Ds. A.T. Vergunst - Psalmen 77

Onderwerp

Psalmen 77
Vier lessen uit Psalm 77 als onderwijs te midden van het lijden van deze wereld

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 111: 1, 2, 5
Lezen : Psalm 77
Lezen : Filippenzen 4: 4-13
Zingen : Psalm 37: 2, 3, 12
Zingen : Psalm 73: 1, 13
Zingen : Psalm 77: 6, 7

Gemeente, als we in deze dienst het Woord van God, de Bijbel, weer voor ons hebben, dan realiseren we ons misschien niet dat dit boek vol staat met crisissituaties in mensenlevens.

Van het begin tot het eind lezen we over mannen, vrouwen, gezinnen, het land van Israël, de kerk, gelovigen, in het Nieuwe en Oude testament, die telkens weer staan voor de realiteit van het leven, waar wíj óók voor staan. Dat maakt dit Bijbelboek zo ontzettend relevant. Dat maakt die Bijbelverhalen, hoewel ze duizenden jaren geleden gebeurden, zo up-to-date, zo relevant voor ons vandaag.

En God, in Zijn wijsheid, heeft ons geen theorieboek gegeven waarin alle dogma’s mooi worden uitgelegd, maar Hij heeft ons een boek gegeven met praktische verhalen van mensen, gezinnen die problemen hebben. Van mensen die worstelen, die huilen, die bang zijn…

En middenin dat boek hebben we dan ook het verhaal van de Zoon Jezus Christus, Die mens was, Die óók worstelde… Misschien zelfs wel op manieren die wij ons niet eens voor kunnen stellen, toen Hij bestookt werd met de realiteit van de duivel en alles wat er op Zijn leven afkwam.

 

Nu gaan we samen eens luisteren naar één van deze worstelaars, in Psalm 77.

Ik ben dankbaar dat God de Heilige Geest deze Asaf de openhartigheid gegeven heeft om zijn worsteling op te schrijven in deze psalm. En Psalm 77 is niet de enige. Psalm 73 is nog zo’n psalm van Asaf waarin je merkt dat deze man het zo moeilijk had om stil te zijn en in Gód te geloven en het écht met Hem eens te zijn.

Dat lezen we in deze psalm ook. En ik denk dat deze psalm daarmee misschien ook wel heel dichtbij mij en bij jou en bij u komt.

Ik ben dankbaar voor het boek van de Psalmen. Er staan hele mooie lofprijzingen in, maar er staan ook hele intieme worstelingen in. En dit is één van de psalmen waarin we mogen kijken in het hart van een kind van God dat het toch wel heel moeilijk had.

 

Er is totaal geen duidelijkheid over wanneer deze psalm geschreven is. We hebben geen idee wat deze man op zijn pad tegenkwam. Maar als u met mij meekijkt naar deze psalm, dan gaan we de psalm eerst even globaal bezien, zodat we zien wat er gebeurt in dit schrijven van Asaf.

Typisch Hebreeuws lees je in het tweede en derde vers een soort samenvatting van zijn strijd en overwinning. Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zál het oor tot mij neigen. Dat spreekt hij in het geloof, dat vóélde hij niet altijd in het midden van zijn strijd. Ten dage mijner benauwdheid zocht ik de Heere. En dáár heb je de samenvatting van de psalm.

 

Eigenlijk valt deze psalm in twee delen uiteen. Als ik mijn ogen langs de woorden van vers 3 tot en met 10 laat gaan, komen die woorden verward op mij over. Asaf is depressief. Hij is bang. Ik denk dat hij ook heel moe is. Moe van het denken, moe van het worstelen in zijn gedachten. Maar als we dan vers 14 tot het eind van deze psalm zien, dan merk je dat daar een andere geest begint te spreken. Daar klinken woorden van herstel, woorden van hoop, woorden van troost zelfs. Stille rust en berusting zien we in deze verzen terug.

Er ligt een sleutel tussen deze twee gedeelten. En let u even met mij op, deze sleutel ligt eigenlijk in twee gedeelten. De eerste is in vers 6 en 7: Ik overdacht (ik dacht terug, ik haalde het terug in mijn gedachten) de dagen vanouds, de jaren van de eeuwen. Ik dacht aan mijn snarenspel, in de nacht overlegde ik in mijn hart; en mijn geest (mijn ziel) onderzocht. En hij gaat verder in vers 12: Ik zal de daden van de Heere gedenken, ja, ik zal gedenken Uw wonderen van oudsher, en zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.

Dáár ligt een schakel. En houd even vast wat heel duidelijk is, dat Asaf zich, middenin de draaikolk van gedachten, als het ware vastklemt aan wat hij van God heeft gehoord, misschien erváren en geléérd heeft in het verleden. God Zelf geeft hem hier het geloof in Gods daden, zoals die in Zijn Woord beschreven zijn.

 

U ziet dat heel vaak bij de Bijbelheiligen.

We lazen zojuist ook een stukje van de Filippenzenbrief. Daarin lezen we ook over onze denkrichting. Paulus zegt: Verblijdt u in de Heere (Fil. 4:4). Waar zit Paulus als hij dit schrijft? Hij zit in de gevangenis, en hij schrijft een brief over blijdschap. Hij zegt: Verblijdt u. Hij zegt het zelf ook vaak hoe blij hij is. En waarom is hij zo blij? In vers 5 zegt hij: De Heere is nabij! Hij zegt: ‘Ik zie de hand van de Heere in deze gevangenis. Ik zit niet zomaar in deze gevangenis, ik zit hier omdat de Héére mij in deze gevangenis wil hebben.’ Kijk, en dán is het goed.

‘Daarom’, zo zegt hij, ‘daarom, broeders, wees in geen ding bezorgd. Je begeerten, je gedachten, je smekingen, en vergeet je dankzeggingen niet, maak het maar bekend bij God. Leg het maar voor Hem neer.’ En wat gebeurt er dan? ‘Dan zal de vrede Gods bij uw harten gaan staan als een soldaat. Hij zal u bewaren.’ Dat is een militair woord. En daarom nog deze laatste aanwijzing: Voorts, broeders… en dan volgt er een hele lijst met dingen. Luistert u naar het laatste woord: bedénk. Hij zegt: ‘Denk dáár nu aan, concentreer je gedachten dáár nu op: op wat waarachtig is, op wat eerlijk is, op wat rechtvaardig is, op wat rein is, op wat liefelijk is.’

 

We gaan weer naar Psalm 77 en we komen nog wel even terug op Filippenzen 4.

Ik wil in deze dienst met u vier lessen trekken uit deze psalm. Deze zijn opgeschreven voor óns vandáág, als leidraad  en onderwijs te midden van het lijden van deze wereld. Ik ken u niet, u kent ook alles van mij niet. Maar laten we het er samen maar over eens zijn dat we allemaal wel ergens in ons leven lijden hebben of lijden zullen krijgen. Daarom is Psalm 77 ook heel speciaal voor mij persoonlijk. En misschien vanavond ook wel voor ú.

Laten we dus luisteren naar deze Asaf, die ons door Gods Geest onderwijs geeft in de worsteling van zijn leven.

 

1.

 

De eerste les die ik hieruit leer en die ik aan u wil doorgeven, is deze. Hoewel u een oprecht gelovig kind van God kunt zijn, geliefd van eeuwigheid door een drie-enig God, getrokken door God de Vader, God de Heilige Geest in u wonend, en geliefd door de Zoon Christus, betekent dat niet dat uw leven makkelijk zal zijn op deze aarde. Moeite en verdriet zullen géén van Gods kinderen bespaard blijven. Dat is óók waar voor hen die níét Gods kind zijn. Zij hebben het soms net zo moeilijk. Nee, zij hebben het nog moeilijker, want zij hebben geen houvast, zij hebben geen anker, geen grond onder de voeten. En ze proberen maar te overléven in deze wereld.

Gods kinderen, dat ziet u wel in deze psalm, gaan óók weleens kopje-onder, net als Asaf.  Zij leven niet altijd op de top van de berg, zingend en jubelend. Nee, heel eerlijk is de Bijbel over de helden van het geloof. Die helden hadden het vaak niet zo breed. Ze worstelden met vragen en donkerheid en twijfels en verdriet en alles waar wij mee worstelen. Ze verborgen het ook niet.

Vooral in de psalmen kijken we in het hart van Gods kinderen. In deze psalm worstelt Asaf. In Psalm 22 worstelt de Heere Jezus Zelf.  Ook Hij heeft geworsteld in het dal van het kruis dat Zijn Vader Hem oplegde; geen enkel detail van Jezus’ kruisweg was er bij toeval.

 

Alles gebeurt volgens Gods soeverein, wijs beleid. Vul al de details van ons leven in. Er is geen moment in mijn dag waar niet Gods voorzienige hand in is. Leven we in het besef van die waarheid? Ik moet u eerlijk zeggen: ik niet altijd. Heel vaak zíén of merken we die hand van God niet, of dénken we niet aan die hand van God.

Maar, gemeente, het staat in de Bijbel, overal, van begin tot eind, dat er niéts in uw leven als verrassing gebeurt. Álles over uw en mijn leven staat als het ware – mag ik dat woord op een eerbiedige manier gebruiken – in Gods draaiboek. Niets zal er gebeuren zonder Zijn wijs beleid in mijn leven. Hoe pijnlijk, hoe moeilijk, hoe langdurig, hoe kortstondig ook.

 

Moet ik dat uit de Schrift bewijzen? Ik zal het heel kort doen, uit Exodus 4 vers 11. Ik herinner me een verhaal van een man, een vader, die helemaal ondersteboven was. Hij had zijn eerste kind gekregen. Het was in de tijd voordat er echo’s bestonden. Helemaal onvoorbereid kreeg hij een zwaar gehandicapt kind. Stel het je even voor. Je verwacht je kind, en dan krijg je een zwaar gehandicapt kind. Ontredderd kwam die man bij zijn predikant, en hij huilde het uit. Ja, daar sta je als predikant. Wat moet je dan zeggen…? Deze predikant wist niets te zeggen, en zei: laat ik je één woord uit de Schrift lezen. En hij las Exodus 4 vers 11, waar Mozes van God te horen krijgt: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of Wie heeft de stomme of dove, of ziende of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de Heere? Dus alles, álles wat mij in dit leven overkomt, is onder Gods controle. Alles.  Met die woorden is hij toen getroost en gelijk naar zijn vrouw gegaan om haar die woorden te lezen. Samen werden ze er stil van. 

 

Laat ik nog één Schriftgedeelte aanhalen, om te laten zien dat niets buiten Gods voorzienigheid valt. Wat was nu de ergste daad in deze wereld? De kruisiging van Jezus Christus. Moet u luisteren wat Petrus daarvan zegt in Handelingen 4. Hij zegt: ‘Heere, Herodes en Pontius Pilatus en de heidenen en het volk Israël hebben zich tegen Uw Kind  vergaderd om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou.’ Zelfs de kruisiging van Christus staat onder de regering, de toelating en de besturing van de almachtige God. Niets van het ergste gebeurt buiten Gods regering.

En dat is een Bijbelse grondwaarheid, gemeente. Alles wat Hij doet, alles wat Hij toelaat, alles wat Hij oplegt en weghaalt, is goed en heilig en rechtvaardig.

Hoort u het mij zeggen? Weet u dat ik het óók zo moeilijk vind om dat te geloven? Maar dat is de grondwaarheid die de Bijbel ons voorstelt, en dat is wat Gods Kerk ook elke keer leert, en dat is ook wat Gods Kerk hierná zal zeggen: ‘Alles wat U deed was goed en rechtvaardig en heilig.’

 

Nee, dat krijgen we heel vaak niet te zien. Job heeft misschien nooit helemaal begrepen waarom hij door dat diepe dal heen moest. Wíj lezen Job 1, maar Jób las het nooit, want het was er nog niet in Jobs dagen. Waarschijnlijk heeft Mozes dat eerste hoofdstuk van Job geschreven. Dus Job is door het dal gegaan; hij heeft de Heere gebedeld en gevraagd: ‘Heere, waaróm? Waartoe? Wat heeft U hiermee te zeggen?’ En God zegt: ‘Laat het maar aan Mij over, Job. Vertrouw Mij nu maar. Ik doe het écht goed. Jij kunt het ook niet begrijpen.’ En uiteindelijk heeft Job het mogen zien, en hij heeft zich vernederd voor God. U kent de geschiedenis. ‘Ik heb me vernederd, Heere, U doet het goed. Ik zal het niet meer vragen.’

 

Als ik deze eerste les samenvat: leeft u, leef jij in de verwachting dat er verschillende onverwachte gebeurtenissen, die misschien heel onwelkom zijn, voor u gepland zijn in dit leven?

Misschien denkt u nu: moet ik dan een zwartkijker worden? Nee. Ik pleit ervoor dat we realistisch gaan denken. Toen Adam en Eva gevallen waren, zei de Heere: ‘Doornen, distelen en zweet. Pijn, lijden en dood. Dát zal het zijn in deze wereld.’

Maar er is perspectief. Er is zeker perspectief. Dat is de hoop van het Evangelie. Maar zijn wij realistisch in ons denken over dit leven op de aarde?

 

Onlangs was ik in China, en één van de oudere broeders zei tegen mij: ‘Jullie mensen in het westen, jullie denken verkeerd.’ Ik zei: ‘Hoezo?’ Hij zei: ‘Wat jullie normaal noemen is voor ons abnormaal.’ Ik vroeg: ‘Verklaar dat eens?’ Hij zei: ‘Lijden in deze wereld is normaal. Níét lijden is abnormaal.’

 

Denken wij zo? Laten we eens eerlijk zijn. We zitten al te mopperen als het te heet is. Maar dat is normaal! De Heere heeft gezegd: doornen, distelen, hitte, kou… Wat er ook zijn kan in deze wereld, het is een gevállen wereld, er ligt een vlóék op deze wereld! En toch is er nog zoveel moois. Toch is er nog zoveel liefs. Toch zijn er nog zoveel heerlijke dingen in dit leven. Terwijl we in een gevallen wereld leven.

Gemeente, antwoord u zelf maar: waar heeft God ons een blauwe lucht beloofd, en een stormloze dag, en ononderbroken vreugde, op deze kreunende, zuchtende en zondigende planeet? Waar heeft Hij dat beloofd in Zijn Woord? Nergens. Dat belooft Hij niemand, ook niet Zijn kinderen.

Dat betekent natuurlijk niet dat we geen vreugdevolle dingen mogen plannen, daarnaar uitzien, en ervan genieten. Natuurlijk mag dat wel. Maar we moeten realistisch en Bijbels denken over het leven. Anders gaan we met Asaf kopje-onder doordat we denken dat lijden abnormaal is. Dat is mij vaak ook overkomen.

 

Asaf zegt in vers 4 van deze psalm: Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Het woord ‘overstelpt’ betekent zoiets als: iemand die golf na golf na golf na golf over zich heen krijgt. Denk aan een drenkeling die uit het water probeert te komen. Hij probeert lucht te happen, maar elke keer hapt hij water. Mijn ziel is óver-stelpt. 

 

Dat is de eerste les: wij moeten realistisch, Bijbels denken. Zelfs oprechte gelovigen zullen geen moeiten bespaard blijven. Als we dat niet bedenken en zo ook niet elke dag weer tegemoet zien, kan het best zijn dat we ons overstelpt zullen voelen. We leven niet op een cruiseschip, maar op een zinkend schip…

 

2.

 

Met mijn tweede gedachte kom ik veel dichter bij de psalm, en dat is deze gedachte: dat het in deze donkere en moeitevolle dagen heel moeilijk is om positief te blijven denken. Kijk maar met me mee in deze psalm. Asaf is heel eerlijk in Psalm 77. In deze verzen beschrijft hij iets van de draaikolk van gedachten in zijn hart. Wat er precies gaande is weten we niet, maar we weten wel dat deze man het helemaal verliest, door de golven die over hem heenkomen, en alle gevoelens die dat met zich meebrengt. Hij worstelt met God.

Luister maar: Mijn stem is tot God, en ik roep. (…) Ten dage van mijn benauwdheid zocht ik de Heere; mijn hand was des nachts uitgestrekt. Hij zegt niet eens dat hij iets zei in de nacht, in de donkerheid; mijn hánd was uitgestrekt. ‘Heere, waar bent U dan?’ Hij gaat zelfs vérder dan dat: Mijn ziel weigerde getroost te worden. Hij zegt daarmee: al de pogingen om me tot andere gedachten te brengen, om mijn gedachten in andere banen te leiden, het baatte niet. Ik wéígerde getroost te worden.

Doelloos en vruchteloos en onredelijk en onrechtvaardig leken de wegen die God met hem ging. Misschien zit u hier ook wel zo. Misschien in het verleden, misschien nu. En u zegt tegen de Heere: ‘Wat heeft het nu voor zin? Waar wilt U met me naar toe door dit dal?’

 

En gemeente, het gaat dieper. Het zijn niet alleen díé vragen die Asaf had. Ik denk dat Asafs vragen veel dieper gingen. In al zijn onrust en benauwdheid en hopeloosheid, begint Asaf te twijfelen aan Wie God nu eigenlijk is. Hij begint te twijfelen aan het karakter van God, en ik denk dat hij nog een stapje verder ging: zou hij soms ook getwijfeld hebben: ís er wel een God? Hij zegt het niet, maar ik ben er haast wel zeker van.

In deze worsteling staat u niet alleen. In deze draaikolk van gedachten en gevoelens en vragen, bent u niet alleen. Hier spreekt een man, Asaf, die door de diepten van al zijn worstelingen met Gods leiding in zijn leven, van alles en nog wat overdacht.

In deze worsteling staat Gods volk niet alleen. Ik weet zeker dat goddeloze mensen ook met deze vragen worstelen, maar wat voor mij zo’n troost is, is dat juist ook Gods meest intieme vrienden met deze vragen worstelden als hun wegen soms door dalen gingen.

 

Ik hou zoveel van Jeremia’s schrijven. Lezend door zijn profetie zie je hoe deze man worstelde met Gods wegen in zijn eigen leven. Herken je het? Zo eerlijk; niet een vroom praatje, maar een tobbende zondaar die het met de Godsregering moeilijk had.

Job, een man van wie God Zelf zegt: ‘Er is geen man zoals Job, die de Heere zo vreest.’ Nou, u moet eens lezen in zijn boek, wat hij allemaal wel niet durfde te zeggen en te denken. Dan komt hij zo dichtbij, vindt u niet? Dan komt hij zó dichtbij mijn hart. Dan kan ik me zó in hem herkennen: Ah, Job, ik begrijp je! En ik ben dankbaar dat de Heere al Jobs gedachten heeft uitgeschreven, hoewel veel van die gedachten niet goed waren. 

 

Maar er is een groot verschil tussen een goddeloos mens en een godvrezend mens. De goddeloze heeft deze gedachten ook: Waar is God nu? Is Hij er nu wel echt? Bestaat Hij wel? En is Hij wel zo liefdevol? Kan Hij dit nu niet stoppen? Goddelozen vragen zich dat ook af, maar die voeden die gedachten. Die passen goed in hun vijandige houding tegen God. Die zijn en worden er bitter door. Die nodigen het uit.

De godvrezenden hebben die gedachten ook, maar zij worstelen ermee. Zij huilen er over. Zij steken hun hand uit tot God: ‘Heere, help me toch! Ik wíl zo niet denken, maar ik kán ook niet anders denken. Helpt U mij!’

Kijk, daarom staat er zo’n psalm in de Bijbel. Dan de laat de Heere ons zien dat je niet de enige bent die met zulke worstelingen naar de kerk komt en in de kerk zit en weer de kerk uitgaat, hoewel we hard meezingen.

 

Zullen we samen eerst zingen, voordat we de derde en vierde les bekijken? We gaan met elkaar zingen van Psalm 73 vers 1 en 13,  waarin Asaf, op een ander moment in zijn leven, zijn worsteling uitgeschreven heeft.

 

Ja waarlijk, God is Isrel goed,

Voor hen die rein zijn van gemoed;

Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen;

Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.

Maar, ach, hoewel mijn ziel dit weet,

Mijn voeten waren, in mijn leed,

Schier uitgeweken, en mijn treên

Van ’t spoor der godsvrucht afgegleên.

 

Wien heb ik nevens U omhoog?

Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog

Op aarde nevens U toch lusten?

Niets is er waar ik in kan rusten.

Bezwijkt dan ooit, in bitt’re smart,

Of bange nood, mijn vlees en hart,

Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed

Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

 

3.

 

De derde opmerkelijke les die we moeten leren uit deze psalm, is dat we heel vaak verkeerde leestekens zetten in onze gedachten. Dat doet Asaf ook in deze psalm. Leestekens, kinderen, dat zijn: vraagtekens, uitroeptekens, komma’s, punten.

Als we denken over onze levensweg van vandaag naar morgen en naar de toekomst, wat is er dan eigenlijk zeker? Weet je wát zeker is? Dat het totaal ónzeker is. Wij weten bar weinig. Laten we het maar eerlijk zeggen: we weten níéts over wat er verder vandaag of morgen zal gebeuren. Er is totaal geen garantie dat wij nog nieuwe barmhartigheid krijgen, dat wij vanavond thuiskomen, dat wij vanavond onze man of vrouw mogen omhelzen, dat ons kind goed thuiskomt. Er is totaal geen garantie dat u zult trouwen, als u nu ongetrouwd bent. Er is geen garantie dat u kinderen zult krijgen áls u getrouwd bent; of dat u samen oud mag worden. Of dat u succesvol door dit leven mag gaan. Of dat je mag opgroeien met een gezond lichaam en een gezonde geest, tot het einde van je dagen. En zo kunnen we verder gaan.

 

Zelfs Gods kinderen hebben die zekerheid niet. En waarom niet? Dat is nogal duidelijk. Omdat God dat nergens in deze Bijbel beloofd heeft. Achter al die dingen die wij zo graag willen en die wij zo graag zoeken en die wij zo graag wensen, staat een gróót vraagteken. Géén uitroepteken. Natuurlijk mogen we erom vragen. We mogen er alles aan doen om het te ontvangen en de middelen die er zijn, gebruiken. Maar het is een recept voor donkerheid en twijfel, het wakkert ongeloof en twijfel aan, als wij een uitroepteken zetten bij de dingen waar een vraagteken achter staat.

 

Ik kan het zo makkelijk tegen u zeggen, maar ik maak zelf ook steeds die kardinale fout. Die Chinese broeder heeft me daar heel duidelijk op mogen wijzen. Het lijden is geen vraagteken in deze wereld; het niet-lijden is wel een vraagteken. 

Onlangs heb ik zelf ook weer zo’n weg moeten gaan, met een dochter in mijn gezin die zeer ernstig gewond was. Ik stond zeven weken naast deze comateuze dochter. Biddend, smekend: ‘Laat haar wakker worden. Mag ze weer genezen, Heere, dat ze weer alles mag doen.’ Toen heb ik me moeten realiseren dat God dat nergens heeft beloofd, dat zij beter mocht worden. Het is: Zíjn wil geschiede!

Moeilijk. Heel moeilijk, is het niet? Om dan stil te zijn en te zeggen: ‘Heere, Ú bent God. De Schepper, de Almachtige, Bestuurder en Regeerder in dit leven.’ Maar gemeente, het werd voor mij donker, en het wordt voor u donker, als we gaan denken: maar ze zál beter worden.

Dat zei iemand tegen me: ‘We hebben zoveel gebeden, echt, uw dochter zal beter worden.’ Nou ja, dat gaf me een beetje hóóp. Maar later dacht ik: waar baseert hij het op? ‘Ja, we hebben gebeden, we hebben gebedskring gehad, we hebben voor uw dochter gebeden, ze zál beter worden.’ Toen moest ik tegen hem zeggen: ‘Joh, dat wéét jij niet. Dat moet je ook niet tegen me zeggen. Dat is valse hoop geven. Want God heeft ons dat niet beloofd. Dat is een vraagteken en dat is geen uitroepteken.’

 

En gemeente, u ziet hoe deze man Asaf in de draaikolk van zijn eigen gedachten kwam. Pas daarvoor op; zet geen uitroepteken waar een vraagteken staat. En als wij vraagtekens achter onzekerheden vervangen door uitroeptekens, dan gaan we God beloften in de mond leggen die Hij nooit heeft gesproken. Dat zal ons donkerheid brengen. En Asaf heeft dat ervaren.

 

Maar het is óók fout – en dan gaan we naar de psalm – het is óók een bron van donkerheid, wanneer ik een vraagteken zet waar God een uitroepteken heeft gezet. Ziet u de vragen in deze psalm? Kijkt u maar met me mee. Er staan heel wat vraagtekens in deze psalm.

Vers 8: Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn? Hij zet daar een vraagteken achter. In mijn Bijbel staat daar op andere plaatsen een uitroepteken achter. God zegt: ‘Ik zal je nóóit verlaten. Ik zal hen die op Mij vertrouwen, nooit beschamen.’ Dat heeft Hij Zijn volk beloofd. Maar Asaf zet daar een vraagteken achter.

Hij zegt in vers 9: Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Is dat een vraag? Is dat een vraagteken in Gods Woord? Nee. God openbaart Zich in Zijn Woord als een God Die barmhartig en goedertieren is, en Die niet ophoudt dat te zijn.

En dan lezen we in vers 10: Heeft God vergeten genadig te zijn? Ziet u die vraag? Ik kan het wel begrijpen hoor. O, ik kan die Asaf zo goed begrijpen. Natuurlijk heeft hij vragen gesteld. Maar die vragen kloppen niet. Hij zet een vraagteken achter het karakter van God, zoals Hij dat heeft geopenbaard in Zijn beloften.

De Heere heeft beloofd dat Hij een volkomen zaligheid zal geven aan hen die op Zijn Zoon vertrouwen. Dat is geen vraag; dat is een goddelijke waarheid.

Hij heeft níét beloofd dat we altijd zonneschijn en een mooie reis en goede dagen zullen hebben. Nee, Hij zegt: ‘Door vele verdrukkingen zult u ingaan in het Koninkrijk van God.’

Octavius Winslow spreekt daar ook van. Hij zegt in één van zijn boeken: ‘Als de ene golf over ons heen geslagen is, moeten we alweer gaan denken aan de volgende golf die op komst is.’

Dát is Bijbels denken.

Is dat nou depressief? Is dat zwartkijkerij? Nee, dat is Bijbels denken. We leven in een gevallen wereld. We leven onder de vloek van God over onze zonden. En daarom, gemeente: betwijfel Gods karakter niet. God heeft in Zijn Woord beloften gegeven, en daar staat nooit een vraagteken achter.

 

Mag ik deze hele gedachte nog eens even samenvatten? Weet je wanneer al het verkeerde begon in deze wereld? Met het vervangen van een uitroepteken door een vraagteken. Toen satan in het paradijs kwam en zei: ‘Heeft God echt gezegd dat je niet van deze boom mocht eten?’ Daar is alle ellende mee begonnen. Met het veranderen van een leesteken. En zo gaat het nog steeds.

 

4.

 

Asaf moest leren op Gods Woord te vertrouwen. En dat is de laatste en vierde les uit deze psalm.

We moeten blijven overdenken dat God getrouw en geloofwaardig is, hoewel we Hem meestal niet begrijpen.

 

U zag in de inleiding al, dat Asaf in een andere richting gaat denken, gemeente. Vers 6 en 7, 10 en 12, kijkt u daar nog even naar. Hij zegt: Ik overdacht de dagen vanouds, de jaren van de eeuwen. Hij ging terug naar de geschiedenis van zijn eigen land. Naar Gods doen en laten in Abrahams leven en in Jakobs leven en in het leven van al de andere heiligen waarvan hij wist.

En hij zegt: Ik dacht aan mijn snarenspel. Misschien heeft hij op muziekinstrumenten gespeeld en gezongen. In de nacht overlegde ik in mijn hart; en mijn geest onderzocht.

Nou, ik denk niet dat het een makkelijke strijd voor hem was. Het was een hele zware strijd voor hem, om in een andere richting te gaan denken. Het ging tegen alle gevoel in. Het ging tegen alle redelijkheid in. Het ging tegen al zijn redeneren in. Het ging tegen al zijn observaties in.

En toch, deze profetische man, die hier ook voor ons spreekt, hij ging dénken. Hij ging denken over God. Hij doordacht wat hij van God gehoord had en van God geleerd had.

 

En het zijn deze gedachten, gemeente, die hem door Gods genade en kracht als het ware uit zijn valkuil trekken. Hij zag dat hij verkeerde leestekens gebruikt had. Hij begint nu te zien dat God getrouw is, dat God te vertrouwen is.

Natuurlijk, er zijn veel dingen die hij niet begreep. Maar één ding begon hij weer te zien. Laten we het samen lezen, in vers 14: O God, Uw weg is in het heiligdom. Dat betekent: verborgen voor onze ogen. De diepe redenen waarom de Heere bepaalde dingen toelaat, oplegt, wegneemt, weerhoudt, zijn meer duister dan klaar. Hij verklaart die niet.  Die blijven in Zijn heiligdom verborgen.

Zeggen wij dat soms ook niet tegen onze kinderen, als ze vragen: ‘Ja maar, papa, waarom doet u dat nou?’ ‘Joh, kind, vertrouw me nou. Dat is echt het beste op dit moment.’ Want we weten dat dit kind het toch niet kan begrijpen als we het uitleggen. ‘Gelóóf het nu maar dat twee plus twee vier is. Echt waar.’ En dat kind, vertrouwend, gelooft het; begrijpt het niet, maar gelooft het wel.

‘Uw weg, Heere, is in het heiligdom. Wij zijn maar nietige mensjes, met hele kleine hersentjes. We begrijpen er soms niets van. Maar Uw weg is heilig, is goed, is wijs.’

Ik begrijp het niet, het is verborgen.

                             

En hij zegt dan verder: ‘O God, Gij zijt een gróót God. Wie is een groot God gelijk God? U bent zó machtig, U bent een God Die wonderen doet. U bent een God Die Uw sterkte bekendmaakt onder de volken.’

En dan denkt hij verder over hoe God Zijn volk Israël geleid heeft. Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost, de kinderen van Jakob en van Jozef. ‘U hebt hen verlost.’ Hij denkt aan Egypte. Hij denkt aan die vierhonderd jaar, vooral aan die laatste twee- á driehonderd jaar dat het volk werd onderdrukt. Vergeten leek het wel. Waar zijn dan die beloften Gods? ‘Maar U hebt het toch verlost. U hebt geen woord van Uw beloften laten vallen.’  Hoewel het door een lang en donker dal ging, alles bleef onder Zijn leiding. En de loutering die dat volk in die jaren heeft doorgemaakt, heeft hen goed gedaan. 

‘Heere, de wateren zagen U. Ze stonden daar voor die Rode Zee, en de wateren zagen U, o God, de wateren zagen U en beefden, en daar maakte U ineens een weg. Begrijpen doen we het niet, maar U dééd het wel. De dikke wolken goten water uit en de bovenste wolken gaven geluid en ze hebben de Egyptenaren bang gemaakt, en ze hebben uiteindelijk ook alle Egyptenaren verdronken.’

 

In vers 20 lezen we: Uw weg was in de zee. U weet, als u door de zee loopt, niet door een meertje maar door de zee, dan stap je in de zee, en als je omkijkt is je voetstap in één keer weer weggevaagd. Het water neemt het zand mee; weg!

Als we soms terugkijken, zeggen we: ‘Uw voetstappen zijn in de zee.’ We begrijpen het niet. We kúnnen het ook niet begrijpen. We hóéven het ook niet te begrijpen. God vraagt om vertrouwen in Hem. Hij vraagt dat we worden en zijn als een kind dat kijkt naar zijn grote papa die in zijn ogen alles kan. Als God bij hen is, dan is er niets te vrezen.  Hoewel ze er nog niets van begrijpen. 

 

En eindelijk komt Asaf bij het einde: ‘U leidde Uw volk als een kudde.’ Nu ziet hij zichzelf als een schaap. Een dom schaap, een hulpeloos schaap, een afhankelijk schaap. Maar dáár is de Herder! Hij leidt het leven elk moment, met alles wat er op ons afkomt. 

Ziet u die overwinning van het geloof? Asaf weet nóg niet waarom. Hij heeft geen antwoorden gekregen. Misschien gaan we met meer waaroms het graf in, dan met antwoorden. God geeft Zijn kind hier een rotsvast geloof in Zijn beleid. Wat is zo’n kinderlijk geloof een heerlijk goed!

 

Daarom, gemeente, staat deze psalm ook in de Bijbel. Deze worsteling van Asaf staat niet zomaar in de Bijbel. Die staat er tot ons onderwijs. En dat mag ik aan het einde van deze dienst aan u voorleggen.

Asaf heeft zijn worsteling uitgesproken. Hij heeft het niet verborgen. Hij is eerlijk geweest. Hij is misschien nog wel eerlijker en opener geweest in zijn persoonlijk leven en in zijn gebeden tot God, dan hij hier opgeschreven heeft. Dat denk ik wel. Ik ben ook veel opener als ik schrijf of spreek tot God in mijn persoonlijke gedachten, dan hier op de preekstoel. Ik zou zeggen: verberg maar niets voor God. Hij weet het al. Hij weet al dat u misschien heel boos op Hem bent. Maar dat is toch verkeerd, dat ik boos op Hem ben? Dat is zeker verkeerd. Maar het is wel echt. En daarom mag u zeggen tegen de Heere: ‘Ik ben zo boos op U. Ik ben zo boos dat U dit gedaan hebt in mijn leven. Ik weet dat het verkeerd is, Heere. Ik weet dat ik niet boos behoor te zijn. Maar ik ben het wel.’

En ziet u, gemeente, de Heere Jezus is gekomen als een Zaligmaker. U mag heel die warboel van gedachten die door uw hart heen gaan, niet verbergen. Die moet u echt niet verbergen.

 

Ik vind het altijd zo aandoenlijk als mijn kinderen bij mij komen en zeggen: ‘Papa, nu heb ik zo’n last van dit…’ Dat ze dat aan mij toevertrouwen, dat vind ik heel speciaal. En als ze dan met een probleem naar mij als vader toekomen, dan gaat alles in mijn vaderhart branden. Niet? Zo zult u het ook wel ervaren.

Als we nu zo onze vragen eens voor de grote God neerleggen, en zeggen: ‘Ik kan dit niet meer aan, Heere. Ik ben deze gedachten niet meester. Ik vind maar geen antwoorden op deze gedachten. Ik kan deze waaroms maar niet stil krijgen. Ik kan maar geen helderheid krijgen over de vragen die ik over Uw beleid heb. Hier zijn ze, Heere. Het is Uw soevereine keus om mij te antwoorden of niet. Maar stilt U mijn hart alstublieft. En leer mij te leven zoals Asaf aan het einde van deze psalm.’

 

Maar ook zoals Paulus in de Filippenzenbrief mocht schrijven.

Wat is dat een worstelaar geweest, die Paulus. Denk maar niet dat het allemaal zo makkelijk ging in zijn leven. Hij zegt zelf in vers 11: ‘Ik heb geléérd, ik heb geléérd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben.’ Daar lees ik een hele worsteling in. ‘Ik heb het geléérd, door vallen en opstaan.’

Zou hij ook niet gevraagd hebben: ‘Heere, waarom moet ik nu al drie jaar in deze gevangenis zijn?’ Deze ambitieuze prediker wil zó graag prediken en een zendeling zijn, en nu zit hij in een gevangenis, drie jaar. Zou het niet gestormd hebben in zijn leven? Als hij wéér gestenigd wordt, als hij wéér honger lijdt, als de mensen wéér slecht over hem spreken. Als al zijn goede bedoelingen in een kwaad daglicht worden gesteld. Zal hij niet eens gevraagd hebben: ‘Heere, waarom dan toch?’

‘Maar ik heb geleerd…’ En hier is hij aan het einde van zijn leven. ‘Ik heb geléérd. Ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben.’ En dan schrijft hij aan het einde van dit hoofdstuk: Doch mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft, in heerlijkheid door Christus Jezus (Fil. 4:19).

Gemeente, wat was dat een rijk einde van zijn brief! Hij zegt: ‘Ik heb nog zoveel nodig, ik heb nog zoveel zorgen, er zijn nog zoveel dingen… Maar ik weet één ding zeker: mijn God zal naar Zijn rijkdom alles vervullen.’

Ben je nu niet jaloers op zo’n man? Die man is door heel wat heen gegaan. Maar hij heeft het geloof behouden. En hij mag afreizen in de eeuwige heerlijkheid, waar de vragen die hier onbeantwoord bleven, beantwoord zullen zijn.

 

En daarom, mag ik u aanmoedigen? Misschien heeft u het anker van het geloof niet. Misschien zit u hier als een onbekeerd mens met al uw problemen. Weet u waarom al die problemen in uw leven zijn? Om uw zonden. Elk probleem dat wij hebben, is om onze zonden. Direct of indirect. Moet ik dan achter elke ziekte een zonde zoeken? Nee, dat zeg ik niet. Maar: ‘De beloning van de zonde is de dood.’ De dood van je gezondheid, de dood van het geluk, de dood van alles.

En daarin geeft de Heere u een boodschap. U wordt door lijden gealarmeerd om Hem te zoeken. Deze almachtige God en Vader, Deze Jezus Die in de wereld gekomen is, Hij roept u toe: ‘Kom tot Mij, allen die belast zijt!’ En wat waren er veel mensen belast. Met alle ziekten en problemen, zorgen en lasten en geestelijke vragen. Maar ze kwamen wel tot de Heere Jezus.

 

Ik mag u vandaag uitnodigen, aanmoedigen: leg het nou opnieuw of voor het eerst voor Hem neer, Die toch uiteindelijk alleen u en mij kan helpen. Vertrouwen komt na toevertrouwen. Als ik met iets loop te worstelen, dan vertrouw ik dat toe aan mijn vrouw. Ik deel dat met haar, en dat geeft al zoveel verlichting. Maar ik weet dat zij het niet kan oplossen. Ik kan niet van haar verwachten dat ze het kromme recht maakt en het zondige weg wast. Dat kan alleen de Zaligmaker.

Kom, Hij roept ons toe dat wij onze nood van ziel en lichaam aan Hem toevertrouwen.  Dat eerst. Leg het voor Hem neer; spreek het voor Hem uit; verberg de vragen niet, de stormen van gevoelens, hoe zondig ze ook zijn. Eerlijk en open. Weet dat Hij alles al weet, maar Hij vraagt ons het Hem toe te vertrouwen.

 

Op de weg naar Emmaüs liepen twee vertwijfelde en verwarde discipelen. De Heere Jezus kwam naast hen lopen. Zijn vraag was duidelijk: ‘Wat is het dat op jullie hart weegt? Waar lopen jullie mee?’ Hij wist het wel, maar Hij wilde dat zij het aan Hem toevertrouwden. En ze stortten al hun verwarring voor Hem uit.

O, gemeente, zo is de Heere Jezus hier in ons midden en Hij roept het toe: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart! Alles wat er in leeft, woont, worstelt, huilt, verward is, boos is, zelfs vijandig is, vertrouw het Mij toe. Want Ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen maar om verloren, verwarde, verharde en worstelende zondaren te verlossen en zalig te maken.’

Wat is dat troostrijk! Maak toch een heilig gebruik van deze hemelse Heelmeester, want met Hem zullen we nooit teleurgesteld uitkomen. Laten we dat samen doen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 77: 6 en 7

 

Zou God Zijn genâ vergeten,

Nooit meer van ontferming weten?

Heeft Hij Zijn barmhartigheên

Door Zijn gramschap afgesneên?

’k Zei daarna: ‘Dit krenkt mij ’t leven;

Maar God zal verand’ring geven;

D’ Allerhoogste maakt het goed;

Na het zure geeft Hij ’t zoet.’

 

’k Zal gedenken hoe voor dezen

Ons de Heer’ heeft gunst bewezen;

’k Zal de wond’ren gadeslaan,

Die Gij hebt vanouds gedaan;

’k Zal nauwkeurig op Uw werken,

En derzelver uitkomst merken,

En, in plaats van bitt’re klacht,

Daarvan spreken dag en nacht.