Ds. J.S. van der Net - Esther 9 : 1 - 19

De grote omkering

Esther 9
De Veroorzaker van deze omkering
De voortzetting van deze omkering
De vreugde door deze omkering

Esther 9 : 1 - 19

Esther 9
1
In de twaalfde maand nu (dezelve is de maand Adar), op den dertienden dag derzelve, toen des konings woord en zijn wet nabij gekomen was, dat men het doen zou, ten dage, als de vijanden der Joden hoopten over hen te heersen, zo is het omgekeerd, want de Joden heersten zelven over hun haters.
2
Want de Joden vergaderden zich in hun steden, in al de landschappen van den koning Ahasveros, om de hand te slaan aan degenen, die hun verderf zochten; en niemand bestond voor hen, want hunlieder schrik was op al die volken gevallen.
3
En al de oversten der landschappen, en de stadhouders, en landvoogden, en die het werk des konings deden, verhieven de Joden; want de vreze van Mordechai was op hen gevallen.
4
Want Mordechai was groot in het huis des konings, en zijn gerucht ging uit door alle landschappen; want die man, Mordechai, werd doorgaans groter.
5
De Joden nu sloegen op al hun vijanden, met den slag des zwaards, en der doding, en der verderving; en zij deden met hun haters naar hun welbehagen.
6
En in den burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen.
7
En Parsandatha, en Dalfon, en Asfata,
8
En Poratha, en Adalia, en Aridatha,
9
En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha,
10
De tien zonen van Haman, den zoon van Hammedatha, den vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan den roof.
11
Ten zelfden dage kwam voor den koning het getal der gedoden op den burg Susan.
12
En de koning zeide tot de koningin Esther: Te Susan op den burg hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen en de tien zonen van Haman; wat hebben zij in al de andere landschappen des konings gedaan? Wat is nu uw bede? en het zal u gegeven worden; of wat is verder uw verzoek? het zal geschieden.
13
Toen zeide Esther: Dunkt het den koning goed, men late ook morgen den Joden, die te Susan zijn, toe, te doen naar het gebod van heden; en men hange de tien zonen van Haman aan de galg.
14
Toen zeide de koning, dat men alzo doen zou; en er werd een gebod gegeven te Susan, en men hing de tien zonen van Haman op.
15
En de Joden, die te Susan waren, vergaderden ook op den veertienden dag der maand Adar, en zij doodden te Susan driehonderd mannen; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.
16
De overige Joden nu, die in de landschappen des konings waren, vergaderden, opdat zij stonden voor hun leven, en rust hadden van hun vijanden, en zij doodden onder hun haters vijf en zeventig duizend; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.
17
Dit geschiedde op den dertienden dag der maand Adar; en op den veertienden derzelve rustten zij, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.
18
En de Joden, die te Susan waren, vergaderden op den dertienden derzelve, en op den veertienden derzelve; en zij rustten op den vijftienden derzelve, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.
19
Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de dorpsteden woonden, den veertienden dag der maand Adar ter vreugde en maaltijden, en een vrolijken dag, en der zending van delen aan elkander.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 99: 1, 2
Lezen : Esther 9: 1-19
Zingen : Psalm 66: 3, 8
Zingen : Psalm 68: 1
Zingen : Psalm 68: 8
Zingen : Avondzang: 1, 2, 7

Gemeente, wij vragen uw aandacht voor het negende hoofdstuk van het boek Esther. Wij lezen u hiervan alleen de woorden uit het midden van het eerste vers:

 

               Zo is het omgekeerd.

 

Het thema van de preek is: De grote omkering.

 

Wij hebben een drietal gedachten:

1. De Veroorzaker van deze omkering

2. De voortzetting van deze omkering

3. De vreugde door deze omkering

 

 

1. De Veroorzaker van deze omkering

 

Hoe komt het toch dat het daar in het rijk van de Meden en Perzen tot zo’n grote omkering komt? Het antwoord op deze vraag is niet zo moeilijk. We hebben zo-even uit Psalm 66 gezongen: ‘God baande door de woeste baren, en brede stromen ons een pad.’ Hij baande! Niemand anders dan de Heere. Weliswaar wordt in het boek Esther de Naam van God niet genoemd, maar toch zie je er voortdurend in oplichten dat de Heere regeert. Dat Hij alles leidt, en dat het alles gaat naar Zijn voorzienig bestel.

U weet nog wel van de vorige keer dat de Heere ervoor had gezorgd dat er een tegenwet werd uitgevaardigd. In die tegenwet mocht Mórdechai van Ahasveros bepalen wat nodig was.

Meisjes en jongens, wat stond er in die wet? We lezen in hoofdstuk 8 dat in die tegenwet was vastgelegd dat de Joden permissie kregen om zich te verzetten en zich met het zwaard mochten verdedigen.

 

Tussen hoofdstuk 8 en hoofdstuk 9, waarover het nu gaat, ligt een periode van ongeveer negen maanden. Want we lezen dat de tegenwet van Mórdechai was uitgevaardigd op de drieëntwintigste van de derde maand. Nu, in hoofdstuk 9, zijn we in de twaalfde maand, de maand Adar. Dat is bij ons de maand maart. Dus u begrijpt dat de uitvoering van de wet waarin stond dat de Joden uitgeroeid moesten worden, nabij was gekomen. Dat tijdstip was bepaald op de dertiende dag van de twaalfde maand.

Wat zullen de haters en vijanden van de Joden naar die dag hebben uitgezien! Op de dertiende dag van de twaalfde maand, ja, dan mogen ze hun haat gaan bekoelen op de Joden. En niet alleen mogen ze hun haat botvieren en uitleven op de Joden; zij mogen ook als buit de bezittingen van de Joden roven. U begrijpt wel dat dit niet tegen dovemansoren gezegd werd, want de Joden stonden als zeer vermogend bekend.

 

Gemeente, roven en plunderen, wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon. Dit is ook nu nog aan de orde van de dag. Je ziet het soms als er bijvoorbeeld ergens een aardbeving is geweest. Terwijl de overlevenden in ellendige omstandigheden verkeren, wordt het kleine beetje dat ze nog bezitten nog weg geroofd ook.

Meisjes en jongens, dit gebeurde in de Tweede Wereldoorlog ook. Toen werden de Joden in Amsterdam uit hun huizen gehaald. Op de hoek van de straat stond al een verhuisbedrijf, dat was ingehuurd door de Duitsers, gereed om de spullen van de Joden zo snel mogelijk in te laden, want die waren voor hen.

Zo gaat het ook in ons teksthoofdstuk. De vijanden van de Joden mogen hun haat botvieren en plunderen. Ze wisten het; niet alleen afslachten en verdelgen, maar we worden er ook nog een beetje beter van. We kunnen ons wel voorstellen dat toen die twaalfde maand aanbrak, ze hebben gedacht: Nu gaat het gebeuren! Naar deze maand hebben ze uitgezien.

Maar het gaat anders. Aan het einde van hoofdstuk 8 lezen we dat er ‘een vreze der Joden’ op hen was gevallen. Door die tegenwet van Mórdechai waren er veel mensen tot bezinning gekomen. Er was een soort paniek uitgebroken. Wat gaat er toch allemaal gebeuren? Wat is er toch met die Joden aan de hand? Want de vreze der Joden was op hen gevallen. We lezen zelfs dat er velen waren die tot het Jodendom overkwamen.

 

Meisjes en jongens, er heerst paniek! Dat lees je wel eens meer in de geschiedenis van Israël. Weet je nog dat na de woestijnreis het volk voor de grenzen van het beloofde land stond? We lezen dan dat er angst uitbrak bij de omringende volkeren. Wat is dit? Wat gaat er allemaal gebeuren?

Gemeente, merkt u op dat de haters en de vijanden van de Joden nog springlevend zijn? Ook vandaag nog? Want het antisemitisme is niet van vandaag of gisteren. Je ziet het ook hier bij Esther. U moet het maar zo opvatten: de haat tegen de Joden is ten diepste haat tegen de God van de Joden. We moeten er ook maar niet verbaasd over zijn. Want we zijn allemaal vijanden van God.

Misschien zit er nu wel iemand in de kerk die zegt: ‘Nou, nou, wij allemaal vijanden?’ Ja, wij zijn van nature allemaal vijanden. ‘Ik ook?’, vraagt een meisje of een jongen. Ja, jij ook. Van nature zijn wij vijanden van God. ‘Maar’, zegt iemand anders, ‘dat is toch wel wat hard gezegd.’ Dat is ook zo. Het is hard gezegd. Maar de Bijbel zegt het. Vijanden van God! En Paulus hoor ik ook zeggen: ‘Ook wij waren eertijds hatende, en elkander hatende.’ Dat was van nature ook het bestaan van Paulus.

 

Vijand van God… Wat is het toch nodig dat ook wij dat gaan inleven. Ik, een vijand van God. Want als keurige kerkmensen kunnen we nog wel eens bij onszelf denken: Maar dat geldt toch zeker niet voor mij? Ik ben toch geen vijand van God?

Er zit misschien nu wel een meisje of jongen in de kerk, die vraagt: ‘Ik een vijand? Ja maar, ik bid iedere dag. En ik kom trouw naar catechisatie en ik geef ook veel aan de kerk.’

Tóch, als de Heere onze ogen opent, gaan we inzien en inleven dat we van onszelf een vijand zijn. Net zoals Paulus het gezegd heeft: hatende en elkander hatende.

 

Vijanden. Dat is een ontzaglijke boodschap. Natuurlijk, in de uitleving van die haat en vijandschap is er verschil. Dat zie je hier ook duidelijk uitkomen. Want de vijanden van de Joden hoopten over hen te kunnen heersen, lezen we in dit hoofdstuk. Ze hoopten aan hun trekken te kunnen komen. Ze lieten zich door niets en niemand weerhouden.

Ziet u dat die vijandschap tegen God en Zijn volk diep zit? Ze zagen er met blijdschap naar uit dat die dertiende dag van de twaalfde maand zou aanbreken. Want dan zouden ze hun slag kunnen slaan.

 

Het staat zo eenvoudig in onze tekstwoorden. Het is eigenlijk een samenvatting van dit hele hoofdstuk: Zo is het omgekeerd. Ja, zo heeft de Heere het omgekeerd. Want de vijanden hoopten te heersen, maar die hoop bleek een valse hoop. Want de strijd die ontbrandt, is een hopeloze strijd.

 

Dan, op die dertiende dag van de twaalfde maand, dan zien we dat de rollen worden omgekeerd. God keert het om. Want we lezen: Zo is het omgekeerd, want de Joden heersten zelf over hun haters.

O, de Heere Zelf gordt ze aan en geeft de vijanden in hun handen. Eigenlijk zie je hier iets gebeuren van wat vroeger vaak gezegd werd: ‘Wie het volk van God aanraakt, raakt Zijn oogappel aan.’

In die haat tegen de Joden ging het natuurlijk om de komende Christus, de Messias, Die uit de Joden zou voortkomen. De satan had zijn plannen en ontwerpen zo gesmeed, dat hij de Christus daarin ten onder zou kunnen brengen. Dan had hij het gewonnen. Maar de Heere keert zijn trotse ontwerpen om.

Het is net als bij de Farao. Ziet u wel? Toen keerde de Heere het ook om. En wel zo dat Israël gaat heersen over de vijanden. Dat zien wij hier ook. De Joden heersten over hun vijanden. Zo heeft de Heere het omgekeerd.

 

Gemeente, eigenlijk ziet u hier ten diepste hetzelfde zich voltrekken, wat met de Heere Jezus is gebeurd. Want over de Heere Jezus lezen we dat Hij gedaante noch heerlijkheid had. Als wij Hem aanzagen zouden we Hem niet begeerd hebben. Maar als dan de strijd ontbrandt, en de satan denkt: Nu heb ik het gewonnen, nu heb ik de Christus aan het kruis, nu moet Hij, de Heere Jezus, ten onder gaan, toen is het juist omgekeerd. Want dan horen we de psalmdichter zingen: ‘De Steen die door de bouwlieden verworpen is, is tot een Hoofd des hoeks geworden.’ Want in plaats dat de Heere Jezus ten onder gaat, roept Hij aan het kruis uit: Het is volbracht! (Joh. 19:30) Hij is de Overwinnaar. De rollen zijn omgedraaid.

Zo is het omgekeerd. Ja, we zien bij de Heere Jezus precies hetzelfde. Op Golgotha lijkt Hij ten onder te gaan, maar het vervolg van Zijn roep: Het is volbracht, is de Paasmorgen, als Hij de kluisters van de dood verbreekt. Dan is het omgekeerd. Dan heerst de Heere Jezus over de dood.

 

Gemeente, we kunnen de lijn nog verder doortrekken. Want we leven in een tijd die aan de wederkomst voorafgaat. Het is waar, de Kerk van God gaat een bange tijd tegemoet. Dat lezen we ook in de Bijbel. Er zullen zware en donkere tijden komen. De vijanden zullen dan ook denken: wij hebben het gewonnen. De antichrist zal komen en zal de Kerk al meer in haar wurgende greep nemen. En de legerscharen van de antichrist zullen hopen dat ze Gods Kerk met één slag van de aardbodem kunnen verdelgen.

Maar, lezen we in het boek Openbaring, dan zal aan de wolken gezien worden, het teken van de Zoon des mensen, Jezus Christus. God keert hun trotse ontwerpen om. Dan zullen de vijanden smeken. ‘Bergen, val op mij! Heuvelen, bedek ons voor het oog van Hem!’

Wat een grote omkering zal er op die jongste dag zijn, als de Heere alle vijanden zal verpletteren en Gods Kerk haar Koning eeuwig mag aanschouwen en mag delen in de volkomen verlossing die in Christus Jezus is. Omgekeerd! Zo zal het ook in de toekomst zijn.

 

Zo is het omgekeerd. Trek die lijn maar door naar uw eigen leven. Want zo moet het ook persoonlijk in uw leven en in jouw leven worden.

Snappen jullie wat ik bedoel, meisjes en jongens? Ik heb het net over Paulus gehad. Paulus was ook een vijand van God. Maar toen is het in zijn leven omgekeerd. Hij werd van een vijand een vriend van God. Is het in jouw leven ook al omgekeerd? Dat je een vriend bent geworden van de Heere? Want, meisjes en jongens, ook vandaag zegt Hij weer tot jou, dat Hij het is Die jou Zijn vriendschap biedt.

Of zit u een beetje tegen te sputteren: ‘Vijanden? Ik een vijand?’

Gemeente, waar de Heilige Geest met Zijn ontdekkend licht komt, leer ik het: ‘Ik ben een vijand, niet alleen van God, maar ook van genade.’ Wat kunnen we dan prutsen en wat kunnen we dan werken om zelf maar weer eens iets aan te slepen om voor God te kunnen bestaan. Maar om dan te leren dat onze beste werken niet voor God kunnen bestaan, als Zijn heilig licht daar over valt.

Al onze gerechtigheden, een wegwerpelijk kleed. Dan kom je in de schuld. Dan heb je niets anders dan zonde en schuld. Dan kom je als een vijand in jezelf terecht aan Zijn voeten. Dan wordt het omgekeerd. ‘Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen. Genâ, o God.’

 

Omgekeerd… Meisjes, jongens, is het in jullie leven al omgekeerd? ‘Ja maar…’ Ach, één blijk van Zijn liefde, en je hele leven staat ondersteboven. Toets je leven er eens aan. Hol niet door in je vijandschap. Smeek toch: ‘Heere, nu heb ik in de kerk gehoord dat ik van nature een vijand ben. Open mijn ogen ervoor.’ Want dan zegt de profeet Amos ook tegen jullie: Zoekt de Heere en leeft (Amos 5:6).

Gemeente, hebt u er wel eens erg in gekregen, dat we zulke vijanden, ook van genade zijn? Wat willen we graag wat toebrengen. Een emotie. Een ontroering. Een traan. Iets vrooms. En vervolgens willen we er een grond van maken. Altijd maar weer iets buiten de Heere Jezus.

Als het goed is ga je toch zien een vijand van genade te zijn. Waar ben ik toch mee bezig, om via een mooi omweggetje mezelf te handhaven?

Maar het is te wensen dat nu eens alles uit je handen geslagen wordt, en je als een doemwaardige zondaar aan de voeten van Jezus terechtkomt. Opdat het wordt: Jezus alleen! Want dan houden we niets meer over dan alleen de genade van God, in de Heere Jezus. Omgekeerd! Is het in uw leven omgekeerd?

Luther heeft daar eens iets moois van gezegd: ‘Een zalige ruil. Mijn schuld, mijn oordeel, op Hem. Zijn gerechtigheid, Jezus’ betaling, op mij.’ Dat is ook omgekeerd. Want anders is het vreselijk als je met de vijanden voor eeuwig moet omkomen.

 

Gemeente, er waren er onder de vijanden die hoopten te heersen. Ze hoopten het. Ze verheugden zich erop om te heersen. Maar de menselijke hoop is zo bedrieglijk. Je komt wel eens mensen tegen die een hoopje op dit of op dat hebben. Maar nee, we moeten van een vijand een vriend worden. Wedergeboren worden! Dan word je zondaar in jezelf. Maar dan wordt in het hart niet een menselijke hoop geboren, maar een levende hoop, in Hem. Want dan gaat mijn hoop er aan. Maar dan komt er toch een levende hoop op Zijn belofte voor in de plaats, in een weg van ontdekking, van ontlediging en ontgronding. Dan wordt het: En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U (Ps. 39:8). En daarom, hoopt op de Heere, gij vromen!

 

Omgekeerd. We hebben gelet op de Heere, als de Veroorzaker. In de tweede plaats nu de voortzetting. Maar laten we eerst samen zingen uit Psalm 68 het eerste vers:

 

De Heer’ zal opstaan tot de strijd;

Hij zal Zijn haters, wijd en zijd,

Verjaagd, verstrooid doen zuchten;

Hoe trots Zijn vijand wezen moog’,

Hij zal, voor Zijn ontzaglijk oog,

Al sidderende vluchten.

Gij zult hen, daar G’ in glans verschijnt,

Als rook en damp, die ras verdwijnt,

Verdrijven en doen dolen.

’t Godd’loze volk wordt haast tot as;

’t Zal voor Uw oog vergaan, als was,

Dat smelt voor gloênde kolen.

 

2. De voortzetting van deze omkering

 

We lezen in dit hoofdstuk dat de Joden plotseling heel eensgezind worden. Er is geen tweedracht, er is geen twist, er is geen wrok. En als er dingen waren die dwars zaten, de strijdbijl hebben ze nu echt wel begraven. Want, als de vijand er aankomt, op die dertiende van de twaalfde maand, dan staan ze schouder aan schouder. Dan vormen ze één blok tegen de vijand.

We lezen verder dat er een schrik op het hele rijk van de Meden en Perzen is gevallen. Want ze moeten sterven door het zwaard van de Joden.

Daarin ligt voor ons natuurlijk ook een les. Meisjes en jongens, dat kunnen jullie wel begrijpen. Denk je eens in dat je een heel goed leven hebt. Sterke en goede wapens. De modernste wapens. Maar dan ontstaat er muiterij. Een gedeelte van de soldaten is het niet eens met de gang van zaken. Zij komen in opstand. Er komt ruzie. Dan kun je nóg zo’n goed leven hebben, maar dan heb je er helemaal niets aan.

In de Bijbel lees je daarover een mooi voorbeeld. Denk maar aan Gideon. Hij had maar een klein legertje. De Midianieten hadden een heel groot leger. Een sterk leger. Maar wat deed de Heere? Hij zaaide verwarring, Hij zaaide paniek, zodat dat hele grote leger van de Midianieten wegvluchtte voor dat kleine leger van Gideon. Want als een leger één blok vormt, al is het klein, dan is het sterk. Dit zien we ook hier in het rijk van de Meden en de Perzen. Al is het maar een klein groepje Joden, de Heere doet hen triomferen.

 

Eigenlijk is dit heel beschamend. Vindt u niet? Want hoe is het gesteld met de eendracht onder ons? Hoe ligt dat hier in de gemeente, en in het hele kerkelijke leven? De wereld let er ook op, hoor. Ook het formulier van het Avondmaal wijst op tweedracht en sekten en meer van die dingen. Een oud spreekwoord zegt het ook: ‘Eendracht maakt macht, tweedracht breekt kracht.’ De duivel lacht erom.

Wat is het erg als de kerk zo weinig laat zien wat ze eigenlijk moet zijn. Zo weinig van wat we in de Twaalf Artikelen belijden: één heilige algemene christelijke Kerk. Wat beschamend als de één zegt: ‘Ik ben van Paulus’, en de ander: ‘Ik ben van Apollos.’ Paulus zegt dan: ‘U bent vleselijk!’

Gemeente, over het algemeen gesproken is het niet altijd zo best gesteld onder ons kerkmensen. Maar laat het dan toch tot troost zijn dat de Heere heeft beloofd dat het één kudde en één Herder zal worden. De Heere Zelf zal ervoor instaan.

Maar wat zou ervoor nodig zijn om tot eenheid te komen? Voor die eenheid onder de Joden was de haat van de Amalekieten nodig. Wat zou er vandaag nodig zijn om tot eenheid te komen? Welke verdrukking zal er nodig zijn om samen te brengen wat samen hoort?

 

Wat lezen we dan verder? Wel, in die tijd kreeg Mórdechai grote invloed bij de koning. Leest u het maar in het vierde vers: Want Mórdechai was groot in het huis des konings, en zijn gerucht ging uit door alle landschappen; want die man, Mórdechai, werd doorgaans groter.

Je leest iets dergelijks in de Bijbel ook over Izak. Hij werd door de Heere rijk gezegend: En die man werd groot – lezen we – ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was (Gen. 26:13).

 

We zien dus dat de positie van Mórdechai meewerkt ten goede. Nee, dat betekende niet dat Mórdechai groot werd in zichzelf. Want waar de vreze des Heeren is, worden we klein in onszelf. Denk maar aan David die zegt: Door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt (2 Sam. 22:36). Zo maakt de Heere Zijn kinderen groot. Door ze te verootmoedigen en ze af te breken in zichzelf. Dat zien we in de praktijk. Ook bij Mórdechai. De vreze des Heeren. Daar ging wat van uit in dat rijk van de Meden en Perzen.

Gemeente, zulke Mórdechai ’s hebben wij ook vandaag nodig. Want mensen kunnen soms praten als Brugman over godsdienst als over een benauwend leven. Maar hoe is ons leven? We zien zo vaak het tegengestelde. Zoveel mensen die het met het oude en met de zonde zo goed kunnen uithouden. We gooien het zo makkelijk op een akkoordje met de wereld. Doordeweeks is er dan weinig meer te merken van de vreze des Heeren. Maar als de Heere genade verheerlijkt, dan worden wij aller zonden vijand. Dan gaan we de wereld haten en mijden.

Dat betekent natuurlijk niet dat we niet in de zonden kunnen vallen. Want dat moeten Gods kinderen ook allemaal pijnlijk ervaren en erkennen. Ervaren dat ze zo vaak struikelen en in zonden vallen. Maar in de zonden blijven, in de zonden leven, dat kan niet meer. Dan moeten ze steeds weer tot verootmoediging komen, en worden de zonden opnieuw beleden en beweend.

 

In vers 6 zien we dan de voortzetting van die omkering. We lezen daar: En in de burcht Susan hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen. En een stukje verder lees je dan ook nog dat de tien zonen van Haman werden opgehangen. Waarschijnlijk zat in de burcht Susan de haard van het verzet. Daar was de grootste en broeiende haat tegen de Joden en tegen het volk van God.

Als dan die tien zonen van Haman gedood worden, zien we dat het Woord zo waar is. De misdaad der vaderen wordt bezocht aan de kinderen, tot in het derde en het vierde lid dergenen die Hem haten. Want de kinderen van Haman gingen in hetzelfde spoor als hun vader.

Natuurlijk, we worden ook om onze persoonlijke zonden gestraft. Want de Heere zegt: De ziel die zondigt, die zal sterven (Ez. 18:4). Maar we zien ook dat als we als ouders in ons zondige leven doorgaan, dat de kinderen daarin ook weer doorgaan. Hier zie je ook de straf. Dan gaat de Heere de misdaad van de vaderen bezoeken aan de kinderen. Maar gelukkig is er ook een andere kant. Als kinderen niet wandelen in de zondige wegen van hun ouders, wil de Heere Zijn zegen nog geven.

Meisjes en jongens, daarvan lezen we ook een voorbeeld in de Bijbel. Korach werd levend begraven vanwege zijn zonden. Maar omdat de kinderen van Korach niet meegedaan hadden, stierven ze niet. Want het is wel waar dat God in het straffen tot in het derde en vierde geslacht doortelt, maar in Zijn genade, in Zijn verbondsgenade, tot in duizend geslachten. Daarom ziet de Heere ons en onze kinderen zo graag onder Zijn Woord.

 

Tien zonen van Haman opgehangen. Dat is wat! Haman had zo opgeschept over zijn kinderen. Hij had gesproken over de veelheid van zijn zonen. Natuurlijk is het een voorrecht als je kinderen heb, maar roem niet in je kinderen. Die roemt, roeme in de Heere, Die onze kinderen aan onze zorgen heeft toevertrouwd. Laat het ons gebed zijn dat de Heere onze kinderen ook in Zijn inzettingen doet wandelen.

Ook bij de zoons van Haman gaat het om de Amalekieten. Zij moesten worden uitgeroeid. Weet u het nog, uit het begin van het boek Esther? Haman, de Agagiet. Want hij was een nakomeling van de Amalekieten, die Saul niet gedood had.

Hier zie je het oordeel van God doorgaan. Wat Saul nagelaten had, zie je hier volvoerd worden.

 

Koning Ahasveros krijgt bericht wat er die dag allemaal is gebeurd: vijfhonderd mensen gedood. Tien zonen van Haman opgehangen. Ahasveros krijgt te horen: Zo is het omgekeerd. Hij hoort hoevelen er alleen al in de burcht Susan zijn gedood. Hij hoort het aantal: vijfhonderd!

Ahasveros gaat dan naar Esther toe, en zegt tegen Esther: Te Susan op de burcht hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen en de tien zonen van Haman; wat hebben zij al in de andere landschappen des konings gedaan? Wat is nu uw bede? en het zal u gegeven worden; of wat is verder uw verzoek? het zal geschieden.

 

Als je die woorden van koning Ahasveros leest, blijkt daaruit dat de koning er niet bedroefd om is geweest dat er vijfhonderd mensen zijn omgekomen. Dat zie je zo dikwijls bij vorsten in het oosten. Zij keken niet op een mensenleven meer of minder.

Maar dat is niet alleen in het oosten zo. Dat is in onze maatschappij ook zo. Een mensenleven telt toch niet? Neem bijvoorbeeld abortus, of euthanasie. Men vergeet dat dan een ziel voor God moet verschijnen. ‘Nee’, zegt men, ‘als ik het leven niet meer zie als kwaliteit, dan mag ik het beëindigen.’ En zo heeft een mensenleven geen waarde.

Maar bij de Heere is een enkel mensenleven wel in tel. Dat een mensenleven bij Hem telt, heeft de Heere bewezen in de zending van Zijn Zoon, de Heere Jezus, Die gekomen is om zondaren te verlossen. Hij laat Zijn evangelie prediken, opdat zondaren zouden leren wie ze zijn. Opdat ze zouden leren hun leven te verliezen en het niet meer in eigen hand te houden, opdat ze het leven zouden zoeken bij Jezus alleen. En iedereen die onder het Woord zit, wordt daarin aangesproken. Ook vandaag! De Heere zegt: ‘Ik heb geen lust in uw of jouw dood.’

Gemeente, als we door Gods Geest worden bearbeid, moeten we altijd zeggen: ‘Waarom was het op mij gemunt?’ Want, meisjes en jongens, als je echt mag luisteren, je snapt wel wat ik bedoel, als je echt mag luisteren, dat je merkt: die preek is voor mij, dan lijkt het wel of de Heere er maar eentje op het oog heeft, en dat ben jij. Zó werkt de Heere, en dan telt een mensenleven wél. Bij de wereld is dat niet zo, maar God, onze Schepper, heeft ons geschapen naar Zijn beeld, opdat we Hem zouden dienen en eren.

Meisjes, jongens, nu hebben wij het beeld van God verloren. Maar Hij eist het wel terug. En het is zo dat het alleen in wedergeboorte weer terug ontvangen kan worden. Door het werk van de Geest van Christus.

 

We zagen dat Esther opnieuw bij de koning komt. Ahasveros stelt dan nog eens een vraag aan Esther. Leest u het twaalfde vers van ons teksthoofdstuk maar. Daarin zegt hij: Wat is nu uw bede? en het zal u gegeven worden; of wat is verder uw verzoek? het zal geschieden.

Wat wil Ahasveros daarmee laten zien? Wel, hij wil duidelijk maken dat hij Esther nog even goedgunstig gezind is als eerst. Ahasvéros ziet hoe de zaak van de Joden Esther aan het hart gaat.

Wat denken jullie, meisjes en jongens? Esther was natuurlijk ook een Jodin. Zij kon ook gedood worden door de Meden en Perzen. Zou zij ook klaargestaan hebben met een zwaard? Zou zij ook klaargestaan hebben met een dolk? Ik denk het niet.

Tóch denk ik dat ze op die dertiende dag met een zwaard heeft gestaan, namelijk met het zwaard van het gebed. Want we lezen van Esther dat ze was begonnen met vasten en bidden. En wat zal ze gebeden hebben!

Gemeente, gebruikt u zo ook wel eens het zwaard van het gebed? Ook als je in je eigen hart de tegenstand en de vijandschap en de zonde ontdekt? Gebruik dan toch alsjeblieft dat zwaard van het gebed. Om het te bestrijden met het zwaard van het gebed. ‘Heere, leer mij, bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn.’

 

‘Esther vraag maar, en het zal gebeuren.’ Wat horen we Esther dan vragen? Wel, zij vraagt of de Joden ook de veertiende, dus een dag later, zich zouden mogen verdedigen: ‘Koning, niet alleen vandaag, maar ook morgen de veertiende. Mogen ze zich dan alstublieft ook verdedigen?’

Ziet u? Esther vraagt dus om de voortzetting van die omkering: ‘Ook morgen, koning. Mogen ze zich dan ook verdedigen?’ Nu zijn er mensen die dat in Esther hebben veroordeeld. Zij zeggen: 'Esther, Esther, was het nog niet genoeg? Zoveel mensen gedood. Is er niet genoeg bloed gevloeid? Moet er dan nóg een slachting komen?’

Gemeente, dan bekijken we dit toch niet goed. Want als Esther vraagt of die omkering voortgezet mag worden, of de Joden zich de volgende dag weer met het zwaard verdedigen mogen, dan is dat niet een wraakactie van Esther. Het is ook niet zo dat de Joden toestemming krijgen om iedereen die ze maar tegenkomen naar hartenlust te mogen doden. Nee, de Joden heersten slechts over haters, die met boze bedoelingen tot hen zouden komen. Het gaat er alleen om, om zich dan alsnog te mogen verdedigen. Want Esther weet maar al te goed dat de vijanden van de Joden niet onderschat moeten worden.

 

Vijanden van het volk van God zijn ten diepste ook vijanden van de komende Messias, vijanden van Christus. Wij moeten dus als Esther de vijanden maar niet onderschatten. Die vijand van binnen en van buiten. Want deze vijanden zijn bezet met een duivelse haat. Want u weet dat het in het boek Esther gaat om die aloude strijd, om de Christus Die uit dit volk zou voortkomen.

Esther wist dat de boze zich niet voetstoots zou neerleggen bij deze nederlaag. Dat het nu omgekeerd wordt, daarbij zal de vijand zich niet zomaar neerleggen. Nee, ze leggen niet zomaar de wapens neer. Ondanks het afschrikwekkende van al die mensen die gedood zijn, ondanks dat afschrikwekkende voorbeeld van de zonen van Haman die aan de galg bengelen, weet Esther dat de vijand het niet zomaar zal opgeven. Ook vandaag moeten we onze vijanden maar niet onderschatten.

We zien in de gebeurtenissen die hier beschreven worden, dat Esther gelijk heeft. Want dan breekt de veertiende van de twaalfde maand aan. Je ziet opnieuw dat de burcht Susan lijkt op een broeinest. Maar de Heere geeft Zijn volk opnieuw de overwinning.

Opnieuw is het omgekeerd. U moet eens lezen wat er staat. Tot driemaal toe lees je in dit gedeelte dat de Joden hun handen niet sloegen aan de roof. Wat betekent dat? Wel, de Joden houden hun hoofd koel. Ze sloegen hun handen niet aan de roof.

Ze hadden natuurlijk ook kunnen roven en stelen uit de huizen van die mensen die ze gedood hadden. Ze hadden daartoe ook het recht. Maar de Joden streden niet vanuit hebzucht, maar om hun leven te behouden. Het was hun een heilige zaak. Het ging hun om het behoud van Gods volk. Het ging hier ten diepste om de Christus, om de Messias, de Heere Jezus Die zou komen.

 

Gemeente, je ziet hier bij de Joden, als ze hun hand niet sloegen aan de roof, iets van de geest van Abram. Na de strijd wil de koning van Sodom Abram belonen, maar dan zegt Abram tegen de koning: Ik heb mijn hand opgeheven tot de Heere, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; Zo ik van een draad af tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles wat uwe is, iets neme; opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt (Gen. 14:22-23).

Waar gaat het Abram dan om? Het gaat hem erom dat de Heere niet onteerd wordt. Want Abram wist dat het allemaal van de Heere is. Zo is het nu hier ook. God moet alleen de eer krijgen. Ze sloegen hun hand niet aan de roof. Zij namen niets van de buit mee. Als de Joden, in de geest van Abram, niets van de buit willen nemen, dan onderstrepen ze daarmee: ‘De Heere der heren, Die doet ons triomferen.’

 

We zagen in ons tweede punt: de voortzetting van de omkering.

We zingen eerst nog uit Psalm 68 het achtste vers:

 

Dat Basans hemelhoge berg

Met al zijn heuv’len Sion terg’,

En wane t’ overtreffen;

Wat springt gij, bergen, trots omhoog?

Wat wilt g’ u, in der volken oog,

Bij Sions berg verheffen?

God Zelf heeft deze berg begeerd

Ter woning, om, aldaar geëerd,

Zijn heerlijkheid te tonen;

De Heer’, Die hem verkozen heeft,

Die trouwe houdt, en eeuwig leeft,

Zal hier ook eeuwig wonen.

 

3. De vreugde door deze omkering

 

We lezen: Dit geschiedde op de dertiende dag der maand Adar, en op de veertiende derzelve rustten zij, en zij maakten dezelve een dag der maaltijden en der vreugde.

Na de dertiende breekt er rust aan. Maar op de burcht Susan werd nog doorgestreden. Daarin zie je ook weer een beeld van de Kerk op deze aarde. Want we lezen dat er in de landschappen al rust is en vrede en feest, maar in Susan moet nog gestreden worden.

Gemeente, wij leven nog in vrijheid, maar op veel plaatsen wordt de kerk verdrukt. Zo is het ook in geestelijk opzicht. Sommigen van Gods kinderen ervaren vrede en rust, terwijl anderen met strijd te maken hebben. Strijd en rust wisselen elkaar af. Hoewel het vaak ervaren wordt dat een tijd van strijd en druk de meest vruchtbare is. Dan wordt het ondervonden dat de Heere de druk verlicht, en dat er dan ervaren mag worden:

 

Ik zal, nu ik mag ademhalen,

Na zoveel bange tegenspoed,

Al mijn geloften U betalen,

U, Die in nood mij hebt behoed.

 

In de landschappen was rust, op de burcht Susan ging de strijd nog door. Maar uiteindelijk is het ook op de burcht Susan omgekeerd. Toen is het feest gevierd, lezen we in het achttiende en negentiende vers, en der zending van delen aan elkander.

Wat betekent dat? Dit betekent dat men elkaar cadeaus heeft gegeven. Het betekent ook dat de armen geschenken kregen. Want blijdschap en vreugde maken ook mededeelzaam. Als de Heere stof tot juichen en blijdschap geeft, zal dat dan ook niet uitkomen in de gaven voor Zijn dienst?

 

Feest en vreugde. Hoe is het met onze feesten? Zijn die tot eer van God? Er wordt veel gefeest en een mens hunkert ook naar feesten. Toch kunnen we best wel eens kritische kanttekeningen zetten bij onze feesten. Want wat zijn dat voor feesten?

De Heere zegt op een zeker ogenblik: ‘Ik zal uw feesten in rouw veranderen.’ Is het dan niet goed om feest te vieren?

Natuurlijk is dat goed. Maar niet in grote dronkenheid. Het ware feest wordt immers gevierd in de binnenkamer. Zo zullen er ook in de binnenkamer Joden zijn geweest die dat feest hebben beleefd: ‘Heere, U hebt de rollen omgedraaid. U hebt het gedaan. O God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan.’

Hebben wij ook zulke feesten? Feesten in de binnenkamer? Het feest waarin de Heere geloofd en geprezen wordt? ‘Heere, wat bent U goed voor een slecht mens!’

Laat de wereld dan hun feesten maar vieren, maar als ik ellendig ben en nooddruftig, maar dan iets mag zien van die heerlijkheid van de Heere, en van de genade in de Heere Jezus, voor zo’n slecht mens als ik, gemeente, dan is het feest in de binnenkamer. Een feest waarvan Ledeboer gezongen heeft: ‘Voor ene kus van Jezus mond, ruil ik al deze zwarte grond.’

 

De grote omkering. Amelek uitgeroeid. Gods volk mag de overwinning behalen door Hem. Hier wordt al geprofeteerd dat de gedachtenis van Amelek van onder de hemel zal uitgeroeid worden. Dat staat in de Bijbel.

Daarom nog één keer in uw gedachten naar Susan. Vreugde en feest! Maar wat gaat daar? We zien daar de rouwklagers gaan. Daar lopen de begrafenisstoeten. Achthonderd vijanden gedood. Wat een tegenstelling. Feest en rouw.

Zo zal het straks ook zijn, als Jezus wederkomt. Eeuwige rouw voor de vijanden. Maar vijanden die vrienden zijn geworden zullen eeuwig feestvieren bij de Heere.

Wat zal het voor u zijn? Eeuwige smart of eeuwig feest?

 

Amen.

 

 

Slotzang: Avondzang: 1, 2, 7

 

O grote Christus, eeuwig licht!

Niets is bedekt voor Uw gezicht;

Die ons bestraalt, waar wij ook gaan,

Al schijnt geen zon, al licht geen maan.

 

Toon ons Uw goedheid en Uw macht,

Door Uw bescherming, deze nacht;

Behoed ons tegen ramp en leed,

En blijf tot onze hulp gereed.

 

O Vader, dat Uw liefd’ ons blijk’;

O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk;

O Geest, zend Uwen troost ons neer;

Drie-enig God, U zij al d’ eer!