door gegrepen geweest. Hij was er diep van onder de indruk. En hij wil zijn lezers zo graag duidelijk maken wat het inhoudt. En daarom zegt hij er ook achter: Uit geloof tot geloof. Calvijn zegt: ‘Het is in Christus, omdat het buiten ons is.’ En als een variant daarop kun je zeggen: ‘Het is in Christus, omdat het zonder de wet is.’ Daarom wordt die rechtvaardigheid uw deel, alleen door het geloof in Christus. Zonder Hem heb je die rechtvaardigheid van God niet. En buiten Hem heb je die rechtvaardigheid van God ook niet.

 

Gemeente, drong die eenvoudige waarheid maar eens meer tot ons door! Dan zouden we meer op Christus aangewezen zijn. Maar kijk, de Reformatie is op veel plekken ook al wat ontaard, in die zin dat het geworden is tot een beetje een religieuze aandoening. Een beetje vroomheid, maar meer is het niet. De meest ernstige aangelegenheid staat op het spel. En dat is: uit genade alleen, door Christus, zonder enige verdienste van onze kant.

U moet in het geloof zijn. Ja, alleen het geloof verenigt ons met Christus. En in het geloof wordt het Zijne het onze en het onze het Zijne. Door het geloof wordt de gerechtigheid van Hem onze gerechtigheid. Door het geloof worden onze zonden voor Hem. Dat is een gezegende ruil. Dat is vrijheid. Dan is het op Hem gelegd en is het niet meer van mij. Dan is het Zijne op mij gelegd, ik heb het uit Zijn hand ontvangen. Er is geen andere weg om de rechtvaardigheid van God deelachtig te worden dan in de weg van het geloof.

 

Gemeente, je kunt zo bezig zijn met jezelf, dat je gaat turven: ‘Ik heb dit en ik heb dat, ik heb zus en ik heb zo.’ Zeker als je leeft onder het Woord van God. Je hart brengt dít op en je hart brengt dát op. Maar wát het ook opbrengt, je wint het niet.

Laat Luther u ten voorbeeld zijn. Wat is Luther doende geweest om aan te dragen wat hij dacht te hebben voor God! Maar het was alles de dood en het einde; al de gestalten, al het werk en het bezig zijn, al het tobben voor het aangezicht van God, om toch rechtvaardig voor God te zijn.

Dan wil een mens heilig zijn om rechtvaardig te worden, terwijl de Schrift het ons zo nadrukkelijk omgekeerd zegt: wie rechtvaardig is, zal zich als een heilige openbaren in het leven van alledag.

 

Wat kunnen we bezig zijn om onze heiligheid aan te dragen, opdat God ons rechtvaardigen zal. Gemeente, dan ben je niet alleen niet-reformatorisch, maar dan ben je bovendien ook niet-Bijbels bezig. Want God rechtvaardigt geen halve heiligen, maar God rechtvaardigt goddelozen. God rechtvaardigt niet halfbekeerde mensen of driekwart bekeerde mensen, maar God rechtvaardigt zondaren.

Dat is de blijde boodschap van het Evangelie. Zondaren worden om niet gerechtvaardigd en goddelozen worden met God verzoend. Is dat geen goede en genadevolle weg? Dat is de weg van het geloof.

 

Wat is die weg van ons werken een inspannende weg, gemeente! En wat is die weg van de genade nu een ontspannende weg. Ja, het tegenovergestelde van je eigen bezig zijn. Dat is nu genade van God. Bij je eigen verdienste wordt je terugverwezen naar jezelf. Bij de genade van God word je heen gewezen naar een Ander, namelijk naar Christus. Houden we ons uitsluitend aan Hem vast, dan worden we vrij van kramp, van angst, van benauwdheid en noemt u maar op. Met Jezus alleen gaat een mens vrijuit in het gericht van God. Met Jezus alleen, onder de lelie. Buiten Hem, onder het zwaard. Links of rechts.

 

Wat hebt u, wat heb jij, als je voor God moet verschijnen? Hebt u Hem door het geloof? Dan hebt u de rechtvaardigheid van God. Het geloof houdt niets over dan alleen Hem, en dat is precies alles. Alles afstaan om Hem alleen over te houden. Dat leert nu het Evangelie. Daarin is de rechtvaardigheid van God geopenbaard. Uit geloof tot geloof. Dat is de weg waarin het vrome vlees gekruisigd moet worden en het eigengerechtigde vlees aan de kant wordt gezet. Dat wil zeggen: met alles wat van u is, moet u de dood in.

Dat is misschien niet zo’n prettige boodschap om te horen, want we willen zo graag meetellen. We vragen niet graag: ‘Moet ik met alles wat van mij is de dood in?’ Jawel, dat is wel de weg van het Evangelie. Je naam gaat er aan, je naam gaat onder. Maar kijk, dan komt er een andere Naam terug, die enige Naam tot zaligheid.

 

Luther heeft een brief geschreven aan de christenen in de Nederlanden, nadat er twee mannen in Antwerpen terechtgesteld en verbrand waren. Daarin schrijft hij: ‘Wat een hoge eer heeft God die broeders waardig gekeurd. Ze zijn eerder waardig gekeurd om smaadheid te lijden om Christus’ wil, dan ik.’ Dat schrijft Luther, die zelf ook het nodige heeft ondervonden. Maar zo, zó leef je uit Christus en uit Zijn verdienste. Dan gaat je naam ten onder. Want Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen.

 

Hoe dierbaar wordt Hij, Die de doornenkroon heeft gedragen. Hij, uit Wiens wonden het bloed vloeit. Hoe lieflijk is Hij, Die hangt aan het vloekhout der schande. Het geloof zegt: ‘Ik had moeten sterven aan het kruis. Ik had moeten hangen aan het vloekhout der schande. Ik had onder moeten gaan.’ Maar zie nu, God heeft Zijn gerechtigheid geoefend aan Zijn Zoon, zodat we het in het avondmaalsformulier lezen: ‘Ik heb voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven, Mijn gezegend lichaam gegeven aan het vloekhout der schande.’

 

Gemeente, dat zien op Jezus door het geloof, dat is de zaligheid. Wat wil je toch met je eigen werken, met je tranen en met je kruis, als God je brengt bij Zíjn werk, bij Zíjn tranen en bij Zíjn kruis? Kom je bij het kruis van Golgotha, dan weet een mens het: het is Christus alleen! Kom je bij de wet, die verdoemt je. Kom je bij de duivel, die klaagt je aan. Kom je bij de zonde, die dreigt aan alle kanten met haar gevolgen en wil je de dood in jagen, die wil je in de dood van angst en van vertwijfeling doen omkomen. Maar kom ik bij U, Heere Jezus, om ontferming, dan vind ik op Uw lippen een zee van genade uitgestort. En weggevaagd zijn zonde, dood, duivel en zielsangst. Voorzeker!

 

Dan zeggen we met Luther wat hij schreef in zijn 62e stelling: ‘De ware schat van de kerk is het hoogheilig Evangelie van de glorie en van de genade van God.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 136: 1

 

Looft de Heer’, want Hij is goed;

Looft Hem met een blij gemoed;

Want Zijn gunst, alom verspreid,

Zal bestaan in eeuwigheid.