Ds. S.W. Janse - Openbaring 3 : 14 - 22

De laatste brief

Het adres van deze brief
De Afzender van deze brief
De bestraffing in deze brief
De raadgeving in deze brief
De bemoediging in deze brief

Openbaring 3 : 14 - 22

Openbaring 3
14
En schrijf aan den engel van de Gemeente der Laodicensen: Dit zegt de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods:
15
Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet!
16
Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.
17
Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.
18
Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.
19
Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u.
20
Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.
21
Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
22
Die oren heeft, die hore, wat de Geest tot de Gemeenten zegt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 117
Lezen : Openbaring 3: 14-22
Zingen : Psalm 49: 1, 3, 6
Zingen : Psalm 25: 6
Zingen : Psalm 89: 7

Gemeente, we overdenken samen het gedeelte dat u is voorgelezen, Openbaring 3 vers 14 tot en met 22. We lezen alleen het veertiende vers:

 

En schrijf aan de engel van de gemeente der Laodicenzen: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods.

 

Het gaat in deze tekstwoorden over: De laatste brief.

 

We letten op een aantal gedachten:

1. Het adres van deze brief (vers 14a: En schrijf aan de engel van de gemeente der Laodicenzen)

2. De Afzender van deze brief (vers 14b: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods)

3. De bestraffing in deze brief (vers 15 tot en met 17)

4. De raadgeving in deze brief (vers 18)

5. De bemoediging in deze brief (vers 19 tot en met 22)

 

1. Het adres van deze brief

 

Je zult maar een brief uit de hemel krijgen! Dat is iets bijzonders. Zeven brieven zijn er verstuurd en ze komen van Boven. Zeven gemeenten in Klein-Azië, in het huidige Turkije, krijgen een boodschap van God Zelf. Als je een brief krijgt, jongens en meisjes, dan maak je die snel open. Dan ben je daar nieuwsgierig naar. En nu laat de Heere in deze dienst een brief voorlezen. Een brief gericht aan de gemeente van Laodicea, maar ook aan onze gemeente. God Zelf spreekt!

 

De verhoogde Middelaar gaat schrijven aan de zeven gemeenten in Turkije. Daar gaat het in het bijzonder over in het eerste deel van de Openbaring aan Johannes (de hoofdstukken 1 tot en met 3).

We zeggen het eigenlijk nogal eens verkeerd: de Openbaring ván Johannes. Maar er staat in het eerste hoofdstuk nadrukkelijk dat Christus gaat spreken tot Johannes en dat Híj het zegt. Het is dus de Openbaring van Jezus Christus aan Zijn dienstknecht Johannes. Openbaren wil zeggen: iets bekendmaken wat verborgen is. Het is net alsof de Heere in dit Bijbelboek de gordijnen iets opzijschuift en ons iets gaat tonen wat zo onbekend is.

Waar is Johannes op dat moment, jongens en meisjes? Hij is eenzaam op het eiland Patmos, in de Egeïsche Zee. Een eiland waar alleen mensen naar toe gestuurd werden die verbannen werden. Johannes leefde onder keizer Domitianus. In het jaar 95 is hij daar op dat eiland. Je moet het je maar eens indenken, dat je daar dan nóóit meer vandaan kunt. Dan moet je daar dus sterven…

Johannes is naar dat eiland verbannen. En als hij dan bij helder weer aan de kust staat, dan kan hij daar in de verte Efeze zien liggen. Efeze is de gemeente die hij heeft gediend, maar waar hij nu ver van verwijderd is. Je zou in zulke omstandigheden niet weten hoe het verder moet. De moed zou je ontzinken.

 

En nu gaat de Heere juist daar een hemels bezoek brengen, aan de discipel welken Jezus liefhad. Want hij is het. Ondertussen is Johannes zo’n honderd jaar oud geworden. En dan gaat de Heere hem bemoedigen.

Zo zien we dat Bijbelboek Openbaring vaak niet. We zien het vaak als een boek vol oordelen. Dat is ook zo. Het is een aangrijpend boek, juist wanneer de Heere gaat zeggen dat de oordelen zo laag hangen en dat Hij komt om de aarde te richten. Toch is het ook een troostvol boek. De Heere gaat deze Johannes namelijk moed inspreken.

Hij zegt in hoofdstuk 1: ‘Ik wandel in het midden van de zeven kandelaren (dat zijn de zeven gemeenten). Ik zal, strijdende Kerk, betonen dat Ik met u ben, tot aan de voleinding der wereld.’ Al woedt de hel dan. Al gaat satan hevig tekeer. Al zegt iedereen: ‘Er komt nooit meer wat van, het gaat niet goed.’ Johannes mag horen dat Hij de Getrouwe is, en de waarachtige Getuige.

 

En zo gaat Christus Johannes dicteren wat hij op moet schrijven.

Je ziet Johannes als het ware zitten, daar aan de kust. Hij heeft zijn inktkoker gepakt, zijn pen in de inkt gedoopt en dan gaat hij schrijven. Zeven brieven. En dan komt hij ook bij de laatste brief. Die vraagt nu onze aandacht.

 

Aan wie moet Johannes deze brief gaan schrijven? En schrijf aan de engel van de gemeente der Laodicenzen, zo staat hier.

Het is opmerkelijk dat de verhoogde Zaligmaker in alle andere brieven de gemeente prijst, maar deze gemeente niet. In deze brief is het eigenlijk één aanklacht. Het is een vlijmscherpe brief die Johannes moet doorgeven aan de engel van de gemeente der Laodicenzen. Wie is dat, de engel? Eigenlijk staat er, jongens en meisjes: de voorganger, zeg maar: de dominee, de ouderling. Iemand die daar leiding geeft. En dat zijn mensen, uit het stof verrezen, dus geen engelen. Maar het woord engel wil eigenlijk zeggen: bode, boodschapper. Daarom deze uitdrukking. ‘Ga het maar aan die man schrijven, die de gemeente van Laodicea mag leiden!’

 

Waar ligt dat, Laodicea? Het ligt in het westen van Turkije. Vroeger heette dat Klein-Azië. Er waren drie grote steden die eigenlijk bij elkaar lagen: Kolosse, Hiërapolis en Laodicea. Het waren handelssteden, rijke steden, bekende steden. En daar ergens in Laodicea heeft de Heere een gemeente. We weten dat de Heere een zekere Epafras gezonden heeft naar die gemeente. Hij kwam uit Kolosse. Hij heeft daar een gemeente gesticht, zo lezen we in de Kolossenzenbrief. Daar is dus ook een volk dat God dient en vreest. En die gemeente krijgt een brief. Aan hen is deze brief geadresseerd.

 

Wie is de Afzender? Daarop letten we in onze tweede gedachte:

 

2. De Afzender van deze brief

 

We zien het staan in vers 14: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods.

Dit zegt de Amen. Dat is een bekend woord, gemeente, jongelui. Een woord dat we vaak verkeerd begrijpen. Als het amen klinkt, dan is het gebed of de preek klaar. Maar dát wil dat woord natuurlijk niet zeggen. Het betekent: vast en zeker. Het is zeker waar! En zo gaat Christus Zichzelf noemen. De Amen, Die niet liegen kan. Mensen kunnen soms liegen dat het gedrukt staat. Die zeggen ‘ja’ en ze doen ‘nee’. Dat is ons beeld, gemeente. En nu zegt de Heere: ‘Ik ben de Amen.’

 

Er staat nog meer: De trouwe en waarachtige Getuige. Die getrouw is, en dat voor ontrouwen. Een getuige is iemand die het zelf gezien heeft. Die heeft erbij gestaan. En nu zegt Christus: ‘Gemeente van Laodicea, u denkt wel dat Ik het niet zie, dat Ik er niet bij ben, maar Ik zie het wel terdege. Ik ben de Alwetende.’

Hij noemt zichzelf ook het Begin der schepping Gods. Het Begin van alles wat geschapen is. En hoe heeft de Heere dat gedaan, jongens en meisjes? Door Zijn woord. Een enkel woord en de Heere schiep iets. Hij maakte iets uit niets. En zo zegt de Heere hier als het ware: ‘Ik heb maar één woord nodig. Ik spreek en het is er. Ik gebied en het wordt terstond.’

‘Ik moet u gaan toespreken’, zegt de Middelaar. ‘Ik heb een woord voor u. Ik weet uw werken…’ Ja, de Heere is eerlijk. En gemeente, wat is dat belangrijk! De Heere ziet namelijk ons hart aan. En dan kan de boodschap wel eens niet aangenaam zijn. Dan moet u misschien wel eens zeggen: ‘Is dat zó scherp? Gaat dat nu zó diep?’

De Heere gaat als het ware huisbezoek houden in die gemeente. We zouden zeggen: kerkvisitatie. Hij gaat vragen naar één ding: wat is nu eigenlijk de vrucht? En dat is een veroordelend woord. We letten er op in de derde gedachte:

 

3. De bestraffing in deze brief

 

Ik weet uw werken, zo lezen we in vers 15, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart of heet! ‘Ik weet ervan af’, zegt de Heere. ‘Ik weet alles. Ik peil het hart.’

Ik weet uw werken. Wat zijn dan de werken van de Laodicenzen? Er staat: ze zijn niet koud en ze zijn niet heet, maar ze zitten er ergens tussenin. Ze zijn lauw.

Christus sluit daarbij aan bij bekende beelden voor deze gemeenteleden. De gemeente van Laodicea wist heel goed dat er in Kolosse koudwaterbronnen waren. Ze wisten heel goed dat er een eindje verder in die grote stad Hiërapolis heetwaterbronnen waren. En wat gebeurde er dan met dat water? Het water dat uit Hiërapolis kwam, was heet. Dat werd door pijpleidingen en over aquaducten vervoerd. En als het bij Laodicea kwam, was het natuurlijk niet heet meer. Dan was het lauw. En als je dan reizigers had die de stad kwamen bezoeken, dan bukten ze zich wel eens neer bij die beekjes om wat te drinken. Maar dan walgden ze ervan. Bah, dat water hoefden ze niet; het was lauw! Dat is het beeld. Dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.

 

Wat wordt daar nu mee bedoeld? Wie zijn dat die koud zijn? Het gaat niet alleen over de gemeente van Laodicea, maar het gaat over ons allen, op en onder de kansel. Leg uw hart er maar naast. Als deze brief voorgelezen wordt, smeek dan maar: ‘Heere, als U hier voor ons staat, wilt U dan Zelf geven dat mijn hart en blinde zielsogen geopend worden, en dat ik het ga verstaan?’

Koud zijn we, als we nog onbekeerd zijn, als we onverschillig zijn, als we eigenlijk niets van de Heere en Zijn dienst moeten hebben. Jongens en meisjes, ijskoud, zo is ons hart.

En wat wordt met ‘heet’ bedoeld? Dan denk je aan vuur. Dat is warm. Als de Heere nu gaat werken door Zijn Heilige Geest – dat is de bedoeling van deze woorden – dan gaat de Heere in de wedergeboorte dat liefdevuur ontsteken. Dan krijg ik liefde tot de Heere. Dan wordt die liefde als het ware gaande gemaakt. Dan krijg ik uitgangen naar een onbekende Middelaar. Tot Zijn dienst, tot Zijn dag, tot Zijn Naam, tot Zijn volk. Dan is er liefde in mijn ziel gekomen.

En nu zijn er ook mensen die lauw zijn. Zijn er dan drie soorten mensen? Nee, er zijn twee soorten mensen: bekeerd en onbekeerd. Maar er zijn mensen die onbekeerd zijn, maar die zijn zo lauw. Dat wil zeggen: we proberen op zondag wat naar Gods Woord te leven en doordeweeks kan alles er mee door. God wat en de wereld wat…

 

Die mensen in Laodicea waren handelslieden. Die wisten wel wat handelen en verhandelen was. Die sloten vaak een compromis. Dat is lauw zijn. Dat is uw bestaan ook van nature. Vroeger zeiden ze wel: ‘Wel veel godsdienst, maar geen Godsvreze.’ Je zou zeggen: het is eigenlijk niet zo duidelijk. Waar zitten die mensen nu? Aan welke kant staan ze nu? Het komt niet openbaar in hun leven.

Daarom zegt de Heere: ‘Ik ben de Alwetende. Ik ken uw hart. Er moet een keuze komen. U moet niet langer hinken op twee gedachten, God en de Mammon. U kunt niet zomaar neutraal zijn.’

Lauw, staat hier. We zijn óf voor Hem óf tegen Hem. Het is Koning Jezus of koning satan. We zeggen weleens: de hemel verkwikt niet en de hel verschrikt niet. We gaan gewoon maar door. We leven maar ons leventje. Dat is de aanklacht die de Heere aan deze gemeente geeft, en ook aan ons in deze dienst.

 

Maar deze woorden zijn niet alleen gericht tot mensen die God niet kennen. Het wordt in het bijzonder gezegd tot de gemeente van Laodicea, waar mensen waren die de Heere dienden. Kan dat dan? Ja, Gods volk kan lauw worden en o zo meegaan in de zonde. Ze kunnen zo overvallen worden door de begeerten van hun hart, door de listen van satan, door de omleidingen van de vorst der duisternis, zodat het verschil met een onbekeerde niet zichtbaar is. Dan is het leven eruit. Dan is de kracht eruit. Dan leven ze nog wat op oud voedsel. Dan is de vlam gedoofd. Ja, dan zijn ze lauw.

En wat zegt de Heere dan? Ik zal u uit Mijn mond spuwen, staat hier. ‘Ik sta op het punt om u uit te spugen. Ik heb daar een walging van.’ En daarom: Och, of gij koud waart of heet! En niet zomaar tussenin.

Dat is de bestraffing, gemeente. Het is wat! Als je onbekeerd bent, maar ook als je genade mag kennen en je moet zeggen: ‘Waar zijn de tijden gebleven dat ik dag en nacht naar God vroeg? Dat ik moest zeggen: Heere, ik kan zonder U niet verder leven. Heere, ik kan geen stap zetten buiten Uw gunst en gemeenschap om. En nu, alles ingezonken, alles zo laag laten liggen.’

Ik zal u uit Mijn mond spuwen. Dat is het oordeel. Dat is een scherp oordeel. Het is net als die reizigers die dat water in één keer uitspogen. Zo komt de Heere met Zijn bestraffing.

 

De Heere heeft nog meer: Gij zegt… Wat zeggen die mensen dan? Drie dingen: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek. De Heere zegt heel eenvoudig: ‘U bent lauw, niet koud en niet heet.’ En dan gaan ze daar tegenin. Ze zeggen: ‘Dat valt eigenlijk nog wel mee. Zo erg is het toch niet met ons? Want we zijn rijk!’ Nou ja, kijk maar om je heen in Laodicea. Een buitengewone stad! Je zou zeggen: daar woont de elite. Daar wonen miljonairs. Daar wordt goud verhandeld, zo blijkt straks wel uit vers 18. Daar zat het bankwezen. Daar was geld genoeg. ‘Ja,’ zeggen ze, ‘we hebben ons verrijkt, en we hebben geen enkel ding gebrek.’ Niet alleen in het natuurlijke, maar ook in het geestelijke. Ze hebben alles.

En dan zegt de Heere toch tegen zulke mensen: Ik zal u uit Mijn mond spuwen.

 

Misschien is dat ook wel onze taal, gemeente. Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek.  Dat getuigt niet van zelfkennis. En als de Heilige Geest gaat werken, dan gaat Hij zelfkennis geven, en Godskennis. Dan ga ik zien wie ik ben voor God.

Daarom gaat de Heere verder. Hij zegt als het ware: ‘Jullie noemen maar drie dingen. Dat is het beeld dat u hebt over uzelf. Maar zal Ik het beeld eens schetsen dat Ik van u heb?’

En dan noemt Hij vijf dingen: ellendig, jammerlijk,arm, blind en naakt. Het is of Christus zegt: ‘U denkt precies het tegenovergestelde. U meent dat u alles hebt, maar Ik ga zeggen: u bezit helemaal niets. Dat weet u niet.’

Wanneer ga ik dat wel weten? Als de Heilige Geest mij gaat ontdekken. Als de Heilige Geest mijn verstand gaat verlichten, mij gaat overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. Dan kom ik hier achter.

 

Jongelui, het is of de Middelaar, met eerbied gesproken, de pijlkoker pakt en die pijlen afvuurt. Eén voor één schiet Hij ze de gemeente in. En de eerste pijl is: u zegt dat u rijk bent, verrijkt, en geen gebrek hebt, maar Ik zeg: u bent ellendig! Ellendig wil zeggen: uitlandig. U bent weggelopen uit het paradijs. Daar was het goed. Daar bent u volmaakt geschapen, naar Gods evenbeeld, maar u hebt Mij de dienst opgezegd. U bent gevlucht van voor Mijn aangezicht. Uitlandig, dat is uw bestaan.

We hebben gezegd: ‘Heere we hebben liever een andere koning. We willen niet dat U Koning bent over ons. Wijk maar van ons, aan de kennis van Uw wegen heb ik toch geen lust.’ Wat ben je ellendig als je omzwerft buiten God, buiten Zijn gunst en gemeenschap. Dan ben je een balling; dat is ons beeld.

Maar het is nog niet klaar. De tweede pijl wordt afgevuurd. Hij gaat die gemeente omschrijven als jammerlijk. Eigenlijk staat er: u bent te beklagen. U bent in een beklagenswaardige toestand gekomen. U leeft hier in een tranendal, in een jammerdal, als gevolg van de zonde. En daarom: jammerlijk.

 

Arm, dat is de derde pijl die afgevuurd wordt. Terwijl zij zeggen dat ze rijk en verrijkt zijn! En dan kijken ze om zich heen, en dan zien ze die fraaie huizen. Maar de Heere zegt: ‘Ik kan maar één ding zeggen, gemeente van Laodicea, dat is: u bent arm, u mist alles, u hebt niets. Onbekeerd, onverzoend, ongered, u hebt God niet tot uw deel.’

Arm. Een grote schuld. Dat is ons bestaan, gemeente. In het paradijs zijn we door God  als het ware failliet verklaard. We lopen met een hemelhoge schuld over deze wereld, en we kunnen het niet betalen. Arm.

 

Dan gaat de Allerhoogste nog een pijl afvuren, de vierde: blind. Het is eigenlijk heel bijzonder dat Christus dat ook zegt. Dat komt nog een keer terug in het vervolg van de tekst als het gaat over de ogenzalf. Juist blinde mensen kwamen toen vaak naar Laodicea, want daar was ogenzalf. Daar was een medisch centrum, zouden we zeggen. Een gespecialiseerd ziekenhuis waar mensen speciaal oogwater konden halen. Als dát niet hielp, dan hielp er eigenlijk niets tegen. En nu zegt de Heere: ‘Nu hebt u alles in huis om te kunnen zien, maar nu ga Ik als de Alwetende zeggen: met al die middelen bent u en blijft u blind.’

Dat is ons bestaan, gemeente. Een verduisterd verstand, blind in ’s hemels wegen, geen verstand van God en Goddelijke zaken. Geen kennis van onszelf, van God en van Christus. En daarom in één woord: blind.

 

Ten slotte de laatste pijl die Hij afvuurt: en naakt. Dat is ook opmerkelijk. Want als het gaat over die stad Laodicea, die midden in dat dal lag, dan liepen daar, jongens en meisjes, de schapen rond. Van die schapenwol werd juist kléding gemaakt. Er was daar een bloeiende textielindustrie.

En nu zegt de Heere: ‘Nu kunt u zelf wel kleding maken, maar Ik heb iets tegen u, en dat is: u bent naakt. U kunt uzelf wel oppronken en opdossen en noem maar op, maar wat Ik zie is: u kunt voor God niet bestaan. U kunt voor God niet verschijnen, met alles wat u probeert. Ik zie wie u werkelijk bent. U mist het kleed der gerechtigheid. U mist de mantel des heils. Ja, u mist het kleed van die tollenaar: O God, wees mij zondaar genadig (Luk. 18:13).’ En daarom deze ernstige bestraffing, die vandaag ook tot ons komt.

 

Vijf pijlen die afgevuurd worden. De Heere zegt: ‘Dát is nu uw en jouw bestaan!’

Zou er dan raad zijn? Zou er dan bij God vandaan doen aan zijn voor deze gemeente van Laodicea? En voor ons, gemeente, vandaag? De Heere gaat Zelf raad geven. We gaan er op letten in onze vierde gedachte.

 

De dichter zingt daar ook over, en wij gaan dat ook eerst doen, uit Psalm 25 het zesde vers:

 

Wie heeft lust de Heer’ te vrezen,

’t Allerhoogst en eeuwig goed?

God zal Zelf zijn Leidsman wezen;

Leren hoe hij wand’len moet.

’t Goed dat nimmermeer vergaat,

Zal hij ongestoord verwerven,

En zijn Godgeheiligd zaad

Zal ’t gezegend aardrijk erven.
 

We overdenken: de laatste brief, aan de gemeente van Laodicea. We hebben gezien: het adres, de Afzender en de bestraffing. En dan gaat de Heere ten vierde ook raad geven.

 

4. De raadgeving in deze brief

 

Het goed dat nimmermeer vergaat… Daar gaat de Heere op wijzen in de tekstwoorden die in deze dienst voor ons openliggen. En dan blijft de Heere in dat beeld van die rijke handelsstad. Die mensen die het zo goed met zichzelf getroffen hadden, die zo zelfvoldaan waren. We hebben gehoord, dat is ons beeld van nature. Eigengerechtigd, net als de farizeeërs. Wat zijn ze trots op hun rijkdom! Ze gaan prat op hun inkomen.

En nu gaat de Heere zeggen: ‘Ik ben de hémelse Koopman. Ik ga u raad geven in deze omstandigheden.’ Dus de Heere wijst niet alleen de ellende aan, maar Hij wijst ook de weg aan waardoor ze uit die ellende verlost kunnen worden.

En dan gaat Hij niet dwingen, maar dan gaat Hij ráden. Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur. Het tweede: witte klederen. En het derde: zalf uw ogen met ogenzalf. In de oorspronkelijke taal ligt alle nadruk op Hém. Ik raad u dat gij van Míj koopt…

Gemeente, goede raad is duur. Laten we die raad vandaag maar opvolgen. De Heere buigt Zich in Zijn goedheid vandaag zo laag neer, en Hij smeekt, bidt, nodigt, roept: Ik raad u…

 

Wat moet er dan gekocht worden? Goud, staat er. Dat kenden ze wel. Maar nu gaat Christus spreken over een ander goud. De kanttekenaren zeggen: het goud van het geloof. Dat ware geloof dat ons verbindt aan de Middelaar. Dat ware geloof dat de Heilige Geest gaat werken.

En waaruit blijkt nu de echtheid van het geloof? Uit de beproeving ervan! Net zoals goud. Er zijn wel mensen die goud zoeken en ook vinden. Maar het goud is vies, dat ziet er niet uit. Dan gooien ze dat goud in het vuur. Dan wordt het gezuiverd, gelouterd, gereinigd. Dan blijft alleen het échte goud over, en het andere vergaat. Daar wordt hier over gesproken: goud, beproefd komende uit het vuur. Wat is wáár voor God? Wat de beproeving kan doorstaan.

 

Dat is de vraag, gemeente, of u dat ware geloof bezit. Misschien zegt u: ‘Dat heb ik niet.’ Het wordt in deze dienst om niet verkondigd! Dan staat daar vandaag die hemelse Marktkoopman op de markt van vrije genade. Jongelui, het is vandaag marktdag in de kerk! Daar staat die Koopman. Wat deelt Hij uit? Goederen, schatten, gaven. Voor wie? Voor lauwe zondaren. Voor mensen die in een jammerlijke toestand verkeren. Die beklagenswaardig zijn. Die arm zijn. Die blind zijn. Die naakt zijn. Die ellendig zijn. En Hij gaat die schatten aanbieden. Hij laat ze verkondigen en voor ogen schilderen. Ik raad u dat gij van Mij koopt goud.

U zegt: ‘Hoe zit dat dan? Moet dat dan gekócht worden? Het is toch om níet? Moet ik daar dan wat voor doen?’ Jesaja 55 geeft het antwoord. Daar wordt ook gesproken over die markt van vrije genade. Het is zonder prijs en zonder geld! In het gewone leven gaat dat natuurlijk niet zo. Dan ga je niet naar de markt toe zonder een cent op zak. Maar nu zegt de Heere vandaag: ‘Laat al die kooppenningen maar thuis! Laat al dat geld maar achterwege.’ Dat is nu genade, dat het om niet verkondigd en uitgedeeld wordt. Aan bedelaars.

 

Opdat gij rijk moogt worden. Want ze waren arm. Heb je dat weleens gevoeld? Zijn er hier van die armen? Zijn er hier die moeten zeggen: ‘Dat is nu mijn leven, wat Zefanja tekent: een ellendig en arm volk (Zef. 3:12). Heere, ik heb nu helemaal niets meer. Heere, ik ga over deze wereld als iemand die enkel tekort heeft, die een hemelhoge schuld heeft. Er moet betaald worden, en ik kan niet betalen.’ Zijn er hier die iets gevoelen van Gods heilig recht, van Gods rechtvaardigheid, dat op de ziel gaat wegen? En dan zo’n boodschap te mogen horen, dat het nu om niet is, uit genade! Dat goud van Zijn verdienste, zo zeggen ook onze kanttekenaren.

 

Maar er is nog meer. Wat biedt Hij aan? Er staat: witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde. Witte kleding. Daarbij sluit Hij dus aan bij die bloeiende textielindustrie. Ze begrepen dit beeld allemaal. Nu zegt de Heere: ‘Nu heb Ik voor naakten witte kleding.’

Dat beeld komt vaak terug in Openbaring. Ook in hoofdstuk 7 staat dat ze klederen ontvangen, wit gewassen in dat bloed van Christus. En nu zegt de Heere hier: ‘Hebt u dan niets meer? Ik heb het! Mist u dan alle gerechtigheid? Hier heb Ik de mantel der gerechtigheid.’ Want daar wijst het op, zeggen onze kanttekenaren.

Moet u zeggen: ‘Ik ben zo onheilig, zo vuil, zo besmet, zo zondig’? Dan zegt Hij: ‘Dan heb Ik hier een kleed van heiligheid.’ Dat is wat! De Heere brengt ze in deze tekst dus in de kleedkamer. Witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde.

 

Wit wijst op reinheid, op heiligheid. En als er nu vandaag een volk moet zeggen: ‘O Heere, dat ben ik nu juist níet. Ik ben bezoedeld door de zonde, onrein, vlekken, smetten, schuld…’, dan gaat de Heere juist wijzen op deze hemelse Koopman. En dan laat Hij niet alleen dat goud schitteren, maar dan laat Hij ook die kleding zien. Wat een wonder, gemeente: de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde.

 

Dáárom hebben we kleding aan. Toen Adam en Eva gezondigd hadden, toen werden ze gewaar dat ze naakt waren. Dat kon in het paradijs gewoon. Daar was helemaal niks mis mee. Maar toen de mens gezondigd had, ging hij zich schamen. Daarom kwam er kleding. Kleding is dus gegeven om ons te bedekken. Niet om wat te óntdekken. Het is toch eigenlijk erg dat je soms niet weet waar je kijken moet? Daarvoor is kleding niet gegeven. Het is gegeven om ons te bedekken. Het is dus eigenlijk een schande dat ik kleren draag.

 

En nu zegt de Heere: ‘Nu zijn er bij Mij andere klederen, om niet te verkrijgen!’ En wie gaat de Heere die klederen nu aandoen? Juist mensen die er achter komen: ‘Ik ben ellendig, arm en naakt. Heere, ik kan voor U nooit meer bestaan!’ Dan gaat de Heere, om zo te zeggen, vanuit die rechtszaal leiden naar deze kleedzaal. Dan heb ik geleerd dat al mijn gerechtigheden een wegwerpelijk kleed zijn. Dan heb ik geleerd dat ik zoals ik nu leef, zoals ik ter wereld gekomen ben en met wat ik doe en nalaat, zo voor de Heere niet kan verschijnen. En dan gaat de Heere me bedekken met die mantel des heils.

 

Maar de Heere gaat nog méér geven. En zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt. Ziet u wel dat de Heere weer aansluit bij de situatie van deze mensen? Ze hadden toch zo’n oogcentrum? Daar waren toch de beste specialisten? En nu zegt de Heere: ‘Ik ben die hemelse Koopman. Ik bied goud aan, kleding, maar ook zalf. Opdat gij zien moogt.

Je zult vandaag maar als een blinde in Gods huis zitten. Je zult maar ontdekt zijn. ‘O Heere, open mijn ogen! Wilt U mij als een blinde leiden in de weg die ik niet geweten heb en in paden die ik niet gewandeld heb?’ Dan zegt de Heere: ‘Kijk dan maar eens omhoog met die blinde zielsogen. Ik heb ogenzalf!’ Wat een wonder als Hij dan met Zijn gezegende vingers, met die milde handen, die zalf gaat aanbrengen op de ogen. Dan gaan die ogen open. Dan worden die ogen verlicht. Dan ga ik zien wat ik nog nooit gezien heb. Opdat gij zien moogt. De Heere zegt: ‘Het is om niet te verkrijgen op de markt van vrije genade. Zelfs voor een gemeente die lauw is als Laodicea.’

 

Maar de Heere gaat nog méér zeggen. Hij gaat ze ten slotte bemoedigen.

 

5. De bemoediging in deze brief

 

We lezen dat in vers 19: Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig en bekeer u.

Want ja, de gemeente kan natuurlijk denken: moet dat nu zo? Een brief uit de hemel en dan zulke bestraffingen, de ene na de andere? Is dat nu uit hardheid gezegd? O nee! De Heere zegt: ‘Dat doe Ik nu uit liefde. Ik heb uw behoud op het oog.’ Het is bedoeld als medicijn.

Wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig en bekeer u. Het is de boodschap die keer op keer uitgaat: Bekeer u, want waarom zou u sterven? Daarom laat de Heere ook vandaag dat woord nog klinken. De Heere zegt: ‘Ik heb uw behoud op het oog. En daarom, keer toch weder, gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen.’ Daarom is Hij zo scherp. Dat doet de Middelaar omdat Hij het woord gedoopt heeft in liefde. 

 

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Dat is net als die koopman. Die staat daar op de markt, maar hij gaat ook de huizen langs. Hij gaat zijn waren zelfs aanprijzen aan de deur. Dan laat hij die klopper vallen op die deur. Jongens en meisjes, misschien heb je wel eens zo’n oud huis gezien waar zo’n klopper op de deur zit. Die klopper laat je op de deur vallen. Dat is het beeld.

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Waarom klopt die alwetende, hemelse Koopman? Om binnengelaten te worden! Anders klop je niet aan. ‘Doe Mij toch open!’ Zit die deur dan dicht? Gemeente, bent u daar wel eens achtergekomen? De deur van je hart zit potdicht! Die krijgt u nooit open, wat u ook probeert. Hij is vastgeroest.

En nu staat die Koopman daar. Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Zo staat Christus vandaag dicht bij de deur van uw hart. De Alwetende leunt er als het ware tegenaan, en probeert die deur open te doen. Maar het gaat niet, want die deur is gebarricadeerd. Daar duwt iemand tegen. ‘Heere, ik weiger U binnen te laten, ik heb U helemaal niet nodig. Gaat U maar naar een ander toe!’

Je zou zeggen: dan gaat die Koopman weg. Maar dat staat er niet. Hij zegt onophoudelijk: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. De ene keer harder, de andere keer zachter.

 

Wanneer klopt de Heere dan? Als je vriend sterft. Als er roepstemmen zijn in de familie. Als er een natuurramp plaatsvindt. We vinden dat eigenlijk heel gewoon; zoiets gebeurt zo vaak. Toch klopt de Heere nadrukkelijk. De Heere klopt als je gespaard bent onderweg. Als de uitslag van een onderzoek meeviel. Hij staat aan de deur en Hij klopt, met maar één doel: ‘Doe Mij open!’

Van onze kant is het onmogelijk. Maar er staat wat achter. Wíj laten Hem maar roepen. Echt waar, jongelui. Hoe lang zou Hij er al staan, bij jou aan je deur? Achttien jaar? Twintig jaar? Vijfentwintig jaar? Hij heeft geklopt. Bij de ene heeft de Heere hard geklopt; het ging tot aan de rand van de dood, haast in het graf. En dan gewoon weer doorgegaan… Even een indruk, maar het heeft niks nagelaten. Vroeger zeiden ze wel: een overtuiging, maar geen overbuiging. Je hebt je oude leven weer opgepakt. En toch staat Hij er nog. En wanneer gaat die deur open? Indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen.

 

Dus vandaag roept de Heere. Dan klinkt Zijn stem. Wat heeft Hij al veel gezegd. En als de Heere dat nu gaat gebruiken, dan gaat Hij me niet alleen uitwendig roepen, maar ook inwendig in mijn ziel. Dan gaat die stem kracht doen. Wie gaan nu die deur opendoen? Zij die die stem horen. Als die stem in je ziel gaat klinken, veroordelend, als ik erbuiten gezet wordt, als alles tegen me gaat getuigen. Als de Heere komt met Zijn heilige wet. Dan ga ik die stem voor het eerst horen, en dan gaat die deur open.

Het lijkt of die mens hier die deur opendoet, maar vanuit heel de Schrift is het duidelijk: er is niemand die naar God vraagt en zoekt. We moeten goed lezen. Er staat namelijk voor, dat Zijn stem gaat klinken. Dan gaat die deur open. Dan is dat niet tegen te houden. Dan springen als het ware die grendels open. Hoe komt dat? Omdat die liefde Gods wordt uitgestort. En dan vloeit die liefde Gods als het ware in die scharnieren en dan gaat die deur open. En dan kan Hij binnenkomen.

En wat gebeurt er dan? Dan mag ervaren worden: Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij. Dat wil zeggen: een maaltijd houden. Dan gaat Hij een maaltijd bereiden. Dat was heel gebruikelijk in het Oosten, dat je iemand weleens uitnodigde. Dat was een teken van gastvrijheid, maar ook van verbondenheid, van vriendschap, van gemeenschap. En nu gaat de Heere met diegenen die buiten Gods gunst en gemeenschap leven betonen: Uw gunst, Uw aangezicht geeft nu meer verzadiging dan alles van deze wereld.

En hij met Mij. Voor zó iemand! Voor zo’n onwaardige. Dan gaat Hij de deur van je ziel opendoen door Zijn Heilige Geest. En dat is nou zo’n troost, gemeente. Zelf kun je aan die deur trekken, maar het wordt alleen maar erger. En nu gaat Hij die deur opendoen. Eenzijdig bij God vandaan. En dan gaat de zondaar zich bekeren, zeggen onze Dordtse Leerregels, als het gevolg daarvan.

 

En wat gaat de Heere dan geven? Dan gaat de Heere overwinning geven. Zo staat er in het slot van dit teksthoofdstuk: Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.

Christus verwijst eigenlijk naar de dag van Zijn hemelvaart. Toen is Hij gezeten aan de rechterhand van God de Vader. In Zijn troon, staat hier. En nu gaat Hij zeggen: ‘Laodicea, strijdende Kerk, Ik zal u straks opnemen in heerlijkheid. Dan mag u naast Mij zitten. Dan mag u met Mij regeren. Dan mag u als koning heersen.’ Tot hen die het voor God verloren hebben, die het dágelijks moeten verliezen, gaat Hij zeggen: ‘U zult in Mij meer dan overwinnaar zijn!’

Wat is dat een wonder, ook vandaag, voor een strijdend erfdeel. Voor iemand die moet zeggen: ‘Dat is nu mijn bestaan. In deze dienst is mijn beeld getekend.’ Maar die hemelse Koopman, die Alwetende, die Getrouwe, die waarachtige Getuige, Die haalt hen thuis.

 

Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Dat staat er in het meervoud. Dus het is niet alleen een boodschap voor Laodicea. Er staat niet: ‘tot de gemeente zegt’, maar: ‘tot de gemeenten’. Die boodschap overstijgt de eeuwen, en die komt ook vandaag hier. De brief is bezorgd. Jongelui, die ligt op de deurmat. Die is opengemaakt. Die is voorgelezen. En daar staat nu ons beeld in. En nu zegt de Heere tot ons allen: ‘U hebt toch oren gekregen? Hoor dan! U hebt toch ogen gekregen? Lees dan deze brief!’

 

Dus het is niet in de eerste plaats Johannes die dat schrijft. Het is God Zelf Die schrijft. Het is eigenlijk God Zelf, Die door Zijn knechten spreekt. En daarom zegt de Heere: ‘Sla het nu niet in de wind, ga nu niet over tot de orde van de dag, maar die oren heeft gekregen, die hore!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89:7

 

Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort!

Zij wand’len, Heer’, in ’t licht van ’t Godd’lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;

Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ’t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.