Ds. Chr. van Dam - Hebreeën 4 : 15

De medelijdende Hogepriester

Verzocht in Zijn vernedering
Benodigd in Zijn verhoging
Verheerlijkt in Zijn bediening
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De medelijdende Hogepriester’ van ds. Chr. van Dam (Uitgeverij De Bron, Rotterdam).

Hebreeën 4 : 15

Hebreeën 4
15
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 49: 1
Lezen : Hebreeën 4
Zingen : Psalm 3: 2, 3
Zingen : Psalm 72: 8
Zingen : Psalm 119: 88

Geliefden, Paulus roept in Romeinen 7 vers 24 uit: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Paulus was niet bang om te sterven, daar verlangde hij zelfs naar. Maar wat willen deze woorden dán zeggen? Dat hij moede was van de zonde, die nog gedurig uit het verdorven bestaan als uit een onzalige fontein opborrelde. Dat noemde hij het lichaam des doods, dat hij, kind van God zijnde, zo moeilijk als kind leven kon. Hij was moe vanwege de zware strijd tussen vlees en Geest, gelijk allen die genade vonden in de ogen des Heeren diezelfde strijd te strijden hebben.

Gods kinderen worstelen met velerlei zwakheden en de omstandigheden kunnen ook wel eens buitengewoon moeilijk wezen, zodat zij behoefte hebben aan hulp, maar ook aan raadgevers. Zij weten het soms niet meer, en komen soms nog bij verkeerde raadgevers terecht ook, die de verwarring nog erger maken. Maar waar zullen zij een oprechte medelijdende vriend vinden, waar zij zich op verlaten kunnen in de duistere omstandigheden? Zelfs de allerbesten onder Gods volk kunnen immers nog dwalen!

Maar wat lezen wij daar nu van in de Heilige Schrift? Onze tekstwoorden vindt uw gewijde aandacht in Hebreeën 4 vers 15:

 

Want wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde.  

 

Deze woorden spreken van: De medelijdende Hogepriester.

 

1. Verzocht in Zijn vernedering

2. Benodigd in Zijn verhoging

3. Verheerlijkt in Zijn bediening

 

1. Verzocht in Zijn vernedering

 

De apostel had het over de vrijmoedige toegang tot de troon der genade, ondanks vele zwakheden en verzoekingen, die de ware gelovigen in dit leven onderworpen zijn. Ziende op zichzelf, wie zij zijn en blijven, ook na ontvangen genade, kan het zeer ver van die vrijmoedige toegang af zijn bij Gods kinderen.

In ons tekstverband vermaande Paulus de Hebreeën tot gehoorzaamheid aan het Evangelie, wijzende op de Israëlieten, die van het ongeloof overwonnen, niet konden ingaan in de rust, dat is Kanaän, het land der belofte, maar in de woestijn waren omgekomen.

Daarom drong hij er bij de Hebreeën op aan, dat zij met een vast vertrouwen hun toevlucht tot Christus zouden nemen. Hij bedoelde in vers 14: Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zone Gods, zo laat ons deze belijdenis vasthouden, dat de Hebreeën de leer van vrije genade Gods in Christus door het geloof standvastig moesten belijden, niet tegenstaande alle zwarigheden en vervolgingen, die hen daardoor waarschijnlijk zouden overkomen.

 

De haat tegen Christus en Zijn belijders was dodelijk. Als een Jood tot het christendom was overgegaan, werd de vreselijke vloek over zo iemand uitgesproken. Geheel uitgestoten uit de familiekring, zelfs doodverklaard of letterlijk in het geheim naar het leven gestaan, zo gingen dan de belijders van de Heere Jezus als ballingen over de aarde, bij de Joden geacht als uitvaagsel en aller afschrapsel.

En toch moesten zij volgens Paulus die belijdenis vasthouden, want zij hadden geen Hogepriester Die niet kon medelijden hebben met hun zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als zij was verzocht geweest, doch zonder zonde.

En de dierbare Heere Jezus heeft veel verzoekingen moeten doorstaan, alle verschillend van vorm en gedaante, want de Schrift verklaart het en dus is het in waarheid, dat Christus verzocht geweest is, doch zonder zonde.

 

Een kind des Heeren kan wel eens heel zwaar beproefd worden, en denken dat hun lijden zo zwaar is dat zij er onder zullen bezwijken, maar zij hebben een medelijdende Hogepriester Die oneindig veel meer geleden heeft. En dat is een krachtige beweegreden tot geloof en evangelische gehoorzaamheid.

Christus werd verzocht door de duivel in de woestijn, maar kwam als Overwinnaar uit de strijd, rein en heilig. Hij werd zwaar beproefd vanwege het heilig recht des Vaders, Wien het behaagde Hem te verbrijzelen. Hij werd verzocht reeds vanaf Zijn allervroegste jeugd in de pijnlijke besnijdenis en in de helse, listige vijandschap van Herodes de Grote, die het Kindeke zocht te doden, zodat Jozef en Maria met het Kindeke Jezus moesten vluchten naar Egypte.

Hoe zwaar werd Hij verzocht bij het opgroeien in Nazareth, waar Hij als de heilige Jezus moest leven te midden van zondige mensen en andere kinderen, die niets van Hem begrepen. Ook Maria begreep Hem niet, toen zij de twaalfjarige Jezus na angstig zoeken vond in het midden der leraren.

En bij Zijn optreden en zwerftochten door het land der belofte, hoe moest het Hem een lijden zijn, dat Hij altijd werd bespied door arglistige farizeeën en schriftgeleerden, die Zijn ondergang zochten onder een schijn van godsdienst.

 

Hij was wel een Goddelijk Persoon, maar Hij had ook een ware menselijke natuur, zonder de minste besmetting van de zonde, maar juist daardoor fijngevoelig, terwijl Hij wist dat het einde die vreselijke kruisigingsdood zou zijn en dat Judas Iskariot Hem verraden zou.

Zelfs de onkunde en dwaasheid Zijner liefhebbende discipelen verzwaarde Zijn lijden zeer. Niemand onder de mensen heeft ook het vermogen ooit gehad om het lijden en de verzoekingen van de Mens Christus Jezus tot in de grond te peilen, want het was een eeuwige diepte. Hij was heilig, onnozel, onbevlekt, en zulk een Hogepriester betaamde ons. Hij heeft geleden de ganse tijd Zijns levens, maar inzonderheid in Gethsémané, waar Hij de toorn des Vaders tegen de zonde heeft moeten dragen en uitblussen, terwijl Zijn discipelen sliepen.

 

Hij heeft de pers alleen getreden en niemand van de volkeren was met Hem. Hij werd verraden met een kus van een van Zijn discipelen. Hij moest Zich laten binden door de goddelozen, opdat Hij de gevangenen van satan kon verlossen van hun zondenbanden. Hij werd gedaagd voor de hoogste Joodse rechtbank als een godslasteraar en verleider, terwijl Petrus Hem driemaal verloochende en de petra van Zijn eeuwig Zoonschap losliet. Hij moest de petra, dat is de belijdenis dat Hij de Christus was, vasthouden, al tekende Hij daar bewust Zijn doodvonnis mee.

Met valse getuigen ging het goddeloze Sanhedrin Hem veroordelen onder een schijn van godzaligheid. En hoe handelden Pontius Pilatus en Herodes met Hem? Pilatus verklaarde dat hij geen schuld des doods in Hem vond en zond Hem naar de goddeloze Herodes, die Hem hoonde en bespotte, maar ten slotte gaf de laffe vertegenwoordiger van het Romeinse recht Jezus over aan de ruwe soldaten, die Hem, de heilige Jezus, wreedaardig geselden en gruwelijk mishandelden.

Wat Hij geleden heeft aan het kruis en vooral in de verlating Gods, is niet in woorden uit te drukken, daar is onze taal te arm voor. Hij is in alles verzocht geweest, in ziel en lichaam beide, terwijl Hij eer en heerlijkheid had bij de Vader eer de wereld was.

Wat het Hem gekost heeft als de Hogepriester van het eeuwig verbond om de schuld der Zijnen te betalen en eeuwige gerechtigheid voor hen te verwerven, dat gaat menselijke gedachten oneindig ver te boven. Hij moest de dood, de drievoudige dood, verslinden tot overwinning, om de Zijnen uit de wrede kaken van de dood eens vrij te maken. Hij heeft Zich doodgeliefd aan het kruis voor liefdeloze en eigenlievende schepselen.

Hij deed dat alles borgtochtelijk, maar ook voorbeeldig, dat wil zeggen dat Hij de Zijnen een voorbeeld ter navolging gegeven heeft, hoe zij zich gedragen moeten in tijden van hooggaande moeilijkheden, gelijk wij nog wel breder zullen aantonen.

 

Maar eerst willen we er op wijzen en elkaar er mee troosten, dat Hij door de verzoekingen die Hij zo zeer gehad heeft, als een medelijdende Hogepriester behoorlijk medelijden kan hebben met degenen die verzocht worden om Zijnentwil.

Als de beproevingen voor de gelovige Hebreeën zuiver kwamen van de zijde van de satan en de Gode vijandige wereldmacht en dus vloeiden uit dezelfde bron, namelijk de haat en vijandschap tegen God en Christus en de eeuwige waarheid, dan zou Christus hen niet begeven of verlaten. Hij zal met liefde en medelijden bidden voor hen tot de Vader, als een Hogepriester, omdat Hij Zelf ook verzocht geweest is in de staat Zijner vernedering. Zelfs als zij zich van alles verlaten zouden gevoelen, zou Hij gedenken hoe Hij daar hing aan het kruis in de drie-urige duisternis en in de Godsverlating, hoewel zonder zonde.

Maar niettemin was Hij niet alleen waarachtig God, maar ook waarachtig en rechtvaardig mens, zodat Hij verzocht was in lichaam en ziel beide. Hij wist hoe zwaar de verzoekingen konden zijn voor de gelovige Hebreeën, als zij uitgestoten werden van hun eigen familieleden, want Hij, de ware en onzondige Israëliet, was ook in Zijn vernedering van Zijn eigen volk uitgestoten als een godslasteraar, een verleider van Zijn eigen volk. Niet op grond van iets wat ooit gebeurd was, waarop zij Hem naar recht beschuldigen mochten, maar alleen omdat Hij de vrije, soevereine genade Gods boven al de wettische gerechtigheid en dienstbaarheid stelde.

Het ging over de vraag of de mens zelf zijn zaligheid verdienen kon, of dat men alleen behouden kon worden door het bloed en de gerechtigheid van Christus. En die strijdvraag was ook bij de gelovige Hebreeën, dus moest Christus worden

 

2. Benodigd in Zijn verhoging

 

Vanwege de menigvuldige zwakheden, waarmede zij te worstelen zouden krijgen, zodat zij in eigen kracht nooit zouden staande blijven in de zware strijd tegen de driehoofdige vijand, de duivel, de wereld en hun eigen vlees. Vooral omdat zij, nog zwak zijnde in het geloof, geneigd waren te luisteren naar de wettische leraren, die overal bezig waren verwarring te stichten, door te eisen dat de wet van Mozes moest worden onderhouden en dat de gelovige heidenen zich moesten laten besnijden. Heel de brief aan de Hebreeën is er op gericht de gelovige Joden voor hen te waarschuwen.

 

Paulus was voorheen zelf een wettische drijver geweest tot in het uiterste toe, menende dat hij tegen Jezus vele wederpartijdige dingen moest doen. Maar hij had het voor Christus mogen verliezen op de weg naar Damascus door de kracht der Goddelijke genade. Hetgeen hem tevoren gewin was, had hij om Christus’ wil schade geacht, en geleerd dat de mens alleen maar kon gerechtvaardigd worden door het geloof, zonder de werken der wet.

Christus had de wet vervuld en van haar vloek ontwapend en een eeuwige gerechtigheid verworven, die Hij de Zijnen toepast door Zijn Woord en Geest en die van de zijde van de mens moet worden aangenomen door het geloof.

Paulus had er vele vijanden door gekregen, dat hij de Heere Jezus zijn Zaligmaker durfde noemen, terwijl hij Hem eerst vervolgd had.

 

Daar moesten de Hebreeën wel rekening mee houden, dat zij gehaat en vervolgd zouden worden om Zijns Naams wil, en toch moesten zij de goede belijdenis vasthouden.

Paulus, de grote geloofsheld, bedoelde: Laat ons Hem nooit verloochenen, laat niemand zich schamen voor wie dan ook, dat wij christenen zijn. Laat ons de leer van de rechtvaardigmaking door het geloof goed in het geheugen planten, met de praktische toepassing van die leer op ons leven.

En al zouden wij doordrongen zijn van de leer der waarheid en al zou ons leven er naar zijn, dan verkeren wij nog altijd in het gevaar om dat steunpunt te verliezen, door de verdorvenheid der menselijke natuur, de verzoekingen van de satan en de aanlokselen van de boze tegenwoordige wereld.

En hoe vreselijk zou het zijn, als de uitnemendheid van die medelijdende Hogepriester door onze afval van Hem, zou maken dat Zijn Naam gesmaad en gelasterd zou worden, hetgeen altijd het ergste is onder snode afvalligen.

Daarom, kennende onze eigen zwakheid en kleine kracht, zou de uitnemende grootheid en heerlijkheid van Christus met te meerder geloofsvrijmoedigheid moeten nopen om Hem te hulp te roepen in de zware geestelijke strijd. En dat te meer, omdat Hij behoorlijk medelijden kan hebben met onze zwakheden, omdat Hij in de staat Zijner vernedering verzocht is geweest in alle dingen, gelijk als wij, doch zonder zonde.

Hij kent al de noden der Zijnen, want er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem, gelijk Hij Zelf getuigd heeft in Openbaring 2 vers 23: En al de gemeenten zullen weten, dat Ik het ben Die nieren en harten onderzoek. Niemand kan zich voor Hem verbergen. Alles ligt bloot en geopend voor Hem. Hij weet wat in ons is, waar het ons om te doen is, of wij Hem de eer gunnen die Hem toekomt.

Ofschoon Hij nu verhoogd is boven alle overheid en macht, wil Hij evenwel medelijdend zijn ten aanzien van Zijn arm volk in hun zware strijd en vele verzoekingen. Hij is vriendelijk en teder bezorgd voor al de Zijnen en zij mogen met al hun zorgen gedurig tot Hem komen. Nooit zal Hij het moede worden om te luisteren naar hun vaak droeve klachten. Altijd weer zal Hij wegen weten te vinden waarlangs hun voet kan gaan.

Dat door het geloof meer gebruik werd gemaakt van die uitnemende, liefdevolle en medelijdende Hogepriester, Die aan de rechterhand Zijns Vaders altijd leeft om voor Zijn volk te bidden.

 

Niet alleen in Paulus’ dagen waren zwakgelovigen voortdurend in gevaar om Christus te verloochenen, doch ook in deze tegenwoordige tijd zijn de verzoekingen groot en vele voor jonge christenen, die nog zwak zijn in het geloof. Ook in deze tijd valt de driehoofdige doodsvijand op de wedergeborenen aan, om ze er toe te brengen hun Heere en Koning te verloochenen, gelijk Petrus deed in de zaal van Kajafas.

De listige omleidingen des satans zijn ontelbaar en zijn listen zijn hen vaak nog te onbekend, zodat zij al in de strik gestapt zijn voordat zij er erg in hebben. Hadden zij nu het gevaar meer in de gaten, dan zouden zij voorzichtiger wandelen en meer de medelijdende Hogepriester, de verheerlijkte Immanuël nodig hebben.

Maar er wordt meestal nog te veel gesteund op eigen krachten, en men moest meer denken aan de waarschuwing die de Heere Jezus gaf aan Petrus voordat hij Hem verloochende. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

 

Als de Heere in het eerst de mens uit de zonde en de wereld trekt en oprecht de goede keus gedaan wordt om liever met Gods volk kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben en daarna de dood, dan kan men zich niet indenken dat het later nog weer zo laag kan aflopen. En ook is er dan nog geen ervaring van de vele verzoekingen,waarin degenen die de Heere vrezen kunnen komen. Zelfs door het kiezen van verkeerde vrienden onder het volk van God.

Er zijn soms zulke grote verschillen in levenservaring en ligging, alsmede in de karaktereigenschappen, dat het soms maar heel kort duurt dat men met elkander leven kan. Grote verwarring en ernstige botsingen kunnen daaruit voortkomen. Harde slagen kunnen gegeven worden, die tot grote moedeloosheid leiden kunnen. En al haalt de Heere de oprechten wel weer uit de banden, het kan toch wel eens zijn dat al geneest de wond, dat er toch littekens achterblijven.

Weer anderen bouwen lichtvaardig op in de gestalten en werkzaamheden, waardoor de werkzaamheden belemmerd worden. Zij moeten een Borg hebben om voor God te kunnen bestaan, daar niet één zijn hemelhoge schuld door enig mens buiten Christus zal kunnen voldoen.

Ook onvrijmoedigheid, mensenvrees en valse schaamte zijn grote hinderpalen op de weg des levens, vooral voor van verre staande zielen. Wel hebben zij een verborgen leven met de Heere, maar tegen mensen durven zij niet te praten over wat er in het hart omgaat. Dat is ook heel jammer, want de Heere heeft Zich een volk geformeerd, zij zullen Zijn lof vertellen.

Mocht in al die mogelijke gevallen meer de toevlucht genomen worden tot de verhoogde en verheerlijkte Immanuël, Die behoorlijk medelijden kan hebben met al onze zwakheden.

 

Maar ook voor de meer gevorderden op de weg naar de hemel komt het er op aan, of men de goede belijdenis van Jezus Christus en Dien gekruist wel goed vasthoudt en niet onder stoelen of banken steekt door een te grote vriendschap met de lieden wier deel in dit leven is.

Hoe vaak speelt ook bij hen de onvrijmoedigheid nog een grote rol in het leven. Vooral in het getrouw waarschuwen tegen de zonde der wereldgelijkvormigheid komen vele kinderen Gods te worstelen met gebrek aan vrijmoedigheid. Er is soms meer behoefte aan een valse vrede dan aan een heilige oorlog, maar dat is niet een behoefte gewerkt door de Heilige Geest.

 

In dat alles wacht het op een meerdere bediening van de medelijdende Hogepriester, gezeten aan de rechterhand des Vaders in de hoogste heerlijkheid. Hij weet al de zwakheden van de Zijnen en dat het hun teveel aan moed en kracht ontbreekt. Zij gevoelen zich soms zo gesloten en kunnen dan onmogelijk uitkomen, al bevredigt het hun ziel niet. Zij kunnen zich uit- en van zichzelf niet roeren noch bewegen, en worden gewaar dat zij zonder Christus niets kunnen doen.

De Heilige Geest is wel Inwoner in het hart, maar Zijn werkingen worden niet altijd zo waargenomen. Het kan zo stil liggen in het hart van Gods kinderen en de handen kunnen slap hangen en de knieën kunnen struikelen. De dagen der duisternis kunnen vele zijn, vooral in geesteloze tijden, gelijk wij tegenwoordig beleven. De liefde kan verkouden en de ongerechtigheid gaat dan vermenigvuldigen.

Als Christus niet een medelijdende Hogepriester was, Die behoorlijk medelijden kan en wil hebben met onze zwakheden, waar moesten wij dan aankomen? En hoe meer men met al dat tekort bekendgemaakt wordt, hoe meer men Christus zal nodig krijgen om alvervullende genade te mogen ontvangen. Arm makende genade is dan ook een rijke genade, want in die weg wordt de gezegende Middelaar

 

3. Verheerlijkt in Zijn bediening

 

Christus is van de Vader uitermate verhoogd, en Hem is een Naam gegeven die boven alle naam is, opdat in de Naam van Jezus alle knie zich buigen zal. Hoe lager Zijn volk buigt, hoe meer Hij verheerlijkt wordt. En hoe armer zij zich gevoelen, hoe meer die rijke Christus waarde voor hen krijgt. Hoe meer zij sterven aan alles buiten Hem, hoe meer zij zullen leven met Hem en voor Hem.

Eigen krachten te verachten, wordt op Jezus’ school geleerd, al is het een hardleers volk, dat maar heel weinig vorderingen maakt in dat stuk. Neem nu maar dat moeilijke geval, dat Gods volk er maar al teveel met hun verstand tussen zit. Men wil zonder dat men er erg in heeft de Heere al teveel voorschrijven hoe het zou moeten gaan met hun geestelijk leven.

 

De Heere heeft er heel veel werk aan om het verstand der verstandigen teniet te doen, opdat zij Christus zullen nodig krijgen in de bediening van Zijn profetisch ambt. Hij is toch de Leraar der gerechtigheid, de opperste Wijsheid. Wat weten wij, wat goed of kwaad is? Voor het geloof is alles goed wat de Heere doet. Hij wil de Zijnen leren door Zijn Woord en Geest.

Wij maken Hem moeite met onze ingebeelde wijsheid en al dat redeneren over godsdienst, want het is nog vaak onschriftuurlijk, wat er gezegd en gedacht wordt. Voor hen die het niet meer weten hoe het moet, wil Hij de weg der zaligheid leren. De eenvoudigen wil Hij gadeslaan in gunst en liefde. Die met hun geestelijke toestand geen raad meer weten, zullen aan Hem een Raadgever hebben Die volkomen betrouwbaar is. Hij zal hen onderwijzen in de weg die zij te gaan hebben. En Zijn hemelse onderwijzingen en Goddelijke lessen zijn zoeter dan honing, ja dan honingzeem, voor Zijn arm volk in het strijdperk van dit leven.

 

In duistere voorzienigheden Hem nodig te hebben, om de weg des Heeren te mogen weten, dat is de enige weg om smartelijke teleurstellingen te voorkomen. Hij doet het nooit verkeerd.

Gods volk maakt zich zoveel zorgen die hun niet door Christus worden opgelegd. Indien maar meer geloof geoefend werd omtrent Zijn lerende bediening, wat zou dat de gemoedsrust en vrede ten goede komen.

Maar hoeveel valt hier te leren, heel het leven door, tot aan de dag des doods toe. Hoe menigmaal stelt men zich zonder het te weten boven het Woord, het tegensprekende of geheel verkeerd toepassend om eigen mening staande te houden. Het zou beter zijn als men zich liet leiden door het Woord, er ver onder staande met levende behoefte aan verlichting van de kennis van Christus door de Heilige Geest.

Wij dwalen zo vaak als schapen die geen herder hebben, en dan gaan wij op de dorre heide van ons duistere verstand grazen, terwijl wij overvloed konden hebben en rust op de grazige weide van het dierbare Woord Gods. Dan zou de Heere ons leren van Zijn wegen en wij zouden meer geheiligd verstand ontvangen in de plaats van het zo verduisterde verstand.

 

Ook om de bediening van het priesterambt mocht Gods volk meer en meer licht ontvangen. Dan zouden onze offers geheel en al hun waarde verliezen als grond voor de eeuwigheid, want die ligt alleen in het eeuwig geldend offer van Christus Jezus aan het kruis volbracht.

Hij is wel een medelijdende Hogepriester, Die behoorlijk medelijden kan hebben met al onze zwakheden, omdat Hij Zelf verzocht is geweest in de staat Zijner vernedering, ofschoon zonder zonde. Maar toch is het nog een groot tekort als de ziel de hoop op de zaligheid laat afhangen van de eigen tranen en werkzaamheden. Zijn die er niet, dan laat men de moed zakken. Zijn die er wel, dan rijst de hoop weer. Men mist daardoor alle vastigheid en men staat bloot voor de bestrijdingen van de vorst der duisternis.

Wij weten wel dat de mens van de Heere ontvangen moet licht in de diepe verborgenheid, dat van de mens niets meer in aanmerking komt als grond voor de eeuwigheid, maar daarom moest er meer gevraagd worden om ontdekkend, naar binnen kerend licht, opdat op alle eigen werk de dood werd geschreven, en de rust en vrede meer gezocht werd in het werk van Christus. Hij heeft een gerechtigheid verworven, alleszins genoegzaam om zalig te maken die in waarheid om Hem verlegen mag zijn.

 

En dat geldt niet alleen ten aanzien van Zijn offerande, maar ook ten opzichte van Zijn gezegende voorbidding, alzo Hij daar in de hemel altijd leeft om voor Zijn volk te bidden. Zijn voorbede is onafwijsbaar gegrond op Zijn volmaakte lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid.

Daarom ligt de veiligheid van Gods volk vast in Christus, en dat niet alleen in Zijn offerande, maar ook in Zijn voorbidding, waarvan de vrucht is dat de Heilige Geest zucht in het hart met onuitsprekelijke verzuchtingen.

Daaraan kan men weten of men in de voorbidding van Christus begrepen is, want Hij biedt niet voor de wereld, maar voor degenen die Hem van de Vader gegeven zijn, en voor wie Hij geleden heeft en gestorven is. Dat zijn de gezegenden des Vaders, welke Christus zegent in de Naam des Vaders.

 

Hoe veilig is de staat van het volk van God! En hoe meer zij de grond in hun gebedsleven verliezen, hoe meer deze voorbidding hun kracht en sterkte wordt, vooral bij het naderen van de dood. Zijn rijke geestelijke zegeningen maken hun hart vast in de hoop op het eeuwige leven. Maar voor zover zij zulk een onuitsprekelijke weldaad met een gelovig hart aannemen, want de oefeningen des geloofs kunnen zwak zijn. Maar de zegen des Heeren maakt rijk, en Hij voegt er geen smart bij.

De zo grote moeilijkheden van het leven kunnen gedragen worden door de zegeningen van het genadeverbond. De smart vanwege kruis en druk wordt geheiligd aan het hart dergenen die Hem vrezen en Sions Koning hebben uitgeroepen tot Koning over hun hart. Zijn arme onderdanen mogen wel eens kennelijk wat ontvangen van Zijn schatten. Zelfs zo, dat zij wel eens zingen: ‘Ik ben met rijkdom overladen, wereldling, ik heb een schat.’ Schatten die voor de wereld verborgen zijn, worden in de hemelen voor hen bewaard.

Hij weet al de Zijnen te wonen in de wereld. Hij trekt hen uit de wereld, door Woord en Geest. Hij vergadert hen tot een gemeente der uitverkorenen uit alle volken, natiën en talen. Hij regeert over de ganse aarde, want de Vader heeft ook de teugels van het wereldgebeuren gelegd in Zijn doorboorde Middelaarshanden, zodat Hij de Zijnen beschermt en bewaart voor allerlei gevaren. Bovenal voor de macht van de vorst der duisternis, die altijd loert op dat volk, om ze ten val te brengen.

 

Onder Zijn hoede zijn ze veilig. Hij bewaart hen tot de zaligheid in de kracht Gods. Hij voert als Koning Zijn soldaten aan tot de heilige oorlog tegen alles wat zich tegen Hem verheft. Hij leidt ze tot de overwinning, hoewel het slechts een zeer klein onderdanental is, die onder Zijn banier moeten strijden tegen een heel machtige vijand, te weten: de duivel met zijn handlangers.

En toch overwinnen? Ja, maar niet in eigen kracht, en niet met menselijke, vleselijke wapenen, maar met het gebed, door Luther genoemd het grof geschut van Gods volk, waar de duivel het bangst van is. Redenen zonder indruk van Gods majesteit, daar lacht hij om, maar als dat volk hun Koning te hulp roept, dan gaat hij wel op de vlucht. Als Zijn onderdanen moedeloos worden en met Elia onder de jeneverboom terechtkomen, dan versterkt hij ze met de tekenen van Zijn gunst en tegenwoordigheid. Hij geeft de moeden op Zijn tijd weer kracht om door te gaan met strijden, een ieder op zijn plaats.

Want de eens verguisde Koning van Sion heeft stoottroepen, die moeten aanvallen, frontsoldaten die in de vuurlinie staan met levensgevaar, maar ook de aanvoertroepen achter het front, en die zijn ook nodig, vanzelf alles in overdrachtelijke betekenis. Die Gideonsbende, door Christus aangevoerd ten strijde, mag het wel eens ondervinden dat hun Verlosser nabij is, als de nood op het hoogste is.

 

En die strijd zal duren, tot het laatste der dagen, maar de soldaten worden op de juiste tijd afgelost, en dan gaan zij naar hun eeuwig huis, om overwinningsfeest te vieren met hun Koning en de eerder afgeloste strijders.

Daar rusten de vermoeiden van kracht. Daar genezen de opgelopen wonden. En daar is geen nood of gevaar meer te duchten van welke zijde dan ook. Daar zal eeuwige vrede heersen, die nooit meer verstoord zal kunnen worden.

Laat het dan hier op aarde een strijdend leven voor dat volk van God zijn, het is toch een zeer gelukkig en rijk bevoorrecht volk, vooral die reeds in de dagen hunner jongelingschap Zijn onderdanen geworden zijn en reeds de wapenrok gedragen hebben, want zij zijn meer aan de strijd gewend, alsmede aan de bevelen van hun Koning. Zij strijden in de volle wapenrusting Gods tegen de listige omleidingen des duivels, waarvan de Schrift zo duidelijk spreekt in Efeze 6 vers 11: Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.

De strijd kan zwaar zijn, maar het is de goede strijd des geloofs. Er is ook veel strijd, altijd en overal, maar dat het geen goede is maar een kwade strijd, geen strijd des geloofs, maar des ongeloofs, waar de bediening van de ambten van Christus in gemist wordt.

De goede geloofsstrijd loopt over de eer van de Vader en de Zoon door de Heilige Geest, maar ook over de waarheid en de gemeente van de levende God. Het is de tegenstelling, zelfs een krachtmeting tussen natuur en genade.

 

Al hebben Gods kinderen van zichzelf geen wapens en kracht om te strijden, de verheerlijkte Immanuël snelt ter hulpe, want Hij is de medelijdende Hogepriester en Sions eeuwige Koning. En dat is heel groot, want zonder Hem kan dat volk niets doen. Maar met en door Hem zal dat volk in de strijd de overwinning behalen. Zij lopen in de loopbaan, jagend naar het wit van de prijs der roeping Gods, die van boven is. Worden zij de zware strijd wel eens moe, zij zal niet altijd duren. Er blijft een rust over voor het volk van God, naar de belofte Gods, die eens vervuld zal worden.

 

Zingen wij daarvan uit Psalm 72 het achtste vers:

 

‘Zo moet de Koning eeuwig leven!’,

Bidt elk met diep ontzag;

Men zal Hem ’t goud van Scheba geven;

Hem zeeg’nen dag bij dag.

Is op het land een handvol koren,

Gekoesterd door de zon,

’t Zal op ’t gebergt’ geruis doen horen,

Gelijk de Libanon.

 

Welk een bemoediging ligt in het woord van onze tekst voor de ware kinderen Gods en die vaak nog zwak zijn in het geloof, heel veel met een groot tekort en vele zwakheden door het leven gaan, als ongetroosten, door onweder voortgedrevenen. Moedeloos bij de pakken neerzittende, vrezen zij nog alles te missen en dat hun werk geen waarheid is. Het is ook zulk een grote zaak om zalig te worden.

Hoe ongelukkig maakt het zijn ziel, dat hij heilig zou willen leven en dat de kracht der aanklevende verdorvenheid weer openbaar komt in de huiselijke kring. Het priester zijn in het gezinsleven, als er moeilijk te leiden kinderen zijn, die met geweld de wereld in willen gaan. De man en vader is niet bij machte het gezag te handhaven, vooral als de moeder de kinderen de hand boven het hoofd houdt.

In de maatschappij, op de fabriek of op het kantoor bespot en veracht te moeten samenwerken met openbare goddeloze vloekers, ook dat is voor vele broeders in de Heere Jezus Christus een zeer zwaar kruis, vooral omdat men de vrijmoedigheid mist om voor de waarheid uit te komen. Zo zijn mannen, begiftigd met de vreze Gods, soms te beklagen. Als men dan daarbij soms nog een ambt in de gemeente moet bekleden, dan kunnen daaruit ook nog vele moeilijkheden voortkomen. Alles tezamen genomen is het niet te verwonderen dat de moed wel eens in de schoenen zinkt.

 

Anderzijds moeten wij ook niet vergeten dat ook godvrezende moeders het heel erg zwaar kunnen hebben met opstandige kinderen, soms gesteund door een onverstandige vader, die vervreemd is van het leven in de vreze Gods. Bij de vele drukke bezigheden in het gezin is het toch al niet gemakkelijk, maar als daarbij een stil verdriet komt over een verschil van levensinrichting, dan worden er in stilte tranen gestort. Omdat er met niemand gepraat kan worden uit het gezinsleven, blijft er niet anders over dan de eenzaamheid te zoeken en het hart uit te storten voor Hem, Die als de medelijdende Hogepriester behoorlijk medelijden kan hebben met onze zwakheden, omdat Hij in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.

Daarom komt Gods volk er door. Niemand zal ze uit Zijn hand rukken. De satan mag kinderen wegrukken van het hart van de ouders onder de toelating Gods, maar Christus laat de Zijnen niet los, al rukt de satan ook of hij hen uit des Heeren hand zou kunnen rukken, hetgeen hem nooit gelukken zal. Laat ons de macht en list des satans niet onderschatten. Maar Christus Jezus heeft hem de kop vermorzeld, en daarin ligt de veiligheid van al Gods volk.

 

Laat de wereld dat volk verachten; de Heere troost hen uit Johannes 15 vers 18 en 19: Indien u de wereld haat, zo weet dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld.

Daar zit dan ook de bron van de vijandschap der wereld, dat de zonden die de wereldlingen indrinken als water, van Gods volk bestraft worden door hun woord en wandel, want zij kunnen overal niet meer aan meedoen. En de wereld wordt daardoor veroordeeld, en daar vloeit de haat en vijandschap uit voort.

Maar laat ons dan tot Hem uitgaan, buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende, want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Laat ons maar vreemdelingen zijn op aarde, zoekende een stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Laat ons de wereld beklagen en niet benijden, al hebben zij voorspoed, eer en roem, op welk terrein dan ook. Het niet in de gunst van God hebbend, kunnen alles weer verliezen en eindelijk als diep ellendigen verloren gaan.

 

Asaf was ook een zwaar beproefd mens, en ziende der goddelozen voorspoed was hij in opstand. Maar toen hij in het heiligdom werd ingeleid, werd hij het eens met God en Zijn weg en toen wilde hij met de goddelozen niet oversteken.

 

De wereld is te beklagen vanwege de blindheid en de vijandschap tegen Christus, waarvan de profeten Gods onder het Oude Testament zo duidelijk gesproken en geschreven hebben. Hoe is hun woord bevestigd in de tijd van Christus’ omwandeling op aarde, maar ook daarna, alle eeuwen door, tot op de huidige dag toe.

De wereldling meent aards geluk te kunnen vinden in de zonden, die echter een zeer bittere nasmaak zullen hebben. Nietige ijdelheden hebben nog nooit één mensenhart kunnen vervullen, omdat het naar God geschapen is en het niet rusten kan, zolang het niet rust in God en in de Rustaanbrenger Jezus Christus.

Rusteloos worstelen duizenden zich door deze woelige wereld, wetende dat zij omringd zijn door gevaren, die in één ogenblik een einde kunnen maken aan het leven. Laten, onder de toelating Gods, de wederwaardigheden vele zijn voor het volk, zelfs zo dat zij geen raad meer weten, zij vluchten er mee tot de opperste Wijsheid, Die wegen weet te banen, waarlangs hun voet kan gaan.

 

Hij kan en wil raad geven, wat moeilijkheid ook aan de orde is, want Hij heet Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Het is zelfs Zijn eer als de Zijnen het niet meer weten en bij Hem om raad komen. Het is jammer dat Zijn volk dikwijls tracht klaar te komen door eigen verstandelijk overleg, waar alleen teleurstellingen uit voortkomen. Dat de Heere voorbijlopen heeft al wat smart en schaamte teweeggebracht, en dat soms meermalen in een mensenleven.

Wij weten het dikwijls zo goed hoe het moet, beide in natuurlijke en geestelijke zaken, dat wij Hem aan Zijn plaats kunnen laten. Het is een voorrecht als de Heere het verstand van de verstandigen tenietdoet, hoe pijnlijk het ook moge zijn voor de hoogmoedige natuur. Een lage plaats te mogen innemen voor Hem en een hoge gedachte te mogen hebben van de Zaligmaker, is alleen de vrucht van de bediening van de Heilige Geest.

Armmakende genade is grote en rijke genade. Hij wil een rijke Christus zijn voor arme zondaren. En dat niet alleen in Zijn profetisch, maar ook in Zijn priesterlijk ambt. Hoe meer de mens gevoelt dat al zijn eigen offers tekortschieten om de schuld voor God te kunnen voldoen, hoe meer waarde de eeuwig geldende offerande van Christus krijgt. Hoe dierbaarder Zijn offer wordt, hoe minder de ziel Hem missen kan en hoe onmisbaarder Zijn Persoon wordt.

Is dat nu zo, laat ons dan maar blijven zitten als een Maria te Bethanië aan Zijn voeten. De medelijdende Hogepriester hoort een arme zondaar met ontferming en komt op Zijn tijd de ziel troosten, die schreiende tot Hem vlucht.

 

Ook verdergaande ontlediging is nuttig en nodig, ook ten opzichte van het gebedsleven. Zonder dat men het beseft heeft de ziel veel meer grond in het gebed dan goed is, want de grond van zaligheid ligt geheel in het offer en de daarop gegronde voorbede van de Heere Jezus Christus, want die is onafwendbaar en daarom voor een ontdekt en geoefend volk zo dierbaar.

 

De zegeningen van Hem zijn menigvuldig, zowel voor de tijd als voor de eeuwigheid. Hij is Sions eeuwige Koning. Mochten wij door genade Zijn onderdanen zijn of worden, want dat zal nodig zijn, want die alleen voert Hij naar de eeuwige overwinning, na een zware strijd tussen vlees en Geest. Dat het er om te doen mocht zijn, om Hem te mogen toebehoren, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.

Het zal er nauw op aankomen of het wel waar is dat wij Hem toebehoren. En dat zal dan toch duidelijk moeten blijken uit de vruchten des Geestes, onder welke de liefde een der eersten is. Liefde tot God en Zijn Woord en Zijn volk zal duidelijk aanwezig moeten zijn, alsmede vernedering des harten en de ware zelfverloochening.

Ware genade heeft haar eigenschappen, en als die gemist worden, is een nauwkeurig zelfonderzoek noodzakelijk, want wij hebben een zeer bedrieglijk hart. Wat men graag wil, gelooft men soms maar al te gauw. De listige omleidingen des duivels zijn vele. De Heere moge ons bewaren voor zelfbedrog. Het gaat om eeuwig wel of wee en dat is geen kleinigheid waar men lichtvaardig mee moet handelen. Laat ons ook toezien op elkander ten goede.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 119: 88

 

Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond

Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen;

Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ’t rond,

Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren.

Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond;

Want hij volhardt naar Uw geboôn te horen.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De medelijdende Hogepriester’ van ds. Chr. van Dam (Uitgeverij De Bron, Rotterdam).