Ds. L. Huisman - Johannes 12 : 7 - 8

De zalving van Jezus door Maria

Het was van Maria een offer der aanbidding
Het was voor Judas een reuke des doods ten dode
Het was voor Jezus aanleiding tot een liefelijke vertroosting
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 5) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2011).

Johannes 12 : 7 - 8

Johannes 12
7
Jezus dan zeide: Laat af van haar; zij heeft dit bewaard tegen den dag Mijner begrafenis.
8
Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 42: 1, 3
Lezen : Johannes 12: 1-19
Zingen : Psalm 16: 5, 6
Zingen : Psalm 116: 1, 8, 10
Zingen : Psalm 133: 2

Geliefden, het Woord van God dat wij u wensen te prediken, vindt u in Johannes 12 vers 7 en 8:

 

Jezus dan zeide: Laat af van haar; zij heeft dit bewaard tegen de dag Mijner begrafenis. Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.

 

Deze tekst spreekt ons van: De zalving van Jezus door Maria.

 

1. Het was van Maria een offer der aanbidding

2. Het was voor Judas een reuke des doods ten dode

3. Het was voor Jezus aanleiding tot een liefelijke vertroosting

 

1. Het was van Maria een offer der aanbidding

 

Wij weten uit onze catechismus dat het leven van de Heere Jezus één lijdensweg geweest is. Zijn lijden spitste zich inzonderheid aan het eind van Zijn leven toe in het vreselijke kruislijden. Maar zelfs de mooiste ogenblikken die Jezus hier op de aarde heeft meegemaakt, werden verziekt door de pestwalm van de zonde.

Als al eens even de hemel opklaarde en de donkere wolken der verschrikking, die Zijn levenspad vergezelden, braken en er een enkele zonnestraal op Zijn levensweg kwam, dan was daar gelijk weer de satan, die met brute hand de vrede wegscheurde uit het hart en uit het midden van Jezus en Zijn discipelen. We vinden dat in verschillende voorvallen in het leven van Jezus beschreven.

Denk bijvoorbeeld maar eens aan de zalving, die al eerder gebeurd was in het huis van die andere Simon, Simon de farizeeër. Daar was ook een vrouw gekomen die zich wenend neerboog aan Jezus’ voeten en Hem al haar liefde waardig schatte, omdat Hij haar rechterhand wilde vatten. Dit liefelijke toneel in het leven van Jezus werd vergald door de bittere opmerking van Simon de farizeeër. ‘Zie je wel’, zei hij, ‘dat Jezus geen profeet is, want als Hij werkelijk een van God Gezondene was, dan zou Hij wel weten wat voor een vrouw hier aan Zijn voeten neerknielt, om Hem zulk een hulde te bewijzen.’

Met andere woorden: dan zou Hij deze vrouw wel van Zich gestoten hebben. Dan zou Hij geweten hebben dat ze een zondares was. Hoe bitter moet dit geweest zijn voor het hart van Jezus, Die hier door een zondares liefde bewezen werd.

Denk ook eens aan dat andere voorval op de berg der verheerlijking, waar de Vader een ogenblik de lichtglans van Zijn vriendelijk aangezicht aan Zijn zwaar gestraft Kind openbaarde. Waar een ogenblik hemelse glorie op de bergtop neerdaalde en de discipelen Mozes en Elia en Jezus zagen. Maar dan wordt ook dit heerlijke tafereel weer verduisterd door de onkunde van de discipelen die Jezus, Mozes en Elia op één lijn scharen; zij zien geen uitnemender heerlijkheid in de Zoon van God, boven Mozes en boven Elia. Maar zij plaatsen Jezus in de rij van deze groten, zodat God Zich niet langer bedwingen kan, maar met vreselijke stem uitroept van de hemel: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! (Matth. 17:5).

Dit was een goddelijke terechtwijzing aan deze dwalende discipelen. Hoe is dus ook de vreugde, die Jezus had, toen Zijn Vader voor een ogenblik de hemelse heerlijkheid aan Hem schonk, vergald door deze dwaasheid van Zijn discipelen.

 

Zo ook hier. Het is nog maar een week vóór Zijn bitter lijden. Hoe zou het Hem liefelijk vertroost hebben, indien Hij in dit ongedwongen gezelschap nu ook deze hulde zou mogen ontvangen, zonder de bittere wanklank van de judassen en van degenen die Zijn arbeid op de aarde niet kennen, niet verstaan en daarom ook niet beminnen. Want ook in dit gezelschap sluipt de duivel rond als een briesende leeuw. Nee, eigenlijk hier niet, hier komt hij als een engel des lichts. Hier verschijnt hij als een vrome, nette, oppassende dienaar, zuinig op de centjes om, zoals hij meende, de kerk van de Heere daar goed mee te kunnen dienen, maar met een dienst die aan Jezus voorbijging.

 

In het kort de geschiedenis: Jezus is de laatste week voor Zijn sterven ’s avonds telkens naar het dorpje Bethanië gegaan. Overdag ging Hij dan naar Jeruzalem, misschien een half uur of drie kwartier lopen, om in de heilige stad het werk van Zijn Vader te doen. En ’s avonds keerde Hij dan terug om wat te rusten en de nacht door te brengen in het vriendelijke gehuchtje Bethanië. Daar in Bethanië woonden, zoals u allen natuurlijk weet, Maria, Martha en Lazarus.

Maar in Bethanië heeft de Heere nog meer vrienden gehad. Er was ook, zoals we uit deze geschiedenis weten, een zekere Simon. Hij wordt ook wel ‘de melaatse’ genoemd. Het zal een man geweest zijn die door Jezus van zijn melaatsheid gereinigd is en in wiens hart de Heere Jezus een plaats gekregen heeft. Simon heeft Hem niet alleen nodig gehad tot reiniging van de uiterlijke melaatsheid, maar heeft ook in die melaatsheid het beeld gezien van de melaatsheid van zijn ziel en heeft geloofd dat Jezus, Die machtig was om zijn lichaam gezond te maken, ook machtig was om zijn ziel te redden van het verderf.

 

O, het is zo gelukkig als Gods goedertierenheden ons mogen leiden tot bekering. De Heere geeft ons vaak veel uiterlijke zegeningen, opdat we door die zegeningen een week hart, een verslagen en een verbroken ziel zouden ontvangen en voor Zijn aangezicht zouden komen en zeggen: ‘Heere, wilt U dit allemaal aan mij doen, die zo’n onwaardige zondaar of onwaardige zondares ben? O, als U dan zo voor mijn lichaam wilt zorgen, of voor mijn gezin wilt zorgen en voor mijn uiterlijke welstand wilt zorgen, ach Heere, zorgt U dan ook voor mijn ziel! Want dat is meerder dan mijn lichaam, dat is meerder dan alles wat van de wereld is.’

Zo heeft Simon Jezus lief gekregen en hij heeft Jezus uitgenodigd om in zijn huis de maaltijd te gebruiken. En Jezus gaat. Hij is deze woning binnengekomen en we lezen bij de andere evangelisten dat ook Martha, Maria en Lazarus gekomen zijn. Ja, ook Lazarus. Er staat zo opmerkelijk in het begin van het hoofdstuk: Jezus dan kwam zes dagen vóór het pascha te Bethanië, waar Lazarus was, die gestorven was geweest, welke Hij opgewekt had uit de doden.

Ook in het verdere van het hoofdstuk blijkt dat er veel mensen naar Bethanië gekomen waren om het wonder van de opgewekte Lazarus te zien. En daardoor geloofden velen in Jezus Christus, zodat de farizeeërs te meer verbitterd werden en zeiden: ‘Zie je nu wel, we bereiken niets. De hele wereld gaat Hem na!’ O, was het maar waar! Maar straks zou het openbaar worden dat de hele wereld Hem niet naliep.

 

Er was dus nogal een uitgebreid gezelschap bijeen in het huis van Simon. Misschien zijn er nog wel meer geweest, die de Schrift niet uitdrukkelijk vermeldt. Hoe moet het Jezus verkwikt hebben om in de kring van deze mensen, die Hem zo hartelijk aanhingen, die Hem zo innig liefhadden, de maaltijd te kunnen gebruiken. Het was als een oase in de woestijn van Zijn leven. De hele dag ontving Hij niet anders dan beschimpingen, dan hoon en spot. De leeuwen, de briesende leeuwen, stonden dagelijks tegen Hem op. Maar als het dan avond was, kon Hij een ogenblik rusten – want ook daaraan had Jezus behoefte – op die vluchtheuvel in deze wereld, in de beslotenheid van het gezin waar liefde woonde.

 

Ook nu staat er geschreven dat Martha dienende was. Martha was bedrijvig bezig om te zorgen. Dat was nu eenmaal haar aard. En als ze dat nu maar deed in de vreze des Heeren, dan was het goed. Want Jezus hield ook van Martha. Als ze maar niet om haar dienen de Maria, die aan Zijn voeten zat, verstootte. Als ze in haar dienen het dienen van Jezus maar niet vergat. Maar als haar dienst het gevolg was van de dienst van Jezus, welnu, dan heeft Jezus ook een behagen in de dienst van de Martha’s. Dan heeft Hij de Martha’s even lief als de Maria’s.

 

Ook Maria was in dit gezelschap, waar zonder terughouding kon worden gesproken. Hier waren geen farizeeërs, geen schriftgeleerden, geen twistende sadduceeërs, of het volk dat de kat eens uit de boom moest kijken: wat was het nu eigenlijk voor een man, die Jezus? Zouden ze nu vóór Hem kiezen of zouden ze tégen Hem kiezen?

Nee, hier is een onbevangen gezelschap van mensen die Hem allemaal liefhadden. En hier wilde Maria zich dan ook in haar hoogste liefdesopenbaring bekendmaken. Want Maria had meer van Jezus geleerd dan al de discipelen. Maria was verder op de weg van het geloof, dus dichter bij Jezus, dan de discipelen. Maria heeft, zittend aan Jezus’ voeten, iets voorvoeld, iets beseft van het lijden dat over Hem komen zou. En dat besef van Christus’ lijden heeft haar des te inniger aan Hem verbonden. Dat is altijd zo.

 

O, er zijn vele mensen die Jezus eren als een voorbeeld, als een godsdienststichter, of als een humaan mens. Ieder trekt Jezus in zijn eigen kamp.

Zo wilden ook de Joden Hem nog wel erkennen: als een Jezus met een kroon en een scepter, als een Jezus die zitting neemt op de troon in het koninklijk paleis. Maar als Hij gaat vertellen dat Hij geen aards koning is en dat Hij geperst moet worden totdat het alles volbracht is, als Hij gaat zeggen dat Hij zal worden overgeleverd in de handen der zondaren en dat Hij gedood zal worden, ja, dat zij niet leven kunnen, tenzij dat zij van Zijn gebroken brood, Zijn gebroken lichaam eten en van Zijn vergoten bloed drinken, dan zeggen ze: ‘Deze leer is hard, wie kan dezelve horen?’ Dan zeggen ze: ‘Nee, geen stervende Jezus, geen kruisdragende Jezus!’ Dat was hun eer te na. Ze wilden geen Jezus die voor hen in hun plaats ging lijden. Want zij wilden in Jezus’ wonden hun zonden niet erkennen. Zij wilden niet belijden dat Hij om onze overtredingen verwond is. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes. 53:5). Nee, dat niet. Daaraan hebben zij zich geërgerd.

Maar zalig zijn zij die door de Geest worden geleid in de verborgenheden der bloedstorting, in de verborgenheden van het lijden en sterven van Jezus Christus. O, geliefden, daar ontspringt nu de bron van het eeuwig, zalig leven. Daar wordt de hemelse zang geleerd, als ze in Christus’ woorden Zijn lijdende liefde, in Christus’ daden Zijn stervende gehoorzaamheid, Zijn tot in de dood zich overgevende gehoorzaamheid gaan ontdekken.

 

Dat heeft Maria mogen doen. Zij is verder geleid, zij heeft meer mogen ervaren dan een dienende Martha, zelfs meer dan de opgewekte Lazarus, zelfs meer dan de discipelen die drie jaren met Jezus omgingen. Zij heeft oog gehad voor Jezus’ dood, voor Jezus’ begrafenis.

Uit de daad van Maria op zichzelf weten we dit niet en kunnen we het ook niet opmaken, want die zondares uit Lukas 7 heeft Jezus ook zo gezalfd. Uiterlijk is er geen verschil. Maar Jezus maakt verschil. Hij zal straks zeggen: ‘Dit heeft ze gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis.’ Met andere woorden: ‘Luister goed! Maria begrijpt het, Maria weet er iets van, Maria heeft Mij zo lief, omdat Ik Mij zo zal vernederen.’ Begrijpt u het? Daarom had Maria Jezus zo lief. Maar nu loop ik vooruit op de tekst.

 

Zo is Maria in dat huis gekomen. En zij heeft stil in de plooien van haar oosters kleed een kostbaar kruikje met nog veel kostelijker zalf verborgen. Dat heeft ze bewaard, zegt Jezus. Hoe lang ze er voor gespaard heeft? Ik weet het niet. En hoe lang ze het bewaard heeft weet ik ook niet. Maar ze heeft het zuinig bij elkaar gespaard. Ze heeft eindelijk voor een grote som geld dat kostbare kruikje gekocht.

Straks zal Judas zeggen: ‘Driehonderd penningen is dat kruikje met de inhoud waard.’ En als u nu eens even denkt dat één penning een dagloon was en als u dan een huidig dagloon van een arbeider stelt op zeventig euro, dan is het driehonderd maal zeventig euro waard. Dan zou dat kruikje met nardus – naar onze munt omgerekend – meer dan twintigduizend euro gekost hebben.

Dat kostbare kruikje heeft ze zuinig bewaard. En ze snakte naar een ogenblik dat ze nu eens alles, maar dan ook alles, aan Jezus zou kunnen doen wat haar hart haar ingaf. Om al haar weelde die ze zuinig bijeen vergaderd had, over Zijn hoofd en over Zijn voeten uit te storten. Zo is ze gekomen naar het huis van Simon, de melaatse.

Dan, als er liefde heerst in die woning, als er aangenaam gesproken wordt over de arbeid van Christus, dan is het juiste moment gekomen, dan treedt ze naar voren en ze grijpt haar albasten kruikje. Ze handelt er dan niet mee naar de gewoonte om slechts enkele druppels te gebruiken, maar als ze bij Jezus gekomen is, breekt ze spontaan de kostelijke kruik stuk en eer iemand iets kan zeggen, keert ze het kruikje met het pond zeer kostelijke nardus om boven het hoofd van haar geliefde Meester, van haar Jezus. Ze stort de nardus uit over Zijn hoofd en over Zijn hals. En als er dan nog meer in het kruikje zit, dan zalft ze ook Zijn voeten met deze zalf. En dan laat ze de scherven uit haar hand vallen en maakt haar haarband los om met haar losse haren de voeten van Jezus af te drogen.

Nee, Maria is geen dichteres zoals eenmaal Debora. Maria is ook niet als de andere Maria, de moeder des Heeren, of als Hanna, die haar gevoelens in dichterskunst, in heerlijke liederen vertolken kan. Maria is ook niet een vrouw als Mirjam, die leiding geven kan aan een heel gezelschap, om de Heere te zingen en te spelen met trommels en in reien. Maar Maria is een stille en zachtmoedige geest, die kostelijk is voor God. We lezen niet dat ze één woord gesproken heeft.

 

Die Maria’s zijn er in de gemeente ook. En zij zijn niet de onvruchtbaarsten. O, lang niet. Maria’s, die niet zingen en die niet dansen kunnen in de vreugde des Heeren, om zo de Heere te danken, maar die het op een andere manier uitdrukken.

Nee, Maria doet dit hier niet om als priester Jezus te zalven. Dat niet. Maria voelde zich geen priesteres die iets aan Jezus moest doen om Zijn glorie te vermeerderen. Ze breidt dan ook niet haar handen zegenend over Jezus uit. Welnee. Ze maakt de kroon van haar hoofd los en daar droogt ze de voeten van Jezus mee af. Dat doet Maria. En voor de rest niets. Maar hierin, geliefden, is zij een voorbeeld voor alle zusters der gemeente, voor alle vrouwen die Christus in alle onverderfelijkheid liefhebben en Hem dienen mogen, bescheiden, in stilte, maar in waarheid.

 

Maar zulke zielen worden in de kerk niet altijd begrepen. Ook niet altijd door Gods kinderen. Ook niet door discipelen die waarlijk in beginsel Jezus volgen, maar die toch de diepte van haar liefde niet kunnen begrijpen. Zult u er voorzichtig mee zijn? Want Jezus zal het opnemen voor degenen die, al gebruiken ze geen woorden, al kunnen ze niet zeggen hoe lief ze Hem hebben, tóch zien op Hem Die voor hen in de dood neerdaalde. Dat brengt hen, geliefden, met Maria aan Jezus’ voeten. Daar wordt Gods lof soms zonder woorden gezongen, daar waar de kroon van het hoofd gelegd wordt aan Jezus’ voeten. Dat is het voorspel van het eeuwig, zalig leven.

Dat begrijpt de vrome wereld ook niet. De vrome wereld zonder Jezus denkt dat je alleen maar blij kunt zijn met een trommel en met een hooggestemd gezang. Maar ze begrijpt niet dat je nog veel inniger verblijd kan zijn, wanneer je de kroon legt aan Jezus’ voeten. Wanneer je niets anders hebt dan je tranen, de tranen van je verbroken hart, om ze Hem te wijden en om eeuwig te zeggen dat God goedertieren is.

 

2. Het was voor Judas een reuke des doods ten dode

 

De discipelen, met Judas voorop, begrijpen Maria’s daad niet. Zij hebben Christus deze eer niet gegund, omdat zij nog niet zagen Wie Hij was. Maria wordt opgeschrikt door het woord van Judas. Want als die liefdegeur het huis vervult, dan is dat offer der aanbidding van Maria voor Judas en voor alle judassen als een reuke des doods ten dode.

Zo zeide dan een van Zijn discipelen, namelijk Judas, Simons zoon Iskariot, die Hem verraden zou: Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen en aan de armen gegeven? En dit zeide hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd. Zo tekent Johannes, die dit evangelie geschreven heeft, aan het eind van zijn leven, Judas. Hij zegt: ‘Judas was een dief.’

Nee, op het moment dat dit gebeurde wist Johannes dat niet en de andere discipelen ook niet. Zij hadden Judas nog steeds in hun kring als een echte discipel van Jezus. En zij dachten dat Judas het ook oprecht meende met Jezus. Maar aan het eind van zijn leven schrijft Johannes: ‘Ach, nu zie ik het. Wij hebben ons laten verleiden door Judas, omdat we Jezus toen niet kenden zoals Hij gekend hoort te worden. En omdat we Judas niet kenden, want we dachten dat hij het oprecht meende.’

 

Als Judas deze zalf ruikt, komt zijn reactie op de daad van Maria. Dat is altijd zo, geliefden. Je kunt veel over de dienst van God redeneren en dan zijn er altijd wel mensen die er met je over spreken willen en daar kun je hele avonden mee zoekbrengen. Het is goed als je over de dienst van God spreekt, gebeurde het maar meer, maar als je het waagt je leven aan Jezus te wijden, en als je Hem al je liefde waardig schat, dan moet dat de wereld ergeren.

Dat moet juist inzonderheid de vrome wereld ergeren. Want de goddeloze wereld zegt: ‘Ach, die dwazen, we begrijpen hen niet.’ Maar de vrome wereld wordt door deze openbaring van Maria in haar hartader aangetast. Want die vrome wereld kent ook wel dat uiterlijk aanzitten met Jezus. Dat hebben ze gemeen met Hem. Dat uiterlijk zitten aan Zijn tafel. Dat horen van Zijn woorden en dat met Hem spreken en dat met Hem omgaan. ‘Hebt Gij niet in onze straten geleerd en hebben wij niet in Uw Naam vele krachten gedaan?’

Dat hebben ze allemaal. Maar er is iets dat elke schijnvrome mist, hoe dicht hij ook bij Jezus gezeten heeft aan Zijn tafel. Wat is dat? De ongeveinsde liefde! De spontane overgave, zonder voorbehoud! Het allerkostelijkste dat we hebben, ons leven, aan Jezus geven. Dat mist elk nabijkomend christen.

 

Dit is ook de doodsteek in het hart van Judas. Als hij merkt dat een mens alles opgeeft om zich op Jezus te verlaten, treedt hij als een adder naar voren. Nee, dan zegt hij niet tegen Maria: ‘Zeg, doe alsjeblieft niet zo flauw, want wij hebben Jezus toch ook lief?’ Nee, dat zegt hij niet. Hij verbergt zijn harde reactie onder het mom van barmhartigheid aan de kerk. Hij kleedt het zo in, dat zelfs de andere discipelen zeggen: ‘Ja, het is toch eigenlijk waar, zeg. Die Judas heeft toch eigenlijk gelijk.’

Want wat zegt hij? Hij zegt: Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen en de armen gegeven? Hij vond het een overspannen gedoe. Zo hoeft het toch zeker niet? Om je nu helemaal, met alles wat je hebt, het kostbaarste, aan de Heere te wijden? Dat is overdreven. Als ze nu een paar druppels uit die fles op Zijn hoofd en op Zijn voeten had laten vallen, nu, dat had Judas ook nog wel willen doen. Maar om nu de fles te breken en om nu álles aan Hem te geven, dat is veel te erg.

 

Hier valt de scheiding. En dat is nog zo, geliefden. De oprechte liefde tot Christus is een ergernis voor het nabijkomend christendom. Dat doet voor een buitenstaander onwerkelijk aan. Dat kan ook niet anders. Want die kan zich met uw vreugde niet verenigen. Die begrijpt helemaal niet hoe een zondaar Jezus liefhebben kan.

Het betreft hier niet alleen Judas, maar ook de andere elf discipelen. Want als we Schrift met Schrift vergelijken, dan merken we op dat door de andere evangelisten gezegd wordt dat ‘alzo ook de andere discipelen zeiden’. Er staat zelfs bij Markus: ‘En zij verbitterden tegen haar.’

Zij verbitterden. Dus het was niet alleen iets wat zij niet begrepen, nee, zij keurden het ook ten sterkste af. Zij zeiden: ‘Vrouw, doe niet zo hysterisch. Doe niet zo overtrokken. Dit hoeft toch helemaal niet? Je kan toch zó de Heere wel dienen? Moet je Hem dan je hele leven geven, alles wat je hebt? En moet je dan zoveel zalf aan Hem ten koste leggen? Welnee, dat hoeft helemaal niet!’

Waarom zeiden de andere elf discipelen dat? Wel, ze werden verleid door Judas. Dat is waar. Maar Judas zou hen niet hebben kunnen verleiden, als ze de kennis van Maria gehad hadden. Maar ze hadden die kennis van Maria niet. Ze waren kinderen in het geloof. Ze begrepen Jezus nog steeds niet, en daar heeft Jezus veel smart van gehad.

Dat telkens opnieuw stuiten op onkunde. Ja, gecamoufleerd door onwil. Zij hadden nog geen oog voor de dierbaarheid van de lijdende Borg. Maria wel, heb ik straks gezegd. Zij heeft er iets van gezien, maar de discipelen niet.

 

Als u nog nooit Jezus gezien hebt, en nog nooit met Hem in de diepte van Zijn dood bent afgedaald, als u nog nooit met Hem gestaan hebt in de hof van Gethsémané, en als u Hem nog nooit hebt zien krimpen in uw plaats aan dat vloekhout, als u Hem nog nooit zó gezien hebt, dat u in heilige aanbidding en verwondering uw albasten kruik voor Hem brak en Hem al uw liefde waardig schatte, uzelf met ziel en lichaam aan Hem wijdde, dan kunt u diegenen niet begrijpen die Hem zo wel gezien hebben. Die van Hem geloofd hebben: Hij is om onzentwil gestorven. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes. 53:5).

 

De andere elf discipelen hebben meegedaan om Maria’s ziel te benauwen. Ja, zulke zielen, ze worden ook in de kerk wat benauwd! Benauwd, ook wel door Gods kinderen, die de diepte van deze liefde nog niet kunnen begrijpen. En hoe zouden deze mensen ook kunnen zeggen hóe lief ze Hem hebben, als ze zich door het geloof op Hem mogen werpen en mogen geloven dat Hij voor hen de dood is ingegaan? Je zou een stem van een engel moeten hebben om God te kunnen verheerlijken. Je zou met een hemelse stem moeten kunnen zingen, om Hem naar waarde je liefde te kunnen tonen en om eeuwig te zeggen dat God goedertieren is.

Geliefden, kent u Jezus zo? Zo wordt Hij gekend door Zijn gunstvolk tot eeuwige zaligheid. O, beeld u niet in dat het wél met u staat, indien u Jezus niet kent. Beeld u niet in dat u een kind van God bent, indien uw hart niet brandt om het voor Hem uit te storten of indien u druppelsgewijs de olie op Zijn hoofd wilt uitstorten, want dat wil Judas ook nog wel; hij wil ook nog wel wat aan de Heere wijden en wat aan de armen doen, maar hij wil niet álles aan de Heere overgeven. Dat is hem tot een ergernis. En daarom is de daad van Maria voor Judas een reuke des doods ten dode.

 

Zo zijn er ook mensen die zich ergeren als er bepaalde mensen of te veel mensen aan de dis des Heeren komen. ‘Zoveel mensen, dat is onmogelijk’, zeggen ze. Ze hebben zich verbitterd. O, dat is de weg van Judas.

U hebt niet te oordelen over degenen die aan de tafel des Heeren komen. Ik zou het droevig vinden als er mensen aan komen die nog onbekeerd zijn, maar zij zullen het voor God moeten verantwoorden. Maar daar hebt ú toch niet over te oordelen? Bent ú er geweest? En als u niet aan geweest bent en u zich toch verbittert over de Maria’s, die niet anders konden dan alles wat ze hadden, hun leven, voor Hem uit te storten, bedenk dan dat u op de weg van Judas bent. Nog enkele schreden en het wordt ook voor u nacht.

Bekeer u, bekeer u, terwijl de stem van God nog tot u klinkt. Want Jezus heeft gezegd, en Hij heeft het voor Maria opgenomen: ‘Laat af van haar, blijf met uw handen van zulke mensen af. Blijf van hen af, want zij heeft dit gedaan tot een voorbereiding voor Mijn begrafenis. Daar begrijpt u niks van, Judas. Want u wilde enkel een gevulde beurs met Jezus. U wilt enkel met Jezus ten hemel. U wilt alleen maar met Jezus voorspoedig en gelukkig zijn. Maar Maria begrijpt dat ze de hemel niet kan ingaan dan door Mij, Die door het graf heen de zaligheid verwierf. En Judas, daarom wil Maria Mij nu alles schenken. Dat kunt u niet begrijpen.’

En dan zegt de Heere Jezus: ‘De armen hebt u altijd bij u en u kunt ze weldoen. Maar Mij hebt u niet altijd. Er komt een tijd dat u Mij uw liefde niet meer kunt betonen, wanneer Ik straks van u zal weggenomen worden. Judas, denk erom. Mij hebt u niet altijd. Nu ben Ik nog in het midden van u. Nu kunt u ook nog aan Mijn voeten neervallen. En nu kunt u ook nog de kroon van uw hoofd aan Mijn voeten werpen, maar straks niet meer. Dan is uw tijd voorbij, Judas.’

 

Maar dat geldt dan ook voor álle judassen. Dan is uw tijd voorbij. Als u zich ergert aan de gemeente van Christus, aan de Maria’s, dan doet u dat natuurlijk onder het mom van rechtzinnigheid.

U zegt niet: ‘Ik begrijp niet dat deze mensen dit doen, want ik houd helemaal niet van Jezus.’ Ja, zei u dat maar! Was u maar zo eerlijk om te zeggen: ‘Ach, Heere Jezus, geef mij ook die liefde van Maria, want ik begrijp het niet en ik heb het niet en daarom ben ik ongelukkig. Trek me dan tot U, opdat ook ik U zou leren dienen.’ Maar dat zegt u niet. Onder een schijn van godsdienst zegt u: ‘Het is zonde wat die Maria daar doet. Hier zou de kerk des Heeren mee gediend kunnen worden, als al die duizenden euro’s zuinig werden verdeeld onder de armen.’ Nee, Judas, u wilt er uzelf mee verrijken. Dat is tenslotte het doel van alle eigengemaakte godsdienst. Het is jezelf verrijken, maar dan ten koste van Jezus.

O, wat is dat erg! Laat dan ook deze boodschap die tot ons komt door de handelwijze van Judas, ons tot een waarschuwend voorbeeld zijn.

 

Laten we ten slotte nog luisteren naar het vertroostende dat Jezus in deze zalving vindt en wat Hij zegt tegen Maria en over Maria, en ook tot ons. Maar voor we daar nog een enkel woord van zeggen, willen we eerst zingen uit Psalm 116 het eerste, het achtste en het tiende vers.

 

God heb ik lief; want die getrouwe Heer’

Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen;

Hij neigt Zijn oor, ‘k roep tot Hem, al mijn dagen;

Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

 

Nu zal ik voor de weldaân, die ‘k genoot,

Aan Hem, naar mijn geloften, eer bewijzen,

Hem onder al Zijn gunstgenoten prijzen.

Hoe kost’lijk is in ‘s Heeren oog hun dood!

 

Ik zal Uw Naam met dankerkentenis

Verheffen, U al mijn geloften brengen;

‘k Zal liefd’ en lof voor U ten offer mengen,

In ‘t heiligdom, waar ‘t volk vergaderd is.

 

3. Het was voor Jezus aanleiding tot een liefelijke vertroosting

 

Liefde is teer. Zielen die God beminnen, echt, diep in hun hart, zijn zeer kwetsbaar. Maar nu hoeft Maria zichzelf niet te verdedigen.

Dat hoeft u ook niet. Dan mag u blijven zitten aan Zijn voeten en dan zal Hij de twistzaak van de nooddruftigen richten. Hij zal de armen het recht voortbrengen. Dat heeft Hij beloofd en dat doet Hij ook. Hier heeft u het voorbeeld. Als u echt op God hoopt, als uw ziel echt aan Hem verbonden is als aan uw lijdende Borg, omdat u de dood in uw eigen hart gevonden hebt en met Jesaja leerde zeggen: Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht (Jes. 53:3), en met deze smart tot Hem keert, Die voor u gestorven en begraven is, dan hoeft u zelf niet op te staan om Judas op de mond te slaan. Dan zal Jezus dat doen. O, zing dan maar met de dichter: ‘Twist met mijn twisters, Hemelheer.’

Dan buigt Hij zich neer over het hart dat Hem liefheeft en spreekt geen woord van verwijt. Dan steunt Hij Judas niet. Ook al zal Maria misschien hier of daar nog gedwaald hebben in haar gedachten, dan buigt Hij Zich toch tot Maria, want God is nooit hard voor een ziel die Hem liefheeft en zijn ziel voor Hem uitstort als water. God is het verbroken hart te allen tijde nabij en goed. En Hij heelt der kranken smart, want dit is Zijn Naam: Jezus! Hij is een Zaligmaker der zondaren.

 

Dan buigt Hij Zich over Maria heen en een andere evangelist zegt ons dat Hij er nog bij voegt: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft (Mark. 14:9).

Dat wordt nu bewaarheid. Wat Jezus gezegd heeft, tweeduizend jaren geleden, mochten wij vandaag in uw midden behandelen. Nee, ik weet wel, Maria hoort niet in het middelpunt te staan, maar Jezus. Maar dan toch: de Zaligmaker in verband met die zondares. Want weet u het wel: wat is Jezus zonder zondaren? Wat is een Zaligmaker zonder Maria? Dat heeft geen betekenis. Dus het gaat om Jezus, om Zijn liefde, om Zijn dood, om Zijn begrafenis, maar dan toch voor een zondaar, voor Maria en ook voor u.

 

Dan buigt Hij Zich tot uw bekommerde ziel neer, en als iemand u van uw troost zou willen beroven, dan hebt u misschien geen verweer. Ik lees ook niet dat Maria zich verweerd heeft, maar ik lees wel dat Jezus voor haar intrad. Dat Hij Zich betoonde Wie Hij is, namelijk de Middelaar, de Borg, de Zaligmaker, de Herder. Hij neemt dit lammetje op Zijn armen en Hij weert de wolven.

De wolven, ja, in schaapskleren. Want zo heeft Judas het gedaan; hij heeft de schapenhuid getrokken over zijn wolvenkop en zo is hij in het midden van de kerk van Christus gekomen. Zo leven de judassen, schijnbaar rechtzinnig, schijnbaar erop uit om de kerk zuiver te bewaren, maar in feite braken ze hun vijandschap uit tegen de Maria’s, omdat ze nog nooit iets van Jezus begrepen hebben. Omdat ze Zijn lijdende liefde niet verstaan.

 

Maar laten ook Gods kinderen voorzichtig zijn, want deze berisping treft ook de discipelen. Laat af van haar! Maar dat is dan tegelijk het Evangelie voor alle Maria’s: Laat af van haar! Dat wil zeggen: ‘Ik strijd voor haar. Zij is Mijn Maria. Zij is Mijn kind. Ik zorg voor haar. Ik, Jezus, zeg: Zij heeft een goed werk aan Mij gedaan.’

 

U weet wel: goede werken moeten voortkomen uit de wortel van het geloof, ze moeten gericht zijn naar de goddelijke wet en ze moeten de eer van God als doel hebben. Nu, dan kan dit werk de toets der kritiek doorstaan.

Het kwam voort uit de wortel van het geloof, want Jezus zegt: ‘Zij heeft Mijn begrafenis op het oog. Zij kijkt veel verder dan jullie allemaal. Want zij ziet in Mij haar zonden. Ik moet sterven om haar zonden. En dat ziet ze. Daarom buigt ze zo diep.’

Dat werk is naar de goddelijke wet. Want de Heere heeft wel gezegd: ‘Zorg voor de armen’, maar Hij heeft eerst gezegd: ‘Wijd u aan Mij.’ God lief te hebben boven alles, nu, dat deed Maria. Maria zorgde wel voor de armen, want je kunt nooit God liefhebben en de armen aan hun lot overlaten. Dat is onmogelijk. Het is een twee-eenheid. Maria zal wel voor hen zorgen, maar Maria heeft Gods gebod gedaan. ‘Ze heeft Mij boven alles liefgehad, zelfs boven de armen.’

En dan ten derde: een goed werk moet zijn tot Gods eer. Nou, Maria heeft niet de mensen bedoeld. Maria is hier niet gekomen om nu eens even aan de discipelen te laten zien wat zij allemaal voor Jezus over had. O, nee, verre van dat. Maria wilde hier haar Jezus huldigen, haar Jezus al haar liefde waardig schatten, en in het midden van Zijn gunstgenoten zeggen: ‘Zo lief heb ik Hem, dat ik alles, maar dan ook alles aan Zijn voeten uitstort, uit grote liefde, uit de innerlijke hoogachting die ik voor Hem heb.’

 

Nu valt ze ook onder de zegen des Heeren. Nu zijn de zegenende handen van Jezus over haar uitgebreid en nu zal overal in de wereld ook tot haar gedachtenis gesproken worden over wat zij gedaan heeft.

Ja, geliefden, wat Gods kinderen mogen doen, dat zal zijn vruchten voortbrengen, ook in de nageslachten. Dat zal verkondigd worden, zolang als er een gemeente des Heeren op de aarde is. Door deze vruchten wordt de gemeente groot.

Door deze vruchten worden ook de armen onderhouden. Want Jezus zegt: ‘Dezen hebt u altijd met u.’ Daarmee heeft Hij ons de gebrekkigen, de behoeftigen en de armen van de gemeente nagelaten, totdat Hij komt op de wolken des hemels.

 

Maar, zegt Hij, Mij hebt gij niet altijd. Dat is in deze tekst toch ook een waarschuwing. Mij hebt gij niet altijd. Met andere woorden: ‘Haast u, haast u om te doen zoals zij gedaan heeft, want de dag gaat voorbij. Het Evangelie wordt niet altijd gepredikt. Het is niet vanzelfsprekend dat u altijd het Woord van God zult mogen blijven horen. Er zullen ook donkere dagen komen, dat Ik Mij van u onttrekken zal. Dat u het Woord niet meer horen zult. Dat u uw voeten zult stoten aan de schemerende bergen.’

O, er is ook een nodiging in om ons te haasten om ons leven aan Christus te wijden. Dat geldt voor alles. Dat geldt ons zielenleven, maar ook ons natuurlijk leven.

Hoe is onze verhouding ten opzichte van God? We gunnen Hem ook wel wat. Een druppeltje van ons bezit. Een uurtje van onze tijd. Een psalmversje en een paar euro’s. Maar gunnen we Hem álles? Staat ons leven in het teken van dienende liefde? Ik bedoel dit, kinderen: denk je bij alles wat je doet aan de Heere en vraag je Hem: ‘Is het zo goed? Wilt U het zo hebben? Heere, wijs mij toch Uwe wegen’?

Nee, niet twaalf uren van de dag uw eigen zin doen en dan vijf minuten bidden om te vragen: ‘Heere, wat wilt U nu dat ik doen zal?’ Maar alles wat u doet, doen in het licht van Gods Woord. O, wat zou je dan toch voor veel zonden bewaard worden. Wat zou het je meer tot Jezus trekken. Wat zou het je meer en meer begerig maken ook bij Hem te mogen horen. Denk er eens over. Zo wil God dat je leven zult. Dat je naar Hem zult vragen.

 

De armen hebt gijlieden altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd. Ouderen, niet altijd! Wanneer het voor u afgelopen zal zijn, God weet het. Maar laat dit woord tot uw ziel doordringen: Niet altijd! Dat is wanneer we onbekeerd sterven.

Maar het kan ook nog anders. U kunt ook overgegeven worden, zoals Judas, aan de geest der verharding. Straks, als deze maaltijd afgelopen is, dan gaat hij naar de oversten en de ouderlingen en zegt hij: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? (Matth. 26:15). Waar Maria zich vol tedere liefde neerbuigt, daar barst het hart van Judas van wilde, woeste vijandschap. Judas was al verloren, eer hij gestorven was. Judas was al in de hel, eer hij in de hel neerdaalde.

O, het is een waarschuwing. Ga niet voort op uw heilloze weg. Maar val heden Jezus te voet. Want nu staat Hij nog in het midden van ons en Hij ontvangt de Maria’s, ook nu nog. Nu kan een Judas nog een Maria worden. Maar geef u niet over aan de geest der verharding, zodat u met Judas het gezelschap verlaat en het geld neemt om Jezus te verraden.

 

En u, die met Maria zonder woorden Jezus liefhebt, die Hem uw hulde en uw hoogachting bewijst, laat dit u sterken om Hem meer lief te hebben. Om uw leven meer en meer te wijden aan de Heere.

 

U, die wel tot de discipelen van Jezus behoort, maar dit toch niet begrijpt en het maar een beetje overtrokken vindt, het zou hieraan kunnen liggen, dat u nog geen oog heeft voor die lijdende Borg. Dat u wel enig begrip hebt van Gods ontfermingen en ook wel enige liefde tot God hebt, waardoor u Hem ook wel enkele druppels van uw nardus gunt, maar dat u nog nooit uw leven verloren hebt om uit Christus te gaan leven, wat zo nodig is. Dan bent u altijd nog aan het vermengen: uw eigen godsdienst met wat Jezus voor u deed. Dan hebt u het nooit verstaan: ‘Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.’

 

Geliefden, wat maakt het ons vrij, wat geeft het ons hier op aarde reeds een hemels leven als we mogen beseffen: het gaat niet om de dienst van ons aan God, maar om de dienst van Jezus aan ons. En wel de dienst van Jezus door het graf, door de dood.

O, dan is het enerzijds smartelijk. Dan zijn het mijn zonden die Hem met doornen verwondden en die Hem aan de schandpaal nagelden. Maar dan is het ook mijn leven, dat Hij voor mij gestorven is. Dan is het mijn ademtocht. Ja, dan kan ik het net als Maria niet met woorden zeggen, dan kan ik het alleen maar metterdaad bewijzen, dat ik Hem hartelijk liefheb. Dan kan ik mijn albasten fles, mijn hart, volledig voor Hem stukbreken en zonder voorwaarden zeggen: ‘Heere Jezus, hier is mijn hart. Regeer het. Wees er Koning over. Richt er Uw Koninkrijk in op. Want voor U wil ik leven. Voor U wil ik sterven. Voor U wil ik eeuwig in de hemel zingen, wanneer de lofzangen Godes in mijn keel zullen zijn en ik met al de gezaligden straks zal mogen zeggen, hoe lief ik Jezus heb.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 133:2

 

Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen,

Als d’ olie, die, van Arons hoofd gedropen,

Zijn baard en klederzoom doortrekt;

Z’ is als de dauw die Hermons kruin bedekt,

Die Sions top met vruchtbaar vocht besproeit,

En op zijn bergen nedervloeit.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 5) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2011).