Ds. D.W. Tuinier - Nehemia 2

Gods trouw voor Nehemia

Gods trouw ervaren
Gods trouw bestreden
Gods trouw beoefend

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 67: 1
Lezen : Nehemia 2
Zingen : Psalm 118: 3
Zingen : Psalm 123: 1
Zingen : Psalm 56: 6

Gemeente, Gods Woord is ons voorgelezen uit Nehemia 2. Ik lees u alleen nog het laatste vers. In het twintigste vers lezen we:

 

Toen gaf ik hun tot antwoord en zeide tot hen: God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen; maar gijlieden hebt geen deel, noch gerechtigheid, noch gedachtenis in Jeruzalem.

 

We schrijven onder de tekst en boven de preek: Gods trouw voor Nehemia.

 

Drie aandachtspunten:

1. Gods trouw ervaren

2. Gods trouw bestreden

3. Gods trouw beoefend

 

1. Gods trouw ervaren

 

Gods Woord ligt open bij het Bijbelboek Nehemia. De geschiedenissen van Nehemia. Zijn naam betekent vanuit het Hebreeuws hetzelfde als Noach. Noach betekent: Deze zal ons troosten (Gen. 5:29). Dat is ook de rijke inhoud van de naam van Nehemia. Wat een mooie en betekenisvolle naam!

We weten uit zijn leven dat hij de Heere vreest. Hoe weten we dat? Omdat hij een gebedsleven beoefent. Hij kent de verborgen omgangen met God vanuit de praktijk. Hij is een man van het gebed, daar in het verre Babel, in ballingschap. Nehemia heeft een binnenkamer.

 

Hier hebt u de eerste les die op u afkomt vanuit deze geschiedenis. We kennen Nehemia als een dapper held, een krachtige leider, een stevige persoonlijkheid, een inspirerende, onverzettelijke, standvastige man. Anders gezegd: hij is een pilaar in het Koninkrijk van God. Maar dat kan hij alleen zijn omdat hij een binnenkamer heeft, waar hij dagelijks zijn knieën buigt.

En dat is vrucht van de rijke bediening van de meerdere Nehemia, Die zit aan de rechterhand van Zijn Vader in de hemel. Nehemia kan op aarde alleen tot rijke zegen zijn, als hij zelf in zijn dagelijkse armoede bedelt bij de Bron. Hij wordt vanuit de Levensbron bediend. Hij ontvangt dagelijks manna. Hij wordt met hemels brood verzadigd.

Gemeente, u kunt alleen getroost leven en zalig sterven, maar ook dienstbaar zijn op de plaats waar God u stelt, als u gedurig in afhankelijkheid van de Heere uw weg gaat.

 

Omdat Nehemia geleid wordt door de Geest der genade en der gebeden, heeft hij hoge gedachten van God en kleine van zichzelf. Hij leert zijn eigen krachten verachten en wordt meer en meer uitgedreven tot de troon der genade. In deze weg wil God kleine, nietige en afhankelijke mensen gebruiken tot de opbouw van Zijn Koninkrijk.

 

We weten uit hoofdstuk 1 dat Nehemia op een dag bezoek krijgt van zijn broer Hanáni uit Jeruzalem. Het is een familiebezoek, waarnaar hij heeft uitgekeken. Tijdens dat bezoek vertelt zijn broer hem dat de muren van Jeruzalem nog steeds in puin liggen. Alles in en rondom de stad is nog een grote puinhoop. Dat slaat bij Nehemia naar binnen. Hij vindt het heel erg. Hij ligt er van wakker. De last van de in puin liggende muren van Jeruzalem wordt op zijn ziel gebonden.

Eigenlijk is heel hoofdstuk 1 een lang, aanhoudend en vurig gebed, een diepe klacht. Gods kind en knecht bedrijft rouw als hij hoort over de vervallen toestand van zijn vaderstad. Biddend en worstelend is hij daarmee werkzaam aan de troon van Gods genade.

 

Gemeente, waar zijn de Nehemia’s? Hebt u een binnenkamer? Kent u een biddend leven? Beoefent u de verborgen omgang met de Heere? Het is alles genade, dat weet ik. Maar deze vragen komen wel naar u toe, en die moeten eerlijk worden beantwoord. Waar zijn de Nehemia’s die ’s nachts wakker liggen over de situatie in de wereld? Als het gaat om het gruis, de puinhopen van de muren van ons land en de maatschappij, zijn dat opgebonden zaken voor u? Wat doet u met de in puin liggende muren van Gods kerk in ons vaderland?

Vooral… maakt u het heel persoonlijk, blijft u dichtbij huis, keer tot uzelf in… ligt u wel eens wakker van de in puin liggende muren van uw persoonlijk leven? Wat hebben wij van ons leven een puinhoop gemaakt! En dat weet u wel verstandelijk, maar is dat wel eens naar u toegekomen? Is het weleens bij u naar binnen geslagen? O, dat gruis in uw hart! Uw leven hoort een stad te zijn, met muren. U hoort te leven naar Gods eer, naar Zijn wil en wet, en daarvan komt niets terecht.

Daar heeft Nehemia kennis aan. De schuld van land en volk is zíjn schuld en zonde voor God geworden. Hij worstelt er mee aan de voeten van de Heere, als een rechteloze en onwaardige. Uit de diepten van zijn ellenden roept hij tot God, Die alleen heil kan zenden.

 

Heel hoofdstuk 1 is één ontroerend gebed. God maakt Zijn Woord waar: Maar op dezen zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft (Jes. 66:2). Op zulke Nehemia’s ziet Hij neer.

 

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog,

Op hen het oog,

Die need’rig knielen;

Maar ziet van ver met gramschap aan

De ijd’le waan

Der trotse zielen

 

Hij, Die zo hoog en heilig is, Hij ziet neer op hen die tot Hem komen met smeking en met geween. Ook hier ziet u het arme zondaarsleven. Het bedelaarsleven is de hoogste stand in het leven van Gods genade. Dat is de gouden draad die u in deze geschiedenis tegenkomt.

 

Noodrufigen zal Hij verschonen;

Aan armen, uit genâ,

Zijn hulpe ter verlossing tonen;

Hij slaat hun zielen gâ.

 

Op een gegeven ogenblik komen de Perzische koning en Nehemia met elkaar in gesprek. De koning vraagt aan hem de reden dat hij zo bedrukt is. ‘Nehemia, waarom ben je zo gespannen? Waarom staan je ogen zo verdrietig?’ Terwijl in die tijd een man als Nehemia, met deze hoge positie in de directe nabijheid van de koning, helemaal niet verdrietig mag kijken. Dat is ten strengste verboden. Toch merkt de koning het aan zijn trouwe dienaar en zegt: ‘Vertel eens, Nehemia.’

Dan krijgt hij vrijmoedigheid. De Heere heeft hem vrijmoedigheid om de koning te vertellen wat hem terneerdrukt. Ook vraagt hij beleefd of hij verlof krijgt om naar Jeruzalem te gaan om de in puin liggende muren te herbouwen.

 

U leest in het tweede gedeelte van vers 4: Toen bad ik tot God van de hemel. Steeds komt dat weer terug. Nee, dat is geen verdienste van Nehemia. We schrijven niets op zijn rekening. Dat is bediening van Boven. Meer dan Nehemia is Hij, de grote Voorbidder van Zijn Kerk, Die door Zijn Woord en Geest Nehemia’s op Zijn leerschool bidden leert. Dat is Zijn liefste werk. En als vrucht daarvan leest u: Toen bad ik tot God van de hemel.

 

Verstaat u het, gemeente? Tussen de beslommeringen van elke dag… Toen bad ik tot God van de hemel. Natuurlijk hebt u uw vaste gebedstijden, net als Daniël. Maar Nehemia doet het hier tussen de bedrijven door. Hij bidt met de pet op, zoals ze dat vroeger zeiden. Hij neemt zijn toevlucht tot God. Hij zucht in stilte tot de Heere. En hij wordt niet beschaamd. Opnieuw blijkt dat wie op God vertrouwt, zeker niet op zand bouwt. Wat is de Heere goed, wat is Hij groot!

 

De koning zegt: ‘Nehemia, het is goed. Ik geef je toestemming om te gaan. Ik geef je daarbij ook nog een vrije en veilige doortocht voor onderweg.’ U leest het in de verzen 7 en 8.

En zo gebeurt het. De koning geeft hem koninklijke brieven mee. Al zijn wensen en verlangens worden ingewilligd. De Heere neigt het hart van koning Arthahsasta tot alles wat Hij wil. Ja, zelfs méér dan dat. Nehemia ontvangt boven verwachting, zodat hij aan het einde van vers 8 mag zeggen: En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij.

Hij ervaart de goede hand van God. Gods goede hand, Zijn trouwe zorg. Nee, de verklaring ligt niet en nooit in Nehemia. Wat is de mens, wat is in hem te prijzen…? Dat weet Nehemia zelf maar al te goed, als vrucht van genade. Daarom belijdt hij: En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij.

Mag u dit ook wel eens doen, Gods goede hand opmerken? Zijn trouw belijden? Wat wordt u dan klein en ootmoedig. U eindigt in het wonder. U stemt in met de dichter:

 

Menigwerf heeft Hij uw druk,

Doen verand’ren in geluk;

Hoop op Hem, sla ‘t oog naar boven;

Ik zal God, mijn God, nog loven.

 

Zo gaat Nehemia in afhankelijkheid van de God van de hemel zijn weg. Biddend, zijn zonde belijdend en op Gods trouw pleitend, maar ook in verwondering, in Hem eindigend.

 

Ziet u de lijn van hem naar de grote Nehemia? Zijn naam is Trooster. Hij troost het hart dat schreiend tot Hem vlucht en zucht. Hij is de grote Voorbidder en Doorbidder, Die troostelozen troost en voor hen bidt.

Ook al heeft Nehemia een hoge positie aan het hof van de Perzische koning, hij blijft een bedelaar. Al dient hij de Perzische koning dag en nacht, hij zoekt allereerst en vooral het aangezicht van de allerhoogste Koning. In die weg wordt Gods trouw ervaren.

Meer dan Nehemia is Hij, de Heere Jezus Christus, Die altijd leeft om voor Zijn Nehemia’s op aarde, in het strijdperk van dit leven, te bidden. Hij is nog veel meer verdrietig en bedroefd over het gruis van Sion, de puinhopen van Zijn kerk. Hij weent over Zijn schepping. Hij bedrijft rouw over Zijn schepselen, zo nameloos diep gevallen, verloren in zonden en schuld. Hij is nog veel meer bedroefd over de puinhopen van uw leven, uw zonde en schuld.

Hij is niet alleen bedroefd, maar ook innerlijk bewogen. Hij staat voor u in het gewaad van Zijn Woord, zoals Hij eenmaal voor de poorten van Jeruzalem stond: Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild (Matth. 23:37).

 

Nehemia bidt dagelijks. De grote Nehemia bidt altijd. Deze Nehemia juicht al eeuwen voor Gods troon. De grote Nehemia gaat nog door, ook vandaag, om door Woord en Geest Zijn gemeente, door de Vader verkoren, toe te brengen.

De laatste van Zijn uitverkoren Kerk is nog niet toegebracht. Zijn huis is nog niet vol. Daarom, gemeente, er is nog plaats op Zijn leerschool. Hij roept u toe: Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht (Matth. 11:29-30).

Gods trouw voor Nehemia, Gods trouw voor ons. Wij zijn er nog. U bent het levende bewijs van Gods lankmoedigheid en verdraagzaamheid. Het is voor u nog het heden van de genade. Wat krijgen wij nog veel, in onderscheiding van zoveel anderen. Gods trouw is groot over ons. Er is alle reden om ons met Nehemia te verootmoedigen en te vernederen. Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.

 

We gaan er samen van zingen, Psalm 123 vers 1:

 

Ik hef tot U, Die in de hemel zit,

Mijn ogen op, en bid;

Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren,

Om nooddruft te begeren,

En ‘t oog der maagd is op haar vrouw geslagen,

Om hulp of gunst te vragen;

Zo slaan wij ‘t oog op onze Heer’, tot Hij

Ook ons genadig zij.

 

We schrijven onder de tekst en boven de preek: Gods trouw voor Nehemia. Het eerste aandachtspunt was: Gods trouw ervaren. We letten nu op:

 

2. Gods trouw bestreden

 

Eindelijk neemt Nehemia afscheid en komt hij na een voorspoedige reis in Jeruzalem aan. Hij krijgt zelfs een vrijgeleide en koninklijke brieven mee. Bij aankomst blijft hij eerst drie dagen in Jeruzalem. Hij gaat niet over één nacht ijs. Hij neemt geen overhaaste beslissingen. Hij voelt het gewicht van de zaak. Dit is niet zomaar iets.

Pas na drie dagen begint zijn inspectietocht. Hij gaat de situatie van het gruis van Jeruzalem, de in puin liggende muren, verkennen. En dat doet hij in de nacht. Niemand hoeft daarvan te weten. Nee, dat doet hij niet om geheimzinnig te doen. Dit zijn zaken tussen de Heere en zijn ziel, heel persoonlijk. Ze liggen heel teer. Nehemia is hier als de stille Maria. Wij hoeven niet direct met bepaalde zaken naar buiten te komen. Gods werk komt op Zijn tijd en op Zijn wijze openbaar. Daarvoor zal Hij Zelf zorg dragen. Wat spreekt Hij dikwijls in de nacht. Ook hier in deze geschiedenis.

Nehemia schrijft in vers 12: En ik gaf geen mens te kennen, wat mijn God in mijn hart gegeven had om aan Jeruzalem te doen. Hier zie je wat Gods genade vermag. Mijn God… Het geloof is in oefening. Gods eer is op zijn hart gebonden. De liefde van Christus vervult zijn ziel. Nehemia mag hier ‘mijnen’. Mijn God… in mijn hart…

 

Maar reken erop dat, als u iets van het leven van Nehemia kent, dat de strijd u niet bespaard blijft. Het is hier het land van de rust niet. Het wordt aangevochten. Er komt verzet en vijandschap.

In vers 10 worden de vijanden met name genoemd: Sanballat en Tobia. Wat een minachting en spot klinkt er door in hun woorden en daden. Het woordje mishagen, verachten wordt genoemd. En het is niet zo’n klein beetje mishagen ook: Met groot mishagen.

 

Dan schrijft Nehemia dat er een mens gekomen was. Een mens… Ja, dat is hij en dat bent u ook, niets meer en niets minder. Daarmee is alles gezegd. Een mens, een Adamskind, één uit het verloren paradijs. Nehemia schrijft dat er een mens gekomen is om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israëls.

Wat goeds… omdat hij geleid en geregeerd wordt door de meerdere Nehemia. Hij is zijn Leidsman en leert hem hoe hij wandelen en handelen moet. Daarom komt hij in de middellijke weg naar Jeruzalem om wat goeds voor de kinderen Israëls te zoeken. Daarom verkondigen Gods knechten het evangelie van vrije genade. Daarom komen de broeders op huisbezoek. Dat is de reden dat jullie ambtelijk onderwijs ontvangen, jongelui. Daarom mogen jullie naar school, kinderen en jonge mensen, om onderwezen te worden, op grond van Schrift en belijdenis.

In de middellijke weg wil de Heere door mensen, door Hem aangesteld, het goede voor u en jullie zoeken! Dat is Zijn liefde, Zijn genade, Zijn Geest. Opdat jullie je hoop op God zouden stellen. Opdat je je hart aan Hem geven zult. Opdat je de onberouwelijke keus van de Moabitische Ruth mag doen of vernieuwen: Uw volk is mijn volk en uw God mijn God (Ruth 1:16). Opdat Gods Geest de hartelijke keus van Mozes werkt of versterkt: Verkiezende liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben (Hebr. 11:25).

Daarom wordt Nehemia door God naar Jeruzalem gezonden: om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israëls. De meerdere Nehemia is naar deze wereld gekomen om het goede aan te brengen. Hij kwam om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Hij is gekomen om het geschonden recht van Zijn Vader te verheerlijken, om de weg te banen, waardoor in puin liggende muren, de in gruis liggende stad van uw leven, herbouwd kan worden.

 

Maar… daar komt veel tegenop. Sanballat en Tobia verzetten zich tegen de komst van Nehemia. Gods trouw wordt bestreden. De vijand wil dit niet. De Jodenhaat en de strijd tussen het vrouwen- en het slangenzaad komt ook hier openbaar.

Dit is hoogst actueel, gemeente. De Sanballats en de Tobia’s zijn springlevend. Leg de krant er maar naast en ze komen op u af. De vijand wil Nehemia niet. Hij wil de meerdere Nehemia niet. Hij bevestigt Adams diepe val, in zijn blindheid en doodstaat. Nu reeds wordt bevestigd: Hij, de meerdere Nehemia, zal komen om het goede voor Zijn volk, voor Jeruzalem te zoeken.

Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben hem niet aangenomen (Joh. 1:11). Hij, Die op deze wereld kwam om het goede te zoeken, de eer van Zijn Vader, heeft op Goede Vrijdag uitgeroepen: Het is volbracht (Joh. 19:30). Hij is door de Sanballats en de Tobia’s buitengeworpen en gekruisigd. En Zijn knecht Nehemia moet hier al ervaren: In de wereld zult gij verdrukking hebben (Joh. 16:33). Ze haten de Koning, maar ook Zijn knechten en kinderen.

Het zal er niet gemakkelijker op worden. Want waar God werkt, waar Hij Zijn kerk bouwt, daar zijn de Sanballats en de Tobia’s op de been. En vergeet daarbij Gesem, de Arabier, niet.

 

Ondanks deze strijd gaat Nehemia door. Hoe dan? Opnieuw leest u het steeds terugkerende refrein: Toen bad ik tot God van de hemel. Hij gaat door in de kracht van het geloof.

Wat gebeurt er? Op een gegeven ogenblik, na de nachtelijke inspectietocht, roept hij de oudsten, de overheden, bij elkaar. Hij vertelt hun het doel van zijn komst. Om hun harten te overreden, in te winnen en te overtuigen van de ernst van die zaak, moet hij veel moeite doen. Maar hij houdt vol. Vol goede moed en standvastig scherpt hij de oudsten op. Ze moeten het met zijn God wagen! De herbouw van de muren van de stad is alleen mogelijk in de kracht en in de mogendheid van Hem, Wiens naam is: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid en Vredevorst.

 

Hij zegt in vers 20: Toen gaf ik hun tot antwoord… Daar staat Gods knecht, als een rots in de branding. Wat komt er veel op hem af! Maar hij kijkt naar boven. Toen gaf ik hun tot antwoord en zeide tot hen: God van de hemel… Rotsvast, onwankelbaar staat hij daar. Vol geloofsvertrouwen op zijn Heere. Hij regeert. Hij staat boven alles. Het loopt Hem niet uit de hand.

God van de hemel… Daarom is er uitzicht en perspectief in deze ondergaande wereld. Daarom is er verwachting voor het gruis van Sion. Daarom is er ook hoop voor hopeloze zielen, voor mensen die met het puin van hun leven, van zonde en schuld, in hun zonden en ellenden tot Hem zich ter genezing wenden.

 

God van de hemel… Wat een evangeliedienaar! Daar begint Nehemia. In het paradijs hebben we gezegd: ‘Wij! Wij eerst!’ Het is alles best, maar God houden we voor het lest. Ik, ik, ik… Maar dit is genade: God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken.

‘Mensen, verwacht het niet van uzelf! Verwacht het niet van uw eigen kennen en kunnen. Vest op prinsen en zeker op uzelf geen vertrouwen, waar men nimmer heil bij vindt. Zie niet op Sanballat en Tobia. Maar…

 

Zalig hij, die in dit leven

Jakobs God ter hulpe heeft!

 

God van de hemel… Hij is de Eerste in mijn leven. Hij is steeds weer de Eerste. Mensen, wat een wonder! Hij is de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. God van de hemel… Ik sta hier niet voor mezelf. Ik kom niet met mezelf. Ik spreek niet op persoonlijke titel. Ik ben een evangeliedienaar. God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken. Het is naar Zijn wil, het is Zijn raad, het is naar Zijn welbehagen dat ik naar jullie toegekomen ben. Daarom niet ‘ik’, niet ‘wij’, maar God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken.

 

God van de hemel… Gemeente, wat er ook op u afkomt, hoe onmogelijk de weg ook voor u is, zeker ook als het gaat om het heil van uw onsterfelijke ziel, zie omhoog! Verwacht het van de Heere, de nooit beschamende Rotssteen.

God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen. Dit is geloof. Als u op de omstandigheden ziet, het puin van de stad, de Sanballats en Tobia’s, dan ontvalt u alle moed. Maar Nehemia ziet omhoog. De Heere tilt hem boven alles uit, en doet hem ervaren dat hij die op Hem vertrouwt, niet wordt teleurgesteld.

 

We gaan naar ons derde punt:

 

3. Gods trouw beoefend

 

God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken. Van Hem moeten we het hebben. In Hem ligt onze hoop en verwachting. In Hem ligt de vastheid, de zekerheid en de troost van de zaligheid van Gods Kerk verankerd.

De meerdere Nehemia heeft vrede op aarde gebracht. En Hij heeft het niet alleen gebracht. Door Zijn Geest worden vijanden met God verzoend en goddelozen gerechtvaardigd. Hij overwint de Sanballats en Tobia’s. Hij vernedert ze. Hij leert hen eigen wapens van vijandschap en verzet inleveren, zodat ze voor Hem capituleren en smeken: ‘Genâ, o God, genâ, hoor hoe een boeteling pleit.’ Dan volgt de onvoorwaardelijke overgave.

 

God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken. Wat bent u ongelukkig als u God niet kent. Wat ben je arm, jongens en meisjes, als je de Heere niet lief hebt. Maar nu wil Gods eigen Zoon indalen in de diepste diepten, in ons ongeluk, om armen en nooddruftigen op te zoeken in hun Godsgemis en hen rijk te maken in Hem.

 

God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken. Dat kunt u gemakkelijk zeggen als alles u voor de wind gaat. Het is niet moeilijk dit te belijden als de zon schijnt. Maar als het nu eens anders gaat dan u verwacht… U staat voor muren van onmogelijkheden, naar de mens gesproken. De stormen in uw leven steken op. Dan wordt het anders. Dan is het gelóóf als u met Nehemia belijdt: God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken. Dat is geloofsvertrouwen.

 

Daarbij hoort: En wij, Zijn knechten…

Knechten zijn uit de tijd. Toch is het beeld duidelijk. Knecht zijn, dat betekent: luisteren naar de baas, hem gehoorzaam zijn. U bent afhankelijk. Dat is de gestalte van het hart van Nehemia. God is zijn Meester. 

Knecht zijn… In het oorspronkelijke woord staat er een woord dat ziet op: dienen. Dienen in de kracht en door de kracht van de grote Bedienaar des heiligdoms, de Knecht des Vaders. Vanuit Zijn bediening mogen Zijn kinderen dienen, knecht zijn.

Wij, Zijn knechten… Dat houdt in: dichtbij de Meester zijn, in de nabijheid van de grote Knecht. Op Hem zien, Hem gehoorzamen, doen wat Hij zegt, Zijn voetstappen drukken. En als u in Zijn troostvolle nabijheid verkeren mag, dan gaat u ook op Hem lijken. U gaat Hem nadoen. U mag Zijn beeld vertonen. En als vrucht daarvan mogen anderen voor Zijn dienst worden gewonnen.

Gemeente, waar zijn de Nehemia’s? Waar zijn ze, die de verborgen omgang met de Heere beoefenen en levende gidsen zijn voor onze onbekeerde naaste? Waar zijn de Nehemia’s, die het beeld van Jezus Christus vertonen, die leesbare brieven zijn van Hem en naar Hem ruiken, hun naasten op de brede weg van het verderf waarschuwen voor de zonden en de wereld, en groot en goed spreken van hun Koning, en Zijn liefdedienst aanprijzen? Bent u zo’n Nehemia?

 

Wij, Zijn knechten… Zijn dienaren. Nee, wij spelen niet de baas, wij heersen niet, wij dwingen niet, wij drijven niet onze zin door, maar wij worden geroepen om te dienen, in de kracht en mogendheid van onze Meester.

Dienen… In afhankelijkheid van Hem en onder biddend opzien tot Hem, zullen wij ons opmaken en bouwen. Want Híj bouwt! Wij niet. Hij bouwt en Hij breekt af. Het is niet ons werk. Het hangt niet van ons af, gelukkig niet. Dan kwam er niets van terecht. Wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen. Alle kramp en inzet van mensen valt in dat licht weg. In Zijn kracht staat u in de vrijheid die in Hem is. Uw oog is op Hem gericht. U mag van mensen, van de omstandigheden en van uzelf afzien, en opzien tot Hem, Die trouwe houdt en eeuwig leeft en nooit laat varen de werken van Zijn handen.

God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken. Het is goed wat Hij doet. God is recht in al Zijn weg en werk. En wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen.

 

Maar, zo besluit Nehemia, als u ongehoorzaam bent, blijft u een Sanballat of Tobia. Dan blijft u onbekeerd en onverzoend. Dan hebt u geen deel, noch gerechtigheid, noch gedachtenis in Jeruzalem. Aangrijpende werkelijkheid!

De goddelozen wordt het eeuwig wee aangezegd. Het zal hen eeuwig kwalijk gaan in de dag van het oordeel. Wee u, wee u, als u zich niet bekeert. Dan hebt u geen deel, noch gerechtigheid in Jeruzalem. Dan ligt u verloren. Dan gaat u verloren, voor eeuwig, om eigen schuld. Alleen Christus’ gerechtigheid redt van de dood.

Nehemia predikt de boodschap van zonde en genade, wet en evangelie. Hij spreekt met twee woorden: dood en leven, vloek en zegen. Hij is als Paulus, die zegt: Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof (2 Kor. 5:11). De andere kant is dat de liefde van Christus hem dringt. Ik bid u, alsof God door mij bidt: Laat u met God verzoenen (2 Kor. 5:20).

 

Hier blijft Gods volk knecht. Het wordt nooit méér. Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm (een dienend) volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen (Zef. 3:12). In de hemel zullen alle Nehemia’s de meerdere Nehemia dag en nacht dienen in Zijn tempel.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 56:6

 

Gij hebt mijn ziel beveiligd voor de dood;

Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot’;

Gij zijt voor mij een schild in alle nood;

Gij hebt mijn smart verdreven;

Uw dierb’re gunst is m’ altoos bijgebleven.

’k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven;

Zo word’ door mij Zijn Naam altoos verheven;

Zo word’ Zijn lof vergroot.