Ds. J.S. van der Net - Nahum 1 : 7

De geloofsbelijdenis van Nahum

Nahum 1
De Heere is goed
De Heere is ter sterkte
De Heere is getrouw

Nahum 1 : 7

Nahum 1
7
De HEERE is goed, Hij is ter sterkte in den dag der benauwdheid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 136: 1, 26
Lezen : Nahum 1
Zingen : Psalm 103: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 27: 3
Zingen : Psalm 27: 5
Zingen : Psalm 118: 1, 14

Gemeente, het Woord des Heeren dat in deze dienst tot ons komt, kunt u vinden in Nahum 1 vers 7:

 

De Heere is goed, Hij is ter sterkte in de dag der benauwdheid, en Hij kent hen die op Hem betrouwen.

 

Gemeente, deze Schriftwoorden preken ons: De geloofsbelijdenis van Nahum.

 

Een drietal hoofdgedachten:

1. De Heere is goed

2. De Heere is ter sterkte

3. De Heere is getrouw

 

1. De Heere is goed

 

Gemeente, Nahum zegt tot ons: De Heere is goed.

Ik zou u eerst een vraag willen stellen: Bent u het daar nu mee eens? ‘Natuurlijk’, zegt u, ‘natuurlijk zijn we het daar mee eens: de Heere is goed.’

En toch zou ik zeggen, gemeente, wees niet ál te haastig om dit toe te stemmen. Denk dan ook eens wat dieper door. Want er is op deze wereld een tijd geweest dat er maar twee mensen leefden. En, meisjes en jongens, jullie weten wel wie dat waren; dat waren onze eerste voorouders Adam en Eva. Toen Adam en Eva in het paradijs waren, waren ze omringd door Gods goedheid en weldadigheid.

Maar toen kwam de verleider tot hen, de satan, om hen wijs te maken dat God níet goed is. De slang zei tegen Adam en Eva: ‘God is goed? Welnee, dat is niet mogelijk; God is níet goed. Waarom heeft God dan die boom neergezet met een verbod om ervan te eten? Vertrouwt God jullie niet? Is God dan soms achterdochtig? Meent God dan niet wat Hij zegt? En waarom onthoudt God de mens de kennis van goed en van kwaad? Als God werkelijk goed was, dan had Hij toestemming gegeven om van alle bomen te eten. God is níet goed!’

En wat is er toen gebeurd? Wel, Adam en Eva hebben de stem van deze verleider geloofd en ze zijn gaan twijfelen of God goed is. Ze hebben die verdachtmaking een plaats gegeven in hun hart en ze zijn gekomen met allerlei bedenkingen en verdenkingen.

 

En nu kom ik terecht bij u en bij jullie, meisjes en jongens, en bij mezelf natuurlijk. Wij, kinderen van Adam en Eva, wij doen toch net eender? Wij hebben ook zo onze bedenkingen tegen de stelling dat God goed is.

Is God goed? Waarom laat Hij dan toe dat er zoveel ellende in de wereld is? Waarom voorkomt God dat niet? Waarom laat de Heere dit en dat gebeuren? Waarom zendt de Heere Zélf Zijn rampen en gerichten over de wereld? Waarom is er zoveel lijden en zijn er zoveel mensen die gebrek hebben? Waarom hebben Gods kinderen zoveel strijd in hun leven, als God dan goed is? Waarom laat de Heere dat dan toe?

Kijk, gemeente, zo hebben we onze bedenkingen over de wijze waarop de Heere de dingen regelt en bestuurt in het leven. We hebben zo onze twijfels.

 

Dat is niet alleen zo in het leven van hen die God niet kennen, maar dat komen we ook tegen in het leven van Gods kinderen. Ook zij hebben van die tijden dat de twijfel oprijst in hun ziel en dat de vraag brandt in hun hart: Is God nu wel werkelijk goed?

Asaf zingt in Psalm 73: ’Ja waarlijk, God is Israël goed.’ Maar toen was er al heel wat water door de rivier gestroomd. Want dan komt Asaf in Psalm 73 tot krasse uitspraken, die hij later weliswaar terug moet nemen, maar het gebeurt wél. Want ook in zíjn hart leefde die ernstige twijfel: Is God wel goed? Is dat nu werkelijk waar?

We vinden dat niet alleen bij Asaf, maar ook bij andere kinderen van God. Laten we Job maar eens nemen. Hij heeft tijden in zijn leven gehad dat hij kon belijden: ‘De Heere is goed.’ Ook toen hem ontzettend veel werd afgenomen, kon hij dat belijden. Maar er was in zijn leven ook een tijd dat de benauwdheid zo hoog oprees, dat hij zijn geboortedag vervloekte, en daarmee de goedheid van God in twijfel trok.

 

Ach gemeente, het is natuurlijk betrekkelijk makkelijk te belijden dat de Heere goed is als we – en ik gebruik maar een Bijbels beeld - onder de wijnstok en onder de vijgenboom mogen zitten. Het is niet moeilijk om te belijden dat de Heere goed is als het zonnetje over ons pad schijnt. Dan doet God goed.

Maar het wordt allemaal wat moeilijker – om alweer het Bijbelse beeld te gebruiken – als die wijnstok omgehakt wordt; als die vijgenboom wordt verbrand; als de dingen waarop we zo vertrouwden en behagen in hadden, wegvallen; als onze voorspoeden verdwijnen. Is God dan ook nog goed?

 

Want dan moeten we eens opletten in welk verband Nahum dat zegt. Het was in een tijd waarin oordelen en gramschap van God aangekondigd werden. Nahum 1 staat daar vol van. En toch, te midden van al die oordeelsaankondigingen en gramschap van God zegt Nahum: De Heere is goed.

Ja, maar hoe kan de profeet nu zeggen dat de Heere goed is, terwijl er sprake is van de uitgieting van Gods toorn? Hoe kun je dat nu zeggen? Kijk, gemeente, hier is nu een wonder van genade. Hier is het wonder van geloof. Inderdaad, Nahum zegt het ook: ‘Hier is God, de Wreker, Die de schuldige geenszins onschuldig houdt, maar de zonde bezoekt en de ongerechtigheid straft, Die de toorn behoudt aan Zijn wederpartijders en Die in de wereld doet wat Hem behaagt.’ Maar te midden daarvan zegt Nahum al: ‘De Heere is goed. Laat Hem doen wat Hij doet; laten de bergen sidderen en laten de heuvels smelten, nochtans: de Heere is goed. Laat de Heere de toorn behouden aan Zijn wederpartijders en de boze werken van Zijn vijanden vergelden, Hij is niettemin goed. De Heere is goed!’

 

Gemeente, waaróm is dat nu eigenlijk zo: de Heere is goed? Ik zal het u vertellen: omdat het in het wezen van God is, om goed te zijn. God is in wézen goed. God kan geen kwaad zijn; Hij ís goed. De Heere is niet alleen goed in bepaalde omstandigheden als Hij ons dingen geeft die wij graag hebben, maar de Heere is ook goed onafhankelijk van wat wij ervaren. Laat dit duidelijk zijn: de Heere is goed.

Nee, dat hangt niet af van of wij voor- of tegenspoed hebben. Het hangt ook niet af van of wij het moeilijk of makkelijk hebben. Het ligt ook niet aan of wij overladen zijn met weldaden of dat we intussen berooid zijn. De Heere is goed!

Of we het nu geloven of in twijfel trekken, of u het nu met Nahum eens bent of misschien met gebalde vuisten daar tegenin gaat; het is waar dat de Heere goed is. Al zou niemand het geloven, de Heere is altijd goed.

 

Gemeente, de Heere is goed op uw trouwdag. Maar de Heere is net zo goed op je sterfdag. Hij is goed op de dag dat ons kind geboren wordt en we het in de armen nemen. Maar de Heere is nét zo goed als we staan rond het graf, waar het dode lichaam van ons kind wordt neergelaten. De Heere is goed als we gezond zijn, maar dat is Hij net zo als ik een ongeneeslijke ziekte heb.

De Heere is goed, ook als ik aan de avondmaalstafel zit en mag ervaren en geloven dat er voor mij verzoening is in het bloed van Jezus. Maar Hij is ook goed als je besprongen wordt door de duivel, die je probeert van alles wijs te maken.

Gemeente, het hangt er niet vanaf of ik het voel of ervaar, het is ook niet afhankelijk van onze omstandigheden, want God is in Zijn wézen goed.

 

Vanmorgen is het Heilig Avondmaal bediend. Toen hebben Gods kinderen aan die tafel het bruidsboeket van de liefde van de Bruidegom mogen ontvangen. Na deze zondag moeten wij weer verder op reis door de woestijn.

Dan kunnen we er weleens tegen opzien om deze weg op te gaan. Hoe zal het zijn tussen de avondmaalstijden? Maar wát dat ook zijn zal, God is áltijd goed. Vandaag, morgen, heel ons leven; de Heere is goed. Zolang God er is, is het altijd goed.

 

Als Nahum dat zegt, dan openbaart in zijn leven een wonder van godsvertrouwen en geloof: de Heere is goed!

‘Ja,’ zegt u, ‘dat is een wonder van genade bij Nahum, maar dat kun je toch niet altijd belijden? Natuurlijk, dat kun je met de mond zeggen, maar daar is toch genade voor nodig en geloof?’

Inderdaad, dat leert de natuur ons ook niet. Deze belijdenis komt ook niet op uit ons eigen hart. Het is een vrucht van genade, die God ook verheerlijkt heeft in het leven van Nahum. Dit is taal, gesproken in waarachtig geloof.

 

Waar leert een mens zó spreken en erkennen dat God goed is en dat God ook goed blijft, wat er ook gebeurt? Ik zal het u zeggen, gemeente. Dat leren we dáár, waar we God leren kennen, waar we onszelf leren kennen, maar waar we ook Christus leren kennen.

Waar we God en onszelf leren kennen in de verfoeilijkheid van onze zonde, als de Geest ons de spiegel van Zijn wet voorhoudt, daar leren we het zien: ik ben niet goed, ik ben slecht; mijn daden, mijn woorden en mijn gedachten zijn boos.

Waar een mens zó voor God leert buigen met de erkentenis van zonde en schuld, als een zondaar, die het totaal verdorven heeft bij de Heere. Als één die geen recht meer heeft op enige gunst en goedheid van God. Dan mogen we toch ontdekken dat de Heere in Zijn oneindige goedheid met zo’n slecht mensenkind als ik te doen wil hebben. ‘Hij slaat toch, schoon oneindig hoog, op hen het oog die nederig knielen.’

 

Gemeente, het is genade, als we zo in de erkenning van eigen verdorvenheid gaan ervaren, dat de Heere gedachten des vredes en niet des kwaads heeft. Hij heeft daarvoor Zijn Zoon Jezus Christus gegeven. Als we dan als een arm mens in onszelf mogen knielen aan de troon der genade, om een voorwerp te mogen worden van Hem, in Wie genade verheerlijkt is: de Zoon van God.

Want waar een mens zó voor God gaat buigen, daar gaan we het ondervinden: de Heere is goed; zo oneindig goed dat Hij op zo’n mens als ik wil neerzien. De Heere heeft voor zo’n verdorven schepsel als ik ben, Zijn Zoon willen geven. En Zijn Zoon heeft Zichzelf willen geven tot in de dood. En met Zijn Heilige Geest wil Hij werken in zo’n bedorven hart. Hoe onuitsprekelijk goed is God, Die zulke dingen doet!

O, waar deze dingen beleefd worden, wordt ook iets geleerd van de goedheid van God. Wie in het geloof zó op de goedheid van de Heere mag zien, die mag weten dat God goed is. Omdat Hij zó handelt met een verdorven zondaar, wat er ook is, wat er ook gebeurt en welke omstandigheden het ook zijn.

 

Dan blijft het waar dat de Heere van moment tot moment steeds weer geloof moet geven om opnieuw die goedheid van de Heere te mogen zien en belijden. Want ook in het leven van Gods kinderen kan de nood en de benauwdheid zo groot zijn. Wat kunnen we ook na de viering van het avondmaal soms heen en weer geslingerd worden.

Dan hebben we aan de tafel inderdaad gezegd, zo schuldig als we zijn in onszelf: ‘De Heere is goed.’ We konden het wonder niet op, toen we die tekenen van brood en wijn zagen. Maar er kunnen ook ogenblikken komen dat er geen zicht is op de goedheid van de Heere en dat er een dikke duisternis in je ziel is.

Dan kun je wel eens kermen: ‘Zou God waarlijk wel goed zijn?’ En daarom: van keer tot keer is het nodig dat de Heere dat geloof, dat vertrouwen schenkt op de goedheid van God. De Heere is goed.

 

En, zegt Nahum verder, Hij is ter sterkte in de dag der benauwdheid.

Maar voor we overgaan tot ons tweede punt, zingen we eerst samen Psalm 27 vers 3:

 

Och, mocht ik, in die heilige gebouwen,

De vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog,

Zijn lieflijkheid en schone dienst aanschouwen!

Hier weidt mijn ziel met een verwond’rend oog!

Want God zal mij, opdat Hij mij beschutt’,

In ramp en nood versteken in Zijn hut;

Mij bergen in ’t verborgen van Zijn tent,

En op een rots verhogen uit d’ ellend’.

 

De Heere is goed, Hij is ter sterkte in de dag der benauwdheid.

 

2. De Heere is ter sterkte

 

Hij is ter sterkte. Eigenlijk mag je hier vanuit het Hebreeuws ook vertalen: Hij is een Vesting, Hij is een Burcht in de dag van de benauwdheid.

Van die dagen van benauwdheid lezen we ook in de Bijbel. Denk maar aan de episode dat de Assyriërs rondom Jeruzalem waren. Hizkia legde zijn brieven neer voor het aangezicht van de Heere, want het was de dag der benauwdheid.

Rabsaké lastert God en het lijkt wel of de stad ten onder moet gaan. Maar Hizkia zoekt zijn toevlucht tot de Heere. Dan spreekt de Heere het woord van verlossing. Er wordt een engel uitgezonden, en die verslaat het leger van de vijanden: 185.000 mannen worden gedood en het restant van het leger moet wegtrekken.

Jeruzalem is bevrijd. Ze hebben geen pijl hoeven schieten en geen zwaard hoeven trekken. God heeft Zich betoond een Toevlucht te zijn in de dag der benauwdheid.  Dáárom was het volk veilig.

 

Gemeente, in de dag der benauwdheid wil de Heere een Vesting zijn voor Zijn bedrukte en benauwde volk.

Benauwdheden kunnen er ook in óns leven van allerlei aard en soort zijn. Denkt u maar eens aan de benauwdheden van lichamelijke aard; de pijn die er soms geleden wordt; de behandelingen die we in het ziekenhuis moeten ondergaan. Wat kunnen dat dagen van benauwdheid zijn; zorgen in ons aardse bestaan.

Maar er zijn ook dagen van benauwdheid in geestelijke zin, als we kijken naar de kerk van Christus. Dat we ons afvragen: Hoe zou het daarmee gaan? Zal die kerk ten onder gaan, als je ziet welke dreiging er is; als we kijken naar onze meisjes en jongens die steeds meer geïnfecteerd worden door de geestelijke boosheden in de lucht?

Maar ook de geestelijke zorgen in het leven van Gods kinderen. Als de benauwdheden komen en de duivel komt met zijn influisteringen, die God verdacht maken: ‘Denk je nu echt dat God voor jou dat offer gebracht heeft, waarvan je vanmorgen hebt mogen zingen?’ De satan maakt je wijs, dat je geen heil hebt bij God. Dat zijn dagen van benauwdheid.

 

Maar, gemeente, daar moet u goed op letten: Nahum zegt: Hij is ter sterkte in dé dag van de benauwdheid. We hebben gezien dat er dagen van benauwdheid kunnen zijn, maar er kunnen ook dagen zijn die op een speciale manier benauwd zijn. Dagen van benauwdheid; dé dag van benauwdheid.

Denkt u bijvoorbeeld maar aan Job, als zijn schapen gedood worden en zijn kamelen worden weggenomen; als zijn kinderen sterven… In dé dag van de benauwdheid raakte Job alles kwijt. Maar toen ook, in die dag van de benauwdheid, was de Heere een Vesting, een Schuilplaats en Sterkte.

Job heeft dat ook ondervonden. Het is waar, de golven zijn Job wel eens over het hoofd gespoeld, zodat hij ook niet kon geloven dat de Heere goed was. Maar in de dag der benauwdheid, toen alles hem ontviel en ontnomen werd, heeft Job mogen zeggen: De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd (Job 1: 21). Hoe kon Job dát nu zeggen? Omdat hij toen de Heere kende als een Sterkte in benauwdheid.

 

En zo bewijst de Heere dat steeds weer in het leven van Zijn volk en kinderen. Dat heeft de Heere bewezen in het leven van Abraham, van David, maar dat heeft de Heere ook bewezen in het leven van Petrus en van Paulus.

Zo wil de Heere dat nog steeds bewijzen in het leven van Zijn kinderen. Dan vraag ik aan Gods kinderen: Hebt u het nooit eens ondervonden, ook niet toen u aan de tafel van het Heilig Avondmaal zat, hoe nu de Heere ter sterkte is in de dag van de benauwdheid? Toen de benauwdheden kwamen, niet alleen lichamelijk, maar ook in de ziel, en dat we toch veiligheid en vrede mochten vinden in Zijn tent? Toen de vijand kwam en u belasterde en probeerde alle vrede uit uw ziel weg te nemen, om u wijs te maken dat God in een vijand veranderd was, dat u niet meer hopen kon op Zijn genade, vanwege de menigvuldigheid van uw zonde. Heeft de Heere toen niet bewezen dat Hij toch ter sterkte is in de dag van de benauwdheid? Toen de verzoeking kwam, zo sterk dat we in onszelf geen kracht hadden om weerstand te bieden, heeft de Heere ook toen niet bewezen ter sterkte te zijn in de dag van de benauwdheid? Hij is een Uithelper in de ellende.

 

Gemeente, als we na deze avondmaalsbediening weer voort mogen reizen in de woestijn, dan hebben we dit zo nodig. Want het is zeker: als God geen Helper is in de dag der benauwdheid, dan komen we er niet doorheen. Dat hebben we zo nodig in leven en in sterven, want het kan in de toekomende tijd gemakkelijk zijn dat er dagen van benauwdheid zullen komen; misschien wel dé dag der benauwdheid.

Maar laten we dan onze handen vouwen, de knieën buigen en onze ogen sluiten. Laten we onze ziel bepalen bij het sacrament en de tekenen van het sacrament, en zeggen: ‘Heere, geef me één ding: dat ik U mag kennen als mijn Sterkte, dat ik U mag kennen als mijn Toevlucht; dat ik in U veiligheid mag hebben.’

 

Gemeente, is dát het niet wat we nodig hebben? Want als we God zó niet kennen, en als we de Heere Jezus niet hebben leren kennen, dan hebben we geen veiligheid; dan hebben we geen hoop.

Je kunt jezelf paaien met van alles en nog wat, maar als de zorgen komen en de benauwdheid oprijst, als de aanvallen komen, als de dood komt en we hebben geen kennis aan Gods genade en we hebben de Heere niet leren kennen als de Sterkte in de dag der benauwdheid, dan hebben we niets, dan zijn we aan onszelf overgelaten.

Dan zijn we niet meer dan een prooi van de vorst der duisternis, machteloos gebonden in onze zonde, machteloos in onze schuld. En dan is het voor tijd en eeuwigheid hopeloos.

 

Gemeente, laat uw eerste werk zijn om de Heere te vragen: ‘Heere, wees mij ter sterkte in de dag van de benauwdheid.’ Laat dat ook uw gebed blijven om God in de Heere Jezus Christus als een Sterkte te mogen kennen, waar we veiligheid mogen vinden.

Die God, Die Zijn Zoon gezonden heeft en in Wiens bloed vergeving, verzoening, maar ook een eeuwige vrede gevonden wordt.

Voor we nu overgaan tot ons derde punt, zingen we eerst nog Psalm 27 vers 5:

 

Mijn hart zegt mij, o Heer’, van Uwentwegen:

‘Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht’;

Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek de zegen

Alleen bij U, o bron van troost en licht!

Verberg toch niet Uw oog van mij, o Heer’!

Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer;

Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet;

O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.

 

De Heere is goed, Hij is ter sterkte in de dag van de benauwdheid, en Hij kent hen die op Hem betrouwen.

 

3. De Heere is getrouw

 

Nahum komt met nóg een boodschap: ‘God kent hen die op Hem betrouwen.’ Voor het woordje ‘betrouwen’ staat eigenlijk in de grondtekst een woord dat betekent: de toevlucht nemen. Als Nahum zegt dat de Heere een Sterkte is, dan hebben wij daar niets aan als we dit alleen maar wéten. Want als je nooit in die Vesting, in die Burcht komt en er schuilt, dan zal het bestaan van die Sterkte u geen heil brengen. Vandaar dat die boodschap dat de Heere ter sterkte is, gevolgd moet worden door dit: Hij kent hen die op Hem betrouwen, die tot Hem de toevlucht nemen.

 

U kunt wel begrijpen – en u weet het vanuit de Bijbel wel – dat een niet-moedwillige doodslager in de vrijstad mocht schuilen om aan de bloedwreker te ontkomen. Maar een niet-moedwillige doodslager had niets aan die vrijstad als hij daar niet heenging. Want dan kwam hij om; dan zou de bloedwreker hem doden. En daarom: zo iemand vlucht, want hij weet dat zijn leven gevaar loopt. Hij maakt haast. Waarom? Omdat daarachter het besef zit van zijn nood en ellende. In het aangezicht van de dood kan hij zich niet veroorloven om te talmen. Hij moet voort!

Maar, gemeente, daar zit niet alleen het besef van zijn nood en ellende achter, maar ook het geloof. Als hij in die vrijstad is, dan zal hij veilig zijn. God heeft gezegd dat de bloedwreker daar geen macht heeft.

En gemeente, wie zó de toevlucht tot God neemt, door de nood gedreven en tegelijk gelovend dat wie tot de Heere komt niet door de Heere uitgeworpen zal worden, diegene zal welkom worden geheten, omdat Hij zondaren bij Zich wil hebben. Diegene zal ondervinden dat de Heere een Sterkte is.

 

Waarom? Wel, Nahum zegt het: ‘Omdat de Heere ze kent.’ Hij kent hen die een benauwde ziel hebben. Hij kent ze, die vluchtelingen, of die door de dood worden achtervolgd, en zij die een schuilplaats nodig hebben. Hij kent hen die op het Woord van de Heere betrouwen en veiligheid bij de Heere zoeken voor tijd en eeuwigheid. De Heere ként hen!

 

En dan is het waar, de Heere kent álle mensen. Hij kent alle harten, want de Heere is alwetend. Maar dat wordt hier niet bedoeld. Nahum bedoelt een speciaal kennen: een persoonlijk, een intiem kennen. Zoals we dat bijvoorbeeld ook in Exodus lezen: En God zag de kinderen Israëls aan – en dan komt het – en God kende hen (Ex. 2:25).

Hij kende ze op een heel bijzondere, intieme manier. Hij kende ze als Zijn volk. Hij kende hen als die Hij lief heeft en waaraan Hij Zichzelf verbonden heeft. Hij kent hen in zaligmakende zin. Zo weet Hij van hun noden. Zo hoort Hij hun gekerm en geroep. Zo kent Hij hun verlangens en angsten.

Want er is inderdaad een volk op de wereld dat door de Heere gekend wordt. Een volk dat op Hem betrouwt. Een volk dat tot Hem vlucht. Hij kent hen in hun angst en benauwdheden, in hun twijfel, maar ook in hun aanvechtingen. Hij kent ze in hun vrees en hun zuchten, ook als ze duizend doden moeten sterven. Hij hoort hun gekerm. Hij ziet ze op hun ziekbed. Hij ziet ze ook in de eenzaamheid als ze aangevochten worden. God ziet hen, als ze de vloek van de wet weer horen en ze geen gebed kunnen bidden.

Hij aanschouwt hen als een arm en ellendig kind, als ze geen gedachten kunnen voortbrengen waarmee ze zich kunnen troosten. Hij kent ze ook als ze soms nachten lang aan het vissen zijn in het Woord van God en niets vangen; de Bijbel maar doorbladeren om een woord van bemoediging en vertroosting te vinden, en er is niets voor hen bij.

Hij kent ze, die in duisternis met een Thomas ronddolen, zonder dat ze een ster der hoop hebben. Hij ziet hen met Petrus uitgaan, bitterlijk wenend, want Hij kent ze.

In Zijn liefde en trouw zal Hij Zich over hen ontfermen. In de dag der benauwdheid is Hij voor zulken een Sterkte. Hij is tot hulp, als zij in droefheid kwijnen.

 

Gemeente, het is vanmorgen avondmaalsbediening geweest. Of u nu wel aan bent geweest bent of niet, wat is het nodig om bij dit volk te horen, dat hier beschreven wordt als het volk dat de Heere kent.

Laat deze vraag nu het eerste zijn waar u mee bezig bent en waar u zich druk om zult maken: behoor ik tot dit volk? Want als u nu door genade tot dit volk mag behoren, laat dan uw eerste werk zijn om de gemeenschap met God te mogen beleven en te beoefenen.

Hoe weet ik of ik bij dat volk hoor en of de Heere me kent? Wel, gemeente, dan staat er in de Heilige Schrift nog iets anders over dit volk.

Nahum verkondigt dat de Heere hén kent, maar we lezen ook in de Bijbel dat zíj de Heere kennen. Dat is een wederkerige kennis. Hij kent hen, en zij kennen Hem. De Herder kent Zijn schapen, en de schapen kennen Zijn stem. En als zij die stem horen, herkennen ze die. Dan mag er weleens een ander komen die ook spreekt, maar ze zullen niet luisteren. Dan gaan die schapen rustig door met slapen. Maar horen ze de stem van de Herder, dan spitsen ze hun oren als Hij hen roept. Als die Herder hen voorgaat, dan stoppen ze met hun bezigheden en gaan ze achter Hem aan, want er is een band door Hem gelegd die hen aan Hem verbindt.

 

Gemeente, als u vraagt: ‘Kent Hij mij?’, dan mag u deze vraag beantwoorden met de vraag: ‘Ken ik Hem? Heeft Hij Zich aan mijn ziel geopenbaard? Heb ik Zijn stem gehoord uit Zijn eigen Woord? Heeft Hij tot mij gesproken? Heeft Hij mij geroepen, krachtig en onweerstaanbaar? Is het mijn begeerte geworden om Hem te volgen: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’

Want zij die Hem kennen, hebben vanmorgen ook aan de tafel beleden: ‘Wij kennen Hem, omdat Hij ons eerst gekend heeft.’

 

Want, gemeente, laten we niet vergeten (en dat is een ernstig slot) dat er ook zijn waarvan de Heilige Schrift heel eerlijk zegt: Ik ken u niet (Matth. 25:12). Die zijn er ook. Weet u wie dat zijn? Dat is de categorie die op de jongste dag tot openbaring zal komen, die gedacht had dat alles goed was, dat de Heere hen kende en dat ze de zaligheid verwerven zouden. Ze hadden toch zieken bezocht, ze waren in de gevangenis geweest, ze hadden geprofeteerd, ze hadden met Hem gegeten en gedronken, maar de Heere kende hen niet.

Ik ken u niet. Kende de Heere hen niet? Ze hadden toch dit en ze hadden toch dát gedaan? Dat is allemaal waar, maar ze hadden nooit als een arme, verloren zondaar in zichzelf de toevlucht tot Jezus genomen. Ze hadden nooit iets gevoeld van die bloedwreker, die hen voortdreef; nooit een krachtig geloof beoefend in de beloften van het Evangelie. Ze dachten van wel, maar het is zelfbedrog geweest. En tot hen zegt de Heere: Ik ken ú niet.

 

Maar God kent wel die armen, die ellendigen die op Hem betrouwen; die geen andere toevlucht of steun in hun leven hebben dan die enige Rotsteen des behouds, Jezus Christus. Die misschien wel álles hebben zien wegvallen en bij hun handen afbreken, en die niets anders kunnen doen dan tot Hem te vluchten en in de nood alleen op Hem te betrouwen; bij Hem te schuilen. Niets anders mee te brengen dan een hart dat ons veroordeelt; niets anders de Heere te kunnen aanbieden dan alleen zonde en schuld, om zo te schuilen bij het kruis van Christus. Om de toevlucht te nemen tot Hem, Die het heeft gezegd: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt (Matth. 11:28).

En daar krijgt dit heerlijke woord zijn volle diepte: De Heere is goed.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 118: 1 en 14

 

Laat ieder ’s Heeren goedheid loven,

Want goed is d’ Oppermajesteit;

Zijn goedheid gaat het al te boven;

Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.

Laat Isrel nu Gods goedheid loven,

En zeggen: Roemt Gods majesteit;

Zijn goedheid gaat het al te boven;

Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.

 

Gij zijt mijn God, U zal ik loven,

Verhogen Uwe majesteit.

Mijn God, niets gaat Uw roem te boven;

U prijz’ ik tot in eeuwigheid.

Laat ieder ’s Heeren goedheid loven;

Want goed is d’ Oppermajesteit;

Zijn goedheid gaat het al te boven;

Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.