Ds. L. Huisman - Johannes 4 : 13 - 14

Jezus Christus als de Levensbron

Het onvolmaakte buiten Hem
De volkomen verzadiging door Hem
De heerlijke gelijkmaking met Hem
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 5) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2011).

Johannes 4 : 13 - 14

Johannes 4
13
Jezus antwoordde, en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten;
14
Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 3, 4
Lezen : Johannes 4: 1-42
Zingen : Psalm 32: 2, 3
Zingen : Psalm 36: 2, 3
Zingen : Psalm 145: 3

Geliefden, het Woord van God dat wij u wensen te prediken, vindt u in het evangelie naar Johannes, hoofdstuk 4, de verzen 13 en 14:

 

Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder die van dit water drinkt, zal wederom dorsten; maar zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

 

Deze tekst spreekt ons van: Jezus Christus als de Levensbron.

 

Hij wijst ons in deze tekst op:

1. Het onvolmaakte buiten Hem. Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder die van dit water drinkt, zal wederom dorsten.

2. De volkomen verzadiging door Hem. Maar zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten.

3. De heerlijke gelijkmaking met Hem. Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

 

In deze tekst wordt gesproken van een bron. Wat de waarde van een bron is, daarvan hebben wij westerlingen niet zo veel besef. Oosterlingen wisten heel goed hoe belangrijk het was om een bron in de omgeving te hebben. Denk maar eens hoe kostbaar de bronnen waren in de tijd van Abraham. De herders van Abraham twistten met de herders van Lot over het bezit van de bronnen. Want wie een bron had, die had het land. Zonder water kan niemand immers leven. Ook in de geschiedenis van Hagar en Ismaël komt de betekenis van een bron naar voren.

Nu, dat beeld van een bron gebruikt de Heere Jezus als Hij Zichzelf in de Schrift bekendmaakt als de Levensbron. Als de Bron van het echte leven. Zonder Jezus sterft de wereld. Zonder Jezus gaat elk mens zijn ondergang tegemoet. Zonder water is geen leven mogelijk. Zonder Jezus is ook geen leven mogelijk.

Christus stelt Zich hier voor als de Levensbron in het midden van een wereld die voorbijgaat. Als u van het water van deze wereld drinkt, zult u wederom dorsten. Dat heeft de Heere gezegd. Maar zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten. Die zal zelf een fontein worden. Die zal op Jezus gaan lijken en Gode welbehagelijk wandelen en daarin het begin van de eeuwige vreugde mogen ontvangen.

 

De Heere Jezus is van Judea naar Galilea vertrokken. In Judea wordt de strijd fel. De farizeeën zien dat Hij veel discipelen maakt en ze worden verbeten op de Messias. Omdat het Zijn ure nog niet was om Zich in de laatste eindstrijd te begeven, onttrekt Hij zich voor een ogenblik aan de vijandschap van farizeeën en ouderlingen in Judea en zoekt Hij enige rust in Galilea, waar Hij de meeste van Zijn discipelen gevonden heeft.

Nu waren er drie wegen om van Judea naar het noorden, naar Galilea, te gaan. Men kon de kustweg nemen langs de Middellandse Zee. Men kon ook eerst de Jordaan overtrekken en dan in het Overjordaanse naar het noorden gaan en dan weer terug de Jordaan over om in Galilea te komen. Dat deden de meeste Joden. Sommigen namen de kustweg, maar de meesten trokken over de Jordaan naar het noorden, en dan weer terug over de Jordaan om in Galilea te komen.

Maar er was ook nog een derde weg. Die derde weg was de weg door het land van de Samaritanen. Dat was de kortste weg. Maar Joden namen die weg niet. Althans, de echte Joden die het nauw namen met hun vaderlijke inzettingen, die gruwden van het land van de Samaritanen. Zij maakten nog veel liever de grote omweg, tweemaal over de Jordaan, dan dat ze de rechte weg naar het land van Galilea namen door Samaria. Want de Joden verachtten de Samaritanen.

 

Samaritanen waren eigenlijk bastaarden. Ze hadden wel wat Joods bloed in hun aderen en ze hielden enigermate vast aan de vijf boeken van Mozes. Ze hadden ook een tempel gehad op de berg Gerizim, maar die was al honderd jaar geleden verwoest. Maar op de ruïnes van die tempel offerden ze nog.

De Samaritanen hadden ook heidense voorouders. Zij waren dus de nakomelingen van de overgeblevenen uit het tienstammenrijk; meestal de armen van het land, die zich vermengd hadden met de geïmporteerden, veelal heidenen.

De Samaritaanse godsdienst was over het algemeen een vermenging van Joodse en heidense elementen. Daarom waren ze zo veracht in de ogen van een echte Jood. Want die Samaritanen zeiden: ‘Abraham is ook onze vader en Jakob heeft hier zelf gewoond. Hij heeft hier een bron gegraven en een altaar gebouwd. Dit is de stad van onze vader Jakob. Wij zijn kinderen van Jakob.’ Maar de Joden eisten het alleenrecht voor zichzelf op. Het was uitgesloten dat iemand zalig kon worden buiten het Jodendom. De Joden alleen hadden recht op de weldaden van Gods verbond. Daarom gingen de Joden dus niet door het land van de Samaritanen.

 

Maar van Jezus staat dat Hij daar wel doorging. Als de discipelen straks tot Hem zeggen: ‘Eet toch wat, u hebt vanmorgen nog niet gegeten’, dan zal Hij antwoorden: ‘Ik heb een spijze waar Ik verzadiging in vind. Dat is de wil te doen van Mijn Vader, Die Mij gezonden heeft.’ Hij geeft alles prijs om de wil van Zijn Vader te doen. Die wil des Vaders was om ook verlorenen uit het land der Samaritanen tot het Koninkrijk te brengen. En daaraan moest nu alles onderworpen zijn. Hij had zelfs geen behoefte meer aan eten en drinken. Als Hij de wil des Vaders maar mocht doen. Als Hij maar verlorenen tot de schaapsstal mocht terugbrengen, al waren het dan Samaritanen.

 

Zo komt Hij op het heetst van de dag in Sichem of Sichar aan. De plaats Sichem kennen we ook uit de dagen van Jakob. Toen Jakob terugkeerde van Paddan-Aram heeft hij hier een altaar gebouwd. Toen is daar ook dat vreselijke gebeurd met zijn dochter Dina, waarom de hele stad door Simeon en Levi is uitgemoord.

Bij dat Sichem komt nu de Heere Jezus. Op het heetst van de dag zet Hij Zich neer bij de waterbron. Hij heeft dorst. Hij heeft honger. Vele uren heeft Hij gelopen over de stoffige paden in de hete zon. Dan gaan de discipelen eten kopen in de stad.

Ondertussen komt er een vrouw om water te putten. Dat was iets vreemds. Een vrouw die op het heetst van de dag water ging putten. Dat deed niemand midden op de dag. Vrouwen gingen ’s morgens of ’s avonds water putten. Maar niet op het heetst van de dag. Deze vrouw wel. Ze ziet daar die Man wel zitten bij de bron en dan gaat die Man haar aanspreken. Hij is daar gekomen en Hij vergeet Zijn honger en Zijn dorst. Er is in Zijn leven een honger en een dorst, niet naar brood en naar water, maar naar de zielen van zondaren. Naar verloren zielen.

Jezus is vermoeid. Hij is hongerig en dorstig, maar Zijn arbeid, die Hij van de Vader te doen gekregen heeft, gaat Hem boven alles. Hij gaat hier dan ook evangeliseren. Hij vindt het niet te min om in het land der Samaritanen Zijn voetstappen te zetten en daar een vrouw uit Sichem aan te spreken.

 

Jezus is gekomen om het verlorene te zoeken. O, dat is een waarheid waarvan we altijd weer opnieuw doordrongen moeten worden. Want het is ons vleselijk verstand en onze vleselijke godsdienst eigen om altijd maar weer te denken dat we eerst vol moeten zijn om Gods genade deelachtig te kunnen worden. Dat we eerst iets moeten hebben. Dat is die oude trek die we uit het paradijs hebben overgehouden. ‘Was ik nou maar zo, en had ik nou maar dat, en deed ik dit nou maar eens niet, dan zou ik misschien nog wel zalig kunnen worden.’

Maar om als zondaar zalig te worden, dat moet steeds weer opnieuw geleerd worden. En als we Gods gemeenschap mogen ervaren, God mogen ontmoeten en Zijn stem mogen horen, dan is dit het grootste wonder, dat God ons altijd weer ontvangt als zondaren. Dat Hij aan zondaren zaligheid bewijst.

 

Jezus vraagt aan de vrouw wat water om te drinken. Het was in het oosten niet de gewoonte dat een vrouw die alleen was, door een man werd aangesproken. Het was opmerkenswaardig dat Jezus dat in dit geval wel deed. Die vrouw vindt dat dan ook heel verwonderlijk. Ze zegt: ‘Hé, vraagt U aan mij om water? U bent een Jood en ik ben een Samaritaanse! Jullie willen toch geen gemeenschap met ons? Jullie willen van ons toch niets weten? Wij zijn toch maar honden in jullie ogen? Waarom vraagt U mij dan om water?’ Het was een vrouw die haar woordje blijkbaar wel klaar had.

Er staat verder dat ze vijf mannen gehad had en met de zesde leeft ze nu samen. Dat was haar eigen man niet. Of die eerste vijf wel wettige mannen geweest waren, weet ik niet. Er staat niet van niet, maar er staat ook niet van wel. Er is in ieder geval een drama in haar leven geweest. Stel, dat de eerste vijf allemaal wettige mannen geweest zijn, maar dat de één na de ander gestorven is, dan is dat evengoed toch een heel groot drama geweest in het leven van deze vrouw.

 

Nu leeft ze met nummer zes. Maar nu komt – en ik zeg het met heilige eerbied – nu komt nummer zeven in haar leven. Ik wil niet vergeestelijken, maar ik dacht toch zo-even: zeven is het getal van de volmaaktheid. Tot nog toe was alles onvolkomen in haar leven. Maar nu komt die grote Man. Hij komt niet om van haar lichaam te genieten. Hij komt niet om haar ziel en lichaam te verderven. Maar Hij komt om haar zalig te maken!

Deze Man, deze Eén uit duizend, deze zevende Man geeft Zichzelf een plaats in haar leven door haar aan te spreken. En zoals ze al naar zoveel mannen geluisterd heeft, zo luistert ze ook naar deze Man. Deze Man toont belangstelling voor haar leven, maar op een geheel andere wijze dan al die andere mannen in haar leven gedaan hebben.

 

Als ze vraagt: ‘Wilt U van mij drinken? Ik ben toch een Samaritaanse en U bent een Jood?’, dan zegt de Heere: Indien gij de Gave Gods kendet, en wie Hij is Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben. De vrouw zegt: Heere, Gij hebt niets om mede te putten, en de put is diep; vanwaar hebt Gij dan het levende water? Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft? En hij zelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee.

Deze vrouw trekt het dus in het aardse vlak. Ze zegt: ‘U hebt geen emmer of kruik bij U, om in de put neer te laten om water te putten en te drinken. Vanwaar wilt U mij dan levend water geven?’ En: ‘Bent U meer dan onze vader Jakob die deze put gegraven heeft?’

Dan zegt Jezus wat in onze tekst staat: Een ieder die van dit water drinkt, zal wederom dorsten. Dat is letterlijk waar van het water uit de put. ‘Maar, vrouw, dat geldt ook van die wateren van uw leven, waarvan u nu al zoveel jaren met al uw mannen gedronken hebt. Die kunnen uw hart niet vervullen.’

 

Dat is werkelijkheid bij deze vrouw, maar ook een werkelijkheid in ons aller leven. Die van dit water drinkt… Dan denk ik nog niet eens in de eerste plaats aan de wateren der zonden, maar aan de geoorloofde wateren die God ons gegeven heeft. Bijvoorbeeld: We gaan op vakantie. We doen iets anders dan we elke dag doen. En dat mag. In deze haastige, gejaagde tijden hebben mensen het nodig om eens een ogenblik tot bezinning te komen. Om eens een ogenblik de rust van de natuur te mogen ervaren. Om straks met nieuwe kracht weer de arbeid te mogen verrichten. We hebben het nodig, ieder op zijn eigen tijd en wijze.

Maar toch worden we er bij bepaald, wanneer we het schoonste van de natuur genieten, wanneer we misschien lekker eten en drinken en enkele weken rustig kunnen leven, dat wie van dit water drinkt, wederom dorsten zal. Ja, want het oog wordt niet verzadigd van zien. Ons hart wordt er niet mee vervuld. We worden er niet echt gelukkig van. Want elke dag tellen we af: ‘O, nu nog tien dagen, nu nog zeven. Straks moet ik weer terug naar mijn werk.’ Dat alleen al belet ons om volmaakt te genieten. En als we er weer achter staan, zeggen we: ‘Het was prachtig, we hebben het geweldig gehad.’ Maar dan komt de werkelijkheid van het leven weer op ons af en zien we: Een ieder die van dit water drinkt, zal wederom dorsten.

 

Maar dan in de tweede plaats ook die zondige wateren waaruit deze vrouw gedronken had met alles wat er in haar leven gebeurd was. Die zondige wateren, waaraan ze haar lichaam en haar ziel had opgeofferd. O, het drinken uit die bittere bron, uit die zoute stroom van dit aardse water, mag dan een ogenblik schijnen te verkwikken. Er mag een ogenblik blijdschap zijn in het begaan van het kwade op allerlei gebied, maar die van dit water drinkt, zal wederom dorsten.

Buiten Jezus geen leven. Buiten God geen vrede. De zonde maakt ons zo dorstig. De zonden verteren ons leven. De zonden maken alles wat in en om ons is, stuk. Zondigen, dat is sterven. We worden zo moe van de zonden. We verslijten van de zonden. We worden hopeloos en moedeloos van de zonden.

Wie van dit water drinkt, zal wederom dorsten…

Ik heb het vergeleken bij zout water. Hoe meer je ervan drinkt, hoe zieker je wordt, hoe ellendiger je wordt, hoe hulpelozer je wordt. De zonde maakt je niet gelukkig. De zonde maakt je niet blij. Wie hiervan drinkt, staat er, die zal wederom dorsten en wie er van blijft drinken, die zal in de eeuwige dorst terechtkomen.

 

Deze vrouw heeft lang gedronken van de wateren der wereld. Van de wateren van het vleselijk genot. Van de begeerlijkheid des levens en de wellust van het vlees. En nu komt ze water putten, als andere vrouwen rusten. Dan hoeft ze de andere vrouwen niet onder ogen te komen.

Maar nu het wonderlijke: God veracht zondaren niet. Jezus spreekt haar aan en zegt: ‘Vrouw, als je van dit water drinkt, zul je wederom dorsten.’ Als Hij dan tot haar zegt: ‘Roep uw man’, zegt ze: ‘Ik heb geen man.’ Jezus zegt dan: ‘U hebt goed geantwoord. U hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt, is uw man niet.’

Dan buigt ze voor Hem en vraagt: ‘Waar moet ik bidden? Waar moeten we aanbidden?’ Ze voelt de zondigheid van haar leven. Ze krijgt behoefte om het aan God te vragen. Dan wekt dat onderwijs van de Heere Jezus in haar hart het gevoel: er is een God, en die God moet aangebeden worden. Die God moet gezocht worden. Die God maakt alleen gelukkig.

 

Ach, er is niemand van ons vandaag of hij heeft ook dat gevoel in zijn hart. Misschien bent u nog niet zo ver afgedwaald, dat u gelijkenis vertoont met deze vrouw, maar diep in uw hart leeft er toch het besef: zo ben ik niet gelukkig. Zo kan het niet altijd doorgaan.

Want telkens weer komt de dorst, de dorst naar meer. De dorst naar rijker te worden, de dorst naar groter. Al was je koning op een troon, al kon je rammelen met veel geld; als er maar iets in je leven is waarin je je zin niet krijgt, dan vergalt dat al je vreugde. Dat is het water van deze wereld. Dat is het onvolkomene en het onvolmaakte van alles wat er in dit leven te genieten is.

Maar, zegt de Heere Jezus, zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten. Jezus heeft water om te geven. En dan zegt Hij: ‘Dat is water dat Ik geef. Van dat water wordt gedronken.’

 

Wat is het water dat Jezus geeft? Wel, kort en goed, dat is Zijn Woord. Dat is Zijn genade. Dat is de sprake van Zijn gezegende lippen. Dat is het levende water. Dat is het Woord des levens. Dat is de stroom van levend water, die uit de mond des Heeren is voortgekomen, toen Hij onze eerste ouders opzocht, toen ze gegeten hadden en stierven van dorst onder het groene geboomte.

Toen is de Levensbron uit de hemel geopenbaard. Toen heeft Hij in de hongerige en dorstige zielen van onze eerste ouders een stroom van levend water doen komen. Toen heeft Hij hun Zijn Woord gegeven. Hij heeft ze ontheven van de heerschappij der zonde en heeft hun een Zaad toegezegd, Dat hen zalig zou maken. Met die belofte zijn ze de wereld in gezonden.

 

Zo is God voortgegaan om de Levensbron te zijn voor zondaren. Heeft u Zijn stem weleens gehoord? Heeft u de sprake Gods in uw leven weleens vernomen, in uw verzondigd leven, in uw hulpeloos leven, in uw hongerig en dorstig leven? Want ik zeg u in de Naam van onze God, dat Jezus ook tijdens deze dienst aan de Jakobsbron zit. Waar zondaren zijn, daar is Jezus. Hij zoekt het gesprek met u, omdat Hij uw ziel zoekt.

Hoe menigmaal hebt u Zijn stem al gehoord en hoe dikwijls bent u al in de gelegenheid geweest om te zeggen dat u geen vrede hebt met het drinken uit al de wateren van deze wereld? Kom, hebt u het Hem al eens hartelijk beleden? Hij zoekt ernaar. Want Hij zoekt zulken, die hongeren en dorsten. Hongeren en dorsten, omdat ze tot hiertoe gedronken hebben uit diezelfde bittere wateren van de zonde als die vrouw, die daar met haar zesde man in de onvolkomenheid en in de zonde van dit leven voortleeft.

Daar komt Hij, de grote Zevende, de Eerste, de Volmaakte. En Hij zegt: ‘Ik heb water, Ik heb leven, Ik heb een gemeenschap, een verborgen gemeenschap. Als je daarvan drinkt, als je daarnaar zoekt, dan zul je niet verdorven worden. Dan zul je naar lichaam en naar ziel behouden worden.’

Maar zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal... Het is nodig daarvan te drinken.

 

Deze vrouw heeft dat water van Hem gekregen. Want Hij ontdekt haar aan haar zonden als Hij zegt: ‘Vrouw, Ik ken uw leven.’ Als Hij haar midden in haar hoofdzonde vastgrijpt – dat was bij deze vrouw het leven met haar onwettige man – dan zegt zij: ‘Dat is zo. U weet de waarheid. U weet alles. U bent Gods Profeet. Waar moet ik aanbidden?’

Bij u is dat misschien iets anders, u kent uw eigen hart het beste. Misschien is het ook wel zoiets als bij deze vrouw; wij zijn er niet te goed voor. Maar dan weet God het. Dan grijpt Hij u vast in uw hart. Dan zegt Hij ook vandaag: ‘Ik ken uw leven wel. Ik weet wel waar het bij u op vast zit.’

O, het is gelukkig als dat Woord van God zo in ons leven komt, dat we behoefte krijgen aan God. Dat we gaan vragen: ‘Heere, waar kan ik U vinden? Te Jeruzalem?’

Weet u wat Jezus dan zegt? Hij zegt: ‘Vrouw, hier, nu, op dit ogenblik! Nu is de tijd gekomen dat de ware aanbidders de Vader aanbidden. Niet te Gerizim, noch te Jeruzalem, maar in geest en waarheid. Vrouw, die tijd is nu gekomen. Ik ben het Leven, van de Vader gegeven.’

 

Dat zegt Christus vandaag ook. Als er vandaag mensen zijn die overtuigd zijn dat hun leven verloren is, die ook overtuigd zijn dat ze nergens houvast hebben, die ook overtuigd zijn dat ze op weg zijn naar de rampzaligheid, die ook overtuigd zijn dat ze zo voor God niet kunnen verschijnen, die zich ontdekt gevoelen, ach, dek dan uw leven niet langer toe met goede voornemens, want er komt toch niets van terecht.

U hebt er nu al zoveel gehad: die vrouw zoveel mannen, u zoveel zonden, onder zoveel verschillende omstandigheden. U zult voortgaan in deze weg, als u niet aan Zijn voeten de plaats des gebeds zoekt en vindt. Hij alleen bewaart voor de zonden. Hij alleen doet ons wandelen in het spoor der gerechtigheid. Hij alleen geeft ons het nieuwe leven. Want dat oude leven kunt u opknappen, u kunt er wat anders aan toevoegen, maar u kunt het niet vernieuwen. Het blijft altijd een oud leven. Of het nu vrome of goddeloze zonden zijn, het blijft een hopeloze boel. Totdat u aan Jezus’ voeten komt, dan krijgt u het nieuwe leven.

U moet alleen bij Jezus zijn voor een nieuw leven. Dat nieuwe leven, dat Hij geeft en waarvan Hij zegt: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten. Dat is het levende water, het Woord van God.

 

Hetgeen uit Zijn mond gegaan is, heeft deze vrouw getroffen. Ze zegt: ‘Waar moet ik aanbidden?’

‘Hier’, zegt Jezus. Dat zegt Jezus ook vandaag. Als er in deze dienst een zondaar is, die vraagt: ‘Heere, waar dan heen? Heere, waar bent U?’, dan zegt Jezus: ‘Hier, hier aan Mijn voeten moet u zijn. De tijd is nu gekomen dat de ware aanbidders de Vader aanbidden in geest en waarheid. Want de Vader zoekt zulke mensen.’

Hoort U het? O, nee, het is niet Christus alleen. Ook de Vader zoekt zulke mensen. Vaders vriendelijke ogen zoeken u.

Nee, denk niet: ‘Jezus zal mij misschien wel aannemen, maar zou de Vader dat wel willen? Zou Hij Zijn armen wel naar me uitbreiden? Die stem van Jezus is waar en vriendelijk, uitnodigend en oprecht. Maar zou God mij willen hebben? De drie-enige God?’

Jezus zegt: ‘Heb maar geen zorgen, want de Vader zoekt ook zulke mensen.’ Mensen die zeggen: ‘Heere, het is waar, U hebt mijn leven doorzien. U bent een Profeet van God. U weet dat mijn leven een warboel is.’

 

De Heere legt dan het Woord des levens in het hart van deze vrouw. Hij geeft haar Zijn genade. En de vrouw drinkt. Weinig woorden. Een eenvoudige bekeringsgeschiedenis. Ik heb er wel zúlke verhalen over gelezen, maar dan zeg ik: ‘Mensen, hoe kom je er toch bij? Dat staat hier niet.’ Er staat hier alleen dat die vrouw zei: ‘Heere, U heeft gelijk.’ Ik zal het maar met mijn eigen woorden zeggen: ‘Heere, U heeft gelijk. Ik heb mijn leven verknoeid, mijn hele leven, er deugt totaal niets van. Maar Gij zijt een Profeet. Gij kunt me de weg wijzen. Gij weet waar ik wezen moet. Gij weet waar ik God aanbidden moet.’

De Heere antwoordt dan: ‘Hier!’

Dan doet die vrouw dat. Zij buigt zich in verwondering voor Jezus en ze eert Hem als Gods Profeet. Dát is het levende Water. Van nu aan begint het eeuwige leven in deze vrouw. Dát zijn de stromen van het levende Water.

 

Heeft u zo het Woord van God wel eens ingedronken? Dat Woord van God, toen u zei: ‘Heere, waar dan heen?’ En toen de Heere zei: ‘Kom maar bij Mij.’ En toen u ook dadelijk dronk, toen u werkelijk geloofde, en toen u zei: ‘Heere, Uw Woord is de waarheid. Als U me dan hebben wil: wie mij ook veracht, God zal mij niet verachten.’ Toen u vrede vond in de gemeenschap met God. Toen dat Woord van God u een ogenblik rust gaf. Toen u besefte te mogen liggen aan de voeten des Heeren. Toen u merkte dat Hij u niet verstootte, toen heeft u vrede gevonden. Dat is nu dat eeuwige leven! De Heere Jezus zegt: ‘Wie daarvan drinkt, die zal in der eeuwigheid niet dorsten.’

Is dat nu niet teveel gezegd? Want het blijkt toch dat juist degenen in wier hart God het levenswater schenkt, hongerigen en dorstigen worden, dat juist zij ellendigen en hulpelozen worden. Juist zij zijn mensen die zeggen: ‘Als U niet komt, dan sterf ik van de dorst.’

 

Geliefden, u moet onderscheid maken tussen het grote einde dat Jezus hier bedoelt en de weg die leidt naar dat eeuwige einde, naar dat tomeloos drinken uit de fontein van het levende water. De Heere bedoelt hier het grote einde. Hij zegt: ‘Wie van dit water drinkt, zal eeuwig leven.’

De vrouw ontving het eeuwige leven en zij kon niet meer verloren gaan. Zij ontving het levende water en dat zal voortgaan in haar: ze zal een fontein zijn, springende tot in het eeuwige leven.

Dit is waar hoor: de Heere heeft het zó gewild. Hij kon het ook anders gewild hebben. Maar Hij heeft het zó gewild, dat ze tot die eeuwige fontein zullen komen langs een weg door de woestijn, door een weg van hongeren en dorsten, door een weg van kruis en van strijd en van moeite. Maar dan toch zo, dat datgene wat de Heere ons hier op aarde geeft, waard is om eeuwig bij te leven. Ik wil mijn honger en mijn dorst en mijn kommer en mijn zorg en mijn verlangen naar God toch niet missen. Ik wil mijn dorst naar het levende water voor de hele wereld niet ruilen. Hoeveel te minder mijn verzadiging! Ik wil mijn tranen en mijn droefheid, ik wil mijn rouwbeklag en de verootmoedigingen voor Gods aangezicht niet inruilen voor de schatten van de wereld.

 

Is dat niet reeds het bewijs dat het levende water in ons is? Hebben we niet al iets van de zaligheid gesmaakt in het wenen naar God? In de droefheid die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid? In het zoete schreien naar Gods gemeenschap?

Is Hij niet beminnelijk geworden voor onze ziel, juist in Zijn afwezigheid? Als we hongeren en dorsten naar die ene Man, die zevende Man, die volmaakte Man? Die Man Die nooit trouweloos zal zijn, Die ons nooit zal verlaten, maar Die tot in aller eeuwen eeuwigheid Dezelfde zal blijven?

De Heere zegt ervan: Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

Het is groot als we bij de Bron mogen zitten. Dan hoeven we niet telkens opnieuw te gaan om te putten. Maar de Heere Jezus geeft nog heerlijker zaligheid. Hij zegt: ‘Wie van dit water drinkt, wordt zelf een bron. Die zit niet alleen bij de Bron, maar die wordt zelf een bron. Die van dit water drinkt, die zal ook, zoals Ik, een zegen rondom zich verspreiden.’

Ja, dat zien we in deze vrouw. Ze gaat haastig heen en ze verlaat de waterput.

 

O, wat is het groot, als we dat in ons leven ook eens mogen doen. Dat we zoveel goed van God zien, dat we eens een ogenblik de stofdoekenmand en de stofzuiger in de kast kunnen laten. Dat we eens een ogenblik kunnen afblijven van onze aardse arbeid en dat we ons gewoon een ogenblik in het eenzame voor God verootmoedigen. En dat we eens een ogenblikje alleen zijn met God. Dat we ons watervat verlaten en dat de wereld met al haar begeerlijkheden eens een ogenblikje voorbijgaat. En dat we zeggen: ‘Heere, al dat aardse werk moeten we ook doen, maar het is toch nodig in ons leven dat dat andere op de eerste plaats komt; dat dit hogere, dit betere, dit bestendige, dit eeuwige, onze ziel inneemt.’ En dat we zeggen: ‘Heere, Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Ik zal U zoeken met verlangen, totdat ik U vind, want Gij zijt mijn God en U zal ik loven.’

O, die begeerte in het gemis kan zo sterk zijn voor een volk dat niet durft te zeggen het volk van God te zijn. Voor armen, voor hulpelozen, voor verslagenen. Maar die toch zeggen: ‘Ik zal U zoeken, totdat ik U vind. Ik zal voor de dageraad ontwaken, al leef ik nu nog midden in de nacht, en met gezang mijn God genaken!’

Ja, zo gaat hun hart uit. En dan vergeten ze het watervat. Ze zeggen dan tegen de inwoners van Sichem: ‘Kom, we hebben Hem gevonden van Wie in Mozes en de profeten geschreven is. Is Deze niet de Messias?’

 

We zingen nu eerst Psalm 36 vers 2 en 3:

 

Uw goedheid, Heer’, is hemelhoog;

Uw waarheid tot de wolkenboog;

Uw recht is als Gods bergen;

Uw oordeel grond’loos; Gij behoedt,

En zegent mens en beest, en doet

Uw hulp nooit vrucht’loos vergen.

Hoe groot is Uw goedgunstigheid!

Hoe zijn Uw vleug’len uitgebreid!

Hier wordt de rust geschonken;

Hier ‘t vette van Uw huis gesmaakt;

Een volle beek van wellust maakt

Hier elk in liefde dronken.

 

Bij U, Heer’, is de levensbron;

Uw licht doet, klaarder dan de zon,

Ons ‘t heuglijk licht aanschouwen.

Wees die U kennen mild en goed,

En toon d' oprechten van gemoed

Uw recht, waar z’ op vertrouwen.

Dat mij nooit trotse voet vertrapp’,

Noch boze hand in ballingschap

Ellendig om doe zwerven.

Daar zijn de werkers van het kwaad

Gevallen in een jammerstaat,

Waarin zij hulp’loos sterven.

 

En dan komen die inwoners van Sichem in groten getale naar Jezus. Maar hoe komt het toch, dat er zoveel mensen met deze vrouw meekomen naar Jezus? Terwijl het nu zo vaak gebeurt dat er zoveel preken gedaan worden, waarvan je de vruchten niet ziet? Dat er zoveel mensen anderen nodigen of anderen heenwijzen tot Christus en er zovelen onbekeerd blijven?

Weet u hoe dat komt?

Ach, deze vrouw verstond een heilige kunst. Ze zei niet tegen de man met wie ze leefde, haar onwettige man: ‘Zeg man, jij moet ook eens naar Jezus gaan.’

Dat doen wij vaak. Dan zeggen we: ‘Je moet dit of dat eens doen. Dat moet je zo en zo doen. Dan moet je dit en dat maar niet doen.’

Maar dat zei deze vrouw niet. Ze zei : ‘Kom!’ Ze redeneerde vanuit Jezus. Ze stond zelf in gedachten bij Jezus, al was ze in Sichem, en ze zei: ‘Kom!’ Ze zei niet: ‘Ga maar.’

 

In de opvoeding van onze kinderen zeggen wij vaak: ‘Je moet dit en je moet dat.’ Dan wijzen we de kinderen daar heen in plaats van dat we ze trekken.

U zult zeggen: ‘Is dat dan een verschil?’ Ja, dat is een groot verschil. Want we kunnen op zo’n geweldige afstand van Jezus staan, dat we Hem zelf niet meer zien. Dan zeggen we: ‘Je moet dit doen en dat doen, en dit en dat moet je niet doen.’ Maar dan hebben we veel meer van Mozes dan van Jezus. Ook al wijzen we naar Jezus, we zitten toch midden in de wet. Dan zien we godsdienst als een opeenvolging van plichten en gebeurtenissen. En dat kunnen we regelen. Maar daar gaat geen kracht van uit. Een ander ziet er niets van in ons leven.

Maar als we vlak bij Jezus staan en met Jezus leven, dan zeggen we: ‘Kom toch, kom ook, ik heb Hem gevonden, nu kan het voor u ook! Kom, Hij heeft zelfs mij aangenomen, die mijn leven vergooid en verknoeid had. Kom, hier is de Profeet. Hier is de Zaligmaker. Kom, zie Hem als goud. Zijn schatkamers zijn vol van heil en de rivier Gods is nog vol water!’

 

Begrijpt u het verschil? O, als we dicht bij Jezus staan, dan worden we zelf ook een bron. Dan gaan we daarvan iets in ons leven openbaren, zoals deze vrouw ook openbaarde. Dan voelen we de kracht van het reinigende water. De verfrissende kracht. De leven gevende kracht. De genade verlenende kracht. De zonde uitdelgende kracht. Dat is de kracht van Gods Woord. De kracht van Christus’ bloed. O, dat is een zoet leven. Zo in de gemeenschap met de Heere.

Zij rekende dus vanaf Hem. Niet vanaf de mensen, zoals de inwoners van Sichem, want die waren net zo verdorven als die vrouw. Mijn hart en uw hart is ook zo verdorven. Maar ik nodig u te komen in de schuilplaats van de Almachtige, Jezus Christus. Ik mag Zijn woord spreken. Ik roep u toe: ‘Kom, want Hij bewijst zondaren genade, om niet.’ Het eeuwige leven, zegt Hij, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Die eenmaal God gezien heeft in Christus, kan niet meer van Hem zwijgen. Het zal in hem worden een fontein, springende tot in het eeuwige leven.

 

De inwoners van Sichem vragen aan Jezus: ‘Meester, blijf bij ons.’ En Hij heeft hun gebed verhoord. Hij is twee dagen gebleven. In die twee dagen zijn er velen tot Hem gekomen. Er hebben zich velen tot Hem bekeerd in twee dagen.

O, zondaren, hoeveel dagen is Jezus al in uw midden? Hoeveel dagen staat Hij al op deze plaats en in het midden van de gemeente? Hoeveel jaren heeft Hij Zich al tot u neergebogen om de schatten van Zijn heil aan u te openbaren? Hij was maar twee dagen in Sichem en er was een grote stroom van Samaritanen, die zich door Hem liet zaligen.

Kom, Hij roept ook u! Laat de kostelijke tijd der genade niet voorbijgaan. Het is zo’n heerlijke tijd waarin we leven. Niet vanwege de omstandigheden, maar omdat het genadetijd is. Het is de welaangename tijd, de dag der zaligheid. Laat het niet voorbijgaan. Want na twee dagen ging Jezus weer weg…!

 

Ik weet niet wanneer Jezus van ons zal vertrekken. Maar dit weet ik wel: wanneer we ons hart voor Hem blijven toesluiten, zal er toch een tijd komen dat Hij van ons vertrekken zal. Luther heeft gezegd: ‘Het Evangelie is als een regenwolk; als hij uitgeregend is, dan trekt hij verder.’

Zo is het ook met de Levensbron in het leven van een mens. Zolang de druppels nog neervallen, zolang het Woord van God u nog gebracht wordt, verhard dan uw harten niet, maar buig u met de Samaritaanse vrouw aan de voeten des Heeren en bid: ‘Heere, wijs mij toch Uw wegen, die Gij wilt dat ik zal gaan.’ Dan zal Hij zeggen: ‘Hier is uw plaats, op dit ogenblik, op deze plaats. Buigt u aan Mijn voeten en Ik zal u geven het water des levens en het zal in u worden een fontein, springende tot in het eeuwige leven.’

 

O, ik weet het wel: hier blijven wij steeds een verdorven fontein. Niet om wat Hij geeft, maar om wat wij blijven. Hier blijven wij nog steeds mensen der zonden. Hier blijven we steeds onze oude, verdorven natuur, die bittere bron van allerlei zonden, met ons meedragen.

Maar dat reinigende water, dat Woord van God, dat Woord van Zijn genade, zal toch heerschappij hebben. Het zal hier op aarde reeds openbaar komen. Al is het geloof niet altijd levendig, het zal niet vernietigd worden. Hier zal toch nimmer de oude bron van wanbedrijven, die bron van nieuw leven, overspoeld kunnen worden. Daar zal Christus voor zorgen.

 

Als u in de strijd van het leven verkeert en u hebt dorst en u denkt om te komen, omdat u gelooft van uzelf dat u het bittere water der zonde weer zult innemen, denk dan aan dit woord van Jezus. Klem u eraan vast met al de kracht van uw wankelende ziel en zeg: ‘Heere Jezus, U heeft toch gezegd: Het zal in u worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.’

O, Hij heeft deze mensen op het oog: hongerigen, dorstigen, ellendigen en hulpelozen. Aan hen betoont Hij Zijn genade. Dat doet Hij nog. Dat doet Hij altijd weer opnieuw. Dat heeft Hij aan de Samaritaanse vrouw gedaan, dat doet Hij ook nu nog aan armen van geest.

 

Kom, hoe is het met onze ziel? Hoe staat het met ons leven ten opzichte van die Verlosser, die Levensbron, die stroom van Gods gerechtigheid? Drinken we nog steeds uit de zoute en bittere wateren van ons eigen ik, van de begeerlijkheid van het leven, de doodsheid van het leven, de wellust van het leven? Het leven gaat zo snel voorbij. U zult wederom dorsten. O, dat blijft. Dat is het refrein van elke dag. Dat is het refrein van elke week en elk jaar: die zal wederom dorsten. Maar die van dit water drinkt, hij zal zelf een springader worden.

Ja, dat is bij ogenblikken, wanneer de vreze Gods heerschappij heeft. Wanneer die bittere bron voor een ogenblik wordt toegesloten. Wanneer door dat levende water onze ziel begint te leven, gaan we goed spreken. Goed van God. Goed van Christus. Dan keuren we onszelf af. Dan vinden we onszelf niet beter dan deze vrouw. Maar dan beginnen we ook van Hem uit het Evangelie te verkondigen. Dan worden we allemaal een evangelist.

Dan gaat de vrouw naar haar dorpsgenoten en ze zegt: ‘Kom en zie!’ Zo doen wij dan ook. Dan zeggen we: ‘Kom man, kom vrouw, kom kinderen, laat ons samen Israëls Heer, de Rotssteen van ons heil, met eer, met godgewijde zang ontmoeten!’

 

Dan gaat er iets van uit, hoor. Daar kunt u vast van op aan. Die arbeid zal niet ongezegend blijven. Want Jezus heeft het beloofd: ‘Die zal worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.’

Wat is dat eeuwige leven?

Dat is altijd bij Jezus zijn!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 145:3

 

Zij zullen, uit de volheid van ‘t gemoed,

Gedachtig aan de milde overvloed

Van Uwe gunst, die roemen bij elkeen,

En juichen van al Uw gerechtigheên.

De Heer’ is goed en vriend’lijk en weldadig,

Barmhartig, mild, lankmoedig en genadig;

Hij doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken;

Zijn goedheid is verspreid op al Zijn werken.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 5) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2011).