Ds. A.B. van der Heiden - 1 Korinthe 16 : 22 - 23

Onderwerp

De laatste woorden die Paulus richt aan de gemeente van Korinthe
Een ernstige en dringende vermaning
Een allesomvattende zegenbede

1 Korinthe 16 : 22 - 23

1 Korinthe 16
22
Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maran-atha!
23
De genade van den Heere Jezus Christus zij met u.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 74: 15, 19
Lezen : 1 Korinthe 16
Zingen : Psalm 102: 14, 15
Zingen : Psalm 90: 7, 9
Zingen : Psalm 89: 19, 1

Gemeente, op deze laatste avond van het jaar vragen wij uw aandacht voor de laatste woorden die Paulus in zijn brief aan de gemeente van Korinthe heeft geschreven. Onze tekstwoorden kunt u vinden in 1 Korinthe 16 vers 22 en 23:

 

Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maranatha! De genade van de Heere Jezus Christus zij met u.

 

Deze laatste woorden die Paulus richt aan de gemeente van Korinthe bevatten:

1. Een ernstige en dringende vermaning

2. Een allesomvattende zegenbede

 

Dus we bepalen u bij de laatste woorden die de apostel Paulus richt tot de gemeente van Korinthe.

Die woorden bevatten in de eerste plaats een ernstige en dringende vermaning. Vers 22: Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking.

In de tweede plaats: een allesomvattende zegenbede. Vers 23: De genade van de Heere Jezus Christus zij met u.

.

1. Een ernstige en dringende vermaning

 

De apostel Paulus heeft vele dingen geschreven in zijn brief aan de gemeente van Korinthe. U kunt in het begin van zijn brief lezen dat er in die gemeente twisten waren. Onheilige twisten. Ook was er verdeeldheid en sprake van partijschappen. En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos, en ik van Céfas, en ik van Christus (1 Kor. 1:12).

Ze hebben allemaal hun eigen favoriet. Helaas is het in de kerk soms net als in de wereld. De wereld heeft z’n idolen, de wereld heeft z’n grote sterren en z’n fanclubs. Helaas komt het in de kerk ook voor. Díé man is het alleen, en niemand anders… Maar de apostel gaat daar tegenin. Hij zegt: ‘Is Christus het niet Die gepredikt moet worden? Moet Hij niet in het middelpunt staan? Of is Paulus voor u gekruisigd? Of Apollos?’

Daarom is het dat de apostel zegt in zijn brief: Ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus en Dien gekruisigd (1 Kor. 2:2).

 

Paulus heeft anderhalf jaar in de gemeente van Korinthe gewerkt. In die korte periode heeft de Heere zijn bediening rijk gezegend. Hij schrijft enkele jaren na zijn vertrek een lange brief aan de gemeente van Korinthe. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van een schrijver, een secretaris zouden wij zeggen.

Door de inspiratie van de Heilige Geest heeft Paulus de woorden gedicteerd en zijn schrijver heeft die op het papier gezet. Maar als de apostel Paulus bijna klaar is, dan zegt hij: ‘Nu wil ik zelf een stukje schrijven. Nu moet je mij de pen eens geven. Nu wil ik met mijn eigen hand de laatste woorden onder de brief schrijven. Ik wil met mijn eigen handschrift een laatste groet en zegenbede overbrengen.’

Want zo staat het in vers 21: De groetenis met mijn hand, van Paulus. Nu gaat de apostel de allerlaatste dingen schrijven.

 

Vanavond horen wij die laatste woorden in dit wegstervend jaar. De laatste woorden die Paulus schrijft, zijn woorden waar eeuwigheidsgewicht aan hangt. Dit moet hij nog even kwijt. Gedrongen door de liefde van Christus moet hij het nog één keer zeggen, een laatste keer dan: Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking.

Maar Paulus, geloof je dan, dat er in de gemeente van Korinthe mensen zijn die de Heere Jezus niet liefhebben? Ja, gemeente, dat gelooft hij. En het zal zeker ook zo zijn dat in deze gemeente niet alles goud is wat er blinkt.

De apostel ziet de hele gemeente echt niet als allemaal, hoofd voor hoofd, kinderen van God. Het is echt niet zo dat de apostel in een verbondsoptimisme zegt: ‘De hele gemeente van Korinthe zijn allemaal schapen van de goede Herder. Het zijn allemaal gelovigen in de diepste zin van het woord. We hebben allemaal de Heere Jezus hartelijk lief.’

Dat is wel zo wat de kern, wat het wezen van de gemeente betreft. Maar hij moet met verdriet constateren dat het niet voor allen in de gemeente geldt.

 

Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking. Wat een ontzettende boodschap op de oudejaarsavond. Een vervloeking! Er staat in het Grieks: ‘anathema.’ Dat woordje ‘anathema’ komen we ook tegen in de brief aan de Romeinen. Als de apostel zegt: Ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus voor mijn broederen (Rom. 9:3). Verbannen van Christus. Wat betekent dat?

Wel, als je verbannen wordt, dan word je het land uitgezet. Dan ben je een ongewenst persoon. Een persona non grata. Dan word je buitengesloten. Hier in onze tekst betekent het eigenlijk ten diepste: geen deel aan Christus. En gemeente, dat is toch het allerallerergste. Daarom is het zo’n ernstig woord. Het woordje ‘anathema’.

Verbannen, er buiten. Dat betekent: weggedaan. Eeuwig buitengesloten.

 

Die zij een vervloeking. En wanneer? Wel gemeente, als we de Heere Jezus niet liefhebben, dan worden we er buiten gezet. En waarom moet Paulus dat nu nóg een keer zeggen, aan het einde van zijn brief? Wel, hij doet het liever nu dan dat ze het straks zullen moeten horen, als ze staan voor de Rechter van hemel en aarde. Als die Rechter zal zeggen: ‘Ga weg van Mij. Vervloekt! Uitgebannen.’

Gemeente, straks, als wij sterven, als we voor de troon van God zullen staan en als we het dan zouden moeten horen, wat is dat ontzettend! Want dan is het onverbiddelijk. Paulus hoopt dan ook dat deze laatste woorden de mensen zullen uitdrijven tot de Heere en op de knieën zullen brengen. Wij dan wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof (2 Kor. 5:11).

 

Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft. Gemeente, als we nog zijn zoals we geboren zijn, dan hebben we de Heere Jezus niet lief. Want zoals wij mensen op deze wereld komen, zijn wij geen mensen die vol van liefde zijn tot de Heere Jezus. U niet en ik niet. De mens is immers van nature blind voor de heerlijkheid van de Borg Jezus. Een mens ziet van nature geen aantrekkelijkheid in Hem. Jesaja zegt het in Jesaja 53: Als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte dat we Hem zouden begeerd hebben (Jes. 53:2).

Daarom zijn alle mensen, u en ik, van nature vervloekt en liggen we allen onder de toorn van God. Of mag u op de oudejaarsavond zeggen: ‘Maar in mijn leven is het anders geworden’?

Mogen we deze vraag ook vanavond aan uw hart leggen: Hebt u de Heere Jezus lief gekregen? Mogelijk zijn er hier mensen in de kerk die wel op zouden willen staan en hardop zouden willen roepen: ‘Ja, ik heb de Heere Jezus lief!’

Mogen we er nog een vraag aan verbinden? Waaróm dan? U zegt het toch niet te snel? En u weet het toch wel zeker? Want Jezus zegt dat er zijn die het woord van God terstond met vreugde aannemen, maar het heeft geen diepte van aarde. Ik kom er zo op terug.

 

Want weet u, als de Heere in het leven van een mens gaat werken, dan stort de Heere liefde uit in het hart.

Wonderlijk, dat kun je zomaar niet in woorden verklaren. Waar leven is, daar is ook liefde. Liefde tot wie? Wel, tot je Schepper en tot je Weldoener. Je zoekt Zijn gemeenschap. Want je ziet dat je die gemeenschap door je zonde in het paradijs, maar ook door je persoonlijke zonden, verbroken hebt.

Dat ga je allemaal ontdekken. En hoe zul je nu ooit gemeenschap zoeken met God, als je God niet lief hebt? Dus de Heere stort iets van Zijn liefde in het hart en je krijgt God lief door Christus.

Dat zie je in het begin niet zo helder. Want als je Hem een weinig gaat liefhebben, dan ga je ook in je leven ontdekken wie je zelf bent. Calvijn zegt: ‘De ware religie bestaat uiteindelijk uit twee dingen: uit Godskennis en zelfkennis.’

Je gaat ook jezelf kennen. En dan moet je tot je schande ontdekken dat je van jezelf geneigd bent om God en je naaste te haten. Maar je krijgt God toch ook in beginsel lief. Je krijgt, om het zo te zeggen, een onbekende God lief.

 

Misschien zijn er hier in de kerk mensen die zeggen: ‘Ja, en dat is nu iets, als ik kijk in mijn leven wie ik geweest ben, ook in het achterliggende jaar, dan kan ik daar niets van ontdekken, niets van bespeuren. Want er staat in de Bijbel: Wie Mij liefheeft onderhoudt Mijn geboden. Als ik op mijn eigen leven zie, dan kan ik op de oudejaarsavond de Heere alleen maar een verzondigd leven aanbieden. Zelfs ook mijn allerbeste werken zijn onvolkomen en met zonden bevlekt.’

Daar wist Jesaja ook iets van. Hij zegt: Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind (Jes. 64:6).

En daarom: ‘O Heere, een vervloeking. Dan moet ik niet aan andere mensen denken, maar dan moet ik aan mijzelf denken. Een vervloeking, dat ben ik zelf! Want U zegt toch Zelf in Uw Woord: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal. 3:10)?’

Gemeente, als ik niet 24 uur per dag, 365 dagen per jaar, volmaakt God lief heb boven alles en mijn naaste als mijzelf, dan ben ik een zondaar. Dan lig ik onder de vloek.

 

Maar, mogen we u nog eens verder vragen: Hebt u nog nooit gezien dat de liefde van een andere kant komt? Hebt u nooit gezien en gehoord dat Jezus tot Zijn discipelen gezegd heeft: ‘Gij hebt Mij niet eerst liefgehad, maar Ik heb u eerst liefgehad’?

En is u dat nooit een wonder geworden? Dat de Heere Jezus kwam in deze wereld, in de stal van Bethlehem, om te zoeken en zalig te maken dat verloren was? Want Hij is niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, mensen die het met zichzelf zo goed getroffen hebben en die zo tevreden zijn met zichzelf, die denken dat ze zelf vol liefde zijn, maar om zondaren tot bekering te roepen.

 

Er zijn mensen hier in de gemeente, die zichzelf hebben leren kennen en die hier van binnen in hun hart ontdekt hebben wat de onderwijzer zegt in Zondag 2 van de catechismus: ‘Ik ben geneigd God en mijn naaste te haten.’

Mensen die daar zo ellendig onder geweest zijn, dat ze de Heere gesmeekt hebben: ‘O God, wees mij, arme zondaar, genadig. Want, o God, ik heb van mijzelf geen kruimel liefde.’

Mensen die door het onderwijs van het Woord gezien hebben wat genade, vrije genade  is voor een arme zondaar. Zeg dan eens vanavond, u die dat niet onbekend is: Was er toen geen liefde in uw hart? ‘Heere, dat U naar zo een als ik ben, de armen van Uw liefde hebt willen uitstrekken. Heere, wilt U nu zo’n mens, zo’n haatdragend mens als ik ben, genade schenken? O Heere, U bent al mijn liefde waardig!’

 

Gemeente, dat is liefde. Over zulke mensen gaat het vanavond in de tekst: die de Heere Jezus liefhebben. En die dat missen, die hebben de Heere Jezus niet lief. Die nog nooit diep verwonderd geworden zijn dat God een zondaar in Zijn nederbuigende genade opzoekt, die hebben de Heere Jezus niet lief.

Maar die iets weten in hun leven van die opzoekende liefde Gods, die weten wat genade is, die weten ook wat liefde is. Want als dan Jezus vraagt aan Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt gij mij lief? (Joh. 21:16), dan mogen zulke mensen met Petrus weleens van harte onder tranen instemmen en zeggen: Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik U liefheb (Joh. 21:17). ‘Ondanks alles! Ik kan het met mijn leven niet bewijzen dat ik U zo liefheb. De praktijk van mijn leven is er dikwijls zo strijdig mee. Wat loopt het vaak laag af.’ Weet u wat Gods kind dan leren gaat? Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1 Joh. 4:19).

 

Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking. O geliefde onbekeerde medereiziger naar de eeuwigheid, om u te schokken, voor de laatste keer in dit bijna voorbijgegane jaar, opdat je niet eeuwig zou geschokt zijn, maar nog heden zou bedenken wat tot uw eeuwige vrede dient!

 

Maranatha! Zo vervolgt de apostel.

Dat is een Aramees woord dat onze Statenvertalers niet vertaald hebben. Maran-atha staat er eigenlijk. Het eerste woordje, ‘maran’, betekent: onze Heere. En dat tweede woordje, ‘athar’, heeft te maken met het werkwoord komen. Dus er staat eigenlijk: Onze Heere komt. Of: Kom, onze Heere!

De apostel wijst naar de wederkomst van Christus. Er hangt als het ware eeuwigheidsgewicht aan de woorden die hij spreekt. Alsof hij zeggen wil: ‘Mensen, besef het toch! Wie de Heere Jezus niet liefheeft, die is een vervloeking. En Jezus komt spoedig op de wolken van de hemel.’

Het kan zomaar afgelopen zijn met deze wereld. De tekenen der tijden wijzen ons daar duidelijk naar. Dan komt Christus op de wolken van de hemel. En daarom: er is haast bij, want de Geest, en daar eindigt de Bijbel mee, de Geest en de bruid zeggen: Kom! (Openb. 22:17). En dan zegt de bruidskerk: ‘Ja, kom, Heere Jezus, kom haastiglijk!’

 

Gemeente, een laatste en dringende vermaning hebben we vanavond in uw midden gelegd. De Heere geve toch dat dat woord ons raken mocht. Zó raken mocht dat, als we nog nooit verbroken zijn, dat we straks verbroken naar huis zouden gaan met de bede in ons hart: ‘O God, wees mij de zondaar genadig!’

Om als een vloekwaardige zondaar tot de Heere te vluchten en om te smeken om genade. En om dan het geheim te leren, want dat leert de Heere al Zijn kinderen op de school van de Heilige Geest: het geheim van Jezus’ borgtocht en plaatsbekleding. Waar de apostel Paulus van spreekt in Galaten 3 vers 13: Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons.

 

We gaan naar onze tweede gedachte: een allesomvattende zegenbede, maar zingen eerst nog Psalm 90 de verzen 7 en 9:

 

Wie kent Uw toorn, wie zijn geduchte krachten?

Wie vreest dien recht, geduchtste Macht der machten?

Leer ons de tijd des levens kost’lijk achten,

Opdat ons hart de wijsheid moog’ betrachten;

Keer weder, Heer’; Uw gunst koom’ ons te sta;

Hoe lang ontzegt G’ Uw knechten Uw genâ?

 

Laat Uw genâ ons met haar troost verrijken,

En laat Uw werk aan Uwe knechten blijken;

Uw heerlijkheid niet van hun kind’ren wijken.

Uw liefd’, Uw macht behoed’ ons voor bezwijken;

Sterk onze hand, en zegen onze vlijt;

Bekroon ons werk, en nu, en t’ allen tijd.

 

2. Een allesomvattende zegenbede

 

De genade van de Heere Jezus Christus zij met u.

Wat kunnen we beter op deze oudejaarsavond doen dan een gebed? Als de apostel Paulus de laatste woorden met zijn eigen hand opschrijft, dan stijgt er in zijn ziel een gebed op voor de gemeente die hij liefheeft. De genade van de Heere Jezus Christus zij met u. Dat is zijn gebed. Dat is zijn zegenbede.

 

De genade van de Heere Jezus Christus. Gemeente, wat kunnen we elkaar beter toe bidden op de laatste avond van het jaar, dan genade? Want al het andere gaat immers voorbij? Rijkdom, eer, zelfs gezondheid, elk huwelijk, het allerliefste huwelijk, alle goede dingen van het leven, alle dingen gaan voorbij. Wat kunnen we elkaar dan beter toe bidden dan dit? De genade van de Heere Jezus Christus. Want we moeten immers alles achterlaten.

Zo’n laatste avond staat ook in het bijzondere teken van het voorbijgaan van alle dingen. Niemand van ons blijft gezond. Iedereen wordt een keer uit het leven weggenomen. Straks zal er een ogenblik zijn dat er niemand van ons die nu in de kerk zit, of thuis meeluistert, er meer zal zijn. Alle huwelijken gaan doormidden. Alle mensen moeten alles achterlaten. Niets hebben wij in de wereld gebracht toen we er inkwamen. We zullen er ook niets uit dragen. Alles verlaat ons. Alles wordt afgebroken. Een mens houdt helemaal niets over.

Op de oudejaarsavond wordt het ons op een ontroerende wijze gepredikt wat Mozes zegt in Psalm 90 vers 9 en 10: Want al onze dagen gaan heen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte. Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaar; of zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaar; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.

Wat blijft dan alleen over, als we alles verlaten moeten bij ons sterven en als we met lege handen zullen moeten staan voor God? Genade!

 

Wat is dat dan, genade? Wel, genade veronderstelt wat. Genade veronderstelt dat er schuld is. Genade veronderstelt dat God eigenlijk op ons toornen en op ons schelden moet. Maar genade betekent in het bijzonder dat het weer goed is tussen God en onze ziel. Genade, dat de Heere onze zonden vergeeft. Dat de Heere zegt: ‘Ik zie geen zonden meer in Mijn Jakob, en geen overtreding in Mijn Israël. Ik heb ze uitgewist. Ik heb al die zonden uit Mijn boek gedaan. Het is weer goed, o mensenkind. Ik zie u weer vriendelijk aan. Uw zonden zijn u vergeven.’

Dat hebben we allemaal onmisbaar nodig. En dan bidden we elkaar op deze laatste avond van het bijna weggestorven jaar, toe: genade. Dat wil zeggen: vergeving van de zonde en een recht op het eeuwige leven. De genade van de Heere Jezus Christus.

 

De apostel Paulus heeft maar een paar regels geschreven met zijn eigen hand. Het andere heeft zijn secretaris opgeschreven. Maar de laatste woorden wil hij met zijn eigen hand, als een persoonlijk stempel daar als het ware op drukken. En dan schrijft de apostel in die laatste paar regels drie keer de Naam van Hem, Die in de stal van Bethlehem geboren werd en in de kribbe gelegd werd, waar we in de afgelopen weken bij stilgestaan hebben: de Naam Heere Jezus Christus. Drie keer; in vers 22, 23 en 24.

Iedere keer weer opnieuw gebruikt de apostel die allerschoonste en allerliefste en allerdierbaarste Naam: Jezus. De Naam die de Vader Zijn Kind gegeven heeft. Die Zijn volk zalig zal maken van hun zonden. Maar ook de ambstnaam: Christus. Dat is: de Gezalfde, tot Profeet, Priester en Koning.

 

Gemeente, het zijn geen stopwoorden die Paulus gebruikt. Maar dit is de grond van de zaak. Hij legt alle nadruk op het feit dat er alleen maar genade is in de Heere Jezus Christus. Dat er geen genade is omdat ik in mijn leven wel eens een ernstige indruk gehad heb. Of omdat ik als een net kerkmens ieder het zijne gegeven heb. Of omdat ik wel eens bewogen geweest ben en met gevoel gebeden heb.

Zeker, het leven der genade kan niet zonder gevoel. Maar er is maar één weg om die genade te ontvangen, dat is Christus, Die gezegd heeft: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh. 14:6).

Er is echt geen andere weg. Want er is ook onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welke wij moeten zalig worden (Hand. 4:12). Een mens moet met alles zo in de dood vastlopen dat hij niets anders overhoudt dan Jezus Christus en dan de genade die in Jezus Christus is. Het moet een keer in je leven waar worden: ‘Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Hem is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.’

 

Nu zijn wij van huis uit mensen die die weg niet kennen. In het verbroken verbond der werken kennen wij maar één weg tot God: Doe dat en gij zult leven (Luk. 10:28). Daarom willen wij als mensen van nature best wel genade hebben, maar dan wil ik ook behouden wat ik er zelf nog een beetje aan toevoeg.

Dat kan de Heere nu net helemaal niet gebruiken. Daar kan de Heere helemaal niets van gebruiken. Het is álles genade of het is géén genade. In Zondag 11 zegt de onderwijzer: Of Jezus is een volkomen Zaligmaker of er moet nog iets van mij bij. Mijn gewilligheid, mijn goede wil en keurig nette levenswandel, mijn bidden. Maar dan is Jezus geen volkomen Zaligmaker.

Maar Hij is een volkomen Zaligmaker. En die door het geloof tot Hem gaan, die zullen alles in Hem vinden wat ze nodig hebben om zalig te kunnen leven en sterven.

 

De genade van de Heere Jezus Christus zij met u. Weet u wat dat betekent? Dat we u van harte toe bidden dat u niets anders mag overhouden dan Hem alleen. Dan hoeven het geen grote, bijzondere, indrukwekkende zaken te zijn, maar dan gaat het over de wortel van de zaak. En dat kan ook in het beginnende leven zijn.

Dat was ook in het leven van de discipelen in het begin. Toen de discipelen in het begin met Jezus omgingen, kenden ze nog niet zo veel van het priesterlijk ambt van de Heere Jezus, van Zijn borgtocht en plaatsbekleding. Daarom zeggen ze steeds opnieuw: Zult Gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten? (Hand. 1:6).

Ze waren zo vaak nog bezet met zulke aardse gedachten. Maar ze wisten één ding wel: bij Hem moeten we zijn. Daar, alleen bij Hem is het te vinden en te verkrijgen, en nergens anders! Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. (Joh. 6:68). Daar is het te vinden.

Zoals die zondares aan Jezus’ voeten. Die zondares, die bij Simon de farizeër binnenkwam toen Jezus daar verkeerde. Zij kon alleen maar huilen en zij kon alleen maar Zijn voeten natmaken met haar tranen en verder kon ze niet zoveel zeggen. Maar ze wist één ding: daar alleen is het leven en daar alleen moet ik het zoeken. Daar alleen ligt het.

 

Dan moet alle andere grond ons ontvallen. Daar moet ik een goddeloze worden in mijzelf. En dat valt niet mee. Want ik wil graag een net persoon zijn, die het zo goed bedoelt, die zo goed kan bidden. Maar als de Heere door alles een streep zet in je leven, en zegt: ‘Nee, dat is niet genoeg’, als dan heel mijn godsdienst gelegd wordt op de heilige weegschaal van God en ik lees in mijn hart dezelfde woorden die verschenen op de witte muur in de feestzaal van Bélsazar: ‘Gewogen, gewogen, maar te licht bevonden’, gemeente, dat valt niet mee voor een mens.

Maar wat krijgt juist dan genade een onuitsprekelijke betekenis. Want dan hóéf ik en kán ik de Heere niets meer aanbieden. Wat is de genade dan ruim! Dan schrijft de apostel aan Timotheüs: Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben (1 Tim. 1:15). Dan kan een mens door genade in Christus zalig worden, en zal hij ook eeuwig zalig worden.

 

De genade van de Heere Jezus Christus zij met u. Dat veronderstelt een arme zondaar en een rijke Christus. Dat veronderstelt dat ik geen cent heb om te betalen en dat veronderstelt dat je ziet dat alles al door een Ander betaald is en door een Ander geschonken wordt. Uit louter genade, om de verdienste van de Heere Jezus Christus. Als er van mijn kant alleen maar schuld bij kan komen, dat ik mijzelf nooit tot de hemel kan opwerken, maar dat de eeuwige Zoon van God, Jezus Christus, nederdaalt, omdat het alleen genade is.

 

Daar leren Gods kinderen iets van. Ze komen er meer en meer achter: Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid (Matth. 21:19). Maar ook dan te zien dat alles in Christus is. Uw vrucht is uit Mij gevonden (Hos. 14:9).

Want als ik een vloekwaardige ben voor God en niet meer dan dat, en de Heere laat me dan zien dat een Ander in mijn plaats die vloek gedragen heeft en dat Hij een vloek geworden is voor zulke mensen als ik, omdat Hij de vloekkroon, de doornenkroon wilde dragen, o dan wordt die genade zo onuitsprekelijk groot. Dan is het de verloren zoon die genade ontvangt van Hem bij Wie hij weggelopen is. En zij begonnen vrolijk te zijn (Luk. 15:24).

 

De genade van de Heere Jezus Christus zij met u. En gemeente, nu heeft de Heere beloofd dat Hij die genade zal doen verkondigen. Ook in het nieuwe jaar, als God het geeft. Want zo lang als de zon en de maan schijnt, zal de Heere Zijn Naam voortplanten. Laat niemand van ons denken dat God niet doorgaat met Zijn werk. De Heere gaat door tot de jongste dag, naar Zijn welbehagen.

 

Tenslotte sluit de apostel zijn eerste brief aan de Korinthiërs af met de woorden: Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen.

Míjn liefde. Hier klopt het hart van een dienaar. Paulus mag het eerlijk belijden voor de gemeente van Korinthe. En ik ben er vast van overtuigd dat elke dienaar die door de Heere geroepen is daar iets van kent, of het een eigen gemeente is of niet: liefde tot de hoorders. ‘Ik heb liefde voor u’, zegt de apostel. En dat zal elke dienaar nazeggen. Mijn liefde zij met u allen.

 

U zult zeggen: ‘Ja, dat is nogal wat zeg: zij met u allen.’

Dan denken we aan de woorden van de apostel Paulus in Hebreeën 4 vers 1: Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. Paulus gunt een ieder de zaligheid. Paulus zegt: De liefde van Christus dringt ons (2 Kor. 5:14).

We werden bepaald bij de woorden: Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking. En dan nu in het volgende vers: Mijn liefde zij met u allen. Klopt dat nu? Kun je die twee dingen met elkaar verbinden? Ja, gemeente, dat kan. Een dienaar kan prediken: Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking, vanuit de liefde, om mensenzielen aan te drijven om de Heere te voet te vallen.

 

Gemeente, het is oudejaarsavond. Als u terugziet op het afgelopen jaar is deze boodschap van zondag tot zondag en ook wel in de weekdiensten tot u gekomen. Wat heeft het uitgewerkt in uw leven? U hebt immers allemaal een ziel die voor de eeuwigheid geschapen is. Zonder hartvernieuwende genade kunt u voor God niet bestaan. O, wat ontzettend als al uw levenstijd verspeelde tijd is geweest! Dan zal de eeuwige nacht volgen. Dat u geen rust meer zou hebben voordat u weet geborgen te zijn in de enige Ark der behoudenis, Jezus Christus.

 

De apostel eindigt zijn laatste woord met het woordje ‘amen’. Dat wil zeggen: vast. Zo is het. De apostel heeft het met zijn eigen hand geschreven: Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maranatha! De Heere komt. Dat is vast en zeker, hoor! Er moet amen op gezegd worden. Waag het niet om daar aan te twijfelen. De genade van de Heere Jezus Christus zij met u.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89: 19 en 1

 

Gedenk, o Heer’, hoe zwak ik ben, hoe kort van duur;

Het leven is een damp; de dood wenkt ieder uur.

Zou ’t mensdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen?

Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen?

Wie redt zijn ziel van ’t graf? Ai, help ons, als tevoren,

Gelijk Gij bij Uw trouw aan David hebt gezworen.

 

’k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên;

Uw waarheid t’ allen tijd vermelden door mijn reên;

Ik weet hoe ’t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,

Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;

Zomin de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,

Zomin zal Uwe trouw ooit wank’len of bezwijken.