Ds. S.W. Janse - Hebreeën 12 : 1 - 2

Lopers in de loopbaan

Aansporing
Verhindering
Vertroosting

Hebree├źn 12 : 1 - 2

Hebreeën 12
1
Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
2
Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand des troons van God.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 142: 4, 5
Lezen : Hebreeën 12: 1-13
Zingen : Psalm 84: 3, 4
Zingen : Psalm 27: 7
Zingen : Psalm 89: 8

Gemeente, we overdenken het gedeelte dat u is voorgelezen uit Hebreeën 12, daarvan de eerste twee verzen:

 

Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last en de zonde die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is; ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon Gods.

 

We gaan letten op: Lopers in de loopbaan.

 

1. Aansporing

2. Verhindering

3. Vertroosting

 

1. Aansporing

 

Zeg Paulus, is dat nu wel zo verstandig om een voorbeeld te gebruiken uit de sportwereld? Nee, Paulus gebruikt die beelden niet om de sportwereld te bevorderen. Het gaat in die wereld veel om naam, eer, roem, prestatie.

Eén keer in de vier jaar vonden de Olympische Spelen plaats in de stad Olympia in Griekenland. Dan was er van alles te doen, en iedereen praatte daarover. Je kon verspringen, hardlopen, speerwerpen, worstelen en noem het maar op.

Wie namen daar nu géén deel aan? Dat waren de eerste christenen, aan wie Paulus zijn brieven richt. Die mensen vond je niet in de arena, in de schouwburg en in het stadion. Toch wilde het niet zeggen dat die eerste christenen wereldvreemd waren. Paulus wist wat er te koop was. Hij stond met twee benen op de grond. Juist daarom kan hij hier onderwijs over geven. Als je zijn brieven leest, dan hoor je Paulus waarschuwen: ‘Wordt de wereld niet gelijkvormig!’ ‘Maar’, zegt hij, ‘ik wil er wel wat onderwijs uit halen.’

 

Paulus neemt ons in gedachten mee naar de loopbaan. Je ziet daar achter de startlijn sporters klaarstaan. Op de berghellingen zie je de mensen zitten die toekijken. Iedereen richt zich op de jonge atleten die klaarstaan om weg te spurten, om zo snel mogelijk de eindstreep te bereiken. Dat beeld heeft Paulus voor ogen.

Je ziet de sporters op die loopbaan staan. Ze hebben geoefend en gaan nu de marathon beginnen. Ze staan in de starthouding en wachten nog op één ogenblik: dat het touw weggetrokken wordt. En dan zal het erop aankomen wie als eerste de eindstreep behaalt.

 

Hoe komt Paulus erop om hierover te schrijven? Paulus heeft in hoofdstuk 10 vers 38 geschreven: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Er zijn vragen: wat ís nu dat geloof? In hoofdstuk 11 zegt Paulus: ik zal het uitleggen. Leest u het maar in het eerste vers van hoofdstuk 11: Het is geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet.

Dat is het geloof. Dat richt zich op Christus. Dat steunt op Gods Woord, zelfs door de onmogelijkheid heen. Paulus zegt: dat geloof is noodzakelijk. Nu zijn er mensen die door wederbarende genade dat geloof ontvangen hebben in hun ziel, door Gods Geest. Over dat geloof gaat Paulus schrijven. Zij zullen door dat geloof leven. Dat geloof heeft een ongekende kracht. We lezen dat in het slot van hoofdstuk 10. Wat hebben al die mensen die genoemd worden in hoofdstuk 11 niet verricht door dat ware zaligmakende geloof?

Nu gaat Paulus in hoofdstuk 12 de toepassing maken, zo zou je kunnen zeggen. Daarom dan ook… zo lezen we. Dan gaat hij dat woord aan het hart leggen. En de Heere mocht het in óns hart brengen, ook in deze dienst.

 

Paulus schrijft aan de Hebreeën. Dat zijn mensen die van het Jodendom overgegaan zijn naar het christendom. Niet zomaar. Nee, uit vrije gunst die eeuwig God bewoog! Ze hebben het niet makkelijk. Ze zijn verstrooid, ze worden bedreigd, verdrukt. Ze worden naar het leven gestaan.

Paulus bemoedigt hen. Hij neemt de pen op en schrijft ook aan hen een brief. Hij richt zich hierin bijzonder tot Gods kinderen, en hij schrijft in het bijzonder voor hen die verachterd zijn in de genade. Dat zijn de kinderen van God die slordig leven, die denken: hoe zal het ooit nog eens aflopen?

Die Hebreeën zitten erg vast aan allerlei wetten en regels die vanuit het oude Jodendom zijn meegenomen. Paulus gaat aansluiten bij wat ze al weten. Het gaat in het Hebreeënboek veel over de priesterdienst, over de eredienst. Je moet maar eens kijken hoe vaak Paulus het Oude Testament aanhaalt. Dat kenden ze, en daar sluit Paulus bij aan.

 

Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is. Paulus haalt een les uit het lopen in de loopbaan. We lopen allemaal op een loopbaan. We lopen allemaal op een weg. U begrijpt welke weg. Jullie weten dat, jongens en meisjes: de brede weg, die eindigt in de hel. We lopen allemaal op een weg die eindigt in de ontzaglijke eeuwigheid. Wat is nu nodig? Dat ik door genade van baan verwissel. Ik moet van die brede loopbaan gebracht worden op de smalle loopbaan. Ook vandaag klinkt de oproep: Strijdt om in te gaan door de enge poort (Luk. 13:24).

En dan kun je niets meenemen. Door dat enge poortje kom ik kruipend, bukkend en bedelend. Dan moet ik elke last, alle ballast, achterlaten. Dat is de weg die de Heere aanwijst. Hoor dan ook vandaag wat de Heere zegt: ‘Wie Mij nederig valt te voet, die zal van Mij Mijn wegen leren. Verlaat dan de slechtigheden en leef. Treed in de weg van het verstand, want die brede loopbaan lijkt wel leuk, maar het wordt je dood!’ Ja, die brede weg is een dwaalweg. Daarom: we moeten overgezet worden. We moeten van nieuws geboren worden. Gods kinderen wandelen op de loopbaan naar de eeuwige heerlijkheid.

 

Paulus werkt het beeld nog verder uit. Als je goed kijkt bij die loopbaan in dat dal, zie je die lopers daar rennen met hun borst vooruit. Ze glimmen van het zweet. Ze rennen zo hard ze kunnen. Overal waar je kijkt zie je mensen en nog eens mensen. Er is een wolk van getuigen daar in dat stadion. Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende…

 

We zeggen het weleens, jongens en meisjes: wolken die laag hangen. Dan rijd je als het ware door de wolken heen, omdat ze zo laag hangen. Dan word je omgeven door de wolken. Zo worden die jonge atleten omgeven door een op elkaar gepakte mensenmassa. Die mensen zijn er getuige van hoe alles af zal lopen en wat er zal gebeuren. U begrijpt, in zo’n stadion is het niet stil. Daar wordt geroepen. Daar wordt geschreeuwd. Daar wordt aangemoedigd om door te lopen en vol te houden.

En nu het beeld in het geestelijke. Wat zegt Paulus? Wat zegt hij vandaag tegen die arme pelgrims? Wat zegt hij tegen die moedeloze strijders? Die pelgrims die strijden moeten tegen de zonde en niet strijden kúnnen? ‘Kijk eens even opzij…’ Wat ziet u dan? Een wolk der getuigen! Dat zijn er heel wat.

We lezen dat woord ‘getuigen’ ook in vers 2 van het vorige hoofdstuk. Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen. En in vers 39 lezen we: En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen. Getuigen zijn mensen die eruit spreken. Dat zijn mensen die het zelf hebben gezien en gehoord. Als je dat woord ‘getuigen’ in de taal van de Bijbel leest, dan mag je ook lezen: bloedgetuigen, martelaars. Dus dat zijn mensen die dat met hun bloed bezegeld hebben. Ze hebben er alles voor overgehad. Dat zijn die rechtvaardigen.

En wie zijn dat dan? Ze worden opgesomd in hoofdstuk 11: Henoch, Abraham, Izak, Jakob, Rachab, Gideon… een wolk van getuigen!

 

Strijdende Kerk hier op aarde, wie zijn er nu voorgegaan? Dat is de triomferende Kerk. Die hebben overwonnen. Die hebben getuigenis gegeven door hun leven. Die hebben misschien niet eens zo heel veel gezegd, maar er ging wat van uit. Die getuigen worden hier genoemd. Daarvan geeft de Schrift getuigenis. Ja, de Heilige Geest heeft getuigenis in hun ziel gegeven dat ze op die loopbaan gelopen hebben.

 

Dat is natuurlijk in dat stadion niet zo. De meeste mensen die daar op de tribune zitten hebben nooit op die loopbaan gelopen. De meesten die toekijken bij een voetbalwedstrijd hebben nooit op dat voetbalveld gestaan. Maar hier is het anders. Deze Kerk zegt: ‘Wij hebben die loopbaan ook mogen lopen. En we dachten ook vaak om te moeten komen. Maar toch, we zijn de strijd te boven. We zijn er door! En nu staat u er nog voor op die geestelijke loopbaan. Houd moed!’

Dat volk boven spoort het volk beneden aan omdat die lijken te bezwijken. Omdat de handen zo traag zijn en de knieën zo slap, zie vers 12. Die wolk van getuigen roept die pelgrims toe: ‘Als wij er gekomen zijn, zou u er dan niet komen? Loop nu maar met lijdzaamheid op die geestelijke loopbaan!’

 

Nee, er staat niet ‘met lijdelijkheid’, maar ‘met lijdzaamheid’. Paulus heeft dat woord al meer gebruikt. We lezen het in hoofdstuk 10 vers 36: Gij hebt lijdzaamheid van node. Lijdzaamheid is volharding, standvastigheid, geduld. Dat hebben die lopers nodig op die geestelijke loopbaan, want ze hebben soms geen moed meer. Dan zouden ze aan de kant willen gaan zitten. Als ze op zichzelf zien en op de omstandigheden, zou de moed hun in de schoenen zinken.

Maar nu zegt de apostel: ‘Doorlopen, volhouden, ja geduld beoefenen!’ En straks zullen we horen: ‘Omhoog zien!’ En in vers 4: ‘Strijd maar tot bloedens toe!’ U begrijpt, dat gaat nooit in eigen kracht. Dat is geen gemakkelijke weg, die geestelijke loopbaan. Zo’n loopbaan lopen doe je niet zomaar even. Nee, daar is heel wat aan voorafgegaan. Zo is het met die geestelijke loopbaan ook. Daar kom je niet zomaar op, en daar blijf je ook niet zomaar op, in eigen waarneming. Het is een smal pad. Het is een smalle loopbaan. En wat komen ze dan tegen op die loopbaan? Verdrukkingen, tegenspoeden, kastijdingen, de roede van de Heere… Want de Heere spaart Zijn kinderen niet. Maar het zijn vaderlijke kastijdingen. Ze mogen ook ogenblikken kennen dat ze zeggen: ‘O Heere, het komt toch bij U vandaan!’

Ze hebben lijdzaamheid nodig. Want ook Gods kinderen zijn vaak opstandig onder het kruis dat de Heere oplegt. Gods kinderen zien vaak niet dat het tot hun nut is, zoals we dat gelezen hebben. Ze merken vaak niet op dat het is om aan Christus te verbinden, opdat ze Zijn heiligheid deelachtig zouden worden. En dan komt dat vlees erbij, en dan hebben ze geen onderwerping. Daarom moet de Heere hen opwekken. Het is eigenlijk aangrijpend dat de Heere dat moet doen. Maar Hij dóet het. Hij wekt ze op tot lijdzaamheid, tot geduld, tot buigen onder God.

 

Hoe ging dat nu in dat stadion? Hoe ging dat nu op die loopbaan? Waarom hielden die mensen dat vol? Waarom waren ze zo standvastig? Waarom volhardden ze tot het einde toe? Allereerst: ze hadden er voor getraind.

Hoe is het nu op die geestelijke loopbaan? De Heere zegt bij monde van de apostel tot de jonge Timotheüs: Oefen uzelf tot godzaligheid (1 Tim. 4:7). Het is of de Heere zegt: Oefen je in de Schrift, oefen je maar in het gebedsleven. Al kun je het niet. Al heb je niets. Want de Heere gaat Zelf oefenen, juist in het lijden. Lees maar in vers 11: Die door dezelve geoefend zijn. Er is een volk op de loopbaan dat gelouterd wordt door het lijden. Dat mag wel eens zeggen: ‘Heere, het is niet voor niets geweest.’

Aan de sporters kun je het merken als ze niet oefenen. Als ze een paar keer niet getraind hebben, dan wordt dat zichtbaar. Oefening is nodig. Dat is bij Gods kinderen ook nodig. Wat kunnen Gods kinderen lauw zijn! Daar gaat dit hoofdstuk over. Wat kunnen ze lijken op een plant die bijna verdort. De Heere spoort hen aan om in de weg van heiligmaking hun roeping en verkiezing vast te maken, want dat doende zullen zij nimmermeer struikelen op die loopbaan. Daarom ook dit woord ‘lijdzaamheid’. Ze houden het vol door oefening.

 

Waardoor houden ze nog meer vol? Door onthouding. Dat is ook opgesloten in dat woord ‘lijdzaamheid’.

De lopers in die loopbaan moesten tien maanden voordat de Olympische Spelen gehouden werden, een eed afleggen. Dan moesten ze beloven dat ze sober zouden leven en voldoende nachtrust zouden hebben. Dat bevorderde de loop in die baan.

Hoe is het nu met die geestelijke lopers vandaag? Onthouding is nodig. Dat wil zeggen: Doodt dan uw leden die op de aarde zijn (Kol. 3:5). Als Gods vólk al in de zonde leeft, hoe moet dat dan niet in de wereld overkomen? De Heere zegt: Een iegelijk die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid (2 Tim. 2:19). De lopers in die loopbaan moeten wandelen in de tere Godsvreze. Het volk op die loopbaan vraagt niet: ‘Hoe ver kan ik nog met de zonde mee?’, maar: ‘Hoe ver blijf ik er vandaan?’

 

De loopbaan die ons voorgesteld is. Je ziet ze daar staan achter die startstreep. Daar gaan ze! Welke weg gaan ze? De weg die hun voorgesteld is. Die weg is afgezet. Ze weten precies hoe ze moeten lopen. Ze moeten die weg van zo’n 330 meter lang en 30 meter breed gaan. Geen andere weg. Geen eigen weg.

Dat zegt de Heere ook vandaag. Die geestelijke loopbaan is een weg die voorgesteld is in de Schrift. De Heere zegt vandaag: ‘Dit is de weg, wandel in dezelve. Wijk nu niet af ter rechter- of ter linkerzijde, maar wandel in het midden van de paden des rechts.’ Dat is de weg die niet alleen naar de Schrift is, maar ook naar de bevinding van Gods Kerk. Dat is de weg waarvan de strijders die de strijd te boven zijn zeggen: ‘Wij hebben die weg ook gelopen. Dat is een goede en zalige weg. Daar zult u nooit spijt van krijgen.’

Het is een weg die de eeuwen door al bewandeld is. Een loopbaan die uitgedacht is in de stilte van de eeuwigheid en in de tijd geopenbaard is. Die weg heeft de Heere laten verkondigen in de prediking van Zijn Woord.

 

Het is niet makkelijk op die loopbaan. Daar letten we op in de tweede gedachte:

 

2. Verhindering

 

We lezen: Laat ons afleggen alle last en de zonde die ons lichtelijk omringt. Terwijl die mannen op die loopbaan lopen, gebeurt er van alles. Er staan mensen aan de zijlijn die bloemen op die baan gooien. Nou, dat bevordert het lopen niet. Het is misschien wel goed bedoeld, maar niet echt handig. Er zijn mensen die geld op de loopbaan gooien. Er kan maar één iemand winnen, en misschien worden die anderen dan wel afgeleid doordat ze het geld op willen rapen. Zo gooien de mensen van alles op die baan, tot goudstaven toe. Het zijn hindernissen en struikelblokken. Er is maar één doel waarom men van alles op die baan gooit: die pas moet vertraagd worden!

Zo is het toch ook in het geestelijke. Wat zijn er veel hindernissen en blokkades op de weg naar de eeuwige zaligheid. De weg begint wanneer we door dat smalle poortje, waar alles achter moest blijven, zijn gegaan. U zegt misschien: ‘Dat is nu ook niet echt aantrekkelijk.’ Het is wel naar de Schrift! Het testament dat Jezus heeft nagelaten luidt: In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh. 16:33).

 

Als die lopers op de loopbaan gebracht worden, door soevereine genade, dan komt de hel erop af. Dan zit de satan niet stil. Dan komen de verleidingen en verzoekingen, soms in ongekende kracht. Je had het nooit verwacht. Je zegt: ‘Heere ben ik dáár nu toe in staat? Ben ik nu zó verdorven?’

De Kerk krijgt geen kalme reis, o nee, maar wél een behouden aankomst. Het zal door stormen en door de diepten van de oceaan gaan, want het is een weg van sterven en van afbraak. Het valt niet altijd mee op die weg. En daarom staat hier zo eenvoudig: Laat ons afleggen alle last en de zonde die ons lichtelijk omringt.

 

We gaan nog een keer terug naar die loopbaan. We zien zo’n jongen staan. Hij heeft alleen hele lichte kleding aan. Hij heeft niets meegenomen. Want, jongens en meisjes, als je op die loopbaan gaat lopen met een rugzak of met een koffer, dan kom je niet vooruit. Dus alle last moet afgelegd worden, anders kwam je niet vooruit.

En nu geestelijk. Hier staat het: Laat ons afleggen alle last. Wat wordt daar nu mee bedoeld? Wij denken dan misschien gelijk aan de zonde. En de zonde wórdt ook een last, dat is zeker waar. Maar dat komt straks wel, dan wordt er gesproken over de zonde. Maar wat wordt er nu in het bijzonder met die ‘last’ bedoeld? Alles wat mij van God en Zijn dienst afleidt. Dat kan dus voetbal zijn. Dat kan ook de godsdienst zijn, als ik opga in allerlei dominees en weet-ik-niet-wat. Dat kan ‘last’ zijn die tussen God en mijn ziel komt in te staan.

 

Wat staat er nu bovenaan in je leven? Waar leef je nu eigenlijk voor? Vul dat eens in. Wat is het belangrijkste in je leven? Wat is nu eigenlijk je levensdoel?

Misschien zit hier een moeder die nergens aan toekomt. Ze zit in Gods huis en ze voelt de last van het gezin, en het is ook haar taak om voor haar gezin te zorgen. Toch zegt de Heere ook tot zo’n moeder: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid (Matth. 6:33). Het kan een last voor een vader zijn wanneer hij werkt voor zijn bedrijf. Het kan tussen God en zijn ziel in staan. Dan zal de Heere straks voor die rechterstoel zeggen: ‘Heb je nu alleen dáár je tijd aan besteed?’

‘Last’, dat hoeven dus op zich geen zondige dingen te zijn. Maar het kunnen wel zonden wórden, begrijpt u? Omdat ik er God verdriet mee doe. Waar uw schat is, zal uw hart zijn. Het kunnen ook wettische lasten zijn: raak niet, smaak niet, roer niet aan. Wat kan ik er druk mee zijn.

Ga het eens na in je eigen leven. Kennen we onze last? Niet alleen die geestelijke lopers, maar ook als we nog niet op die loopbaan lopen. Wat staat er in de weg?

 

Er staat nog meer: En de zonde die ons lichtelijk omringt. We gaan weer terug naar die loopbaan. Je weet het wel, jongens en meisjes, vroeger hadden de mensen, ook de mannen, zo’n hele lange jas tot op de grond aan. Stel je nu eens voor dat ze in die lange jas gaan lopen. Dat gaat niet, dat begrijp je wel. Dat kleed ‘omringt hen lichtelijk’. Ze zullen struikelen en vallen. Dat kleed moet afgelegd worden, want het verstrikte hen als het ware. Daar moet je aan denken als hier staat: En de zonde die ons lichtelijk omringt.

 

Dé zonde. Er zijn veel verklaarders die hier over nagedacht hebben.

De ene zegt: het is de zonde van het ongeloof. Wat is dat een aangrijpende zonde, dat ik God niet geloof. Het heeft ons niet goed gedacht om God in erkentenis te houden. Ik ben vanwege ongeloof van een top van eer neergestort. Ik heb God verklaard tot een leugenaar. Dé zonde, ongeloof…

Anderen zeggen: dé zonde, dat is je boezemzonde, waar niemand van weet. Die zonde die ik niet los kan laten. Vul het maar in, in je eigen leven. Dé zonde.

Wij sluiten ons aan bij de verklaring die zegt: het gaat over de zonde in zijn totaliteit. De zonde die God vertrapt. De zonde die God in het aangezicht slaat. De zonde waarmee ik God verdriet doe.

Zijn er hier van die lopers die niet kunnen zien dat ze op die baan lopen, maar die moeten zeggen: ‘Als ik me niet vergis, dan weet ik dit wel: mijn leven is enkel zonde geworden. Ik doe niet alleen zonden met gedachten, woorden en werken, maar ik ben één brok schuld’?

Dé zonde, zo zeggen sommigen, is de zonde van begeerlijkheid, want daar begint het vaak mee. Zien, begeren, zondigen, zo is het in het paradijs begonnen. Begeerte: het zien van een vrouw, van een man, van de auto of het huis van een ander. Het wekt een begeerte op: ‘Dat moet ik ook hebben!’

De zonde die ons lichtelijk omringt…

 

En wat moet ik daar nu mee? Laat ons afleggen… Het is of de Heere indringend zegt: ‘Bréék ermee!’ Ja, dat zegt Hij in het bijzonder tot Zijn volk in de heiligmaking. Maar de boodschap om met de zonden te breken komt ook tot ons allen. De Heere zegt: ‘Doe toch niet mee!’

Jongelui, ik hoop dat de Heere je buiten spel plaatst. Dan kun je niet meer met de massa mee, ook als het gaat over de sportverdwazing. Dat valt niet mee, als ze er op je werk over praten en je moet zeggen: ‘Ik weet er niks van, want ik geef er niet om. Het interesseert mij niet meer, want er is iets anders in mijn leven. Ik moet tot God bekeerd worden. Ik wil die Koning leren kennen.’ Dan word je er buiten geplaatst. Dat gun ik je van harte. En wat wordt dan waar? Dan ga ik mijn oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen. Dat wordt hier bedoeld.

 

Afleggen. Dan neem ik de toevlucht tot het bloed van de Middelaar. Dan heb ik elk ogenblik die druppels nodig van dat reine, zuivere middelaarsbloed. Dan zeg ik: ‘Heere, zonder U kan ik geen stap zetten.’

Laat ons afleggen. Het is een oproep, ook in de weg van de vernieuwing, om alles aan de kant te zetten. En hoe gaat dat dan? In eigen kracht? Nee, want als een mens het zelf moet doen, dan is het onmogelijk. Hoe gaat het dán? Net zoals bij een kameel, jongens en meisjes. Als een kameel zijn last kwijt wil raken, dan gaat hij eerst door zijn voorpoten en daarna zakt hij door zijn achterpoten. Dan gaat zo’n beest op de knieën. De beste weg om alle last en zonde die ons lichtelijk omringt af te leggen, is het gebed. ‘Leer mij, o Heere, de weg door U bepaald, dan zal ik die ten einde toe bewaren. Schraag op dat spoor mijn wankelende gangen.’ Anders gaat het nooit!

 

We gaan zingen Psalm 27 vers 7:

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op de Heer’, godvruchte schaar, houd moed;

Hij is getrouw, de bron van alle goed;

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;

Wacht dan, ja, wacht; verlaat u op de Heer’.

 

Lopers in de loopbaan. Aansporing, verhindering, maar ook:

 

3. Vertroosting

 

We lezen in vers 2: Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus. Die jonge atleten moeten niet teveel naar de tribune kijken, ook niet achterom kijken, maar vooruit zien. Ze moeten naar de eindstreep kijken! Dáár moeten ze naar toe.

Wat moeten die geestelijke lopers doen? Niet teveel achterom kijken, niet teveel om zich heen kijken, maar omhoog zien. Daar wijst de apostel op: Ziende op de overste Leidsman.

Dat woord ‘zien’ is niet zomaar even kijken. Nee, ‘ziende’ wil zeggen: zien door het geloof. Zien, op Wie? Op het Voorwerp van het geloof, Jezus!

Dan moeten mijn ogen dus geopend zijn. Is het je gebed al: ‘Heere, open toch mijn ogen’? Je kunt zelf je ogen niet openen, dat zal echt niet gaan. Weet je wat je nodig hebt? Die Pinkstergeest. Als Hij mijn ogen gaat openen, dan is het in een ogenblik gebeurd. Dan sta je op die loopbaan, op die smalle weg. En wat krijg je dan? Eén oog dat naar binnen ziet en één oog naar boven.

Eén oog naar binnen… Wat ga ik dan zien? Een vuile bron van wanbedrijven. Zulk een last van zonde en plagen, niet te dragen. Een moeras van ongerechtigheid. Dan ga ik de schuld eigenen. ‘Heere, Uw doen is rein; Uw vonnis gans rechtvaardig.’

En op Gods tijd krijg ik een oog naar boven. Ja, ook in de eerste tijd wel; een oog op Wie God is in Zijn deugden. Maar op Gods tijd ook een oog buiten zichzelf op de Middelaar. Wie Hij is in Zijn schoonheid. Dat is een trek van het geloof. Dat ziet van alles af. Dat ziet omhoog!

 

Ziende op de overste Leidsman. Een leidsman is iemand die leiding geeft. ‘Overste Leidsman’, wordt ook wel vertaald met ‘aanvoerder’. Denk maar aan iemand die leiding geeft bij de brandweer. Iedereen moet naar de bevelvoerder luisteren. Die bevelvoerder gaat voorop. Of denk aan een herder met zijn schapen. De herder gaat voorop.

Wie is hier die overste Leidsman? Jezus de Zaligmaker. Weet je wat er gebeurd is met die Borg? Hij is ook op die loopbaan geplaatst. Hij heeft ook de loopbaan bewandeld. Drie en dertig jaar lang. Hij is voorgegaan. Welke weg? Een weg die ging naar de dood. Een weg die ging van lijden tot heerlijkheid. Een weg waarvan de Kerk zegt: ‘Indien wij met Hem lijden, zo zullen wij ook met Hem verheerlijkt worden.’

 

De overste Leidsman. We mogen ook lezen: de Bewerker, de Auteur van het geloof. Hij is Degene Die door Zijn Geest de Kerk op die loopbaan brengt. Hij is Degene Die dat geloof, waarover gesproken is, in hun harten inplant in de wedergeboorte. Hij is dus de Eerste. Hij is de Getrouwe. Van Hem moet onze verwachting zijn. Ook van die vrezenden, van die bevenden die de weg al lang kwijt zijn.

 

Hij is het Begin, maar ook het Einde. Er staat: Voleinder des geloofs, Jezus. Dus wat Hij begint, dat maakt Hij af. Dus als de Heere op die loopbaan brengt, zorgt Hij er ook voor dat ze de eindstreep zullen halen. Daar getuigt die wolk van getuigen toch van?

Hoe komt het dat de Kerk thuis zal komen? Hoe komt het dat de Kerk zal delen in de overwinning? Omdat de Borg voorgegaan is. Omdat Hij volhield. Omdat Hij Zelf de loop beëindigd heeft en ingegaan is in heerlijkheid. Hij heeft gekropen in het stof. Kom, zegt de apostel, zie Hem daar eens, die overste Leidsman! Daar heeft Hij toch de zaligheid aangebracht. Daar heeft Hij toch de gerechtigheid verdiend. Ga eens mee, zegt de apostel, van Gethsémané naar Gabbatha. Daar staat Hij voor de rechter Pontius Pilatus. Daar staat Hij gestriemd, geslagen en bespogen. En daar gaat Hij naar Golgotha. Daar zal Hij Zijn loopbaan beëindigen. Daar wordt Hij vernietigd onder de molenstenen van Gods heilig recht. Daar moet Hij in die drie-urige duisternis de weg alléén gaan. Hij is de weg richting de dood voorgegaan, maar Hij heeft die weg ook voleindigd. Hij is de overste Leidsman en Hij is ook de Voleinder van het geloof.

 

Misschien zijn er hier die de weg niet weten. De Heere weet wel waar Hij aan begonnen is. De Heere weet wie Hij riep uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. De Heere had Zich, met eerbied gesproken, kunnen bedenken. Maar de Heere heeft de Kerk van eeuwigheid liefgehad, en daarom zal Hij ze niet laten vallen. Ze zullen niet verloren gaan, omdat de Vader de Zoon niet heeft laten vallen. Omdat de Zoon door de kracht van de Geest, door de tegenwoordigheid van de Vader, is gebleken te zijn de Voleinder des geloofs. Dat geeft moed! Godvruchte schaar, houd moed, gij die God zoekt in al uw zielsverdriet.

Hoe wordt Hij genoemd? Leidsman, Voleinder, Jezus. Samengevat in één woord: Zaligmaker.

 

Wat staat er van Hem en van Zijn dierbare Naam? Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen.

Als we nu aan die lopers op de loopbaan vragen: ‘Wat geeft er nu vreugde in jouw hart?’, dan zeggen ze: ‘Dat ik straks de prijs haal!’ Nou, die prijs stelde niet veel voor. Dat was nog geen beker, maar een lauwerkrans. Dat is een krans gevlochten van laurierbladeren. Die krans kreeg de winnaar dan op zijn hoofd. Die laurierkrans had de scheidsrechter vast of die hing ergens aan een paal. Tijdens het lopen konden ze die laurierkrans zien. Daar doen ze het voor!

Wat krijgt de Kerk straks? Nee, geen krans en ook geen beker. Maar ze krijgen straks iets anders: de eerkroon. We gaan het straks zingen:

 

Wij steken ’t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen!

 

Dan krijgen ze uit de handen van God de kroon des levens. Dan krijgen ze die onverwelkelijke, die onverderfelijke, die onvergankelijke kroon der heerlijkheid.

 

Maar wat krijgt Christus nu? Want daar gaat het in deze tekst over. Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was… Wat was nu Zijn vreugde? Waarom ging Hij die stervensweg? Zijn vreugde was om de eer van Zijn Vader te bedoelen. Om de deugden van Zijn Vader, die geschonden zijn door de zonde, weer op te luisteren. Waarom nog meer? Om de Kerk de zaligheid te geven. Om de wet van God te vervullen. Om volkomen gehoorzaam te zijn. Dat Zijn Vader de eer ontving, dat was Zijn vreugde, daarom vooral. Wat was nog meer Zijn vreugde? Hij is vernederd en wordt straks uitermate verhoogd. En dat geeft Hem blijdschap. Straks zal het waar worden: ‘Vader, nu mag Ik bij U zijn, nu mag Ik zitten aan Uw rechterhand.’ Zijn verhoging, dat was de vreugde die Hem voorgesteld was.

Wat nog meer? Dat kunt u niet geloven. Dat kan zo’n zwarte zondaar die misschien twijfelt, die misschien met Heman moet zeggen: ‘Ik draag Uw vervaarnissen, ik ben doodbrakende’, niet geloven: omdat Hij zulke mensen heeft liefgehad! Het is Zijn vreugde om die zwarte bruidskerk op te rapen, om ze mee te nemen op Zijn hemelvaartsdag en daar boven aan Zijn Vader te tonen, en om ze eeuwig in de zaligheid te mogen zetten. Hij wilde Zijn arbeidsloon bij Zich hebben. Kunt u dat op, volk des Heeren? De vreugde die Hem voorgesteld was, bent ú!

 

Er staat nog meer: Het kruis heeft verdragen. Het is of de apostel steeds dieper gaat afdalen. Zijn weg was een weg van lijden. Het woord ‘kruis’ mogen we zien als Zijn gehele lijdensweg van kribbe tot kruis. Hij heeft dat kruis gedragen, maar hier staat: Hij heeft het kruis vérdragen. Dat is nog wel wat anders. Hij heeft hun tegenspraak verdragen.

In vers 3 lezen we dat Hij het tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen. Al komt alles er tegenop, al zegt Kajafas wat, al zegt Pilatus wat, al zeggen Zijn discipelen: ‘Wij kennen U niet en wij moeten van U niets hebben’, Hij heeft verdragen. Dat is wat: wij met onze grote monden, en Hij… verdragen.

 

Er staat nog meer: En schande veracht. Hij heeft als het ware gezegd: ‘Die schande stelt niet zoveel voor.’ Was het geen schande dat Hij daar naakt hing aan het kruis, dat Hij daar hing tussen hemel en aarde? Was het geen schande dat Zijn kinderen Hem verlieten? Was het geen schande dat Hij die vervloekte dood moest sterven?

 

Kom, zegt de apostel, zie dan eens op deze Zaligmaker! Sla je oog dan eens omhoog. Hij was het Die het kruis verdragen heeft. Hij was het Die de schande veracht heeft. En is gezeten aan de rechterhand van de troon Gods, zo lezen we. Daarom liep Hij die loopbaan: om te zitten naast Vader. Om thuis te komen bij Vader. Om nabij God te zijn. Dat was het doel van alles. En de Kerk gunt Hem die eer!

Wat glans, wat majesteit hebt Gij die Vorst bereid! Hij is gekroond met eer en heerlijkheid. Hij heeft de plaats van rust gekregen. Daarom mag dat volk rusten, zoals die lopers uitrusten. Want wat zijn ze vermoeid als ze die loopbaan hebben gelopen. Wat kost dat veel energie! En nu gaat de Heere tot dat doodvermoeide volk zeggen: u mag straks komen waar de Zoon nu al is. Daar zult u mogen rusten. Aan Zijn hart.

En is gezeten aan de rechterhand van de troon Gods. Een plaats vooral van rust, van eer en van macht.

 

Daarom die oproep: Ziende op Jezus!

De apostel heeft iets aangestipt van die Borg in de gangen van Zijn vernedering en van Zijn verhoging, en dan zegt hij ten slotte: Pelgrim, zie nu eens af van die vijanden langs die baan, en ook van de hindernissen op die baan. Zie nu eens niet meer naar binnen, maar zie op tot Hem Die trouw is en Die uw voet voeren zal uit der bozen netten.

Al zijn er misschien afgemat en uitgeput, hij zegt het: Ziende op Jezus! Want dan kan de Kerk weer verder. Lees het maar eens na in dat prachtige boek van Ambrosisus, ‘Het zien op Jezus’. Wat heeft die man er licht in gekregen. Wat heeft hij veel geschreven over dat zien op Hem, op dat zien van de Koning in Zijn schoonheid. Dat geeft blijdschap!

 

Gemeente, er zijn twee wegen. Op welke baan loop je, jonge vrienden? Op de baan van de wereld, of op de baan van deze Koning? Of zijn er misschien van die meelopers, die langs de zijlijn meelopen? Nee, dan loop je niet op de smalle weg, echt niet. Dan loop je er naast. Er is geen tussenweg. Kiest u heden wie gij dienen zult! Mag het zijn: Maar aangaande mij en mijn huis, wij zullen de Heere dienen (Joz. 24:15)?

 

Weet je wie er nu gaan winnen, jongens en meisjes? Bij de Olympische Spelen winnen de lopers die het hardst gelopen hebben. Maar weet je wie er gaan winnen in het Koninkrijk van de Heere? Verliezers! Ja, dat hoor je goed: verliezers gaan winnen. Mensen die het voor God verloren hebben, die alle rechten verspeeld hebben. Mensen die geleerd hebben dat hun kroon af moet en drie keer omgekeerd moet worden. De Heere gaat aan hén de prijs uitreiken.

Bij die Olympische spelen kreeg één iemand de prijs. Maar in het geestelijke Koninkrijk krijgen meerderen de prijs. Nee, geen troostprijs, maar dé prijs die Hij Zelf betaald heeft.

 

Wie gaan er nu winnen? Verliezers, zoals Mefiboseth. Je zou zeggen: die man komt niet ver op die loopbaan. Hij is kreupel. Maar toch heeft hij gewonnen. Zit er nog zo iemand in de kerk? Misschien zit er nog een Jakob in ons midden; hinkend aan zijn heup. Jakob kwam ook niet ver. Hij ging misschien eerder achteruit dan vooruit. En toch, hij heeft gewonnen. Wie nog meer? Petrus. Hij was zo zwaar gevallen. We zien een spoor van tranen. Hij is er ook gekomen zeg! Hij heeft de eerkroon ook in ontvangst mogen nemen. In het Koninkrijk der hemelen wint de kreupele de prijs.

Daarom zullen we thuis komen. Zelfs David, die zo diep gevallen was. Waarom? Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen!

 

Gemeente, aan het einde van zo’n wedstrijd werd er geapplaudisseerd, en goed ook. Maar – ik bedoel het eerbiedig – in de hemel zal het klinken: ‘Gelieve niet te applaudisseren’. Dat zie je wel eens staan in een programma bij een zangavond. In de hemel zal er geen applaus klinken voor Petrus en voor Mefiboseth, o nee. Wat zullen die kreupelen, hinkenden, verminkten en lammen zeggen? Ze zullen naar boven wijzen. Ze zullen maar één ding zeggen: ‘Het is door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen!’ En dan gaat die kroon af en dan gaan ze Hem kronen. Begrijpt u dat, gemeente?

 

Jongelui, er worden nog hardlopers gevraagd! Niet voor de Olympische Spelen, maar voor de dienst van Koning Jezus. Er worden nog jonge krachten gevraagd. Dat wil de sportwereld ook: jónge mensen. Nou, de Heere wil dat ook. Misschien ren je jezelf wel dood. Misschien draaf je op de zondeweg wel zo hard, dat je buiten adem bent, dat je geen krachten meer hebt. De Heere zegt: ‘Stop er eens mee!’

De wereld gaat voorbij. Er is nog plaats op de loopbaan. Er is bij deze overste Leidsman nog doen aan. Voor wie? Voor mensen van wie we lezen in Hebreeën 11; voor de grootste van de zondaren. Daar stond zelfs Rachab tussen. Zou het dan voor zo iemand als u, als jou niet kunnen?

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89:8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen

Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.