Ds. J. IJsselstein - 2 Koningen 1

Gods bemoeienis met Ahazia

Zijn ziekte
Zijn bestraffing
Zijn reactie
Zijn einde
Deze preek is met toestemming overgenomen van www.leespreken.nl

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 32: 5, 6
Lezen : 2 Koningen 1
Zingen : Psalm 7: 1, 4, 5
Zingen : Psalm 27: 1
Zingen : Psalm 2: 6

Na de moord op Naboth is het oordeel aan Achab en Izebel aangezegd (1 Koningen 21). Daarna is het drie jaar stil (22:1). Er is drie jaar rust, drie jaar genadetijd. Maar die tijd wordt niet gebruikt...

Zoals het ook in ons eigen leven kan zijn: een ernstige boodschap gehad, en daarna één jaar, twee jaar, drie jaar uitstel… Maar zoekt u de Heere wel?

 

Maar na drie jaar is de rust voorbij. Er komt oorlog. Achab en Josafat vechten tegen de Syriërs, en Achab sneuvelt in de strijd (22:35). De honden likken zijn bloed op, naar het woord des Heeren (22:38). 

Dat, dat laatste klinkt als een echo in deze geschiedenissen, die vol zijn van oordeel en afrekening: naar het woord des Heeren!

Ook het woord van Gods dreiging zal geen duimbreed wijken. Zou Hij het zeggen en niet doen? (Num. 23:19)

 

Achab is gestorven, en zijn zoon Ahazia wordt koning in zijn plaats (22:52).

Twee jaar lang is hij koning. En dit is zijn levensverhaal:

En hij deed dat kwaad was in de ogen des Heeren; want hij wandelde in de weg van zijn vader, en in de weg van zijn moeder, en in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. En hij diende Baal, en boog zich voor hem, en vertoornde de Heere, de God Israëls, naar alles wat zijn vader gedaan had  (1 Kon. 22:53-54).

Ahazia wist het zo goed. Hij heeft het geweten! Hij wist dat er drieënhalf jaar honger was geweest in het land vanwege het woord des Heeren. Hij wist van de nederlaag van Baäl op de Karmel. Hij wist van de dood van de Baälprofeten. Hij wist van alle waarschuwingen aan het adres van zijn vader Achab. Maar hij gaat door. Hij vertoornt God. Maar toch krijgt ook hij nog… genadetijd. 

 

Daar gaat het over in deze preek over 2 Koningen 1. Het gaat over (en dat is ook het thema van de preek): Gods bemoeienis met Ahazia. 

 

We gaan samen letten op vier dingen: op zijn ziekte, op zijn bestraffing, op zijn reactie en op zijn einde.

 

Dus er zijn vier aandachtspunten, terwijl we samen nadenken over Gods bemoeienis met Ahazia:

1. Zijn ziekte

2. Zijn bestraffing

3. Zijn reactie

4. Zijn einde

 

Als eerste dus:

 

1. Zijn ziekte

 

Eerst is er trouwens nog een andere tegenslag. Daar begint hoofdstuk 1 vers 1 van het 2 Koningenboek mee: Moab valt af. Eigenlijk moet je de laatste verzen van 1 Koningen 22 en het eerste vers van 2 Koningen 1 in één adem doorlezen, het hoort eigenlijk bij elkaar: Ahazia dient Baäl, hij vertoornt de Heere, en… Moab valt af.

Dat is een flinke tegenvaller. Moab betaalde jaarlijks honderdduizend lammeren en honderdduizend rammen met hun wol (3:4). Maar vanaf nu dus niet meer.

Een eerste klop op de deur van het hart van Ahazia… Reactie? Geen!

 

Een tweede klop: Ahazia wordt ernstig ziek. Na een lelijke valpartij. Hij valt door een tralie in de opperzaal en wordt ernstig ziek (1:2).

Hij had ongetwijfeld nog zoveel mooie plannen voor de toekomst. Maar plotseling wordt hij ernstig ziek.

Misschien gaat het bij hem net zoals het bij u gegaan is: u had nog zoveel plannen, maar ineens werd er een streep door getrokken. U werd ziek. Een tweede klop op de deur van zijn hart. Wat een zegen!

Wat een zegen, dat hij met zijn levensstijl (hij diende de Baäl en hij vertoornde de Heere) niet in de hel geworpen is. Maar hij wordt geroepen, hij wordt stilgezet: kom toch terug…!

 

Maar koning Ahazia stuurt boden (vers 2b) naar Ekron, een stad 72 km verderop, om Baäl-Zebub (Baäl had je in allerlei soorten en varianten) naar de toekomst te vragen. Ahazia wringt zich in duizend bochten, want hij wil de klop op de deur van zijn hart niet horen. Sterker nog, hij gaat regelrecht de andere kant op: weg van God! Maar God laat hem niet los. We zien dat in onze tweede gedachte:

 

2. Zijn bestraffing

 

We lezen in vers 3 en 4:

Maar de engel des Heeren sprak tot Elia, de Thisbiet: Maak u op, ga op, de boden des konings van Samaria tegemoet, en spreek tot hen: Is het omdat er geen God in Israël is, dat gijlieden heengaat om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te vragen?  Daarom nu zegt de Heere alzo: Gij zult niet afkomen van dat bed waarop gij geklommen zijt, maar gij zult de dood sterven. En Elia ging weg. 

Een opvallende typering is het van de opdrachtgever: de engel des Heeren, de engel van de Verbondsgod (Heere met vijf hoofdletters), de engel van Jehova, spreekt tot Elia. Het is alsof de Heere wil zeggen: ‘Ahazia, je bent kind van Mijn verbond. Je bent wel heel ver weg, maar Ik heb nog steeds recht op je.’

Verbondskinderen gaan niet ongewaarschuwd verloren. 

‘Ahazia, dit ziekbed wordt je sterfbed. Je zult sterven.’

 

Elia krijgt de opdracht om die ernstige en dreigende boodschap te brengen. En hij gaat en hij zegt het, zoals het hem is opgedragen.

‘Dominee, we vinden het een beetje naar, als u preekt over het oordeel, over het komende gericht, over de hel, over de eeuwige verdoemenis…’

Ja, maar God wil dat gebruiken om u stil te zetten en u te overtuigen van de ernst van de toestand en van het gevaar waarin u leeft.

Ik heb nooit de opdracht gekregen van God om u gerust te stellen. Ik heb de opdracht gekregen om alarm te slaan! Onbevreesd voor wie dan ook.

Dus zeg ik: ‘Lieve mensen, u zult sterven! En sterven is God ontmoeten!’

En zo kloppen wij op de deur van uw hart…

 

Met die boodschap komen de boden ook terug bij koning Ahazia: ‘Koning, u zult sterven, tenminste… dat zei die man die we tegenkwamen.’ (vers 6) Een derde klop op de deur van het hart van Ahazia.

 

Je voelt al lezend de grote ernst van wat hier gaande is. Dit is een dreigende confrontatie tussen een goddeloos levend, sterfelijk mens en de heilige God. 

Wat we hier zien is Ahazia’s hardnekkigheid in het dienen van de afgoden: hij diende Baäl, hij blijft het doen, ook al is hij ernstig ziek, alsof hij alle tijd heeft om te spelen met allerlei religieuze opties die nog openstaan… 

Maar daarbij zien we vooral Gods heilige intolerantie, de hitte van Zijn toorn. Je proeft gaandeweg iets van de dreiging van Psalm 7:

Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen en dien bereid, en heeft dodelijke wapenen voor Zich gereedgemaakt (Ps. 7:13-14a, zie ook Deut. 32:39-42).

 

Mensen die zonder God leven hebben vaak zulke verkeerde denkbeelden van God. Hier zie je hoe het is. God is niet tolerant, als het gaat om het kwade en om het dienen van de afgoden. Hij is heilig en brandt van toorn. 

Maar in die toorn brandt ook nog steeds liefde. Het is liefde en bewogenheid dat God Ahazia niet door laat gaan op de weg van zijn afgoderij, maar hem tegenhoudt. 

Het is een klop op de deur van zijn hart… 

Reactie? We zullen dat zien in onze derde gedachte:

 

3. Zijn reactie 

 

We lezen in vers 5 tot en met 8:

Zo kwamen de boden weder tot hem; en hij zei tot hen: Wat is dit, dat gij wederkomt? En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons tegemoet, en zei tot ons: Gaat heen, keert weder tot de koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zo zegt de Heere: Is het omdat er geen God in Israël is, dat gij zendt om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te vragen? Daarom zult gij van dat bed waarop gij geklommen zijt, niet afkomen, maar gij zult de dood sterven. 

En hij sprak tot hen: Hoedanig was de gestalte des mans die u tegemoet opgekomen is, en deze woorden tot u gesproken heeft? 

En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig kleed, en met een lederen gordel gegord om zijn lenden. Toen zei hij: Het is Elia, de Thisbiet. 

 

‘Een man kwam ons tegemoet…, en hij zei dit… en dus zijn we regelrecht teruggegaan naar u, o koning.’

Valt het u ook niet op, hoeveel indruk het woord van de profeet maakt op deze (waarschijnlijk heidense) boodschappers? ‘De koning zal sterven?’ Ze luisteren, ze horen het, ze geloven het, en gaan direct terug om het aan de koning te vertellen.

 

En hij sprak tot hen (vers 7): 

Hoedanig was de gestalte des mans die u tegemoet opgekomen is, en deze woorden tot u gesproken heeft?

Herkenbare vraag: ‘Wie was de man die dat zei?’ 

‘De dominee zei het…’

 ‘Ja, maar welke dominee was het? O, maar dan weet ik al genoeg. Die man met dat harige gekleed en met die leren gordel, o, dat is Elia. Dat is geen man waar je naar luisteren moet…’

 

Herkent u dat misschien ook bij uzelf? Wat Ahazia doet is allerlei manieren zoeken om het woord van God onschadelijk te maken en te neutraliseren.

Eerst heeft hij er geen boodschap aan: hij dient de Baäl en vertoornt de Heere. En dan komt de Heere naar hem toe en klopt opnieuw op de deur van zijn hart, en nog een keer, en nog een keer… en dan? Dan wordt hij boos, dan wijst hij naar ‘de man’, naar Elia, en probeert hij op die manier zijn boodschap te neutraliseren. 

 

Maar gelukkig, de mens heeft niet het laatste woord. 

Gelukkig die mens, bij wie de klop op de deur van het hart een pijl wordt die het doel treft, ondanks alle verzet. Waardoor hij of zij gaat bukken en buigen.

 

Maar zo gaat het bij Ahazia niet.Want er staat in vers 9: En hij zond tot hem een hoofdman van vijftig met zijn vijftigen.

Waarom doet Ahazia dat eigenlijk? Hij doet het zeker niet om de raad van de Heere te vragen. Daarvoor had hij Baäl uitgekozen. Hij zoekt de confrontatie met God! En hij wil het woord van God het zwijgen opleggen, en dus moet Elia geliquideerd worden.

 

En als (vers 9b) hij tot hem opkwam (want ziet, hij zat op de hoogte eens bergs), zo sprak hij tot hem: Gij man Gods, de koning zegt: Kom af.

Brutaalweg stapt deze hoofdman de berg op, de berg waarop Elia zit, en hij zegt spottend:

‘Hé, man Gods, kom naar beneden!’

Let op wat er gebeurt: hij zet het woord van de koning boven het woord van God, boven het woord van de God van Elia.

‘Man Gods, ja zo heet je wel, maar de koning is hier de baas! Kom naar beneden!’

 

Die belediging van God kan niet ongestraft blijven.

We lezen in vers 10:

Maar Elia antwoordde en sprak tot de hoofdman van vijftigen: Indien ik dan een man Gods ben, zo dale vuur van de hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur van de hemel, en verteerde hem en zijn vijftigen.

Wie is God? Eigenlijk is het dezelfde vraag als de vraag die bij de berg Karmel aan de orde was. Wie is God? 

Ben ik dan een man van God? Dan zal Zijn heiligheid gezien worden!

Elia ijvert voor, hij gaat voor de eer van de Heere. En vuur verteert de hoofdman en zijn vijftig mannen.

 

Dit vuur is, net als destijds op de Karmel, demonstratief. Het laat zien: de Heere is God en Baäl bestaat helemaal niet.

Maar dit vuur doet nog iets. Het beschermt ook de profeet Elia, en het verteert Gods vijanden.

 

En let op: dit vuur is antwoord op het woord van Elia, die een type van Christus is.

Er is in Christus veel liefde tot en bewogenheid met zondaars. Maar liefde is wat anders dan schattigheid. Gekrenkte liefde en vertrapte bewogenheid doet Hem, Christus, ontbranden in grote toorn

Dus, gemeente, is het niet om het even wat u doet met Hem Die staat aan de deur van uw hart en klopt (Openb. 3:20). Als u niet opendoet, als u Zijn stem veracht en Zijn bloed vertrapt, dan zal er een dag gekomen dat… Nee, u zult geen vuur uit de hemel zien dalen, maar u zult vuur zien bliksemen uit de ogen van het Lam (Openb. 1:14), en u zult zeggen 

…tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen Die op de troon zit, en van de toorn des Lams (Openb. 6:16). 

 

Hier is vuur uit de hemel, als straf voor zoveel brute opstandigheid. Maar dit vuur uit de hemel is ook bedoeld als een profetische vooruitblik naar de dag dat God… met vlammend vuur wraak (zal doen) over degenen die God niet kennen, en over degenen die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn  (2 Thess. 1:8).

Ik moet u waarschuwen, als een man Gods, met woorden van God. 

Als u God niet kent en Zijn Evangelie ongehoorzaam zult blijven, als u de zoveelste klop op de deur van uw hart zult verachten, zal Hij met vlammend vuur wraak doen, ook over u!

 

Maakt die gedachte nog wel indruk op u…? Of bent u totaal verhard…?

Kan de gedachte aan dat komende Godsgericht u niet bewegen om haast te maken, om het Sodom en Gomorra van de zonde te ontvluchten, voordat het vuur uit de hemel de stad verteren zal…? (Gen. 19)

 

Gods wraak valt op de spottende hoofdman.

Maar God heeft nog steeds geduld met Ahazia! Want dit vuur van de hemel treft hem (de opdrachtgever van deze hoofdman) op zijn ziekbed niet.

Maar desondanks gaat Ahazia door met zijn openlijke, publieke confrontatie met de God van Elia. Hij stuurt nog een hoofdman. En die is nog vrijpostiger, nog brutaler.

Hij zegt (in vers 11): 

     Gij, man Gods, zo zegt de koning: Kom haastelijk af!

‘Zeg, wil je nu maken dat je beneden komt, en snel ook!’

Maar vuur van de hemel verteert ook hem en zijn vijftig mannen.

Ahazia, wees gewaarschuwd. Dit was weer een klop op de deur van je hart! Maar Ahazia luistert niet.

 

Hij stuurt nog een man. Maar die is anders (vers 13). Die… kwam en boog zich op zijn knieën, voor Elia, en smeekte hem, en sprak tot hem: Gij, man Gods, laat toch mijn ziel en de ziel van uw knechten, van deze vijftigen, dierbaar zijn in uw ogen! 

De spreekt vol respect en eerbied. Hij smeekt, hij bidt. Hij buigt zijn knieën en bidt om genade: Laat onze ziel toch gespaard worden. Ik ben maar een zucht verwijderd van mijn doodsvonnis, maar… spaar me toch!

             

Lieve mensen, dit is een voorbeeld! Zo moet het! Zo zal je leven gespaard worden. Hij trilt, hij beeft, hij bidt, en… ondanks de hitte van Gods toorn wordt hij gespaard.

 

Wat een boodschap voor deze mannen

Wie zo tot God komt, wordt gespaard en vindt genade in Zijn ogen.

Wat een boodschap voor Ahazia

Wat een liefdevolle klop op de deur van zijn hart: ‘Man, zo moet het! Er is een weg terug, en dat is deze weg: knielen, buigen en bidden.’

Wat een boodschap voor u en mij, in het bijzonder voor de ernstige zieken onder ons, maar natuurlijk ook voor gezonde mensen: twist niet met uw Maker, maar buig, en u zult gespaard worden. Midden in het oordeel, in de dreiging van het gericht, wordt een weg aangewezen om te ontkomen. Ga toch die weg! Buig uw knieën en bid: Laat mijn ziel dierbaar zijn in Uw ogen (vers 14).

 

Toen sprak de engel des Heeren tot Elia: Ga af met hem; vrees niet voor zijn aangezicht. En hij stond op, en ging met hem af tot de koning (vers 15). 

Als je als knecht van de Heere gaat in Gods weg, dan hoef je voor niemand bang te zijn, ook niet al moet je verschijnen voor je grootste vijanden.

Laten we daar eerst van zingen uit Psalm 27, we zingen daarvan het eerste vers:

 

God is mijn licht, mijn heil, wien zou ik vrezen?

Hij is de Heer’, Die hulp verschaft in nood;

Mijn levenskracht; ’k heb niet vervaard te wezen;

Hij is ’t, Die mij beveiligt voor de dood.

Wanneer de macht der bozen sloeg aan ’t woên,

En aanrukt’, om zich met mijn vlees te voên,

Stiet zelf dit rot, dat mij benauwt en haat,

De voet, en viel; omdat het God verlaat.

 

Het gaat in deze dienst over Gods bemoeienis met Ahazia. We hebben gezien: zijn ziekte, zijn bestraffing, zijn reactie, en nu in de laatste, in de vierde plaats nog:

 

4. Zijn einde

 

We lezen in vers 16:

En hij (Elia) sprak tot hem (koning Ahazia): Zo zegt de Heere: Daarom dat gij boden gezonden hebt om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te vragen (is het omdat er geen God in Israël is, om Zijn woord te vragen?); daarom, van dat bed waarop gij geklommen zijt, zult gij niet afkomen, maar gij zult de dood sterven.

Je ziet het voor je, hoe die twee elkaar ontmoeten. Geen discussie, geen commentaar, alleen een aankondiging: U zult de dood sterven.

En het is alsof de Bijbelschrijver daarna wil zeggen: ‘Had u iets anders verwacht? Nee toch?’

     Alzo stierf hij, naar het woord des Heeren (vers 17).

Lang en vaak heeft de Heere geklopt. Maar nu is Hij uitgeklopt.

 

Hoe zullen later uw laatste levensdagen verhaald worden?

Ik bedoel u, die dwaalt en doolt op uw weg, ver bij God vandaan… Een ernstige ziekte is als een blokkade op u weggelegd, maar het lijkt er niet op dat het doet wat het wilde doen… U gaat door… 

De toorn, de wraak, de verbondswraak van de Heere groeit en gloeit. Hoewel er nog steeds geklopt wordt op de deur van uw hart. Maar misschien is het vandaag wel de laatste klop…

Lieve mensen, doe toch wat de laatste hoofdman deed: hij boog zijn knieën (hebt u dat nu wel gedaan, letterlijk, u die de laatste tijd zo ziek bent?), hij boog zijn knieën, hij smeekte en zei: Laat toch mijn ziel dierbaar zijn in uw ogen.

Nee, hij zei niet (en dus zegt u dat toch ook niet!): ‘Spaar mijn leven, laat me beter worden, geef me nog wat jaren om door te gaan om mijn eigen dingen te doen’, maar: ‘Spaar, red mijn ziel!’

 

Voorwaar, de klop op de deur van uw hart in deze dienst, kan de laatste klop zijn. Geef bevel aan uw huis, want u zult sterven, en niet leven (Jes. 38:1).

 

Maar er is nog een weg om te ontkomen.

U zegt: ‘Hoe is dat (na alles wat ik gedaan heb, na hoe ik geleefd heb), hoe is dat nu mogelijk?’

Ja, dat is ook onbegrijpelijk.

Maar kijk hier niet overheen: midden in het oordeel is Elia nog steeds een type van (hoewel maar een schaduw) van de meerdere Elia, van Christus!

 

Hoor het Evangelie van 2 Koningen 1! 

Die eenzame man op de berg die omringd door zijn vijanden het vuur van Gods heiligheid van de hemel afroept, dat Gods vijanden verteert, die man wijst vooruit…! 

Naar die andere eenzame Man… in de hof… belaagd door Zijn vijanden. Elia was een type van Christus, maar tegelijkertijd zo anders!

Zeker, met één machtswoord vielen ze allemaal achterover op de grond. Maar Gode zij dank: er was geen vuur.

 

Eerder vroegen Zijn discipelen wel om vuur uit de hemel, zoals ten tijde van Elia. Wat hadden zij dat graag gezien! We lezen in Lukas 9: 

En het geschiedde, als de dagen Zijner opneming vervuld werden, zo richtte Hij Zijn aangezicht om naar Jeruzalem te reizen. En Hij zond boden uit voor Zijn aangezicht; en zij, heengereisd zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor Hem herberg te bereiden. En zij ontvingen Hem niet, omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem.

Als nu Zijn discipelen, Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt Gij dat wij zeggen dat vuur van de hemel nederdale, en dezen verslinde, gelijk ook Elia gedaan heeft?

Maar Zich omkerende, bestrafte Hij hen, en zeide: Gij weet niet van hoedanige geest gij zijt. Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden (Luk. 9:51-56).  

Geen vuur van de hemel, want Ik, de meerdere Elia, ben gekomen om mensen te behouden. 

In de hof van Gethsémané is geen verterend vuur, maar wel (en dat kon Elia niet) vrijwillige overgave:

     Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan (Joh. 18:8). 

En zo is Hij, de Heere Jezus Christus, vrijwillig de weg gegaan van lijden, van nameloos diep lijden, totdat Hij uiteindelijk als het Lam Gods geslacht is op Golgotha. Waar Hij Zelf getroffen is door het vuur van Gods toorn, door de vlam van Gods heiligheid.

 

O, zoekende zondaars, u die roept: ‘Ik ben Uw gramschap dubbel waardig’, het Lam Gods is geslacht voor en in de plaats van mensen op wie dit vuur van Gods toorn had moeten neerdalen. Dat hadden zij verdiend. En dat moest ook vanwege Gods rechtvaardigheid en heiligheid. Maar Hij kwam juist om zulke mensen te behouden. Hij liet het vuur van Gods wraak neerkomen op Zichzelf. En daarom is er nu voor u nog een weg ter ontkoming. 

Kom, kniel, buig en smeek: ‘Laat mijn ziel dierbaar zijn in uw ogen, Heere. En vind voor mij genoegdoening in Hem, in Wie U een welbehagen had. Mag de prijs van Zijn ziel gelden voor mijn ziel?’

 

Daarom, om Hem, om Christus’ wil, is er ook nog steeds een weg voor u, o afgodendienaars, o vijanden. Hij kwam om mensen zoals u te behouden. Maar maak grote haast, want uw dodelijke uur komt snel dichterbij.

Kom, kniel, buig en smeek: ‘Laat mijn ziel dierbaar zijn in uw ogen, Heere. En vind voor mij genoegdoening in Hem, in Wie U een welbehagen had. Mag de prijs van Zijn ziel gelden voor mijn ziel?’

 

Pas op voor valse gerustheid en uitstel.

Want het begon en het eindigt in deze dienst met dit refrein: 

     Naar het woord des Heeren (vers 17).

Ook het woord van Zijn dreiging zal geen duimbreed wijken. 

Zou Hij het zeggen en niet doen? (Num. 23:19)

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 2:6

 

Vreest ’s Heeren macht, en dient Zijn Majesteit;

Juicht, bevend op ’t gezicht van Zijn vermogen,

En kust de Zoon, vanouds u toegezeid,

Eer u Zijn toorn verdelg’ voor aller ogen;

U op uw weg tot stof doe wederkeren,

Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag,

U, onverhoeds, zou door haar gloed verteren,

Tot staving van Zijn langgehoond gezag.

 

 

Deze preek is met toestemming overgenomen van www.leespreken.nl