Ds. J.S. van der Net - Esther 8

De boodschap van de verlossing

Esther 8
Door Esther bepleit
Door Ahasveros afgekondigd
Door de Joden begroet

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 99: 1, 2
Lezen : Esther 8
Zingen : Psalm 145: 1, 4
Zingen : Psalm 33: 9
Zingen : Psalm 126: 2

Gemeente, wij willen u bepalen bij Esther 8. We lezen uit dit hoofdstuk alleen nog het zestiende vers, waar we het Woord des Heeren aldus lezen:

 

Bij de Joden was licht en blijdschap en vreugde en eer.

 

Dit hoofdstuk van het boek Esther spreekt ons van: De boodschap van de verlossing.

 

Deze boodschap van verlossing werd:

1. Door Esther bepleit

2. Door Ahasveros afgekondigd

3. Door de Joden begroet

 

 

1. Door Esther bepleit

 

Meisjes en jongens, ik kijk nu eerst naar jullie. Jullie weten vast nog wel wat Esther gezegd heeft toen ze met de koning en Haman aan de maaltijd zat. Zij zei toen: Deze boze Haman (Esther 7:6).

Daarmee was Haman ontmaskerd. En zo is die boze Haman ook aan de galg omgekomen. Zo is hij in de kuil terechtgekomen die hij voor Mórdechai had gegraven.

Gemeente, nu is de vijand, die boze Haman wel uit de weg geruimd, maar… die wet is er nog steeds. De wet die hij uitgevaardigd had. Die wet is niet herroepen en die wet had nog even grote kracht als voorheen.

Meisjes en jongens, weet je nog wat er in die wet stond? Daarin stond dat alle Joden omgebracht moesten worden. Die wet stond nog helemaal overeind. Maar gelukkig doet de Heere geen half werk! ‘Israël, heb goede moed, uw heilzon is aan het dagen!’

 

Want wat zien we? Wel, we zien in de eerste plaats dat Ahasveros alle bezittingen van Haman aan Esther geeft. Nou, die zijn heel wat waard geweest. Want wat had die Haman opgeschept. Wat had hij gepocht op zijn rijkdommen, dat hij zoveel goud en zoveel geld had. Ook had hij gesproken over de veelheid van zijn zonen.

En nu? Al Hamans bezittingen worden aan Esther geschonken en ze kon er mee doen wat ze wil.

Gemeente, daarmee liet de koning ook zien hoeveel hij van Esther hield. Hoe hij Esther als het ware schadeloos wilde stellen voor al het leed dat Haman, de vijand van de Joden, haar had aangedaan. Dit lezen we in het eerste vers: Te dienzelven dage gaf de koning Ahasveros aan de koningin Esther het huis van Haman, de vijand der Joden.

 

Haman haatte dat volk, juist omdat het Joden waren; het volk van God. Net zoals vandaag de wereld ook degenen haat die de Heere Jezus liefhebben.

Waarom haat de wereld Hem? Omdat ze niet van de wereld zijn, maar omdat ze van Jezus zijn. Dat zie je vandaag ook. Ook als we nog onomwonden zeggen: ‘Alzo zegt de Heere.’ We kunnen er bang voor zijn dat dit in ons land en door ons volk al minder getolereerd zal worden. Het wekt verzet. Dat zie je ook in deze geschiedenis.

Haman, de vijand der Joden… Ik denk dat dit één van de redenen is dat deze geschiedenis in de Bijbel staat. Om ons te troosten. Daarom heeft de Heilige Geest het zo uitdrukkelijk op laten schrijven.

Haman, de vijand van de Joden… Al zijn bezittingen worden aan Esther gegeven. Wat is het wonderlijk dat er Eén is Die almachtig is en dat Hij het laat uitlopen op: Wat vijand tegen Hem zich kant, Zijn hand, Zijn onweerstaanb’re hand, is machtiger.

 

Ik kijk weer naar onze meisjes en jongens. Laat deze gebeurtenis ook voor jullie bemoedigend zijn. Want je groeit op in een wereld waarin gelachen wordt om het Woord van God. Je groeit op in een wereld die spot met de inzettingen van God. Misschien word je in de buurt waarin je woont wel uitgelachen omdat je naar de kerk gaat. Maar onthoud het goed, de kerk van God heeft toekomst! We lezen in de berijmde Psalm 25 vers 6: ‘En zijn Godgeheiligd zaad zal ’t gezegend aardrijk erven.’ Dan zal de Heere al de vijanden van Zijn volk eeuwig doen omkomen. Wat heeft de Heere een heerlijke toekomst weggelegd voor al Zijn kinderen!

Ouderen en jongeren, zou je nu niet jaloers worden op Gods kinderen? O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen die U vrezen (Ps. 31:20). Want als wij de Heere Jezus toebehoren, dan zijn we in Hem meer dan overwinnaars! Dat is de toekomst! Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven (Matth. 5:5).

Gemeente, God heeft er een vermaak in om ons arm te maken in onszelf, en rijk te maken in de Heere Jezus. Dan horen we Paulus zeggen: Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? (Rom. 8:31). Kijk, we zien er al iets van bij Esther. Zij krijgt de bezittingen van Haman, de vijand van de Joden.

 

Ook Mórdechai wordt gezegend. Waarschijnlijk had Ahasveros nog maar weinig met Mórdechai gesproken, maar daar komt nu verandering in. Want Esther heeft de koning verteld wie Mórdechai voor haar is. Die verachte Jood, die daar nog altijd in de poort zit. Nu mag die verachte Jood voor het aangezicht van de koning komen. Wat zal dat voor Mórdechai geweest zijn. Voor de koning! Niet om veroordeeld te worden, niet om aan de galg gehangen te worden, maar om in Hamans plaats gesteld te worden.

 

Gemeente, zo wordt het toch ook een wonder voor Gods kinderen? Want moeten zij ook niet zeggen: ‘Wie ben ik? Waarom heeft de Heere mij gevonden? Want ik was van God afgeweken en voor Hem op de vlucht. Ik had geen lust in Zijn wegen.’ Dan zie je het wonder dat de Heere hen in Zijn opzoekende liefde weet te vinden. Dan is het wonder zo groot, dat de Heere armen opricht uit het slijk en met eer en heerlijkheid verhoogt.

Zitten er zulke mensen vandaag in de kerk? Mensen die het moesten leren: ‘Heere, het is alles schuld, schuld, schuld.’ Maar dan het wonder dat onze schuld voor de Heere geen belemmering is. Omdat Jezus er ook is. Omdat daar die gouden scepter is. Omdat daar de Zaligmaker, de Middelaar Gods en der mensen is. Daarom kan en wil God de Heere zondaren genadig zijn.

 

We gaan weer terug naar Mórdechai. Mórdechai komt dus voor het aangezicht van de koning. Want Esther had aan de koning verteld wie Mórdechai voor haar was. Aanvankelijk had ze daar niet over gesproken. Angstvallig had ze dat altijd verborgen gehouden. Maar nu geeft ze het de koning te kennen. Al heeft Esther nu een hoge positie aan het hof, ze schaamt zich niet voor Mórdechai, die nadat haar ouders gestorven waren, haar opgevoed had en zoveel voor haar betekend had.

Ze schaamt zich niet voor Mórdechai. Tussen twee haakjes, meisjes en jongens, jullie schamen je toch ook niet voor je ouders? Het is zo erg als kinderen zich schamen voor hun ouders. Het gebeurt wel eens dat kinderen, wanneer ze een hele hoge positie krijgen, zich dan schamen voor hun eenvoudige ouders. Het is een slecht teken als je je schaamt voor je ouders.

Je komt ook wel eens mensen tegen die in de kerk opgevoed zijn, en later, wanneer ze van de kerk zijn afgegaan, zich dan schamen voor hun kerkelijke opvoeding. Dat is ook een slecht teken. Maar hier zien we nu bij Esther dat ze zich er niet voor schaamt om over Mórdechai te spreken, die daar in de poort zit.

 

Juist nu Haman, de eerste minister van de koning, is weggevallen, verschijnt Mórdechai voor het aangezicht van de koning. Wat lezen we dan? Mórdechai krijgt de zegelring van de koning.

Meisjes en jongens, wat wil dat zeggen? Wel, dat betekent dat hij nu eerste minister wordt. Als hij die zegelring aan zijn vinger krijgt geschoven, betekent dat: Mórdechai, nu ben jij eerste minister, nu krijg je als gevolmachtigde minister het recht om wetten uit te vaardigen.

Waarschijnlijk heeft Mórdechai toen ook een ambtsgewaad gekregen. Want aan het einde van dit hoofdstuk lezen we dat Mórdechai met een hemelsblauw en wit koninklijk kleed en een opperkleed van fijn linnen en purper gekleed is. Dat wijst er wellicht op dat hij ook een ambtsgewaad heeft ontvangen. Zo werd Mórdechai van een vergeten dienaar in de poort, de eerste minister van dat onmetelijke Perzische rijk.

 

Gemeente, dan nog dit: als Mórdechai eerste minister wordt, blijkt duidelijk dat de Heere hem ook capaciteiten geeft. De Heere geeft hem ook wijsheid. Want we lezen in het vierde vers van het volgende hoofdstuk dat hij groter werd. Ook in wijsheid.

Eigenlijk zie je bij Mórdechai precies hetzelfde gebeuren als bij Jozef, toen hij onderkoning werd. Ook hij werd met wijsheid van God bekleed om een goede onderkoning te zijn.

Hetzelfde zie je bij Daniël. Hij werd met wijsheid bekleed om in zijn hoge positie te kunnen functioneren. Dan zie je dat de Heere juist na een weg van vernedering, juist na een weg van beproeving, verhoging schenkt. Dat gebeurt hier nu ook met Mórdechai. Je ziet dat de Heere met hem is. Hij groeit in wijsheid en inzicht.

We zien hieruit ook dat de Heere Zijn kinderen, als ellendigen uit de poort, waar ze als arme bedelaars voor Zijn aangezicht hun nood gaan uitstallen, gedachtig wil zijn. Dat Hij dan wijsheid en verstand met Goddelijk licht bestraald, wil schenken.

 

We lezen verder dat Esther het beheer over het huis van Haman aan Mórdechai geeft.

Maar ja, het is allemaal prachtig natuurlijk, wat hier gebeurt, maar die wet is er nog! De wet van Haman. Al is Haman dood, die wet stond nog recht overeind. Die wet zal toch uitgevoerd moeten worden, want het is een wet van de Meden en Perzen.

Jullie weten, meisjes en jongens, zo’n wet moest altijd uitgevoerd worden. Dat betekende dat het Joodse volk uitgeroeid moest worden. De vijanden zullen tóch proberen om de beloften van God ongedaan te maken. Die wet móést uitgevoerd worden!

Gemeente, dan begrijpen we wel dat het hier ten diepste gaat om de satan. De satan die de geboorte van de Messias wil verhinderen.

Dat houdt Esther bezig. Wat doet zij dan? We zien hoe zij opnieuw neervalt voor de koning en hem smeekt om het leven voor haar en haar volk. O, eerst had ze liefde betoond voor Mórdechai, maar nu zie je ook de liefde van Esther voor haar volk.

 

Als we Esther zo zien pleiten bij de koning, zien we dan ook hoe belangrijk het is dat er nog gebeden wordt, dat er voorbidders en voorbidsters zijn? Er zitten hier toch zeker nog wel vaders en moeders die op hun knieën gaan voor hun kinderen en kleinkinderen? We gaan toch wel ook op onze knieën voor de gemeente?

Het is te merken in een gemeente, als er bidders zijn. We kunnen wel veel praten over dit en dat, maar om elkaar te dragen in het gebed… Dan komen we zoveel te kort.

Is dat onze persoonlijke schuld al geworden? Wij hebben God op het hoogst misdaan. Het is een schuld die beweend wordt. Er is dan ook verootmoediging. Want waar gaat het in ons smeken om? Alleen maar om het goed van deze wereld? Gaat het alleen maar om rijkdom, om een lang leven, om de hemel? Het moet er in ons smeken om gaan dat we God missen. Want God missen, dat is alles missen. Dan wordt het een levend gemis. Dan wordt alles eigen schuld, en dat drijft uit tot God. Gemeente, ik mag u zeggen: de Heere zal u nóóit afstoten als u met uw smekingen en geween tot Hem komt.

 

Als Esther zo bij de koning komt, dan reikt Ahasveros haar opnieuw de gouden scepter toe. Wat is dat groot als ook wij zo worstelen om genade. Esther heeft het al eerder ervaren bij de koning. Toen heeft ze gezegd: ‘Ik zal tot de koning gaan.’ Het was iets dat tegen de wet inging. Het betekende dat zij een kind des doods was, maar toch kon ze niet anders. Ze moest toen uitroepen: Wanneer ik dan omkom, zo kom ik om (Esther 4:16). Ze moest zich uitleveren aan de koning. Maar bij de koning moest ze zijn.

Dit is ook de gezindheid van al Gods kinderen. Het is voor hen steeds een wonder als de gouden scepter wordt toegereikt. Een wonder als de Heere in gunst wil neerzien op een zondaar, die nergens anders recht op heeft dan op de dood. Dan wordt het zo’n wonder. Want het kan niet om iets in Esther. Het kan ook niet om ons bidden en ons pleiten. Het kan alleen vanwege die gouden scepter; het kan alleen om Jezus’ wil.

 

Gemeente, opnieuw moet Esther die gang naar de koning maken. Kom ik om, dan kom ik om. Zo komt Esther voor de tweede keer bij de koning. Zo vergaat het ook Gods kinderen. Zij blijven smekelingen in zichzelf. Kijk, daar komt Esther opnieuw. Haman is wel dood, maar die wet is nog van kracht. En die wet gebiedt dat alle Joden, oud en jong, uitgeroeid moeten worden.

Dus gaat Esther opnieuw. En nog eens wordt haar de gouden scepter toegereikt. Moet u luisteren wat zij zegt in het vijfde vers: En zij zeide: Indien het de koning goeddunkt en indien ik genade voor zijn aangezicht gevonden heb, en deze zaak voor de koning recht is. Hoort u dat? Zij zegt: ‘Als deze zaak voor de koning recht is.’ Zij erkent dus koning Ahasveros als koning, als degene in wiens hand het recht is.

Kijk, dat is nu ook iets wat Gods kinderen gaan leren kennen. Het gaat hen er niet in de eerste plaats om dat ze in de hemel komen. Maar in het oprechte geloof gaat het er juist om het recht van God te erkennen. Want dan krijgen we het ook te horen: Er is een wet. Naar die wet moeten we sterven en die wet klaagt ons aan. En dan zien we het ook: het recht is voor de Koning. Dan moeten we erkennen: De Heere is rechtvaardig.

Dat recht krijgen we ook lief. Dan word ik een rechteloos mens, die uit gaat roepen: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’ Want Sion zal door recht verlost worden. Is er nog een middel om de welverdiende straf te ontgaan?

Dat recht! Want we hebben God lief gekregen. En daarom hebben we ook dat recht van Hem lief gekregen.

 

Esther zegt: ‘Als deze zaak voor de koning recht is.’ En in het vervolg: En ik in zijn ogen aangenaam ben, dat er geschreven worde, dat de brieven en de gedachte van Haman, de zoon van Hammedátha, de Agagiet, wederroepen worden, welke hij geschreven heeft om de Joden om te brengen die in al de landschappen des konings zijn.

Die wet… Die wet moet herroepen!

Maar wat zegt Ahasveros?

Zie, het huis van Haman heb ik Esther gegeven en hem heeft men aan de galg gehangen, omdat hij zijn hand aan de Joden geslagen had. Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen, in des konings naam, en verzegelt het met des konings ring; want het schrift dat in des konings naam geschreven en met des konings ring verzegeld is, is niet te wederroepen.

Wat een situatie! Esther vraagt: ‘Herroep die wet!’ Maar de koning antwoordt: ‘Die wet is niet te herroepen, want dan zou het recht geschonden worden.’

 

Ziet u, gemeente, dat het verzoek van Esther getuigt van haar liefde voor het recht? Laten we alsjeblieft niet denken dat we buiten het recht om zalig kunnen worden. Dat kan alleen in de weg van dat recht. Al getuigt alles tegen mij, al veroordeelt de wet mij, dan is er toch in mijn hart liefde tot de wet van God. Van het recht, dat die wet van mij eist, wil ik toch niets afdoen. Dan moet deze zaak recht voor de Koning zijn.

Zo is het nu ook in het geestelijke leven. Gods wet is heilig en rechtvaardig. Die wet van God kan ook niet herroepen worden.

Kent u die worsteling in uw leven? Die worsteling dat het recht van God zijn loop moet hebben? Bent u zo al voor het aangezicht van de Heere terechtgekomen? Misschien wel gebeden om bekering. Weer teruggevallen? Indrukken gehad, en toen weer doorgegaan?

Of zit er hier misschien een man of een vrouw die zegt: ‘Ik lig al zo lang voor de poort, maar ik kom geen stap verder!’

Mag ik u dan vragen: Ligt u daar dan als een rechthebbende of als een rechteloze? Want als we alle rechten verloren hebben, dan wordt het zo’n wonder dat er bij die grote Koning een gouden scepter is! Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben.

En als God het dan niet doet? Gemeente, dan zullen we moeten erkennen: God is rechtvaardig in alles wat Hij doet. Goedertieren in al Zijn werken. En dan blijf je toch roepen tot de Heere: ‘Heere, ik kan U niet missen, ik kan niet zonder U!’

Dan word je het ermee eens. Wat God ook doet, dat is goed. Het is de beste plaats als we daar terechtkomen. Aan de poort van de Koning. Dan kan de Koning geen kwaad meer doen. Maar voor zulken zal het eeuwig meevallen. Want op Zijn tijd, op Zijn wijze, zal Hij de gouden scepter aanreiken.

 

Die wet... kan zij niet herroepen worden? ‘Nee’, zegt Ahasveros, ‘het is een wet van de Meden en de Perzen.’

Luister wat Esther nog meer zegt in het zesde vers: Want hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het kwaad dat mijn volk treffen zal? En hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het verderf van mijn geslacht?

Ze zegt tegen de koning: ‘Hoe zou ik kunnen aanzien dat mijn volk gedood wordt?’ Zo bepleit ze de belangen van haar volk bij de koning. Ze gaat het als het ware bij de koning onderstrepen: ‘Hoe zou ik het kunnen aanzien?’

Gemeente, hier zie je bij Esther iets van Juda, die bij Jozef opstaat als borg, en zegt: ‘Hoe zou ik het moeten aanzien dat mijn vader Jakob met zijn grijze haren zo in het graf stort?’ Zo pleit Esther bij de koning.

 

Dan onze tweede gedachte: de boodschap van verlossing door Ahasveros afgekondigd. Maar laten we eerst zingen uit Psalm 33, het negende vers:

 

Het briesend paard moet eind’lijk sneven,

Hoe snel het draav’ in ’t oorlogsveld;

’t Kan niemand d’ overwinning geven;

Zijn grote sterkte baat geen held.

Neen, de Heer’ der heren

Doet ons triomferen;

Hij, geducht in macht,

Slaat elk gunstig gade,

Die op Zijn genade

In benauwdheid wacht.

 

De boodschap van verlossing wordt ten tweede:

 

2. Door Ahasveros afgekondigd

 

Een wet van Meden en Perzen kan niet herroepen worden. ‘Dat is onmogelijk’, zegt de koning.

Tóch, gemeente, tóch... er klinkt in zijn woorden al iets van verlossing. Want de koning zegt: Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen, in des konings naam, en verzegelt het met des konings ring.

Merkt u het op? Het is alsof de koning zich terugtrekt. Hij laat het als het ware aan Mórdechai over. Hij zegt: ‘U kunt alles schrijven voor de Joden wat u zelf wilt. Als die wet maar gehandhaafd wordt. Want die wet mag niet herroepen worden.’

Dus wat gebeurt hier?

Wel, Ahasveros geeft Mórdechai en Esther het bevel een tegenwet uit te vaardigen. Want dat bedoelt hij. Er moet een tegenwet komen. Eigenlijk is het alsof je Ahasveros hoort zeggen: ‘De haat is listig.’ Wat een haat en wat een sluwheid zie je bij Haman. Maar de liefde is vindingrijk. Esther en Mórdechai hadden liefde tot het volk van de Joden. Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen, in des konings naam, en verzegelt het met des konings ring.

Mórdechai en Esther hebben liefde tot het volk. Het is in goede handen. Er komt een tegenwet, een nieuwe wet die de eerdere wet als het ware in een ander daglicht stelt. Nee, geen wet die die andere wet herroept, maar wel in een ander daglicht stelt.

 

Gemeente, zo is het eigenlijk ook in het Koninkrijk van God. De Heere heeft van eeuwigheid al een weg uitgedacht waardoor verloren zondaren weer tot Hem kunnen komen. Zonder dat één van Zijn goddelijke deugden gekrenkt zou worden. Als de goddelijke wet ons veroordeelt en schuldig stelt, dan is het grote wonder dat er niet alleen recht is, maar ook genade! Het wonder dat er een genadewet is van het Koninkrijk van God. Die tegenwet heeft God Zelf laten afkondigen.

Je ziet ook bij die tegenwet van Gods Koninkrijk dat er een Wetsvolbrenger is, de Heere Jezus Christus. We krijgen de wet terug als een leefregel der dankbaarheid.

 

Je ziet in deze geschiedenis ook dat de Heere uit liefde Zijn kerk zal bewaren. De satan had het bijna voor elkaar. Maar nog niet helemaal! De Heere staat op tot de strijd en heeft de satan neergeworpen.

 

Er mag een tegenwet komen. Want we lezen in het negende vers: Toen werden des konings schrijvers geroepen terzelfder tijd, in de derde maand (zij is de maand Sivan), op de drie en twintigste derzelve, en er werd geschreven naar alles wat Mórdechai gebood, aan de Joden en aan de stadhouders en landvoogden en oversten der landschappen, die van India af tot aan Morenland strekken, honderd zeven en twintig landschappen, een ieder landschap naar zijn schrift en ieder volk naar zijn spraak; ook aan de Joden naar hun schrift en naar hun spraak.

Er wordt dus een tegenwet afgekondigd. Tussen de wet van Haman en de tegenwet van Mórdechai zit ongeveer tien weken. Denk nu nog eens aan de Joden. De wet van Haman had grote rouw en vasten gebracht. De Joden wisten toen nog niet wat er in de burcht Susan zou gebeuren. Ze hebben gebeden, ze hebben geworsteld. Misschien wel eens een keer hoop gehad dat de Heere hen verlossen zou. Maar er kwam maar geen oplossing. Het zal wel eens zo donker zijn geweest dat er geen lichtpuntje zichtbaar was.

Maar, gemeente, wij mogen weten uit dit Bijbelboek dat de Heere al lang aan het werk was. De Joden wisten niet wat er gebeurde in de burcht Susan, maar wij mogen weten dat de Heere al aan het werk was om hen te redden.

Toen Esther koningin werd, was Hij toch al bezig om hen te redden? Toen het in de kronieken geschreven werd wat Mórdechai gedaan had, was de Heere toch al bezig om hen te verlossen? Toen die slapeloze nacht van de koning kwam, was de Heere toch al bezig om hen te verlossen? Daarom die boodschap; overal wordt die nieuwe wet van Mórdechai bekendgemaakt. We lezen het: ook tegen de Joden wordt het gezegd.

 

Meisjes en jongens, wat hield die tegenwet in? Wat was de inhoud ervan?

Wel, als de dag aan zou breken dat de Joden gedood zouden moeten worden, dan mochten de Joden zich verdedigen. Ze mochten gewapend verzet bieden tegen de vijanden.

En dan worden de snelste lopers eropuit gestuurd. De boodschap had haast! Haman had haast, maar nu is er ook haast met deze boodschap, met deze tegenwet.

 

Ach, gemeente, de satan heeft zich gehaast in het rijk van Ahasveros. De satan heeft nu nog haast. En waarom dan wel? Omdat hem nog maar een korte tijd gegeven is. Het zal dan ook steeds moeilijker worden.

Maar die wet van Mórdechai had ook haast. Overal moest hij geproclameerd worden.

Vandaag mag dat ook nog plaatsvinden. Want er is een wet uit Jeruzalem, bij God vandaan, een wet van recht, maar ook van genade, waardoor verloren zondaren tot God kunnen komen. En die wet zegt tot u en tot jou: ‘Er is haast bij om uws levens wil.’

De Heere laat het nu nog prediken: Er is haast bij! Bekeert u!

 

Gemeente, als u nog onbekeerd bent, dan zeg ik met al de liefde van mijn hart: Capituleer dan toch! Lever de wapens van verzet in. Want de Heere laat met die wet van genade nog prediken dat er hulp besteld is bij een Held, Die machtig is te verlossen. Dan mag in een donkere en een duistere tijd het licht van het evangelie er nog zijn. Maar de tijd is voorts kort. Haast u om uws levens wil. Er is haast bij!

 

De boodschap door Ahasveros afgekondigd houdt in dat er een tegenwet mag komen. We luisteren ten derde naar de boodschap der verlossing:

 

3. Door de Joden begroet

 

Want we lezen we in het vijftiende vers: En de stad Susan juichte en was vrolijk. Ze zagen Mórdechai komen in zijn prachtige ambtsgewaad.

Dan lezen we verder: Bij de Joden was licht en blijdschap en vreugde en eer. U kunt zich wel voorstellen dat als die tegenwet wordt uitgevaardigd, er bij de Joden licht is. Het was immers donker, door de wet die had gezegd: ‘Je bent een kind des doods, je moet sterven.’ Maar nu is er een tegenwet.

Kijk, als een mens gaat leren: ‘Ik ben een kind des doods, ik ben des doods schuldig, door de zonde ben ik de toorn van God waardig, ik ben een kind van Adam, door eigen schuld in de greep van die machtige’, wat is het dan een heerlijk evangelie: Jezus is daar! De Wet ten leven. Licht en blijdschap, ook nu nog. Ook bij de Joden is er licht en blijdschap, vreugde en eer. Zo komt er dan licht na bang gevaar.

 

Gemeente, er zullen er onder de Joden ook wel geweest zijn bij wie die blijdschap een zekere brooddronkenheid geweest is. Maar er zullen ook mensen geweest zijn die op hun knieën zijn gegaan en het voor God hebben uitgeweend: ‘O God, wie zijn wij dat U ons zo hebt bewaard? Dat U ons volk, dat het zo verzondigd heeft, nog genadig wil zijn?’ Er werd een tegenwet uitgevaardigd. Gemeente, ik hoop dat u zo iets van dat evangelie leert kennen van een rijke Christus voor een arme zondaar. Want dan wordt het licht. Ook in het land Gosen was het licht, toen er duisternis kwam in Egypte. In het land Gosen was het licht. Licht te midden van de duisternis. Vreugde, want dan gaat de Heere spreken naar het hart van Jeruzalem.

 

Verder lezen we: Ook in alle en een ieder landschap, en in alle en een iedere stad, ter plaatse waar des konings woord en zijn wet aankwam, daar was bij de Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en vrolijke dagen. We lezen bovendien: Velen uit de volken des lands werden Joden, want de vreze der Joden was op hen gevallen.

Gemeente, er werd iets vervuld van Zacharia 8. Mensen worden geroepen om de slip te grijpen van de Joodse man, lezen we daar. ‘Laat mij met u gaan, want de Heere uw God is met u.’ De vreze der Joden was op hen gevallen. Door de Heere geschonken.

Het zal niet bij alle mensen hetzelfde geweest zijn. Er zijn ook wel eens mensen die lijken te denken: ‘Ik zal maar aanpappen met een kind van God, dat scheelt misschien voor mij ook nog wel.’ Inderdaad worden er soms steden gespaard om enkele rechtvaardigen. Denkt u maar aan de stad Sodom. Maar het komt er zo persoonlijk op aan die slip te grijpen van de Borg en Zaligmaker, de Heere Jezus Christus; de gouden scepter die wordt toegereikt. Want dan wordt het licht. Dan wordt het: ‘Gij hebt mijn weeklacht en geschrei, veranderd in een blijde rei.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 126: 2

 

God heeft bij ons wat groots verricht;

Hij zelf heeft onze druk verlicht;

Hij heeft door wond’ren ons bevrijd;

Dies juichen wij, en zijn verblijd.

Breng, Heer’, al Uw gevang’nen weder;

Zie verder op Uw erfvolk neder;

Verkwik het, als de watervloed,

Die ‘t zuiderland herleven doet.