Ds. S.W. Janse - Lukas 13 : 6 - 9

De onvruchtbare vijgenboom

Lukas 13
De plaats
De vrucht
Het oordeel
Het uitstel

Lukas 13 : 6 - 9

Lukas 13
6
En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.
7
En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kome nu drie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?
8
En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben;
9
En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem namaals uithouwen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 80: 9, 10
Lezen : Lukas 13: 1-9
Zingen : Psalm 145: 3, 6, 7
Zingen : Psalm 103: 5
Zingen : Psalm 86: 8

Gemeente, we gaan een gedeelte overdenken dat u kunt vinden in Lukas 13, en daarvan de verzen 6 tot en met 9. We lezen alleen het achtste vers, het eerste gedeelte:

 

En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heere, laat hem ook nog dit jaar.

 

We gaan letten op: De onvruchtbare vijgenboom.

 

Vier gedachten:

1. De plaats

2. De vrucht

3. Het oordeel

4. Het uitstel

 

1. De plaats

 

Iédereen heeft het erover. Over die ene ramp die er heeft plaatsgevonden. Wat is er dan gebeurd? Er heeft een bloedbad plaatsgevonden in de tempel. Er staat in vers 1: Hem boodschapten van de Galileeërs welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had. Dus in de tempel zijn mensen aan het offeren, Galileeërs, en dan ineens komen daar onverwachts de soldaten van Pilatus, en die brengen die mensen op een koelbloedige wijze om.

Ze boodschapten het Jezus, zo lezen we. En wat ziet de Heere dan in de harten van die mensen? De schuldvraag komt boven. En daarom zegt Hij in vers 2: Meent gij dat deze Galileërs zondaars zijn geweest boven al de Galileërs, omdat zij zulks geleden hebben? Die staan toch wel bovenaan in de lijst van zondaren, die Galilese mensen die omgebracht zijn? Dat is toch niet voor niks gebeurd?

Gaat Jezus daarin mee? Nee, Hij zegt in vers 3: De boodschap is: Indien gíj u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan. Maak je dus niet druk over andere mensen. De Heere strekt Zijn vinger ook naar u uit: ‘Indien gíj u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks, nét als die mensen, omkomen.’

Hij haalt daarbij in vers 4 nog een voorbeeld aan. Dat ligt nog heel vers in de herinnering waarschijnlijk, dat bouw- of bedrijfsongeval bij die torenbouw van Siloam, hoe er achttien slachtoffers zijn gevallen. Dat gaf ook zoveel vragen. Maar iedereen heeft het vaak zo drúk met al die vragen en we vergéten onszelf.

Indien gíj u niet bekeert, zo lezen we, zo zult gij allen insgelijks vergaan. Het staat in vers 3 en in vers 5. We móeten bekeerd worden, maar we kúnnen ook bekeerd worden. En God bekéért nog mensen! Ook op deze dankdag, in een tijdwoord, als we de voetstappen van de Heere horen in alles wat om ons heen gebeurt, zegt Hij: ‘Bekeert u!’ Als het oordeel van God zal komen, op uw sterfdag of op de jongste dag, wat is dan nodig? Waarachtige bekering.

 

Daarom gaat de Heere voor de derde keer iets uitleggen over die bekering. En Hij zeide deze gelijkenis, zo lezen we. Dat woordje ‘en’ verbindt die andere vijf verzen aan dit zesde vers. Dus de Heere Jezus gaat een gelijkenis vertellen met als doel: het is nog de dag van de zaligheid, Ik zoek nog uw behoud, ondanks die zwarte onweerswolk van Mijn oordelen. Ik ga u nog niet voorbij.

 

Het is een hele aangrijpende gelijkenis. Je zou misschien kunnen denken dat het hárde woorden zijn die erin voorkomen. Maar het zijn geen harde woorden, want er staat: Híj zei deze gelijkenis, dus dat is Jezus. En hoe ís Jezus, weet u dat? Bewógen, tot in het diepst van Zijn ziel geroerd. Wat voor hart heeft Jezus? Een brandend middelaarshart. Deze Jezus weent, een paar hoofdstukken verder, als Hij Jeruzalem ziet liggen, als Hij daar op die ezel zit: Och, of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! (Luk. 19:42). Deze gelijkenis is een woord van Jezus, in liefde gesproken, maar wel scherp, eerlijk en rechtvaardig.

 

Jongens en meisjes, wat ís dat, een gelijkenis? Jullie kunnen me wel helpen. ‘Een gelijkenis,’ zeg je, ‘dat is een mooi verhaal dat de Heere Jezus verteld heeft.’ Misschien weet je wel een gelijkenis: van de zaaier, of van de verloren zoon, of van de parel van grote waarde. Maar het is natuurlijk niet alleen een mooi verhaaltje. Nee, de Heere Jezus wil er iets mee zeggen. Hij wil er ons, ook vandaag, iets mee leren. Hij gaat geestelijk onderwijs geven.

 

Een vijgenboom, dat is het beeld in deze gelijkenis. Een zeker man had een vijgenboom, geplant in zijn wijngaard. Sommige mensen hadden één of meerdere vijgenbomen in de tuin staan. En als je hem niet in de túin had staan, dan kwam je zo’n boom wel tegen langs de kant van de weg. Dus dat beeld kende iedereen. Als de Heere Jezus dat woord gebruikt, dan heeft iedereen er gelijk een beeld bij.

Een zeker man had een vijgenboom. Maar wat staat er nu achter? Geplant in zijn wijngaard. Dat gebeurde wel vaker, dan had zo’n boer of zo’n fruitteler nog een plaatsje over in de wijngaard, en dan dacht hij: Laat ik dat hoekje maar eens opvullen door wat fruitbomen neer te zetten.

En dan zie je die man gaan, jongens en meisjes. Ga je mee? Hij heeft een spa in zijn hand en in die andere hand die jonge vijgenboom. Dan loopt hij daar die zuidelijke helling op, misschien wel in de buurt van Jeruzalem. En dan komt hij die wijngaard binnen, ommuurd met hoge muren, en dan gaat hij door de ingang, zo langs die wijnpersbak bij die uitkijktoren. En dan ergens in die wijngaard is er zo’n lege plaats en daar graaft hij een gat in de grond, en daar zet hij die boom in. Daar staat de vijgenboom, geplant in de wijngaard.

Waarom nu in de wijngaard? Was dat nu zómaar? Dacht die man: Nu ja, dat is wel aardig, laat ik die boom daar maar eens neerzetten? Nee, in de wijngaard was grond van de beste kwaliteit, die grond was van stenen gezuiverd. Die grond lag daar op die zuidelijke helling in het zonlicht. Daar kon de regen goed bij. Dáár zette hij die vijgenboom.

Waarom? Waarom plant je nu een boom? Vraag het maar eens aan een fruitteler. Voor de sier? Nee. Voor de bladeren? Nee. Voor de vrúchten! Hij heeft deze vijgenboom geplant met het doel dat hij vruchten zal dragen. En die boom zal het zéker wel dóen daar. De verwachting is dat hij veel vruchten voortbrengt, dat er veel van die geelgroene vijgen aanhangen, want het is de beste grond.

 

Wat wil de Zaligmaker hier nu mee zéggen? Hij wil ons vandaag onderwijs geven. Het is alsof je de Zaligmaker vandaag ziet staan voor onze gemeente. En dan vallen al die mensen weg, en dan gaat Hij je persoonlijk aanspreken. En wat gaat Hij dan zeggen?

Jij bent net als die vijgenboom ook geplant in een wijngaard. Ons leven, de boom van ons leven, heeft een plaats gekregen in goede grond, in de wijngaard van Gods schepping. Daar zijn we geplaatst, lang geleden al, in het paradijs. Met welk doel? Wat is nu het doel van je leven, jongelui? Misschien dat je er wel eens over in zit. Dit is je levensdoel: God eren, dankdag houden, God loven, God prijzen. Daartoe ben je geschapen! Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen (Jes. 43:21). Zo is ons leven, als het goed is, tot Gods eer.

Maar de Heere heeft ons ook een plaats gegeven in de wijngaard van Zijn kerk. En dat is een voorrecht. Je zit hier vandaag in de kerk, je mag het Woord van God horen, de meesten van ons hebben een gedoopt voorhoofd. En er stáát wat op je voorhoofd! De Heere heeft Zijn teken en zegel aan je voorhoofd laten verbinden. Geplant in de wijngaard van Gods kerk; de woorden Gods zijn ons toevertrouwd.

 

De onvruchtbare vijgenboom. We hebben de plaats gezien waar die boom staat: in de wijngaard. En we hebben gehoord dat we van de Heere een plaats gekregen hebben in de wijngaard van Zijn schepping en in de wijngaard van Gods kerk. Een voorrecht; reden om dankdag te houden! Het is niet gewóón dat je een Bijbel hebt. In bijvoorbeeld het Midden-Oosten ís het niet zo gewoon dat je de Bijbel hebben mag, en zeker niet dat je er in alle rust in het openbaar naar luisteren mag. Als hier IS-strijders zouden staan, dan zou het de vraag zijn of ik hier nog stond, en of wij hier nog zouden zitten, begrijpt u?

Het is een voorrecht dat je gedoopt mag zijn. Dan staat er wat op je voorhoofd. Wat staat er dan op? Dit: Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonde. In de doop laat de Heere Zijn eigen Woord nog eens onderstrepen. Dat is niet zómaar wat. Het is niet zo dat als je gedoopt bent, het dan allemaal wel goed komt. Dát zeg ik niet. Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Joh. 3:3). Maar het is ook niet zo dat de doop niets voorstelt.

Toen jij nog niet naar de Heere kon vragen, heeft Hij al naar jóu gevraagd door de doop. Toen jij je handen nog niet voor de Heere kon vouwen, heeft Hij Zijn handen al uitgestrekt. Toen je je eigen naam nog niet eens kon noemen, heeft God je bij je naam genoemd, heeft Hij Zijn heilige Naam verbonden aan jouw onheilige naam. Het is een voorrecht om gedoopt te zijn!

 

Misschien ken je dat verhaal wel van die herten van de keizer. Die liepen daar in een bepaald gebied met een bandje om hun nek. Daar stond op: ‘Raak mij niet aan, want ik ben van de keizer.’ Zo is het bij jou en bij u. We zijn apárt gezet. Wij zijn van de Koning, wij dienen als het goed is een ándere Koning, een veel betere Koning dan de wereld; een goedertíeren Koning. En dat staat op je voorhoofd geschreven.

En hoe is dan ons léven? Hoe is jóuw leven? Guido de Brès zegt: Wij dragen een merk- en een veldteken. Een militair kun je herkennen. Door wat er op zijn uniform staat, weet je precies waar hij bij hoort. Zo ben je ook herkenbaar door de Heilige Doop. Je hebt een plaats gekregen onder Gods Woord, op de wijngaard van Gods kerk. Ik hoop niet dat het je vermoeit als de Bijbel weer opengaat thuis. Wat is de Bijbel veel opengegaan tussen biddag en dankdag! Op de catechisatie, op de vereniging, en ik hoop dat je zelf ook thuis je Bijbel leest. En ik weet dat er jongeren zijn die dat dóen, hun Bijbel lezen. Wat is de Heere tig keer tot je gekomen met Zijn heilig Woord. Een voorrecht, maar ook een verantwoordelijkheid. Want wat heeft dat nu voor úitwerking gehad? Is er ook vrucht? De tweede gedachte:

 

2. De vrucht

 

Je ziet hem gaan, die eigenaar van die wijngaard. Hij gaat die helling op en komt de wijngaard in, en dan gaat hij naar die plaats toe waar die boom staat. Hij gaat kijken of er vrucht is. Daarom heeft hij die boom toch geplant?

We lezen: Hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. Dus die man gaat door zijn knieën, en dan tilt hij die bladeren op, en die takken tilt hij omhoog, en dan gaat hij zoeken. Hij zoekt vrucht aan die vijgenboom, die wel zo’n zeven meter hoog kon worden. En hij loopt er nóg eens omheen. Dat zegt dat woordje ‘zoekt’. Niet zomaar oppervlakkig even kijken. Als je bijvoorbeeld een schaar van een euro kwijt bent, dan zoek je niet zo lang. Dan koop je wel weer een andere. Maar als je een kínd kwijt bent, dan zoek je wel. Zó zoekt die man. Hij zoekt, hij zoekt, hij zoekt…

 

Begrijpt u dan ook de teleurstelling: en vond ze niet? Heeft die man véél gezocht? Ja, er staat in vers 7: Zie, ik kom nu drie jaren, zoekende vrucht op deze vijgenboom. En nu moet je weten dat zo’n vijgenboom wel drie keer per jaar vrucht kon dragen. Dus vroege vrucht, zomervrucht en late vrucht. En als hij dat dan drie jaar lang doet, dan is hij toch zeker wel zo’n negen keer bij die boom geweest. Eerst heeft hij misschien nog hoop gehad dat er nog vrucht zou komen, maar als die vijgenboom na drie jaar nóg geen vruchten zou dragen, dan moest hij eruit.

Je merkt in alles de teleurstelling. Dat blijkt wel uit het zevende vers: Zie, ik kom nu drie jaren, zoekende vrucht op deze vijgenboom, en vind ze niet. Het klinkt wat ontstemd, geïrriteerd. Ja, hij ís ook teleurgesteld. Dat is elke fruitteler, elke wijngaardenier, elke boer, als hij zoekt naar vrucht en ze niet vindt. Als er nu nog eens een páár vruchten waren… Maar er is niets, nul komma nul.

 

Wat is dat nu vandaag voor onderwijs voor ons? De Zaligmaker onderwijst, weet u nog? Hij staat daar voor die schare en Hij gaat je persoonlijk aanspreken vandaag en Hij zegt: ‘Hoe was het nu met die boom van úw leven en van joúw leven aan het begin van de Bijbel, vóór Genesis 3?’ Toen hingen er vruchten aan onze levensboom. De Heere zócht liefde in het paradijs, en Hij vónd liefde; liefde tot God en tot de naaste. De Heere zocht vrede met Hem in het paradijs, en er wás vrede met Hem. De Heere zocht kennis van Hem, en die kennis was er. De Heere zocht gerechtigheid, en het was goed tussen God en ons; het was recht, er lag niets tussen. De Heere zocht heiligheid, en het was er. Al die vruchten waren er.

Hoe kan dit er dan stáán: en zocht vrucht daarop, en vond ze niet? Er is wat gebeurd. Genesis 3, over dat hoofdstuk moeten we niet heen lezen. De zondeval, onpeilbaar diep… Wat is er dan gebeurd? Toen heb ik gegeten, jongens en meisjes, van de verboden vrucht. Maar dragen we dan geen vruchten meer? Nee. De Heere zegt: ‘Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid.’ Liefde is haat geworden. Vrede is oorlog geworden. Kennis is dwaasheid geworden, gerechtigheid ongerechtigheid, heiligheid onheiligheid.

U zegt: ‘Dat vind ik nogal wat; geen énkele vrucht?’ Nu goed, dan geef ik u gelijk. U draagt wél vruchten, maar u draagt stínkende vruchten. Dat zegt Jesaja 5. Daarin tekent de Heere ook dat beeld van een wijngaard, en dan hangen daar stinkende vruchten aan die bomen. Welke vruchten? Hoogmoed, eigengerechtigheid (in mijn godsdienst misschien), óngerechtigheid (in de zonde), en gaat u zo maar door. Vruchten genoeg, maar niet tot Gods eer. En stinkende, bedorven vruchten, die gooi je weg…

 

Nu gaat de Heere vandaag zoeken naar vruchten. Tussen biddag en dankdag is er veel werk besteed aan je levensboom, zullen we straks horen, is er mest rondom gelegd, is er om gegraven. En nu komt de Heere op huisbezoek. Over het algemeen – misschien is dat bij u wel anders – zitten we daar niet zo op te wachten, op huisbezoek. Want ja, dan wordt die persoonlijke vraag gesteld: Is er vrúcht in uw leven? Is er vrucht op de prediking? Zijn er vruchten van geloof en bekering? Dat is de vraag die de Heere vandaag stelt, zo heel persoonlijk.

Ik wil niet gelijk tóegeven dat ik geen vruchten draag. Weet je wat ik dan doe? Dan grijp ik naar die bláderen. Want dat waren mooie bladeren hier aan die boom, vijgenbladeren. Adam en Eva hebben gezondigd en dan bedekken ze zich met vijgenbladeren. En zo proberen wij dat óók. ‘Ik ben toch gedoopt?’ Ja, dat is zeker groot; dat hebben we al aangestipt. Is dat nu genóeg? Is dat dan een paspoort voor de hemel? ‘Ik heb belijdenis gedaan.’ Dat is inderdaad een voorrecht, als onze jonge vrienden voorin de kerk hun jawoord mogen geven. Is dat voldoende? ‘Ik bid wel eens, ik lees de Bijbel, ik zit op Bijbelstudie, ik ben actief in de vereniging…’ Maar is dat nu genoeg? De Heere zegt: ‘Al die bladeren schuif Ik opzij; wat zit er nu áchter die bladeren? Niks!’

 

Moet u dat vandaag eerlijk zeggen: ‘Er zit geen vrucht achter’? En vond ze niet… De Heere zoekt naar waarheid in het binnenste. Hij ziet overal dwars doorheen en Híj ziet vandaag of er vrucht is.

De Heere heeft récht op vrucht. Waarom? Hij heeft je geschapen. Hij heeft je Zijn Woord gegeven. Hij heeft je laten tekenen voor je leven door de Heilige Doop. Hij heeft vandaag recht op je hart. Hij zegt: ‘Is er vrucht? Zo niet, Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij je hart!’

 

En vond ze niet…

Misschien moet u zeggen: ‘Het is altijd hetzelfde liedje, elk jaar op huisbezoek zeg ik hetzelfde. En dankdag na dankdag is die vraag gesteld naar vrucht. En elke keer is er niets te vinden.’

De Heere zoekt vrucht. Zorg dat je erbíj bent in deze dienst. Je zit onder de preek; waar gaan je gedachten naartoe? Waar ben je mee bezig? Weet, de Heere staat naast je, en Hij zoekt naar vrucht. Hoe lang al? Misschien al veel langer dan drie jaar. Jongens en meisjes, al vijf jaar vraagt de Heere aan je: ‘Heb je al een nieuw hart?’ Acht jaar vraagt de Heere aan je: ‘Heb je Mij nu al lief?’ Twaalf jaar roept de Heere het al: ‘Bekeer je toch!’ Achttien jaar, vijftig jaar, tachtig jaar staat je levensboom al in de goede grond van Gods Woord. En wat is de vrucht?

Zijn er ook die zeggen: ‘Heere, als het aan mij ligt, is er geen vrucht meer in der eeuwigheid. Daar heb ik nu smart over. Ik heb wel eens gedácht dat er vruchten waren, maar het is allemaal weg. Ik heb Gods waarheid niet geloofd. Ik heb God niet verheerlijkt. Ik heb het oordeel verdiend.’

We gaan er op letten in onze derde gedachte:

 

3. Het oordeel

 

We lezen in vers 7: Houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde? Eigenlijk klinken die woorden al als een bijlslag: Houw hem uit! Je ziet daar die man staan. Ga nog maar even mee de wijngaard in. Hij staat daar samen met degene die de zorg heeft voor de wijngaard. Samen kijken ze naar die boom, maar er zitten helemaal geen vruchten aan. En dan is die eigenaar kordaat. Hij zegt: ‘De bijl erin! Die boom moet eruit! Wat heb je nu aan zo’n boom? Hij is onvrúchtbaar en onnút!’

Er staat niet: ‘Houw hem om’, maar er staat: Houw hem úit! In het oorspronkelijke wil dat zeggen: Roei hem met wortel en tak uit, zodat er straks niets meer van die boom zichtbaar is!

 

Wat is dat nu voor onderwijs, gemeente? Dat onderwijs zouden we vandaag niet met droge ogen mogen geven. Want als het gaat over het oordeel, zegt één van onze oudvaders, dan mogen we dat woord niet uitspreken zonder tranen.

In Genesis 3 is het oordeel uitgesproken; daar gaan we weer naar terug. We hebben van die verboden vrucht gegeten, en toen heeft het geklonken: Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven (Gen. 2:17). Ja, dat was uitgesproken, maar het oordeel is nog niet uitgevóerd. En nu wil déze man het oordeel dat hij uitgesproken heeft ook daadwerkelijk gaan uitvoeren. ‘Hij moet eruit!’

Wat is het oordeel dan dat op ons rust? Dat is de drievoudige dood. Dat wil zeggen: je moet straks sterven, jongens en meisjes. Dat is het eerste. Wat nog méér? Je bént al gestorven. Wat is dát nu? Ja, we zijn al aan het sterven. Ons hele leven is een stervensproces. En ten slotte, als de Heere niet ingrijpt, moet ik voor eeuwig sterven, omkomen in de nacht. Dat is het oordeel, en dat oordeel is uitgesproken over ons leven. Sommige mensen denken dat dat oordeel uitgesproken wordt als ze gaan sterven, of dat de toorn van God dán pas op hen komt. Nee, Johannes 3 zegt dat de toorn van God op ons blíjft en op ons rúst. Dus het is niet zo dat we verloren gáán; dat is óók waar. Maar we líggen al verloren. Dat is zo aangrijpend.

 

Houw hem uit! Dat zal de Heere tegen jou, tegen u zeggen. Wanneer dan? Op de laatste dag van je leven. Houw hem uit! Dan moet ik voor God verschijnen. Op de laatste dag van de wereld, als de Heere zal komen als Rechter, dan zal Hij zeggen: ‘Houw hem of haar uit!’

Dan zal mijn levensboom vállen. En dan kan je boom maar naar één kant vallen, gemeente; naar het noorden of naar het zuiden. En waar die boom valt, daar zal hij blijven liggen. Die boom kun je niet meer optillen en nog eens opnieuw planten. Nee, dan is het voorbij! Dus dan is het oordeel definitief.

 

Hoe ver ben je daar vandaan? ‘Ja, dáár ga ik me niet druk over maken!’ Nee, dat moet je vooral niet doen, en dan gewoon maar verder leven, en dan zullen we wel zien hoe het uitvalt…

Maar zegt de Heere dát in Zijn Woord? Hoeveel polsslagen nog, en dan is het eeuwigheid? Hoe lang nog zullen we hier zijn? Het kan vandaag de laatste dankdag zijn. Het kan de laatste keer zijn dat je dit Woord hoort dat voor ons ligt. En daarom ook de ernst in de prediking; we zullen dat straks wel horen bij de vierde gedachte.

 

Houw hem uit! Zijn die er ook vandaag, die deze woorden wel eens gehoord hebben in hun leven? Nee, dan bedoel ik niet letterlijk, zoals het hier staat, maar de betekenis ervan. Houw hem uit! Dat je in de kerk zat, of dat je je Bijbel las, en dat de vloek van de wet je achtervolgde. Dat je moest zeggen: ‘De dood zat me op de hielen. Nee, er was niets aan de hand met me, ik was kerngezond. Maar de Heere kwam in mijn leven. Hij riep mij een halt toe.’ Vroeger zeiden ze wel eens: ‘Ik kreeg de slag naar binnen.’ Dan heb je geen rust meer. Dan ben je aan het sterven, gemeente. Houw hem uit!

Dan gaat het niet meer over een ander. Nee, dan moet ík persoonlijk voor die hoge Majesteit verschijnen. Dat kan ook als je jong bent, hoor.

Als de Heere je gaat bekeren, dan ga je daar ook iets van begrijpen. ‘Heere, ik heb verdiend uitgehouwen te worden. Ik heb verdiend dat U me rechtvaardig voorbijgaat. Heere, U doet het niet verkeerd als ik om moet komen, dan bent U volmaakt recht in wat U doet.’ Dan mag je dat oordeel toestemmen. Dan mag je dat vonnis aanvaarden. Dan mag je het ermee eens zijn.

Waar staat dat? Bijvoorbeeld in Psalm 51: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’ Of in onze catechismus, Zondag 5: ‘Dat wij naar het rechtvaardig oordeel Gods, tijdelijke en eeuwige straffen verdiend hebben.’ Dan heb ík die straf verdiend.

Maar weet je wat nu een wonder is? Voor zulke zondaren komt Christus! Voor zulke zondaren gaat er Eén staan, om het zo te zeggen, en Die zegt: ‘Vader, houw hem of haar niet uit, maar houw Míj maar uit!’ Hij heeft dat gezegd op Golgotha. En toen is het zwaard van de Vader in Christus’ hart ingedaald. Toen is het zwaard van Gods gerechtigheid door Zijn ziel gegaan. Toen is Híj gekruisigd, toen is Híj gestorven, toen is Zijn zijde doorstoken, toen is Híj doorwond.

Zie vandaag, o zondaar, op deze Borg! O, zie vandaag op deze Middelaar! Zie op Vaders Zoon, Die daar hing op Golgotha. Aanschouw dan dat Lam, Dat om uw ongerechtigheden verbrijzeld is geworden. Ja, de straf die u de vrede aanbrengt was op Hem. Hij in uw plaats.

Dat Rijsje Dat voortgekomen is uit die afgehouwen tronk van Isaï, Dat droeg vrucht op Golgotha. En daarom kunt ú nog vrucht dragen. Die Plant van Naam hing daar tussen de hemel en aarde, en Hij is met één slag uitgehouwen, om nu zondaren het leven te geven, om Zijn hand tot de kleinen te wenden, om nog uitstel te schenken.

We gaan er op letten in de vierde gedachte, maar laten we eerst nog zingen uit Psalm 103, en daarvan het vijfde vers:

 

Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,

Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden;

Hij is het Die ons Zijne vriendschap biedt;

Hij handelt nooit met ons naar onze zonden;

Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden,

Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.

 

Zo eindigt de gelijkenis dus niet in mineur. De gelijkenis eindigt met Gods lankmoedigheid. En zo mogen we ook de prediking besluiten. Weet u nog, het zijn woorden van Jézus. En Híj zeide deze gelijkenis. Paulus, in navolging van Christus, sprak vooral ernstig. En dan moeten we onze eigen preken maar afkeuren. Paulus, wat sprak hij indringend! Hij zegt: ‘Wij dan, wetende de schrik, het oordeel des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof! En de liefde van Christus dringt ons.’

 

En daarom ook de vierde gedachte:

 

4. Het uitstel

 

Wat staat er dan? Heere, láát hem ook nog dit jaar. Dus die wijngaardenier grijpt in. Het is alsof hij die bijl uit de handen van die eigenaar grist en zegt: ‘Wacht nog even! Laten we die boom nog een kans geven. Laten we er nu eens extra goed voor zorgen! De grond wat omspitten, zodat de regen er goed door kan dringen, zuurstof, zonlicht… Laten we er nog eens wat mest omheen leggen, zodat hij goed bemest wordt.’ Dat was eigenlijk helemaal niet nodig; het was hele goede grond. Maar toch, extra zorg over deze boom.

Dus wat doet die wijngaardenier? Die gaat tussen die eigenaar en die boom staan en hij zegt: ‘Nee, laat hem alstublieft nog even staan. En als hij dan nog geen vruchten voortbrengt, dan moet hij er alsnóg uit.’ Dus uitstel, maar geen afstel. Als hij onvruchtbaar blíjft, moet hij het vuur in, deze boom.

 

Wat is dat nu voor onderwijs dat de Zaligmaker in deze dienst geeft? Dat de Heere nog uitstel geeft! Het oordeel, weet je nog, is uitgespróken, maar is nog niet uitgevóerd. Je leeft nog. Tussen de uitspraak en de uitvoering van dat vonnis ligt de genadetijd. We zijn allemaal in de genadetijd. Paulus zegt het: Zie, nu is het de welaangename tijd, zie, nu is het de dag der zaligheid (2 Kor. 6:2). Het is de beste tijd om tot God bekeerd te worden!

 

Wie gaat er vandaag voor úw boom staan? Allereerst Gods knechten. Wat roepen ze u toe? ‘Wij zijn gezanten van Christuswege. Laat u met God verzoenen! Laat u zaligen! Heden, zo u Zijn stem hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk woord!’ Dus Gods knechten liggen eigenlijk op de knieën voor u. Ze sméken u: ‘Kom, zoek toch uw behoud, en niet uw ondergang.’

Wie nog meer? Gods kinderen zijn ook van die wijngaardeniers. Als Gods kinderen er niet meer waren, was de wereld er niet meer. Het zijn de kurken waar de wereld op drijft. Er zijn nog bidders. Ja, die bidden voor onze jongeren. Neem je ze mee in je gebed, kinderen van de Heere? Draag je ze op, de kinderen, de jongeren, aan de genadetroon? Zeg je het: ‘O Heere, het zaad zal U toch dienen? Mag dat ook hier in ónze gemeente zo zijn?’

Maar Wie doet dit bovenal? Christus. Eén van de verklaarders zegt: Het is alsof Christus de bijl uit de handen van Zijn Vader neemt en zegt tegen Zijn Vader: ‘Wácht nog even, om deze jongen, om dat meisje, om die man of die vrouw uit te houwen. Want hij krijgt nog tíjd om bekeerd te worden.’

Dit is Gods lankmoedigheid. Gods geduld is nog niet op. Lankmoedig wil zeggen: langzaam tot toorn. Heeft Christus Zelf niet lankmoedig gehandeld aan het kruis? Daar zitten ze, die soldaten, ze verdelen Zijn klederen, ze dobbelen over Zijn gewaad. En Jezus zegt: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk. 23:34).

En daarom, gemeente, als er één Voorbidder is, is het Christus wel. Wij zijn niet zo geduldig. Ik weet niet hoe het bij jullie is, maar je zet als ouder je vuist wel eens op de tafel en dan zeg je: ‘Het is nu kláár, ik heb nu genoeg gewaarschuwd.’ Zo is het bij de Heere niet. Hij is taai van geduld. En daarom zitten we hier nog. Wat heeft de Heere al veel wérk aan u gehad tussen biddag en dankdag.

 

Totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben.

Dus de Heere heeft bij sommige mensen éxtra veel gegraven. De Heere heeft bij sommigen van u véél mest neergelegd. Misschien een ernstig ongeluk gehad, of ziek geweest, of iets anders. Heeft de Heere dan niet extra veel zorg aan u besteed? Maar ook gewoon (tussen háákjes ‘gewoon’) door de prediking van het Woord, door de middelen van de genade. Dan zal het aan de Héére niet liggen.

Dan zul je niet kunnen zeggen: ‘Ik ga verloren omdat de Heere dat zo besloten heeft.’ Dat is afschuwelijk, als je dat zo zegt. Onze Dordtse vaderen zeggen zelfs dat het godslasterlijk is om zo te denken (hoofdstuk 1, paragraaf 15). Dus dat is eigenlijk vloeken, als je zegt: ‘Nou ja, ik ben toch verworpen.’ Wie zegt dat, dat u verworpen bent? Dat staat nergens in de Bijbel. Ja, u gaat verlóren als u zich niet bekeert, dat is waar. U bent ten dode opgeschreven, dat is ook waar. Maar hoe kómt dat? Is dat Góds schuld? Nee, dat is éigen schuld. Daar heb jij voor gekozen in Adam. En dan niet naar Adam gaan wijzen. Nee, wíj hebben God op het hoogst misdaan, wíj zijn van het heilspoor afgegaan. Maar dan kunnen we niet zeggen: ‘De Heere zal me wel verworpen hebben.’

Het is bij God bekend wie er zijn uitverkoren; en die zullen zalig worden en die alleen. Maar dat wil niet zeggen dat ú er niet bij hoort. Een van onze oudvaders zegt: ‘Als ik er niet bij hoorde, dan zou ik net zo lang werken, net zo lang mijn best doen, net zo lang God zoeken, totdat ik erbij kwám.’

 

Daarom, de Heere zegt het vandaag, en dát is Zijn geopenbaarde wil: ‘Zoek Mij en leef! Ga door de knieën!’ De Heere roept het je vandaag welmenend toe, en de Heere méént wat Hij zegt: ‘Wil je goud hebben? Het is te krijgen. Wil je kleding hebben, geweven door Christus’ bloed? Het is gratis te verkrijgen. Zit er hier een blinde die ogenzalf begeert? Het is te koop, om niet, op de markt van vrije genade. En daarom, kómt, koopt en eet, zonder geld en zonder prijs, wijn en melk!’ Dat aanbod van genade komt tot een ieder van ons.

Dan mag je niet zeggen: ‘De Heere zal míj wel niet willen hebben.’ Dat kun je zo wel eens voélen, dat je zegt: ‘Heere, ik ben zo zondig, zo iemand wilt U vast niet hebben.’ Maar de Heere zegt in Zijn Woord: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh. 6:37). Dus de schuld ligt bij ú, als u verloren gaat.

Maar de Heere dringt nog aan. Hij zegt: ‘Verlaat de slechtigheden, en leef! Komt herwaarts! Je moet bij Mij zijn!’ Er is een Fontein geopend, jongelui. Ga dan niet langer drinken van de wateren van de zonde. Je drinkt je dóód; echt waar. Drink dan niet langer van de brakke wateren van de wereld. Het geeft je veel méér dorst. Maar deze Christus is dorstlessend. Ja, bij Hem is bloed te over. En daarom is er níemand te hard, niemand te goddeloos, en niemand te verloren, of Hij kan u zalig maken.

 

Er is in Christus geen tekort. Er is in Zijn bloed ruimte genoeg. Dan kunt u vandaag niet zeggen: er is geen gewillige Zaligmaker. Er is wel iemand heel onwillig vandaag, en dat bent ú. Er is Iemand vandaag heel bekwaam, dat is Christus. Maar er is ook iemand heel onbekwaam, dat bent u. En daarom, ga het dan eens vragen: ‘Heere, trek mij, dan zal ik U nalopen.’

 

De Heere zegt: ‘Breng vruchten voort van geloof en bekering waardig.’

‘Ja maar,’ zegt u, ‘dat kán toch niet?’ Is dat nu uit de nood van uw leven gezegd, of is dat een vroom excuus? Of zijn er ook van die arme zondaren die zeggen: ‘Heere, inderdáád, ik kán geen vruchten voortbrengen’? U hoeft geen vruchten te máken, want dat kúnt u niet, écht niet. Wij kunnen geen vruchten maken, maar u mag wel vruchten drágen. En daarom, zie eens op die Wijnstok Christus! Blijf dan vandaag, kinderen van de Heere, in Hem! Want uw vrucht wordt uit Míj gevonden. En dan mág je vruchten dragen tot Gods eer.

Dan mogen Gods kinderen bij ogenblikken zeggen: ‘Onze Vader’, en uit de vruchten verzekerd zijn dat God in hen begonnen is. Dan mogen ze wel eens het een bij het ander samenvoegen en zeggen: ‘Heere, dat kán toch niet anders, of dat ís van U. Heere, dan kan ik het toch niet ontkennen dat U begonnen bent.’ Nee, dat is niet uit hoogmoed, echt niet, maar dat is wel naar het Woord, dat ze mogen zeggen: ‘Heere, dan is het toch Uw werk. En Uw werk zal juichen tot Uw eer.’

 

Vruchten voortbrengen… Welke vruchten? De Dordtse Leerregels noemen: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, honger en dorst naar de gerechtigheid; vruchten genoeg!

En als u dan weinig vruchten hebt, dan nog een vrucht. Wat is nu de vrucht in het leven van Gods kinderen? Nu, dat is net als met die boom vol met vruchten. Hoe meer vruchten eraan zitten, hoe lager die takken hangen, hoe dieper ze doorbuigen. Zo is het ook bij Gods kinderen. Dan zeggen ze: ‘Heere, laag bij de grond, in ootmoed, in verootmoediging…’

Dát is dankdag: met je neus in het stof! Gods lof klimt uit het stof! En dan wordt het waar, ook vandaag: ‘Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen!’ En dan blijft het gebed: ‘O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 86: 8

 

Maar Gij, Heer’, Gij zijt lankmoedig,

Zeer barmhartig, overvloedig

In genâ, die ons behoedt,

Groot van waarheid, eind’loos goed.

Wend U tot mijn ziel genadig;

Sterk Uw knecht, en geef weldadig

Ondersteuning aan de zoon

Uwer dienstmaagd, van de troon.