Ds. A. van Stuijvenberg - Efeze 3 : 19

Het erkennen van de liefde van Christus

Efeze 3
Het verheffen van de liefde van Christus
Het bekennen van de liefde van Christus
De vruchten van de liefde van Christus
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Sions Koning, Sions onderdanen’ van ds. A. van Stuijvenberg (Uitg. Chr. Riemens, Biggekerke)

Efeze 3 : 19

Efeze 3
19
En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 36: 2
Lezen : Efeze 3
Zingen : Psalm 40: 8
Zingen : Psalm 118: 7, 8
Zingen : Psalm 25: 6

Geliefden, het is een wonderlijk woord dat Mozes in Deuteronomium 7 vers 7 aan de Israëlieten verkondigde. Hij maakte hun bekend dat de Heere geen lust tot hen gehad had, noch hen verkoren, vanwege hun veelheid boven alle volkeren, want zij waren de minste van alle volkeren. Het was soevereine vrije liefde, dat de Heere hen verkoren had boven alle andere volkeren der aarde. En wat heeft de Heere moeten klagen over de hardheid van hun harten! Het was een hardnekkig volk!

Het is duidelijk dat de liefde Gods, die in Christus Jezus geopen­baard wordt aan Zijn volk – aan het geestelijk Israël – niet is om iets wat aan of in de mens is. Nee, het is het soevereine welbe­hagen des Heeren Heeren: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat. O, dat wordt zo’n wonder voor Gods kinderen! Ze roepen wel uit:

 

Waarom was ‘t op mij gemunt,

daar zovelen gaan verloren,

die Gij geen ontferming gunt?

 

Wat een wonder voor hen, dat zij in al hun wederwaardigheden soms met David mogen getuigen: Ik ben wel ellendig en nood­druftig, maar de Heere denkt aan mij (Ps. 40:18).

O volk, mochten we toch meer tot eer van de Heere leven, om Zijn lof en Zijn roem te verheffen, ja, om de liefde van Christus te erkennen, waarvan de apostel Paulus spreekt in het u voor­gelezen hoofdstuk, Efeze 3 vers 19:

 

En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.

 

Hier wordt gesproken van:

1. Het verheffen van de liefde van Christus

2. Het bekennen van de liefde van Christus

3. De vruchten van de liefde van Christus

 

1. Het verheffen van de liefde van Christus

 

Paulus heeft vooraf reeds gesproken van de liefde des Vaders, die in Christus Jezus geopenbaard wordt aan verloren zondaren en zondaressen. Maar in onze tekstwoorden wijst de apostel op de liefde van Christus, die zo duidelijk openbaar kwam in het borgwerk dat Hij verricht heeft om de deugden Gods op te luis­teren en een volkomen zaligheid voor Zijn volk te verwerven. In onze tekst verheft Paulus de liefde van Christus, want hij zegt dat zij de kennis te boven gaat. En ieder die er iets van heeft mogen zien, zal het volkomen met de apostel eens zijn. Wie toch zal de liefde van Christus kunnen uitspreken?

Reeds in de stilte van de nooit begonnen eeuwigheid heeft Hij die liefde geopenbaard, toen de Vader sprak: Wie zal met Zijn hart Borg worden om tot Mij te genaken? Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten en geven het gewenste land?

Het was het welbehagen des Heeren om Zich niet alleen in Zijn rechtvaardigheid, maar óók in Zijn liefde en barmhartigheid te verheerlijken. Daarom openbaarde Christus reeds in de stille eeuwigheid Zijn liefde door te spreken: Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen, en Uw wet is in het midden Mijns in­gewands.

 

De liefde in de aanvaarding van Zijn arbeid is van eeuwigheid. Hoe hebben ook de Bijbelheiligen de liefde van Christus mogen zien! De Bijbel is van Genesis tot Maleachi vol van de open­baring van Jezus Christus.

Zeker, er zijn dwaze mensen die menen dat het Oude Testa­ment heeft afgedaan. Zij leven alleen bij het Nieuwe Testa­ment. Wat een dwaasheid en duisternis om het oude verbond te versmaden! Alsof Jezus Christus alleen in het Nieuwe Testa­ment wordt geopenbaard! Maar neen, van Genesis tot Male­achi loopt die gouden draad. De Bijbelheiligen van het oude verbond hebben de liefde van Christus aanschouwd. Zij hebben gesproken van Zijn lijden en sterven. Ze hebben getuigd van het geloof dat in hen was. Dat geloof richtte zich op Hem, het gezegende Offerlam, Dat geslacht is van voor de grondlegging der wereld.

De profeet Jesaja sprak: Als een lam werd Hij ter slachting geleid en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Omdat Chris­tus Zich toen reeds openbaarde, mochten de Bijbelheiligen proeven en smaken de liefde Gods, in Hem geopenbaard.

Abraham heeft Zijn dag van ver gezien en is verblijd geweest. Hij heeft de Engel des verbonds door het geloof gezien en de Held der hulp omhelsd.

 

Maar het gaat steeds verder: Christus heeft ook Zijn liefde ge­openbaard toen Hij kwam in de volheid des tijds. Maar als de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij de­genen die onder de wet waren verlossen zou. Daarin is de liefde van Christus in het bijzonder geopenbaard.

Wie kan het vatten dat Hij, de God van hemel en aarde, de Schepper van het gans heelal, op deze aarde kwam om een vloek te worden voor vloekwaardigen? Hij gaf Zich volkomen over om Gods deugden op te luisteren en de zaligheid voor Zijn volk te verwerven. Hij, de van eeuwigheid Gegenereerde van de Vader, vol van genade en waarheid, kwam in een dienstknechtelijke gestalte. Daarvan getuigt de Heere bij monde van Jesaja in hoofdstuk 42 vers 1 en 2: Ziet Mijn Knecht, Die lk ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Welke Mijn ziel een welbehagen heeft. Ik heb Mijn Geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de hei­denen voortbrengen.

Het is een onuitsprekelijke liefde die Hij geopenbaard heeft, zowel onder het oude als onder het nieuwe verbond. En die liefde zal steeds méér uitblinken.

 

En naarmate de zondaar aan zichzelf ontdekt wordt, zal hij steeds méér de liefde van Christus verheffen. Want voor wie kwam Hij? Voor wie werd Hij Borg? Voor doodschuldigen, voor verbondsbrekers, voor afwijkers, die zich nooit tot God zouden willen noch kunnen wenden. Die liefde wordt zo onuit­sprekelijk groot wanneer door ontdekkende genade gezien mag worden Wie Hij is en voor wie Hij gekomen is. De gezegende Immanuël is gekomen voor verloren zondaren en zondaressen. Want wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Wij zijn allen vijanden. De apostel Paulus schrijft: Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons...

Het is een verheffenswaardige liefde als wij zien op het doel van de dierbare Zaligmaker: Hij kwam om de deugden Gods te ver­heerlijken en de zaligheid voor Zijn volk te verwerven. Voor dit volk, dat Hij in de stilte van de eeuwigheid ontvangen had van Zijn Vader. De Vader sprak immers: Eis van Mij en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel en de einden der aarde tot Uw bezitting.

 

Het is of de liefde van Christus steeds groter en groter wordt! Geen wonder dat de apostel Paulus die liefde verheft. Christus verborg Zijn Goddelijke heerlijkheid achter Zijn menselijke na­tuur. Hij onderwierp Zich aan de schande, aan smaad en ver­guizing, opdat Hij voor de Zijnen een oorzaak zou zijn van eeuwige zaligheid. Het is onbegrensde liefde!

En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods. Door deze liefde heeft Hij alle benauwdheid en versmading gedragen. Hij moest uitroepen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe. En aan het vloekhout des kruises: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?

Die liefde is in alle omstandigheden sterker dan de dood. Chris­tus is als een strijdbare Held de dood ingegaan, om voor Zijn volk het leven te verwerven. Alle zonden van Gods kinderen zijn neergekomen op het hoofd van de dierbare Zaligmaker, Goël en Losser. Hij heeft de vlammen van Gods wrekende gerechtigheid gevoeld.

 

Paulus heeft zoveel liefde ontvangen uit die Fontein der hoven, uit die Put der levende wateren! Het is daarom geen wonder, dat hij die liefde zó verheft, zoals hij schrijft aan de gemeente van Eféze.

De liefde van Christus kon niet rusten voordat de zaligheid voor Gods kerk verworven was. Hij is niet teruggedeinsd voor het ontzaggelijke lijden; Hij is niet teruggeschrokken voor de dood. Hij is de dood ingegaan, opdat Hij door Zijn dood, de dood voor Zijn volk zou tenietdoen en het eeuwige leven voor hen zou verwerven. Hij kón niet rusten voordat Hij aan het vloekhout des kruises kon uitroepen: Het is volbracht!

 

En nóg gaat die liefde verder. Want Christus heeft niet alleen de zaligheid voor Zijn volk verworven, maar Hij past die zaligheid óók toe. Dit moet wel onderscheiden worden, gemeente. Veel mensen, zelfs veel predikanten, spreken van de liefde Gods in Christus, alsof zij het in hun vermogen hadden in die liefde te delen, zonder dat Gods genade in Jezus Christus aan hen werd toegepast. Zij stellen alleen de verwerving en menen zalig te kunnen worden zonder de toepassing. Maar het is naar het Woord van God dat verwerving en toepassing bij elkaar beho­ren. Vandaar ook, dat Gods kinderen bij tijden niet rusten kunnen voordat hun die liefde wordt toegepast.

Jezus Christus past ook toe hetgeen Hij verworven heeft, opdat de voorwerpen van Zijn liefde in de kracht van Zijn verdiensten zullen delen. Zij zijn deelgenoten van alles wat Hij door Zijn lijden en sterven heeft aangebracht. Daarom, al Gods volk zal die uitnemende liefde gaan verheffen. Met Paulus moeten zij bekennen dat zij vijanden waren, ja, dat zij niet anders dan vijandschap zijn. Zij zijn met vijandschap bezet, van binnen en van buiten. Maar zie, Hij trok hen met mensenzelen, met koor­den der liefde.

O, ondoorgrondelijk wonder! O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oor­delen en onnaspeurlijk Zijn wegen!

 

Van nature zijn wij geen van allen te bewegen om tot God te gaan. Gods kinderen weten het, dat zij niet willen en niet kun­nen. Er zijn veel mensen die zich tot God wenden, maar die nog nooit geleerd hebben dat zij onwillig en onmachtig zijn om zulks te doen.

Anderen schuilen achter hun onmacht en zeggen: ‘Ik kan niet tot God gaan. Ik ben onmachtig.’ Zo verschuilt de mens zich achter iets wat geen schuilplaats zal blijken te zijn.

Maar zie daartegenover nu eens de liefde van Christus, Die on­willigen gewillig maakt. Door Zijn almacht schenkt Hij Zijn volk, dat Hij kocht met Zijn dierbaar hartebloed, liefde tot God. Hij beweegt hen, die van nature niet te bewegen zijn, om tot God te gaan. In zulken, die met de ganse wereld voor God verdoemelijk zijn, komt Hij Zijn almacht te verheerlijken. Dan ontvangen zij liefde tot God.

 

Er zijn heel wat mensen met alleen liefde tot zichzelf. Dan kan er een hele verandering plaatshebben. Zij worden soms van een zondaar, een deugdzaam mens. Maar geen greintje liefde tot God wordt in hen gevonden. Zij hebben niet anders dan liefde tot zichzelf. Hun geweten gaat spreken, zij hebben een algemene overtuiging, zij weten dat er een hel is en zij weten óók dat zij, als zij zo blijven, verloren zullen gaan.

Zeker, het zou nog een weldaad zijn wanneer er velen waren die nog zulke overtuigingen hadden. Want er zijn velen die de godsdienst loslaten. Zij laten Gods Woord en Zijn geboden los en gaan de wijde wereld in om zich rijp te maken voor de eeu­wige ondergang. Nochtans is een algemene overtuiging niet ge­noeg tot zaligheid, want daarin wordt de liefde tot God gemist. Maar als de Heere gaat werken in het hart van een zondaar of zondares, krijgen zij liefde tot God, tot Zijn deugden en vol­maaktheden.

Kan de zondaar dan zélf onderscheiden hoe dat ligt? O nee, want dan zou hij te vroeg een rustbank hebben, terwijl toch Christus alleen de Rust is voor Zijn volk.

Het is de dierbare Christus, Die het licht in hen ontsteekt, Die de liefde in hen doet ontbranden. Dan kunnen ze zelfs wel zó ver gaan, dat ze met Johannes zeggen: Wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.

O, welk een liefde heeft Hij betoond aan hen die Hem schol­den, die Hem versmaadden, die Hem in het aangezicht sloegen. Hij is het, Die verharde zondaren kan brengen in de verootmoe­diging des harten; Die hen voor God doet buigen, uitroepend: O God, wees mij, zondaar, genadig. Hij doet hen met de zondares Zijn voeten nat maken, om ze daarna met de haren des hoofds af te drogen.

 

Maar nog meer: wanneer Paulus de liefde van Christus gaat ver­heffen, dan heeft Hij het ook gezien, dat Hij het is, Die meer en meer dat volk vernieuwt naar Gods beeld. God schiep de mens in de staat der rechtheid en versierde hem met Zijn beeld, bestaande in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Maar door de zonde hebben wij dat beeld verloren. De liefde van Christus gaat dat Goddelijk beeld echter weer herstellen in de uitverkoren zondaar. In de wedergeboorte wordt het beeld Gods bij aanvang in hem vernieuwd. Maar die vernieuwing van dat beeld in Gods kinderen geschiedt ook meer en meer bij de voortgang.

Die liefde van Christus doet op de Pinksterdag door Zijn Geest en door middel van Zijn knechten drieduizend mensen uitroe­pen: ‘Mannen broeders, wat moeten wij doen om zalig te worden?’

Ja meer, Hij gaat Zijn gunstgenoten ook opheffen en opbeuren, opdat zij Hem zouden aannemen door het waarach­tig zaligmakend geloof, dat in de wedergeboorte in hun hart werd geplant. Hij wil dat geloof vermeerderen en versterken. In Johannes 1 vers 12 staat geschreven: Maar zovelen Hem aan­genomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven. Hij komt steeds weer hun zwakheden te hulp door hun geloof te ver­sterken.

 

O, Gods kinderen vinden alles in Hem wat zij nodig hebben. Zij hebben Hem aangenomen als hun Vriend, zij hebben Hem aangenomen als hun Bruidegom, als hun Man, als hun Goël. De Heere wil hen ondertrouwen in gerechtigheid. Hij schenkt hun de bruidschat, namelijk die gerechtigheid, die Hij voor hen verworven heeft, opdat zij door de gerechtigheid van Christus de Vader zouden worden voorgesteld als een reine maagd zonder vlek of rimpel. Dan is de zonde niet alleen bedekt, maar ook vergeven en geworpen in een zee van eeuwige vergetelheid. De dierbare Heere Jezus zal niet rusten voordat Hij Zijn volk in de zalige gemeenschap met God Drie-enig zal hebben teruggebracht. Zou dan geheel Gods kerk mét Paulus de liefde van Christus niet verheffen, ja ook bekennen? Daarvan wensen wij in onze tweede gedachte te spreken.

 

2. Het bekennen van de liefde van Christus

 

En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat. Als Paulus dit schrijft, wil hij daarmee niet zeggen dat die liefde begrepen kan worden. Als dat kon, zou het geen eeu­wigheidsliefde zijn. En wij lezen toch dat Zijn vermakingen van eeuwigheid met de mensenkinderen waren. Paulus wil niet zeggen: ‘Gemeente van Efeze, begrijp die liefde nu eens!’ Zij is nóóit te begrijpen. Hoe meer Gods kinderen daarin mogen blikken, hoe minder zij ervan begrijpen zullen. Want hoe meer zij mogen zien van de liefde Gods die in Christus geopenbaard wordt, hoe meer zij zélf gaan zakken en zinken.

O nee, die liefde is nooit te begrijpen, want het is een oceaan van eeuwige liefde! Nooit kan zij door een nietig mensenkind begrepen wor­den!

Dat bedoelt Paulus dan ook niet, want hij zegt zelf dat die liefde de kennis te boven gaat. Hij wil hebben dat zij die liefde zouden bekennen, om in de overdenking daarvan, iets te mogen zien van de rijkdom van die liefde; van de rijkdom van Gods barmhartigheid, daarin geopenbaard.

 

Wat een wonder, dat een heilig en rechtvaardig God kan zwij­gen in liefde! Ja ook, dat een heilig en rechtvaardig God kan zeggen wat wij lezen in Zijn dierbaar Woord: Komt dan en laat ons samen richten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

Dan wordt het ondervonden, dat God in Christus toegankelijk is. Ja, in Chris­tus wil Hij een liefderijk Vader zijn voor al degenen die Hij van eeuwigheid heeft liefgehad en die Hij in de tijd komt te trekken met koorden van liefde en eeuwige barmhartigheid.

 

Die liefde te bekennen wil niet alleen zeggen: daarover te den­ken, maar ook: haar te omhelzen. Om dan met Johannes te ge­tuigen (wat we reeds eerder gezegd hebben): Wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.

 

De Heilige Geest gaat Gods kinderen in de wedergeboorte zó bearbeiden, dat zij terstond Gods rechtvaardigheid gaan beken­nen en erkennen. Zij worden ontdekt aan hun struikelingen, aan hun zonde en ongerechtigheid. Het wordt een hartelijk be­kennen, gelijk David:

 

‘k Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden;

‘k Verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden.

 

Het is een spontaan bekennen, want de Heere maakt Zijn volk oprecht. Dat hebben zij niet van zichzelf; zij worden oprecht gemaakt door Hem. Daarom mogen zij voor Hem buigen en be­kennen zij oprecht al hun zonde en ongerechtigheid. Dat is een weldaad uit het genadeverbond.

Dat bekennen gebeurt niet omdat hun geweten hen aanklaagt of omdat de vruchtgevolgen van de zonde zo bitter zijn. Nee, de Heilige Geest werkt in hen een spontaan bekennen van alles wat in hen wordt gevonden. Zij leren zichzelf kennen als een onreine, melaatse zondaar.

Maar nu wil Paulus dat ze daarbij niet zullen blijven staan. Dat gebeurt zo dikwijls. Er zijn veel mensen, ook wel onder Gods volk, die met het bekennen van hun zonden een bekeerd mens worden. Dat is zeer jammer. Die mensen gaan op een rustbank zitten, terwijl zij zich moesten haasten om te vluchten tot de Fontein, Die te dien dage geopend is voor het huis van David en de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid.

Wee die mensen! Wee de gerusten te Sion en de zekeren op de berg van Samaria! Het is zo jammer dat het werk van de Heilige Geest bij hen als het ware schijnt op te houden. Heel veel mensen vinden de grondslag van hun bekering daarin, dat zij zondaar voor God geworden zijn. Maar dat kan de grondslag van ons behoud niet zijn. Want al is het zondaar-worden een vrucht uit het genadeverbond, de grondslag van ons behoud is toch alleen in Jezus Christus en Die gekruisigd; de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid, maar hun die geloven een kracht Gods tot zaligheid.

Paulus heeft dus niet met loze kalk gepleisterd. En wij hopen dat ook niet te doen. Want het is zeer schadelijk om iemand buiten Christus op een rustbank te zetten. Paulus wil dat de Efeziërs de liefde van Christus bekennen, die de kennis te boven gaat.

 

O mijn toehoorders, er is geen groter zaligheid dan het beken­nen van de liefde van Christus! Dan val ik erbuiten! Dan men­gen wij wet en Evangelie niet door elkaar: ik wat en Christus wat. Nee, als het een afgesneden en verloren zaak voor ons wordt, komt de Heere ons te onderwijzen in het bekennen van de liefde van Christus. Daar wordt Christus geopenbaard. Daar wordt Gods volk een deur der hoop geopend in het dal van Achor. Maar daar komt de huichelaar om. Er is zo’n onuitspre­kelijk groot onderscheid tussen de huichelaar en Gods kind. Gods volk komt niet om. Asaf getuigt: Gij hebt mijn rechter­hand gevat; Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.

O wat is het een voorrecht als wij de liefde van Christus mogen bekennen! Alles wat Gods kinderen ontvangen is door Hém gewerkt. Daarom wordt Christus hun zo dierbaar. Dan gaan ze bekennen de liefde van Christus van krib tot kruis. Want Hij heeft de pers alléén getreden en niemand van de volken was met Hem.

In het bekennen van de liefde van Christus ligt zoveel zoetig­heid. Dan ben ik er tussenuit. Dan zie ik de eeuwige liefde van God, die in Christus wordt geopenbaard aan verloren zondaren en zondaressen.

 

Volk des Heeren, wij moesten er veel méér van spreken! Als wij mogen zien hoe die liefde geopenbaard is voor snode zondaars en verbondsbrekers, dan zouden wij bij wijze van spreken wel onder de grond willen kruipen van schaamte!

Welk een vernedering en vertedering werkt Hij wanneer die liefde bij de aanvang of bij de voortgang wordt opgewekt!

Die liefde kunnen wij niet zélf opwekken. Neen, die dierbare Bruidegom wekt die liefde op en Hij spreekt: Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid, gij hebt Mij het hart ge­nomen met één van uw ogen, met een keten van uw hals.

Wanneer die liefde opgewekt wordt, zullen Gods kinderen die liefde ook bekennen, zeggende: Hartelijk zal ik U liefhebben, Heere, mijn Sterkte! Dan gaan zij de dierbare Bruidegom prij­zen, Die blank en rood is en de banier draagt boven tiendui­zend. Dan bekennen zij óók tegenover anderen, wanneer hun gevraagd wordt: Wat is uw Liefste meer dan een andere liefste?: Zulk Eén is mijn Liefste, zulk Eén is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!

 

Bezien wij nu in de derde plaats de vrucht die voortvloeit uit het bekennen van de liefde van Christus.

 

Maar zingen wij vooraf Psalm 118 vers 7 en 8:

 

De Heer’ is mij tot hulp en sterkte;

Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;

Hij was het Die mijn heil bewerkte,

Dies loof ik Hem mijn leven lang.

Men hoort der vromen tent weergalmen

Van hulp en heil, ons aangebracht;

Daar zingt men blij, met dankb’re psalmen:

Gods rechterhand doet grote kracht.

 

Gods rechterhand is hoogverheven;

Des Heeren sterke rechterhand

Doet door haar daân de wereld beven;

Houdt door haar kracht Gods volk in stand.

Ik zal door ’s vijands zwaard niet sterven,

Maar leven, en des Heeren daân,

Waardoor wij zoveel heil verwerven,

Elk, tot Zijn eer, doen gadeslaan.

 

3. De vruchten van de liefde van Christus

 

Geliefden, de apostel schrijft: En bekennen de liefde van Chris­tus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.

Paulus is te allen tijde bezig om de mens van zichzelf af te brengen. Ach, wat kan de mens vervuld zijn met allerlei dingen die in het minst geen waarde hebben. Menigmaal zoekt de mens goede hoedanigheden in zichzelf, goede gestalten of gron­den om zich op te bouwen. Maar het zal blijken dat ze niet houdbaar zijn voor de eeuwigheid. Het is alles van nul en gener waarde. Wij kunnen niet voor God bestaan met iets wat in de mens gevonden wordt.

O mijn geliefde medereizigers naar de eeuwigheid, het zal alles te kort en te smal zijn als wij komen voor de Rechter van hemel en aarde. Wij kunnen alleen bestaan in Jezus Christus, Zijn ge­liefde Schoot- en Wonderzoon, Die een volkomen genoegdoe­ning en een volkomen offer heeft aangebracht.

 

Daarom wekt Paulus de gemeente van Eféze op om Hem te ver­heffen en Zijn liefde te bekennen: Opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods. Werkelijk, daarin alléén is de ware vervul­ling en volheid te vinden. Christus zegt: Ik doe wandelen op de weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts; opdat Ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.

Dat behoeven geen dominees of ouderlingen te doen. Neen, dat doet de Heere Zélf. Maar dan moeten wij leeg zijn van alles wat wij in onszelf nog menen te vinden. Dan moeten wij nergens anders voldoening kunnen verkrijgen. Hoe jammer is het, als wij voldaan zijn en vol zijn geworden, zonder dat de volheid Gods in Christus Jezus ons werd geopenbaard! Gods Woord zegt het zo duide­lijk: Opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.

 

De apostel wil de gemeente van Efeze, maar ook óns brengen tot de staat waaruit wij gevallen zijn. Wij zijn gevallen uit de staat der rechtheid en vervallen van de kennis van God. Wij hebben Gods beeld verloren; Zijn zalige gemeenschap zijn wij kwijt. Alleen in Christus Jezus kan Gods kerk weer komen tot al de volheid Gods.

O, nooit is uit te spreken hoe zalig die vervulling is van al de volheid Gods, wanneer God Drie-enig in Zijn eeuwig verbond afdaalt tot een verloren zondaar of zondares; wanneer Hij hen in dat verbond doet inblikken; wanneer Hij hen laat zien dat zij daarin opgenomen zijn! Zij, trouweloze verbondsbrekers, zijn opgenomen in dat eeuwige zoen- en zoutverbond, dat niet zal wankelen tot in der eeuwigheid. Dat wonder is nooit uit te spreken!

Wanneer Gods kinderen komen tot al de volheid Gods, krijgen zij een thuiskomen in Gods Vaderhart.

 

Volk des Heeren, wat zouden we gelukkig zijn als we daar veel van mochten hebben! Maar om de vrucht te ontvangen van het bekennen van de liefde van Christus, zullen wij ook steeds de liefde van Christus moeten verheffen en bekennen. Anders zullen wij nooit komen tot al de volheid Gods.

Er zijn mensen die veel spreken van de volheid Gods. En al is het nog zo lang geleden dat zij er iets van ondervonden hebben, zij zijn nog steeds vol. Maar als er gesepareerd wordt, dan blijkt hoe vol ze van zichzelf zijn en hoe weinig ze bezitten van de volheid Gods. Wij moeten van die hoogte af! Want als we de liefde van Christus gaan bekennen, dan komen we in de laagte. Dan ontvangen we de zalige zoete vruchten om te komen tot al de volheid Gods; om steeds weer een thuiskomen te verkrijgen in Gods Vaderhart.

Gods kinderen kunnen veel genade hebben ontvangen, wat onuitsprekelijk groot is. Maar toch zullen ze dikwijls moeten bekennen dat er een scheiding is; dat het niet vlak ligt; dat er geen thuiskomen is. Al is het dat hun staat vast ligt en zij mogen geloven dat de Heere hen niet zal verdoemen, nochtans liggen hun zaken niet vlak en er is een scheiding tussen God en hun ziel.

Zij kunnen vaak zélf niet precies zeggen wat het is, maar de Heere komt Zich in Zijn Vaderlijke liefde te verbergen. Daar­om is het zo noodzakelijk en profijtelijk om steeds weer, door de genade Gods die zowel aan de kerk onder het oude als onder het nieuwe verbond geopenbaard is in Christus Jezus, de liefde van Christus te verheffen en te bekennen, om te komen tot al de volheid Gods. Dat is telkens weer noodzake­lijk. Het is echter niet iets wat wij maar uit onze zak kunnen halen, want het geloof is een gave Gods. Wij kunnen onszelf die rijkdom niet verschaffen.

Hoe gelukkig is het volk, dat in de verootmoediging van het hart bij aanvang en voortgang mag gaan tot die Fontein der hoven, tot die Put der levende wateren. Want dat is zeer zeker een verheffen en bekennen van de liefde van Christus. De zoete en zalige vruchten die daaruit vloeien, worden dan geproefd en gesmaakt. De Heere mocht ons daartoe bearbeiden door Zijn Heilige Geest.

 

Mijn onbekeerde medereizigers naar de eeuwigheid, het is hoog tijd! Haast u, spoedt u om uws levens wil! Het kan vandaag de laatste dag zijn dat u het Evangelie van vrije genade verkondigd wordt! Morgen kan het voor u te laat zijn! En dan... eeuwige duisternis!

Stelt u niet gerust met te denken: ‘Het zal wel meevallen; het zal zo’n vaart niet lopen.’ Laat u ook niets wijsmaken door hen die zeggen: ‘Wij moeten tot Jezus gaan.’ Jezus moet tot óns komen. En dat gebeurt niet voordat het aan onze kant een verloren zaak is.

Daarom wensen we u toe, dat u gebracht mag worden aan de voeten des Heeren, om Zijn liefde te verheffen, in het buigen voor Hem in het stof der aarde.

 

Volk des Heeren, wat zijn we vaak ver van onze plaats! We kun­nen soms zo ellendig zijn, dat we veel liever onszelf verheffen, dan Christus in Zijn liefde. Wij zijn zulke eerrovers van God, dat we Hem telkens weer in het aangezicht slaan. Daarom, hoe noodzakelijk is het, om in verootmoediging des harten steeds weer de liefde van Christus te verheffen. Dan ontvangen wij vruchten. Anders niet.

Wat is het arm als Gods volk zichzelf gaat handhaven. We mochten méér in de bres staan voor de eer van God, om steeds weer God in Christus te verheerlijken en Hem te prijzen in het midden van de gemeente; om alleen van Hém te spreken en Hém alleen alle lof, eer en dank toe te brengen. Dat schenke de Heere uit vrije genade.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 25: 6

 

Wie heeft lust den Heer’ te vrezen,

’t Allerhoogst en eeuwig goed?

God zal Zelf zijn Leidsman wezen;

Leren hoe hij wand’len moet.

’t Goed dat nimmermeer vergaat,

Zal hij ongestoord verwerven,

En zijn Godgeheiligd zaad

Zal ’t gezegend aardrijk erven.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Sions Koning, Sions onderdanen’ van ds. A. van Stuijvenberg (Uitg. Chr. Riemens, Biggekerke)