Ds. L. Huisman - Jesaja 53 : 6

Verdwaalde schapen door de Herder gered

Jesaja 53
Een ootmoedige schuldbelijdenis
Een hartelijke geloofsbelijdenis
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 5) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2011).

Jesaja 53 : 6

Jesaja 53
6
Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 91: 1, 7
Lezen : Jesaja 53
Zingen : Psalm 74: 1, 2, 11, 12
Zingen : Psalm 119: 88
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 4, 5

Geliefden, het Woord van God dat wij u willen prediken, staat in Jesaja 53 vers 6:

 

Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.

 

Deze tekst spreekt ons van: Verdwaalde schapen door de Herder gered.

 

We beluisteren in de tekst:

1. Een ootmoedige schuldbelijdenis

2. Een hartelijke geloofsbelijdenis

 

Het wordt binnenkort Kerstfeest. We komen al een beetje in de stemming, in de sfeer. We gaan naar de laatste dagen van het jaar. Het wordt steeds triester en donkerder, maar straks is het Kerstfeest. Na Kerst wordt het dan weer lichter. Dan gaan de dagen weer lengen. En na enkele weken krijgen we het gevoel: ziezo, we zijn weer door het donkerste heen. Dan komt weer een nieuwe lente, dan komt weer een nieuwe zomer. Wij zijn dus mensen van stemmingen. Als de zon schijnt, voelen we ons anders dan als het zo somber is. Aan het eind van december, voor het Kerstfeest, voelen we ons anders dan in mei, wanneer de bloemen bloeien en de vogels zingen.

 

Maar laten we oppassen. Want stemmingen beslissen niet over ons zijn of niet zijn. Stemmingen beslissen niet over ons eeuwig wel of over ons eeuwig wee. Denk daar goed aan.

Het kan zijn dat goddeloze mensen in een vrolijke stemming verkeren, maar ze zijn op weg naar de hel.

Het kan ook zo zijn, dat kinderen van God, échte kinderen van God, zeer droevig gestemd zijn, maar het zijn tóch kinderen van God. Medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, op weg naar de eeuwige gelukzaligheid. Koningskinderen die over vijftig of over zestig jaar, wat eerder of iets later, Gods gemeenschap voor alle eeuwigheid zullen ontvangen.

Laten we daarom voorzichtig zijn en ons niet laten beïnvloeden door mooi of somber weer, door wat kerstgroen en wat kaarslicht, door wat opgemaakte etalages en door de gedachte aan samen, intiem huiselijk samenzijn rondom de brandende haard. Er zijn grotere dingen en belangrijker zaken die op het spel staan. Want advent is niet zozeer een kwestie van gevoel, van sfeer en van stemming, maar advent raakt ons hart. Dat raakt ons in het diepst van ons bestaan. Advent, dat is: Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt! (Jes. 64:1). Dát is advent. Uitzien naar de Heere. Wachten op de God van ons heil, als een wachter naar de morgen, de morgen, ach wanneer? Dát is advent!

 

Hier in Jesaja 53 is de dichter profeet en de profeet dichter. Hoe zal ik hem noemen in dit verheven hoofdstuk? Dit aan alle zijden zo glanzende hoofdstuk is vol van heerlijkheid, vol van zaligheid, omdat het vol is van Jezus. Hier is een dichter die uitziet. Hij ziet uit naar hetgeen God beloofd heeft. Het geloof gelooft en omhelst de beloften van God. En dan is het heil present. Dan is het heil er nú! Als het geloof gelooft, dan hebben we contact met Hem, Die gisteren en heden en tot in eeuwigheid Dezelfde is.

Jezus zegt: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven (Joh. 6:47). Dat is het wonder van het geloof. Als Abraham geloofde, dan was Christus present. Dan zegt hij: Op de berg des Heeren zal het voorzien worden (Gen. 22:14).

Als Jesaja gelooft zegt hij: ‘Christus is gekomen, Hij is gestorven, Hij heeft de prijs betaald.’ Anders begrijpt u dit hoofdstuk niet. Dan zegt u: ‘Hoe kan Jesaja dit nou toch zeggen? Hij heeft nota bene eeuwen vóór Christus geleefd. Hoe kan hij dan toch zeggen: Want Hij is als een Rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten? Dan had hij toch minstens moeten zeggen: Want Hij zal als een Rijsje voor Zijn aangezicht opschieten... Maar hij zegt: Hij is als een wortel uit een dorre aarde opgeschoten. Jesaja zegt ook: Hij was veracht en de onwaardigste. Hij heeft onze krankheden op Zich genomen. Hij is om onze overtredingen verwond. Dat had toch allemaal toekomende tijd moeten zijn? Hij zal als een Rijsje opschieten. En Hij zal onze ongerechtigheden dragen. En Hij zál verwond worden?’

Nee, geliefden, want dat geloof van de ouden is net als nu: het trekt het heil in Gods beloftenissen nabij. Dan is God nu goed voor de hulpelozen, de ellendigen, die op Hem wachten.

 

In feite is het voor ons ook zo. Want het is al bijna tweeduizend jaar geleden dat het kruis op Golgotha gestaan heeft, en dat de kribbe in Bethlehem vol geweest is van het eeuwige leven. We zien het nu ook niet meer. We zien het niet meer met onze ogen. Al gaan we naar Bethlehem, we vinden daar niets dan wat namaak, opgepronkt, niet meer echt.

Zouden we daarom dit heilsfeit, dit goddelijk gebeuren, niet door het geloof kunnen zien?

O jawel. Wanneer dat dierbare, goddelijke geloof gelóóft, dan zijn wij op weg naar de kribbe. Ook nu. Want de kerk van het Nieuwe Testament leeft net als de kerk van het Oude Testament: uit de beloftenissen. Uit de beloftenissen van Hem Die gekomen is, zoals de kerk van het Oude Testament leefde uit de beloftenissen van Hem Die komen zou. Maar beide leven uit de beloftenissen. Beloftenissen, dat Hij om Zijnentwil zaad zou zien, en dat om Zijnentwil Hij Zich door Woord en Geest een gemeente zal vergaderen ten eeuwigen leven.

Dan is dit het wonder: als het geloof aanwezig is en verlicht door de Geest gelooft, dan is het wel tweeduizend jaar geleden Kerstfeest geweest, maar dan wordt het ook nú Kerstfeest. Precies eender als bij Abraham. Even heerlijk als bij Jesaja. En nog precies eender als bij die herders, die uit Efratha’s velden kwamen en zich neerbogen bij de kribbe. Precies eender. Want wij zijn even grote zondaren als zij.

Maar Jezus is nog even barmhartig als toen. Daarvan spreekt de tekst. Moge het ook zo in ons leven werkelijk advent worden. Want de werkelijkheid is niet wat ik doe met mijn handen, mijn ogen, mijn voeten en mijn knieën, maar de werkelijkheid is wat ik doe met mijn hart, met mijn ziel, met het innerlijk van mijn leven, met mijn eeuwige geest. Dat is de werkelijkheid. En dan kan het toch gebeuren, dat we met die geestelijke werkelijkheden te maken krijgen, tijdens het Kerstfeest of op de weg naar het Kerstfeest.

 

Ik zei zojuist: Deze profeet-dichter – want Jesaja 53 is dichterlijk – heeft advent gevierd, en hij heeft ook Kerstfeest gevierd. Zeker, omdat de arm des Heeren aan hem geopenbaard is. Hij spreekt vanuit de belofte, zei ik ook, en begint met de hartelijke schuldbelijdenis: Wij dwaalden allen als schapen... Wij, Jesaja, het hele volk, en wij mogen zeggen: Israël en de heidenen. Alle volken. Alle geslachten. Alle mensen. Mannen, vrouwen, kerkelijk, onkerkelijk. Ook al worden uiterlijk Gods geboden gehouden, dan geldt toch: Wij dwaalden allen als schapen…  

Die ontrouw, dat dwalen, zit niet zozeer in het wegwerpen van de wet. Dat zit niet zozeer in het verachten van de instellingen. In de donkerste tijden zijn er altijd nog vormen geweest die men vasthield. Het is niet zozeer een zaak van het hoofd, maar dat wij dwaalden is veel meer een zaak van het hart. De breuk tussen God en Israël was veel meer een trouwbreuk. Ze zijn het Woord van God nooit helemaal kwijt geweest, maar ze zijn de God van het Woord kwijtgeraakt. En dat is het erge.

 

Dit is ook het erge voor ons. Wij, die leven in de kerk bij onze gereformeerde belijdenis, die niet meedoen met allerlei Schriftkritiek, die vasthouden aan de Bijbel, die vasthouden aan de traditie en vasthouden aan de gereformeerde zeden. Wat dat betreft, geldt het van ons niet dat wij allen dwaalden als schapen. Want wij hebben de geschriften der vaderen lief. Wij hebben het Woord van God lief. En daar vechten we voor, want het is Gods Woord dat stand houdt in eeuwigheid. En dat is de moeite waard.

Maar daarmee is de zaak niet goed. Dat zien we in Israël. We kunnen strijden voor inzettingen – ik zal het u nog sterker zeggen – zoals de farizeeën en de schriftgeleerden met een beroep op de wet Christus en Zijn volgelingen gedood hebben. Ze waren ijverig voor de Heere, Paulus is er een voorbeeld van. Hij zegt: ‘Naar de ijver voor God was ik een vervolger van Christus. Naar de wet was ik onberispelijk…’

Zo kunnen wij het ook brengen. Maar dan toch op de brede weg wandelen. Dan toch volkomen vervreemd van God, van de God van het Woord, van de God van de inzettingen, ons eigen leven leiden, en vasthouden aan alle vormen.

Totdat… totdat de arm des Heeren aan ons geopenbaard wordt. En dan is het afgelopen. Als die arm, die sterke rechterhand des Heeren, zich aan ons openbaart, dan is het afgelopen. Dan hebben we geen uitvluchten meer. Dan houden we onszelf niet meer op de been. Dan kunnen we het met de vorm alleen niet langer stellen. Dan zijn we niet langer tevreden met onze rechtzinnigheden. Dan zeggen we het met Jesaja: ‘Wij…’ Niet zij, of die kerk, of die mensen, of dat gezin of die man, maar dan zeggen we: ‘O God, wij, ik en mijn huis, wij tezamen, wij dwaalden allen als schapen. Want wij hebben onze eerste liefde verlaten.’

 

O, kinderen Gods, u die waarlijk het nieuwe leven van God ontving, waar is uw tedere leven? Waar is uw verborgen omgang met God? Waar zijn de uren, de minuten per dag, dat we ons afzonderen, omdat we er behoefte aan hebben? Omdat onze ziel hongert naar de tijd van het gebed, om contact te hebben met de levende God? Waar zijn de tijden dat u uw avonden besteedde om het Woord van God te onderzoeken of te horen? Geen regenbui te zwaar. Geen warmte te drukkend. U was daar, waar het vrome volk vergaderde. De tijd van uw eerste liefde. Toen u God voor alles nodig had. ‘s Morgens als u opstond, elk ogenblik van de dag, ‘s avonds als u naar bed ging.

Maar Ik heb tegen u – zegt de Heere – dat gij uw eerste liefde hebt verlaten (Openb. 2:4). Toen dwaalden we niet. Toen waren we dichtbij de Heere. Toen waren we bang voor dwalen. Toen baden we dagelijks: ‘Heere, houd toch mijn handen beide, met kracht omvat. Wees U me een vast geleide, op het smalle pad. Want ik kan het niet alleen. Ik dwaal elke dag. Blijf mij nabij, ook als de avond komt. Wees Gij mijn schild.’

 

En nu..? Wij dwaalden allen als schapen, zegt Jesaja. Is dit een verzachting? Moeten we niet zeggen dat we in ieder geval niet als ezels dwalen? Dat lijkt toch veel erger dan als schapen te dwalen? Het is toch nog liefelijk als iemand zegt: ‘Ach, het is een verdwaald schaapje, nietwaar?’ Dat hebben we toch liever dan dat iemand zegt: ‘Je bent een verdwaalde ezel.’  

Bedoelt de Heere het zo, zoals Jesaja zegt: Wij dwaalden allen als schapen?

Nee. Dit is geen verzachting. Dat dwalen als schapen, duidt juist op de hopeloosheid van ons dwalen. Want een hond die van zijn baas weggelopen is, heeft nog een instinct om terug te keren naar zijn baas. Daar zijn frappante staaltjes van bekend. Soms kilometers, tientallen kilometers verder heeft de hond zijn baas weer teruggevonden. Maar dat instinct mist een schaap. Een dwalend schaap keert nooit meer terug en is daarmee een prooi van de wolven, van de hyena’s, van de rovers die er in het Oosten zoveel waren en die zich vooral op de verstrooide schapen wierpen, omdat ze weerloos waren.

Welnu, geliefden, daarom zegt Jesaja: Wij dwaalden allen als schapen. Als schapen. We hadden het instinct niet om terug te keren. We dwaalden almaar verder van God af.

 

Ach, dat zien we in Israël, want er is geen volk zo gelukkig geweest als het volk des Heeren, als het volk der Joden, het uitverkoren volk. Maar er is ook geen volk zo ellendig, zo vernederd, zo hulpeloos in deze wereld, dan het volk der Joden. Ze zwerven nog steeds over de ganse aarde en het volk dat samengekomen is door de goede hand van God in Palestina, heeft dag en nacht te waken tegenover machtige vijanden.

God laat het toe. De Heere geeft ze over in de macht van Assur, in de macht van Babel, in de macht van Rome, in de macht van Hitler en in de macht van de Palestijnen. Al schijnt het alsof God Zijn volk gaat verzamelen omwille van Zijn verbond, al schijnt het alsof God de handen verlamt van degenen die zich tegen hen zetten, al schijnt het alsof de oude leeuw uit Juda’s stam tot nieuwe kracht gekomen is, naar Gods beloften, als Israël weer verzameld zal worden rondom Zijn Messias. Want dat is de belofte die God ook voor het volk der Joden gegeven heeft.

 

Maar tot aan dit ogenblik zien we toch het volk in grote ellende, in strijd gewikkeld, elke dag, altijd weer opnieuw. Hoe komt dat? Ach, wij dwaalden allen als schapen. God heeft ze een geest der dwaling gegeven. Opdat ze de waarheid niet en de leugen wel geloven zouden. Er is tot op de dag van vandaag een deksel op hun hart bij het lezen van Mozes.

Het is een leugen als men ons wijs wil maken dat men op dit ogenblik nog zalig kan worden bij de boeken van het Oude Testament, zoals Abraham en David en de gelovigen van het Oude Testament zalig geworden zijn. Dat is een leugen. Want die Christus van het Oude Testament, verborgen in de beloftenissen, Die Zich geopenbaard heeft in het Nieuwe Testament, wordt verworpen door het volk dat de boeken van Mozes leest met een deksel op hun hart.

Net zomin men onder het Oude Testament zonder Jezus zalig worden kon, als men Christus niet ontdekte in de Schriften, wordt men ook nu niet zalig zonder Christus. Al bracht je honderdduizend schapen naar het huis van God, zomin wordt men ook nu zalig als men Christus niet ontdekt in de nader geopenbaarde waarheid in het Evangelie van het Nieuwe Testament.

 

Ze dwaalden allen als schapen. Maar wij hebben het nu niet alleen over Israël. Dat begrijpt u wel. Want als Jesaja dit woord spreekt, spreekt hij het vandaag ook tegen ons.

Weet u wat nu zo erg is? Wie van God afdwaalt, mist uiteindelijk ook het middel waardoor hij nog terug kan keren. De genademiddelen. Dat is altijd het erge van de afdwaling. De dwaling is maar niet een dwaling van een blinde man. Kijk, als een blinde man al zoekend met zijn stok langs de stoeprand een verkeerde straat inslaat, dan zeg je: ‘Ach, die arme man, hij is blind. Hij is in de verkeerde straat’, of: ‘Hij staat bij de verkeerde deur.’ Met hem hebben we medelijden. Niemand neemt hem iets kwalijk. Integendeel. Dan gaan we vlug zo’n man naar de goede straat brengen.

Maar zo is het niet met ons. Onze afdwaling is niet iets van een zielige blinde man die je het niet kwalijk kan nemen. Onze afdwaling is moedwil. Onze afdwaling is onwil. Onze afdwaling is vijandschap. Onze afdwaling is de weg te weten en hem niet te bewandelen. Onze afdwaling is nog erger. Onze afdwaling is kiezen voor onze eigen weg, vasthouden aan onze eigengerechtigheid, het doen van onze eigen wil, het vasthouden aan, en het leiden van een eigen leven, eigen baas zijn. ‘Ik ben toch zeker mijn eigen baas’, zo zegt een kind al? ‘Ik doe toch zeker wat ik zelf wil? Niemand heeft toch wat over mij te zeggen?’ Dat zit er al vroeg in. En het wordt er niet beter op als we ouder worden.

Geliefden, zien we daar iets van? Want wil het echt Kerstfeest worden, wil ook onze ziel in het duister het licht van Gods genade zien, dan moet het ook in ons leven komen tot die hartelijke schuldbelijdenis: Wij dwaalden allen als schapen.

 

Er wordt wat gedwaald. Gedwaald op de weg van de zogenaamde wetenschap. Gedwaald door een verstandschristendom dat gewoon rationeel de Bijbel aanneemt, de waarheden daarin verankerd, zich toe-eigent, alleen met het verstand. Het heeft zijn duizenden verslagen, ook in ons vaderland. Spreek maar eens met de vele mensen die zich allemaal kinderen van God noemen. Vraag maar eens naar hun strijd, naar hun tranen, naar hun worstelingen, naar de openbaringen van Jezus Christus in hun hart. Het is net alsof je ineens Frans spreekt. Ze begrijpen je niet. Of ze denken of zeggen dat je vijftig of vijfhonderd jaar te laat geboren bent. Omdat ze geen kennis hebben aan de innerlijke werkingen van de Heilige Geest. Nooit is de arm des Heeren hun geopenbaard. Dat is een dwalen, een verschrikkelijk dwalen. Zo verdwalen er velen.

Het kan ook dat we op onze eigen weg blijven lopen en almaar verder van God afdwalen. Wegkruipen achter je onmacht. Met een bepaalde satanische vrijmoedigheid belijden dat je nog onbekeerd bent en dat je er tenslotte ook niets aan veranderen kunt, omdat Gód toch een mens bekeren moet. Hemelse waarheden gebruiken als duivelse leugens, alleen maar om dit ene te rechtvaardigen: weg te dwalen, alsmaar verder weg te dwalen, je eigen wil en zin te doen, tot in het graf toe. Je bedekkend onder het schild van je onmacht en van Gods soevereiniteit. Ook dat heeft zijn duizenden verslagen.

 

Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg. Ja, dat is er het gevolg van. Als we God verliezen, verliezen we ook elkaar. Waar geen gemeenschap met God is, is ook geen gemeenschap met elkaar. Dan wordt een mens eenzaam. We zien het: ieder heeft zijn eigen god. Ieder dient zijn eigen ik.

Wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg. Dat wil zeggen: naar onze eigen weg, naar de weg die wij goed vinden. De een de weg van het geld, de ander de weg van zijn eer, de derde de weg van het bedrog, de vierde de weg van de wellust, en de vijfde de weg van zijn eigen gemaakte godsdienst.

Zo kiezen we allemaal onze eigen weg. We verstaan elkaar niet meer. Er is geen contact meer met elkaar. Wat breekt, is voorgoed gebroken. Is er onenigheid, dan komt men niet meer bij elkaar. Waarom? Omdat de band met God ontbreekt.

Als er een band is met God, al zijn de zonden dan als de bergen van Basan, dan worden ze geslecht door Gods genade. Want de liefde van God is veel sterker dan het geweld der golven die Zijn almacht palen stelt. De woeste zee zwijgt op Zijn wenk en wil, hoe fel ze ook bruist, hoe fel ze woede, stil. Dat is genade.

Maar als we ons eindje vasthouden, als we op onszelf blijven staan, dan gaat het kapot. Dan gaat ons gezin kapot, dan gaat ons huwelijk kapot, dan gaat het op ons werk niet goed, dan gaat het in de kerk niet goed, dan kunnen we elkaar niet meer luchten of zien, dan zijn we allemaal onze eigen god, en dan staan we als pilaren in de woestijn naast elkaar, zonder enig contact. Laat dat onze schuld zijn voor God!

 

Wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg. Dát hebben wij gedaan.

Maar nu komt het: Doch de HeereWant dat geeft een verandering.

Wat nu? Nu het zo is, zullen we dan samen teruggaan? Zullen we het samen goedmaken?

Dat staat er niet. Dat kan ook niet. Want ik heb zojuist gezegd: we missen het instinct van de hond of van welk ander dier, om terug te keren naar zijn baas. We dwalen voort, almaar voort.

Is er dan geen weg terug? Luister!

Er is een weg vanuit God, een weg uit de hemel geopenbaard. Doch de Heere

Eigenlijk zou er moeten staan: ‘Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg, maar toen is het ons tot droefheid geworden en toen zijn wij teruggekeerd.’

Maar nee, dat staat er niet! Er staat: Doch de Heere De Heere begint opnieuw. Er is een advent, maar er is ook een kersttijd. God laat het licht schijnen in de duisternis. Dat is het wonder dat ik u vandaag prediken mag. Kerstfeest is een nieuw begin. God is opnieuw tot de mensen gekomen. God heeft de duisternis doorboord. God heeft de hemel verlaten en Hij is komen wonen op deze gevloekte aarde waar wij allen als schapen dwalen. Dat is het feit dat wij op Kerstfeest herdenken. Dat is geen zaak van gevoel of van sfeer, maar het is een rechtstreekse zaak van ons hart; van waarachtige bekering, van omwending tot de levende God.

Doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Laten wij daarbij stilstaan nadat we gezongen hebben uit Psalm 119 vers 88:

 

Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond

Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen;

Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ‘t rond,

Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren;

Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond;

Want hij volhardt naar Uw geboôn te horen.

 

Doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid… Daar heeft u dus de naam waarmee het dwalen wordt aangeduid. Dwalen is ongerechtigheid. En ongerechtigheid is schuld, zonde.

Laten we het zo toch zien. Laten we zo ook onze afdwalingen mogen zien. Dan zijn we niet langer de slachtoffers van het beleid van God, of van wat anderen doen. Maar dan zijn we schuldenaars. Dan zijn we mensen die de ongerechtigheid doen.

 

Doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Als een steen naar beneden valt, zal die steen in der eeuwigheid niet meer naar boven vallen. Die moet uit de put worden gehaald. Nooit keert hij terug. Zo is het met ons.

Maar nu is God gekomen. En Hij is, laat ik dat beeld maar even vasthouden, dat verloren schaap op zijn dwaalweg nagegaan. Hij is die steen in de diepte, die wij zijn, nagesprongen. Hij is in de kolkende, donkere diepte van ons bestaan ingekomen. Kerstfeest wil zeggen: God is mens geworden. God is de verdronkene nagesprongen in de kolkende diepte waarin u en ik verzonken zijn.

O, dat heeft God Zijn Zoon gekost. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (Joh. 3:16). Die voor overtreders gebeden heeft. Die voor de ongerechtigheid van kwaadwillende zondaars genoeg gedaan heeft, opdat schapen die nooit meer terug kunnen en willen keren, terug zouden keren door Zijn genade. Zo heeft God het gedaan.

 

Wij hebben God verlaten. Duivels. Gemeen. Grof. Opzettelijk. Duizendmaal. Wij allen. En nu heeft God voor redding gezorgd. Door het wonder. Ja, want het is een wonder als u als een nederige, een verslagene, een verbrokene, een schuldbelijdende zondaar, als een verdwaald schaap, dat nergens en nergens uitkomst ziet, dat het zo voor God verknoeid heeft, dat het elk ogenblik de wraak van God vreest, daarvan iets ziet in uw leven en zegt: ‘Nu zal God me treffen en dan is het voor eeuwig kwijt. Dan daal ik in de eeuwige dood en ik kom er nooit meer uit.’ Voor hen, die zo hun noodgeschrei aan God laten horen, en die uit de diepte roepen om ontferming, daar zegt Jesaja: Doch de Heere

Het is een goddelijk ‘maar’. ‘Maar de Heere zal uitkomst geven, Hij Die ‘s daags Zijn gunst gebiedt.’ Doch de Heere! Het komt van de Heere, hoor! Ook nu: deze prediking is van God. Dat is Zijn genade. Het komt van Zijn kant. Hij is het Die ons Zijne vriendschap biedt in de staat waarin wij onszelf gebracht hebben. Hij vraagt van ons niet een klein eindje de berg op te komen. Hij vraagt van ons niet al een eindje terug te keren, want Hij weet dat we dat in eeuwigheid niet doen. We gaan liever door tot in de hel. Maar laat deze liefde van God, laat deze goddelijke gerechtigheid, laat dit volmaakte offer, laat die eeuwige barmhartigheid van God u nu bewegen. Laat dat nu het middel zijn.

 

Hoor! Want de Heere heeft ons aller

Wie zijn dat, die allen?

Dat zijn degenen aan wie de arm des Heeren geopenbaard is. Dat zijn degenen die geklaagd hebben met Jesaja: Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg.

Natuurlijk, anders heeft u er geen behoefte aan. Dan hoeft u er ook helemaal niet over te twisten of het ook wel voor u is, want dan heeft u geen honger. Dan heeft u geen dorst. Dan heeft u zelfs geen verlangen om verlost en bekeerd te worden.

Maar als u in uw ziel dit hartelijk verlangen, deze innerlijke dorst, deze vurige begeerte gevoelt, als u in uw hart belijdt met Jesaja: ‘Wij, ook ik, Heere, een dwalend schaap, een verloren schaap, dat nooit meer terugkomt, want ik weet de weg niet’, dan is deze belofte voor u. Dan behoeft u niet ongetroost dit Godshuis te verlaten. Dan zeg ik in de Naam van Hem, Die het verlorene zoekt, Die mij gezonden heeft om u te verkondigen, dat in de duisternis van de nacht het licht van Gods genade verschenen is. Dat de Heere gezorgd heeft, dat verloren schapen terug zullen komen.

Dat is niet twijfelachtig! Eerder zullen de hemel en de aarde vergaan, dan dat God Zijn Woord zal laten vallen. Het is onmogelijk dat een zondaar die op deze waarheid zijn ziel verlaat, niet wordt aangenomen.

 

Doch de Heere heeft ons aller… Erskine zegt in één van zijn preken over een andere tekst, de tekst: Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden (Matth. 5:4): ‘Ik durf er niets aan toe te voegen, ik durf er zelfs niet aan toe te voegen: ‘Zalig zijn die treuren over hun zonden’, want ik zou bevreesd zijn dat God van mijn deel afdeed uit het boek des levens. Laat het staan, want God heeft het geschreven.’

Ik zou hem hierin willen navolgen en over ‘ons aller ongerechtigheden’ willen zeggen: ‘Ik durf er niets aan toe te voegen, op gevaar dat God van mijn deel zou afdoen uit het boek des levens.’

Vult u hier uw eigen naam maar in. Uw zondaarsnaam. Dan behoort u bij degenen van wie hier staat: Doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.

 

Ongerechtigheid… Afdwaling, zei ik al, is ongerechtigheid. Die ongerechtigheid, die Hij op Hem doet aanlopen…

Wie is die ‘Hem’?

Ach, voor Jesaja was er maar Eén, Die met die naam en dat woord aangeduid kon worden. Want er was er maar Eén voor Jesaja Die hem verlossen kon. Net zoals er voor de bruid maar Eén was. ‘Zeg Hem aan, zo ge Hem vindt’, zegt ze tegen de dochters van Jeruzalem. Als ze dan vragen: ‘Wie is uw Liefste? Wat maak je je druk? Wat is uw Liefste meer dan een andere liefste?’, dan zegt ze: Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend. Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochteren van Jeruzalem (Hoogl. 5:10,16). En Jesaja zegt: ‘Op Hem heeft God het doen aanlopen.’

Wie is die Hem?

Ach, dat kan niemand anders zijn dan de Zoon van God, Jezus Christus, onze lieve Borg en Zaligmaker, Die te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven is. Het offer, door God gegeven, opdat de gerechtigheid Gods verheerlijkt zou worden, de wet haar glans en luister terug zou krijgen, een gesloten hemel geopend zou worden en verloren schapen van de eeuwige afgrond zouden worden weggerukt. Hij heeft die ongerechtigheid van ons, onze afdwalingen, onze zonden, onze vijandschap, onze onverbrokenheid, op Hem doen aanlopen, zoals een stroom op een rots. Op Hem doen aanlopen, zoals een legerschare op een bezette vesting. Op Hem doen aanlopen, zoals zonnestralen in een brandglas samengetrokken. Al Gods toorn, al Gods grimmigheid op Hem doen aanlopen.

Dat heeft God gedaan. God heeft Hem tot zonde gemaakt. Dat is Gods liefde geweest. Het is Gods liefde nog, dat Hij dit laat prediken: op Hem doen aanlopen.

 

Verschrikkelijk, Hij heeft gebeefd, Hij heeft gesidderd, Hij heeft het uitgeroepen: ‘O dodelijk uur, wat hitte doet Mij branden! Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’

Hij heeftiH in die bruisende branding, in die nacht van Gods toorn Zijn mond niet opengedaan, staat er verder. Daar ga ik nu niet over spreken. Hij heeft niet gezegd: ‘Vader, dat zijn Mijn schapen niet. Kan ik er iets aan doen, dat Uw schapen verdwaald zijn? Dat moeten die schapen toch zelf weten? Ze hebben het toch gewild? Ze hoefden het toch niet? We hadden ze toch goede weiden gegeven, o Vader, toen we het paradijs voor de schapen hadden ingericht?’

Dat zegt Hij niet. Hij zwijgt als een stemmeloos lam, als een lam naar de slachtbank, als een schaap dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders. Zo lijdt Hij en zo strijdt Hij. Zo ligt Hij neder in de kribbe. Van God en mensen straks verlaten. Nu ontdaan van alle heerlijkheid. Straks ontbloot van het leven. Daar hangt Hij met doornen gekroond, met Zijn doorboorde handen en voeten. Daar hangt Hij met Zijn doorboorde hart.

 

Ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. God heeft Zijn doel met Hem bereikt. Hij is die laatste Adam in Wie alles heerlijk hersteld is wat de eerste Adam verkeerd gedaan had.

Maar door Hem keren nu ook schapen terug naar de schaapskooi. Wie dat ziet, kan niet langer dwalen. Wie dat ziet, kan niet langer op zichzelf blijven staan. Wie dat ziet, kan niet langer geld en wereld, eer en wellust navolgen. Wie dat ziet, zingt biddend, wat we zojuist gezongen hebben: ‘Ai, zoek uw knecht, schoon hij uw wetten schond; want hij volhardt – daar hebt u het nieuwe leven – naar Uw geboôn te horen.’ Dan wordt Gods wet een regel van ons leven. Dan wordt het Woord van God het richtsnoer van ons doen.

 

Kom, jongens en meisjes, heb je lust deze God te vrezen, dit allerhoogst en eeuwig goed? Hij is het waard, hoor! En je ziel zal er wel bij varen. Je zult nooit meer verdwalen. Wie eenmaal door deze Herder gevonden is, wie de kracht van Zijn liefde ervaren heeft, wie de tekenen van Zijn overwinning gezien heeft in Zijn doorboorde handen, wie hongert en dorst naar die gerechtigheid door Hem aangebracht, omdat hij in zichzelf geen gerechtigheid meer kan vinden, die zal Hij in eeuwigheid niet meer laten vallen. Hij, Die in de staat van Zijn vernedering gezegd heeft: ‘Vader, degenen die Gij Mij gegeven hebt, die heb Ik bewaard. Niemand uit hen is verloren gegaan.’ Zal Hij dan, nu Hij verhoogd is aan de rechterhand van de Vader, Zijn armen en ellendigen niet gedenken? Zal Hij Zijn hopeloze kudde niet bewaren?

 

Ach, de overste van deze wereld is reeds geoordeeld en de machten en de overheden zijn naakt aan het kruis uitgetogen. Het handschrift der zonden dat tegen ons was, is doorgekruist aan het kruis van Christus. Wie zal nu nog beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?

Kom, dat is de poort des Heeren en daar zal het rechtvaardig volk door treên. Buig nog een beetje dieper. Laat dan dat laatste beetje eigengerechtigheid varen. Bid om Zijn Heilige Geest, opdat de arm des Heeren u geopenbaard worde. En als u dan zo laag buigt dat u door deze poort in deze stal kunt binnenkomen en niet meer te hoogmoedig bent om bij een kribbe te buigen, om uw leven aan Hem over te geven en er genoegen mee neemt dat Hij stierf in uw plaats, gesmaad, verlaten, door Gods gerechtigheid vernederd, gedood, dan bent u zalig!

Dan vindt u door Zijn doorboorde handen Zijn vriendelijke gunst. Wat u dan ook drukken moge en welke zonden u ook mogen bezwaren en hoe lang en hoe menigmaal u ook tegen God gezondigd hebt, Hij is de Weg, Hij is de Deur der schapen, Hij is de Weg tot God. Dan beginnen we hier op aarde reeds zalig te worden. Dan openen zich voor ons de vergezichten op die eeuwige heerlijkheid, waar we straks zullen komen als we altijd bij Jezus zullen zijn. Dan zullen we nooit meer afdwalen. Dan zal God nooit meer smart om ons hebben. Dan zullen we altijd zijn als de engelen Gods in de hemel, rein en heilig Hem alleen beminnen en onze kroon werpen aan Zijn voeten.

 

Hier is het begin. Dat heeft God op het Kerstfeest geopenbaard. Deze boodschap komt tot u, alsof ú alleen hier in dit huis van God bent.

Buig u dan aan Zijn voeten neer. En als u de weg niet meer weet, als het in uw leven werkelijk tot een hopeloze, afgesneden zaak gekomen is, welnu, zie hier uw Koning! Hij heelt de gebrokenen van hart en Hij verbindt degenen die in hun smart tot Hem de toevlucht nemen.

Nooit is een zondaar beschaamd geworden, die, al was het vanaf het einde des lands, riep tot Hem, en die de stem gehoorzaamde van de Zoon van God, Wiens stem als de stem van de Goede Herder tot in het hart van verlorenen doordringt. Opdat deze preek, dit woord van God, deze roepstem van Jezus, u zij als de stem van de Zoon van God, waardoor de doden levend worden!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Lofzang van Zacharias: 4 en 5

 

Dus wordt des Heeren volk geleid,

Door ‘t licht, dat nu ontstoken is,

Tot kennis van de zaligheid,

In hunne schuldvergiffenis;

Die nooit in schoner glans verscheen,

Dan nu, door Gods barmhartigheên,

Die, met ons lot bewogen,

Om ons van zond' en ongeval t’ ontslaan,

Een ster in Jakob op doet gaan,

De zon des heils doet aan de kimmen staan.

 

Voor elk, die in het duister dwaalt,

Verstrekt deez’ zon een helder licht.

Dat hem in schâuw des doods bestraalt,

Op 't vredepad zijn voeten richt.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 5) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2011).